Chr. Huygens | < Oeuvres XVII > | Brontekst

Hevelius , verklaring , bogen , cilinders , Scheiner 1630 , kruis , zuil


[ 425 ] OC
    § 35.  Laten we nu verder de waarneming van Hevelius bezien, van 20 febr. 1661, waarin meer zonnen en meer cirkels zijn op te merken, en in beide gevallen enkele met een ligging die verschillend is van de voorgaande. En omdat de oorzaak daarvan niet gevonden kan worden in de rechtop staande of wanordelijk zwevende cilinders (want onze glazen cilinder [<], in allerlei posities gezet, brengt niets anders tevoorschijn dan wat in het genoemde verschijnsel van Rome voorgekomen is), moet behalve dit nog iets anders in de lucht gebeurd zijn. Waarvan ik toch zal aantonen dat het niets is geweest dan een andere positie der genoemde cilinders, die we nog niet beschouwd hebben.
Maar laat ons eerst het verschijnsel weergeven met de woorden van Hevelius zelf en met een gelijkende figuur.


Bijzonnen van Hevelius, 20 febr. 1661.

Zeven zonnen waargenomen in Danzig.
  [Fig.]

    In het jaar 1661, zondag 20 febr. (nieuwe stijl) om ongeveer elf uur, terwijl de Zon dichtbij de meridiaan stond, en de hemel overal helder was, zijn tegelijk zeven zonnen zeer helder verschenen, deels witachtig, deels met verschillende kleuren, met bij sommige een zeer lange van de Zon af gerichte staart, die van tijd tot tijd heen en weer bewoog, en sommige met witachtige kruisen, in verschillende cirkels; & wel in deze gedaante, in volgorde.
1. De echte Zon A, 25° hoog ongeveer, omgeven door een bijna volledige cirkel GBIC van 45°, in verschillende kleuren, namelijk purper, rood & geel, duidelijk als van een regenboog, waarvan de binenrand nauwelijks 2° 30' boven de horizon was.

[ 427 ]
halo, 2 cirkels rond zenit, bogen, bijzonnen
[ Horizon,   Zenith.     Opusc. post.: 366.]
 
2. Aan beide zijden, bij B & C, naar het westen en oosten, werden twee pseudo-zonnen gezien, veelkleurig, vooral aan de kant van de Zon, met zeer lange en dikke staarten, maar witachtig, & eindigend in een punt.
3. Een andere veel grotere cirkel YXHVZ, bijna 90° in diameter, omringde de Zon & de eerste kleinere cirkel GBIC, zich uitstrekkend tot de horizon zelf. Bovenaan was hij door kleuren zeer in het oog vallend, maar aan de zijden wat flauwer, & dunner.
4. Bij de toppen van beide genoemde cirkels werden twee omgekeerde bogen gezien, eveneens met verschillende kleuren, heel sierlijk & helder, tegen G & H beschreven om het zenit als middelpunt: van die onderste boog QGR was de diameter 90°; en van de andere bovenste & kleinere THS 45°. Midden in de onderste boog bij G, waar hij samenviel met de cirkel BGC, blonk nog een pseudo-zon, maar matter en zwakker van kleur & licht.
5. Er is een enorme cirkel BEFDC ontdekt, veel groter dan de vorige, eenkleurig, witachtig, evenwijdig met de horizon, oftewel van de gezichtseinder overal ongeveer 25° verwijderd, 130° in diameter, als het ware zijn oorsprong ontlenend juist aan de nevenbijzonnen B en C. En daarin schitterden bovendien drie bijzonnen, geheel zilverachtig van kleur, of liever wit: één ervan was in D, naar het oosten, bijna 90° van de ware Zon verwijderd, een andere in het westen bij E, en een derde F stond in het noorden, precies tegenover de ware Zon; alle hadden gelijke kleur & helderheid.
Voorts hebben we door de pseudo-zonnen D & E (de oostelijke & westelijke) andere stukken gezien van een zeer grote cirkel, door de pool K van de ecliptica, naar de horizon tot aan P & N, en wel schuin door de met de horizon evenwijdige cirkel (maar bij de ecliptica loodrecht invallend), en daar duidelijk witachtige kruisen makend.
Zodat tegelijkertijd zeven Zonnen heel duidelijk waargenomen werden; ja, als ik dit verschijnsel vlugger had opgemerkt op een hogere plaats, twijfel ik er niet aan of ik had bovendien nog twee bijzonnen ontwaard bij H & I, en dus negen in totaal: want er waren daar sporen van die aard, waaruit dit heel wel opgemaakt kon worden.

    Dit buitengewone & zeer aangename verschijnsel nu heeft geduurd vanaf ongeveer 10 h 30' tot 11 h 51'. Toch schitterde het niet de gehele tijdsduur aanhoudend in dezelfde gedaante, maar het nam geleidelijk steeds weer een andere vorm aan. In het begin, omstreeks elf uur, werd wel de beschreven aanblik opgetekend, maar daarna ging het langzamerhand afwijken.
Het eerst verdween de noordelijke pseudo-zon F, met een deel van zijn cirkel; de overige bijzonnen met hun bogen bleven geheel in stand tot 11 h 10'. Vervolgens doofde de oostelijke pseudo-zon, en later de westelijke, met elk van beide kruisen. Even later veranderden op hun beurt de twee nevenbijzonnen B en C, nu eens was de ene helderder dan de andere, & duidelijker gekleurd, dan weer matter & donkerder. Want om 11 h 18' was de westelijke bijzon B heel opvallend, terwijl de oostelijke C daarentegen minder werd. Omgekeerd kwam om 11 h 24' de oostelijke zeer helder te voorschijn; zodat hij om 11 h 40' nog duidelijk onderscheiden werd, terwijl de westelijke intussen geheel en al verdween.

[ 429 ]
Hoe dan ook, de laatste had voortdurend een staart vertoond die meestal langer was dan de oostelijke. Want vrij vaak rekte hij de punt 30° uit en soms zelfs 90° tot de pseudo-zon E, maar de oostelijke C spreidde zijn staart nauwelijks boven 20° uit. Om 11 h 30' is de grootste vertikale cirkel YXHVZ opgelost. Maar de omgekeerde bogen H & G bleven samen met die twee bijzonnen B & C tot het eind toe staan.

    Wat de tekening zelf betreft, deze hebben we tot beter begrip gegeven om zo te bekijken, als de vaste sterren staan op een volgens de regels van de kunst gemaakte globe; alsof we ons buiten de hemelbol zouden opstellen: op die manier wordt alles immers duidelijker en helderder geschetst. Intussen was evenwel de plaats van waarneming ongeveer onder het zenitpunt, binnen de met de horizon evenwijdige cirkel: en hiervandaan werden door ons de ware Zon in het zuiden, de ene pseudo-zon F in het noorden, & de overige E & D terzijde gezien.
En als U zich nu dit zeer zeldzame verschijnsel wat duidelijker voor ogen wilt stellen:
1. beschrijf vanuit de Zon A (wel te verstaan op de hemelglobe) die dan staat in de 2e graad van Vissen, & juist bij onze poolshoogte in Danzig, met een straal van 22½ gr. de eerste cirkel GBIC;
2. vervolgens, met straal 45° de cirkel YXHVZ;
3. De cirkel NEKDP met straal 90°, die gaat door de twee witte pseudo-zonnen, die 90° van de Zon afstaan.
4. Vanuit het zenit met straal 22½ gr. weer de boog THS.
5. Vanuit hetzelfde middelpunt met straal 90° de boog QGR.
Ten slotte de cirkel BEFDC evenwijdig met de horizon, met straal 65°.
Als dit zo volbracht is, zal het duidelijkst blijken hoe alle cirkels in allerschoonste harmonie en symmetrie zijn; zodat de gelegenheid geboden wordt, zo God wil, om vandaar des te gemakkelijker door te dringen tot de natuurlijke oorzaken van alle bijzonnen, & bijmanen.


    [ Cf. Mark Vornhusen, 'First Report on the Danzig Halo Display'.]


Verklaring

    § 36.  In dit verschijnsel zijn te zien (evenals in 't hiervoor uitgelegde [<]) de witte grote ring, de nevenzonnen B en C, en de kring BGCI, alle hun oorsprong hebbend uit de recht overeind staande cilinders (zoals aldaar aangegeven is). En evenzo ook de bijzonnen E en D met de bogen HE en PD die daar door gaan, om de reden in § 21, 22; en deze bogen blijken stukken te zijn van een cirkel vanuit de Zon A, zoals ook de andere twee beschreven zijn. En uit hetgeen in § 23, 25, 31 is gezegd is duidelijk waarom deze cirkel boven onderbroken is verschenen. En hoe het heeft kunnen gebeuren dat de achterbijzonnen niet verschenen, hebben we uitgelegd in § 32.
[ 431 ]
halo, 2 cirkels rond zenit, bogen, bijzonnen     De afstand verder tussen de Zon A en beide bijzonnen E en D moet binnen de 88° 48' [<] geweest zijn, want op deze hoogte der Zon van 25° kunnen de nevenzonnen niet verder gezien worden (zoals hierna zal bewezen worden), en als ze omtrent deze uiterste verheid komen kunnen ze ook niet anders dan zeer flauw zijn in vergelijking met de 2 B en C, en daarom zullen ze hier ook maar wit geschenen hebben, zoals ook de bogen EH en DP (volgens wat gezegd is in § 31).

    De cirkel ZHY is of uit ronde kernen, of uit wanordelijk zwevende cilinders gemaakt, waarover hierboven § 20. of uit nog een andere oorzaak waarover hierna in § 41.


Bogen

    § 37.  Maar wat hier voornamelijk te onderzoeken is, is de oorzaak der bogen THS en QGR, en daarin van de bijzonnen G en H (want die van de bijzon F, diametraal tegenover de Zon, zullen we nog niet op deze plaats onderzoeken, maar het laatst van alle [ontbreekt]).
Wij hebben hiervoor gezegd dat een opwaarts trekkende damp als een wind de cilinders in de lucht omhoog houdt, dat deze wind ook ten dele de oorzaak is die de cilinders vormt, en waarom die veeltijds recht overeind blijven staan. Maar nu vind ik behalve deze stand der cilinders nog een andere die vele ervan moeten aannemen, te weten dat ze met hun zijde evenwijdig met het vlak van de grond gaan liggen.
[ Marge: ] te bezien of de kring m.b.t. de liggende cilinders niet in verband gebracht moet worden met de bogen in het verschijnsel van Heinsius
Dat dit zo is leren bepaalde experimenten. Want als men cilindertjes vormt die of door water of door lucht langzaam omlaag gebracht worden, zal men zien dat ze bijna altijd voor het grootste deel neerdalen in dwarse positie, te weten als ze zo ver gekomen zijn dat hun snelheid niet meer vermeerdert. Indien nu het water of de lucht waarin ze neerdalen met die zelfde snelheid naar boven steeg, als waarmee de cilinders neerdalen, dan zouden ze juist de cilinders van halfgesmolten ijs voorstellen die door de lucht omhoog worden gehouden, zodat dan niet te betwijfelen is dat vele hiervan ook zo'n positie moeten aannemen.
Ja men zou moeten zeggen (als men de genoemde experimenten beschouwt) dat ze bijna alle zo dwars zouden moeten gaan liggen, en dat er geen recht overeind zouden kunnen blijven. Maar hier moet men bedenken dat wij nu eenmaal niet perfect kunnen imiteren wat de natuur in de bovenste regionen van de lucht bewerkstelligt, want van de loodrechte stand der cilinders getuigt overvloedig alles waarvan we hiervoor gezien hebben dat het zo klaarblijkelijk daardoor veroorzaakt wordt.
[ 433 ]

Liggende cilinders

    § 38.  Ik zeg dan dat in de genoemde liggende cilinders, te weten waarvan de assen allemaal evenwijdig zijn met het vlak van de aarde (alhoewel niet onderling), de omgekeerde gekleurde bogen gezien moeten worden, zoals hier QGR en THS.

    Om dit te begrijpen moet men het zo opvatten dat een groot aantal van deze cilinders, alhoewel onder elkaar gemengd, met hun assen naar elke streek van de horizon gestrekt ligt, zoals naar het oosten, zuiden, zuidoosten, zuidwesten, en naar alle punten die daartussen te bedenken zijn. Voorts is te weten dat de zonnestralen om deze bogen te maken met 2 brekingen door de cilinders heengaan, evenals bij het maken der nevenzonnen.
Als nu de Zon bijvoorbeeld in het zuiden is, wordt het deel van de boog dat het dichtst bij de Zon is (zoals hier G en H) gevormd in de cilinders die met hun as oost - west liggen, te weten op de zijden waarvan de zonnestralen rechthoekig schijnen. Het is immers uit het voorgaande bekend dat van de cilinders wier assen zo liggen, er geen de zonnestralen naar het oog kunnen overbrengen als ze dichter bij de Zon zijn. De andere nu, wier assen anders gestrekt liggen, kunnen nog niet zo dichtbij de Zon, als de voorgaende, de stralen door laten gaan, omdat de Zon boven het vlak van hun basis verheven is, zoals blijckt bij het tabelletje hierboven in § 17.
En verder is het nodig dat het zo gebeurt in de cilinders van elke positie afzonderlijk, dat hoe verder ze van de positie oost - west verschillen, hoe verder de delen der bogen zijn (van 't midden af te rekenen) die erdoor veroorzaakt worden. En als ik de juiste figuur van deze bogen zorgvuldig onderzoek, dan vind ik dit navolgende verschil, te weten als de Zon aan de horizon is, dan komt de omgekeerde boog aan de cirkels (de ene van diameter 45° en de andere van 90°) op deze manier, en die van de kleinste is als 2 hoorns [fig.23].

fig. 23 en 24
[ 435 ] [ Marge: ] kleur naar de Zon toe.
En altijd is de rood gekleurde zijde naar de Zon toe. Als de Zon 10° hoog is, vind ik de bogen aldus [fig.24]. Met de Zon 20° hoog, aldus [fig. 25; en 30°: fig. 26].
fig. 25 en 26
Men ziet hieruit dat deze bogen in het midden wel aan stukken van cirkels gelijk schijnen, maar naar de einden weer met bochten de andere kant op gekromd worden. Doch omdat de cilinders die het middelste deel maken (zoals gezegd is) rechter door de Zon beschenen worden, en de andere hoe verder daar vandaan hoe schuiner, is het geen wonder dat gewoonlijk alleen het middelste stuk van deze bogen met sterker licht gezien wordt [>].


    § 39.  En de bijzonnen die precies in het midden van deze bogen soms verschijnen (zoals hier in G) zijn niets anders dan het deel in de genoemde bogen dat het meest lichtgevend is van alle. Daarom ook kunnen deze bijzonnen nooit zeer afgegrensd schijnen, of meer verlicht dan de naburige delen van de bogen. Zoals ook Hevelius in al dergelijke afbeeldingen van wat door hem geobserveerd is (2 bijzonnen, een bijmaan) aantekent dat ze onduidelijker, matter en lichtzwakker waren, terwijl hier ook in H een twijfelachtige bijzon is. Of misschien kan dit ook de reden wezen waarom dit middelste deel enigszins van de rest van de boog afgegrensd schijnt, te weten dat een groot aantal der liggende cilinders wat korter zijn, en daardoor weinig of niets van een cilinderoppervlak hebben maar als een langwerpige ellipsoïde gevormd zijn.
Voorts ziet men dat hier geheel met de waarnemingen van Hevelius overeenkomt, dat hoe hoger de Zon of Maan en de kring boven de horizon staan, hoe vlakker de omgekeerde boog komt te zijn. Want in zijn waarneming van bijmanen, waarbij de Maan wel 26 of 27 gr. boven de horizon stond, is de boog aan de eerste kring een stuk van een zeer groot rond geweest, als ook in het verschijnsel van 7 zonnen. Maar in die van 6 april, en van 17 dec. 1660, waarbij de Zon of Maan maar ongeveer 14 of 15 gr. hoog was, ziet men dat deze bogen van nogal kleinere cirkelstukken zijn.
Het is waar dat de bovenste van deze bogen in Hevelius' waarneming als stukken van een kleiner rond worden getoond dan ze volgens onze berekening moesten wezen. Maar de reden is dat deze bogen, zo hoog boven de horizon staand, daardoor noodzakelijk het oog bedriegen, zodat ze stukken van een veel kleiner rond schijnen dan ze zijn. Want volgens wat we in § 29 gezegd hebben, wordt een zelfde rond, omtrent het zenit staand, maar half zo groot geschat als wanneer het laag bij de horizon staat; wat dan evenzo ook moet plaatsvinden in stukken van ronden.

[ 437 ]
    § 40.  De bogen die volgens ons onderaan de binnenste kring moeten komen, zouden in 2 waarnemingen van Hevelius, te weten die van 30 maart 1660 en in die van de 7 zonnen, kunnen zijn gezien, en zijn ook (althans in dit laatste) enigszins gezien, want hij zegt dat in I een spoor van een bijzon werd gezien [<]. Doch door gebrek aan materie, die zich maar zelden zo ver uitstrekt, is dit maar een flauwe schijn geweest.


Methode

bol ABC     § 41.  Voorts is de methode om de figuren van de genoemde bogen te vinden als volgt. Op een bol ABC zij, met als pool B, een grootste cirkel ADC beschreven om de horizon aan te geven. Vervolgens een vertikale BD die door de Zon gaat, gesteld dan dat de Zon is in E, zó dat de boog DE van zoveel delen is als de zonshoogte was tijdens de waarneming. Als we dan de omgekeerde boog willen vinden die de kleine kring raakt: neem de bogen EF en EG in de vertikale cirkel BED ieder van 22½ gr., dan zijn de punten F en G het bovenste en onderste deel van de kring, en tegelijk de middelste punten der omgekeerde bogen die we zoeken.
Om nu de andere punten daarvan te vinden, die in de cilinders met verschillende standen gezocht moeten worden: beschouw een menigte van plat liggende cilinders waarvan het grondvlak evenwijdig is met een of andere vertikale cirkel MB, en trek evenwijdig hiermee een cirkel HEK door de Zon. Als men nu in gedachten houdt wat we boven [<] bewezen hebben van de recht overeind staande cilinders, en als men zich de cirkel MB als horizon voorstelt, in het middelpunt N waarvan de toeschouwer opgesteld is, en de evenwijdige cirkel HEK als zijnde de witte ring die door de Zon gaat, dan is de boog HM de zonshoogte boven die horizon MB, die hier ook is de hoogte van de Zon boven het grondvlak van de cilinders waarover het nu gaat (want we hebben gesteld dat hun grondvlakken evenwijdig zijn met de cirkel MB).
Nu dit zo is staat vast dat men in de cirkel HEK alleen moet nemen de plaatsen L en K waar de nevenbijzonnen in die cilinders gezien zouden moeten worden, hetwelk met de tabel [<] licht te doen is. Want als bijvoorbeeld de boog HM — die hier staat voor de zonshoogte boven de grondvlakken der cilinders — 30° is, dan wijst de tabel uit dat de bogen EK en EL elk 28° 48' van hun cirkel moeten zijn.
Waardoor dan de plaatsen K en L bekend zijn, dat zijn 2 der gezochte punten, het ene in de onderste omgekeerde boog en het andere in de bovenste. En op dezelfde manier kan men zoveel van die punten vinden dat de kromming van de boog daardoor duidelijk wordt. En de zelfde manier is toe te passen bij het vinden van de omgekeerde boog die de grotere cirkel aanraakt.
[ 439 ]
Voordat we nu de beschouwing van dit verschijnsel verlaten zij opgemerkt dat de oorzaak van de cirkel ZHY [<] ook van deze liggende cilinders afkomstig geweest kan zijn (de grote kring die we hierboven herleid hebben tot wanordelijk zwevende cilindertjes of ronde halfgesmolten korrels [<]); te weten, zoals we in § 21 aangetoond hebben hoe de rechtopstaande cilinders een kring kunnen veroorzaken, evenzo kunnen ook deze liggende cilinders hetzelfde teweegbrengen, gezien de rondheid van hun uiteinden, die uitlopen in halve bollen of halve ellipsoïden of iets dergelijks.
En het is waarschijnlijk dat het hier zo geschiedt, omdat men ziet dat deze ring ZHY juist aan weerszijden uit de bijzon H voortvloeit, en omdat we zullen bemerken dat het evenzo gebeurt in andere dergelijke bijzonnen, want dit lijkt te betekenen dat dezelfde liggende cilinders deze ringen en de omgekeerde bogen veroorzaken.

[ Figuur van ander blad. ]    

waarneming 1630

Scheiner 1630

    [§ 42].  Nu dit begrepen is zullen we zeker niets vinden wat ons tegenhoudt in Scheiners andere waarneming uit het jaar 1630, waarin 6 zonnen schitterden, en die we met de overige hieronder zullen geven [>].
Opgemerkt dient alleen dat de bijzonnen O en P in de snijpunten van de grote kring en de witte cirkel verschenen zijn daardoor, dat rechtopstaande cilinders de materie van deze kring waren, volgens wat hierboven aangetoond is in § 21. Maar toch, daar ook de bovenste bijzon R in dezelfde kring aangeduid wordt, kan het bovenste deel van de kring ook teweeggebracht zijn door liggende cilinders (zoals zoëven gezegd is [<]).
En de oorzaak waarom de omgekeerde boog door Q niet is opgetekend, is misschien geweest omdat die aan weerszijden weinig uitgebreid was, en daarom zag men hem niet genoeg afwijken van de kring ZQbeta. Want bij die zonshoogte van 28½ gr. is deze boog heel weinig naar boven gekromd, daar we immers gezien hebben dat hij al bij een zonshoogte van 27° helemaal plat wordt [<]. Tenslotte over de dubbele binnencirkel, die hier wordt onderscheiden: we hebben de oorzaak hierboven aangegeven in § 22.


Kruis

    [§ 43].  Voorts nu hebben ook de andere drie verschijnselen van Hevelius — te weten die hij 30 maart, 6 april en 17 december heeft waargenomen [fig.] — voor de hand liggende oorzaken, gezien het voorafgaande. Behalve dat in het laatste hiervan een witachtig kruis is gezien van twee balken, dwars en rechtop, elkaar snijdend op de maanschijf zelf. Maar de oorzaak hiervan biedt zich vanzelf aan in juist die rechtopstaande en dwarsliggende cilinders die in de lucht hangen en die de bijmanen en cirkels bewerkstelligen. Want ten eerste was de dwarsbalk niets anders dan een deel van de grote witte cirkel die gewoonlijk ook door de Zon gaat (zie § 13). En dat deze niet altijd tegelijk met nevenbijzonnen of -bijmanen verschijnt, komt of door zeldzaamheid van materie (dat is van rechtopstaande cilinders), of door fellere straling van het directe licht van Zon of Maan, zoals ik al hierboven heb opgemerkt in § 14.
[ 441 ]

Lichtzuil

    [§ 44].  De andere balk nu, die vanaf de horizon loodrecht omhoog stond, is voortgekomen uit de terugkaatsing van maanstralen tegen de liggende cilindertjes welke hier ook de omgekeerde boog veroorzaakt hebben, volgens wat hiervoor is gezegd [<]. cilindertje Als deze cilindertjes dan met hun zijden en assen evenwijdig liggen met het vlak van de grond, alhoewel niet met elkaar evenwijdig, dan volgt noodzakelijk als de Zon zo laag is als hier (want hij was maar op 12°), dat een zeer groot aantal van degene die van onder de horizon af tot een stuk boven de Zon gezien worden, hun blinkpunt moeten hebben in deze rechtopstaande balk. Welke dichtbij de Zon, en aan weerszijden ervan, op zijn smalst moet zijn en het scherpst begrensd, en zijn onderste deel tussen de Zon en de horizon scherper dan een stuk boven deze, waar vandaan hij zich verspreiden moet en vervagen. Dat dit alles hierbij ook zo geweest is schijnt de figuur te demonstreren.

    Alleen heeft volgens de genoemde terugkaatsing van de cilinders deze staande balk niet zo precies begrensd kunnen wezen als de figuur schijnt mee te brengen, omdat ook van een deel der plat liggende cilinders het blinkpunt buiten deze balk gezien moet worden, maar dit zijn er op verre na niet zo veel als die daarin komen.
bol ABC De demonstratie nu waarom deze balk zo helder moet wezen kan uitgelegd worden door een figuur die lijkt op de voor-voorgaande [<]. Want zoals daar gezegd is, als ADC de horizon is, E de Zon, met de hoogte ervan 12°, dat is de vertikale cirkelboog ED, en als de vertikale cirkel BM evenwijdig gesteld wordt met de grondvlakken van een groot aantal der plat liggende cilinders, en de cirkel HEK evenwijdig met BM, dan is deze cirkel HEK de enige waarin de toeschouwer N het blinken van de genoemde groep cilinders kan waarnemen. En op gelijke wijze heeft iedere groep (of richting) van de cilinders zijn lichtende cirkel die door de Zon E tot op de horizon komt.

[ 443 ]
Zoals nu hier de cirkel KEH met zijn stukken die aan de Zon E grenzen, dichtbij de vertikaal door de Zon komt, zo doet ook een groot aantal van de andere, en dit maakt alzo dat er als het ware een lichtende zuil gezien wordt langs de vertikaal BD waar de Zon in is.

    Hoe lager nu de Zon is, zo veel te sterker en afgescheidener blijkt deze zuil te moeten wezen, omdat dan binnen een nauwere ruimte meer van die genoemde cirkels bijeengebracht worden. en omdat dan tegelijk ook tussen ons en de Zon zich een groter aantal cilinders bevindt dan als de Zon hoog boven de horizon verheven is.


    [§ 45].  Tot dezelfde oorzaak zou herleid kunnen worden het soort hemelverschijnsel dat waargenomen is door Christoph. Rothmann te Cassel op 2 januari 1586, dat hij beschrijft als volgt. Zie zijn beschrijving van de komeet van het jaar 1585.  [Bij Snellius 1619, p. 132:]

    Ten eerste verscheen in het morgenrood voordat de Zon opkwam (want de hemel was bij de horizon helder) een rechtopstaande zuil, exact in een vertikale cirkel, overal zo breed als de diameter van de Zon scheen te zijn. Een brand in een of ander dorp aan de andere kant van de bergen, zou je gezegd hebben als je het gezien had. Want hij zag er geheel en al vurig uit, zoals een vlam, behalve dat hij overal dezelfde dikte had. Weinig later kwam in deze kolom een beeld van de Zon op, niet anders dan wanneer het de ware Zon was geweest. Nauwelijks een vinger van dit beeld was nog onder de horizon verborgen, toen in dezelfde zuil de ware Zon opkwam, op dezelfde manier gevolgd door een ander zonsbeeld. En deze zuil bleef met zijn drie elkaar voortdurend rakende zonnen, om zo te zeggen opgericht in de vertikale cirkel, zoals het kwadrant aangaf. En deze zonnen hadden dezelfde vorm, behalve dat de middelste en ware de andere in schittering overtrof, en ze duurden met die kolom ongeveer een kwartier, totdat een donkere wolk die vanaf het zenit kwam ze bedekte.
    Dit (zeg ik) is door terugkaatsing der liggende cilinders gebeurd, of misschien zou men wegens de zonnebeelden moeten zeggen dat er een menigte van recht overeind staande cilindertjes geweest is, met zodanige platte sterretjes er onder- en bovenaan als die, welke Descartes heeft zien neervallen [<]. Want deze, alhoewel afzonderlijk door de lucht vliegend (want zo stel ik ze me voor), door een stijgwind ondersteund, moeten meestal de rechte stand aanhouden, waarin ze ook ontstaan zijn (in het volgende zullen we het hebben over hun ontstaan) maar toch niet zo nauwkeurig dat ze niet vaak een weinig daarvan afwijken. Deze stervormige plaatjes zijn dan zoveel als vlakke spiegeltjes, waarin de zonnestralen met gelijke hoeken terugkaatsen, zó dat het bovenste deel van de zuil met de bijzon daarin door terugkaatsing der onderste grondvlakken van die cilinders is gezien, en de onderste bijzon en een stuk van de zuil door terugkaatsing der bovenste grondvlakken.
[ 445 ]
Ik heb gezegd dat ze niet zo precies vertikaal blijven dat niet sommige een beetje overhellen (neem aan één of twee graden), omdat, indien ze geheel recht stonden en hun grondvlakken precies plat waren en evenwijdig met de horizon, dan zou er geen terugkaatsing der zonnestralen in de grondvlakken kunnen zijn naar ons oog toe.




    [ Hier eindigt de tekst van Huygens, maar kennelijk was de verhandeling nog niet compleet (behalve het hier genoemde ontstaan van de cilinders met sterretjes ontbreekt ook de verklaring van bijzon F in § 37). In Opuscula Postuma staat hier (p. 342): "Reliqua desunt": Het overige ontbreekt.]



Christiaan Huygens | Kringen en bijzonnen §35-45 (top) | Appendices