[ 255 ]
[ 256 ]Te Parijs 1666
1. De meridiaanlijn en de poolshoogte van Parijs vinden, die de fundamenten zijn voor alle andere sterrenkundige waarnemingen.2. De vaste sterren herstellen, waarin het hele fundament van de sterrenkunde ligt.
3. De middellijnen van de zon en van de maan meten op hun verschillende afstanden, wat zal dienen om nieuwe hypothesen te vinden voor hun beweging, en betere dan die men tot nu toe heeft.
4. De grootte van de breking van de atmosfeer waarnemen, die bekend moet zijn om waarnemingen van de hoogten van zon en sterren te verbeteren.
5. De ongelijkheid der dagen waarnemen, en hun vereffening vaststellen, die zo noodzakelijk is voor de berekening van de beweging van de maan en voor verduisteringen.
6. Verrekijkers en microscopen vervolmaken.
7. De breking waarnemen in allerlei soorten doorschijnende lichamen.
7, 1. Waarnemen of het licht in een ogenblik van ver wordt overgebracht.
8. De middellijnen der planeten waarnemen, om ermee te bepalen de verhouding van hun grootten onderling en ten opzichte van de zon.[ 257 ]
[ Zie Systema Saturnium (1659), eind (Ned.). Zie ook XXII, 626, bij de noten 15 en 17.]9. De vlekken van de planeten waarnemen en daaruit vinden hun beweging om hun as. [<]
10. De beweging der begeleiders van Jupiter waarnemen en er tabellen van maken.
11. Met behulp van deze tabellen de verdwijning van één van deze begeleiders achter of voor Jupiter waarnemen, hier en op andere plaatsen in de wereld, zoals in Madagascar, om daaruit de ware lengte van de genoemde plaatsen te vinden, en kaarten te verbeteren.
11, 1. De declinatie van de magneetnaald waarnemen, en de verandering die erin gebeurt.
12. Slingeruurwerken over zee zenden met de nodige instructies en een persoon die er zorg voor draagt, om de lengtebepaling in praktijk te brengen, die al goed geslaagd is bij proeven die men er van heeft genomen.
13. De tijden en verhoudingen meten van de val van zware lichamen in lucht. [<]
14. De grootte van de Aarde meten. Middelen bedenken om geografische kaarten met meer nauwkeurigheid te maken dan tot nu toe.
15. De universele maat voor grootte voor altijd vaststellen door middel van slingers, en vervolgens ook die voor gewicht.
16. De verhouding van de zwaarte van metalen precies vinden, en van allerlei soorten vaste en vloeibare lichamen.
17. De zwaarte van lucht zoeken, door middel van het toestel voor het luchtledige, dat dient voor talloze andere mooie proeven.
18. De kracht en snelheid van de wind waarnemen.
19. Evenzo de snelheid en kracht van stromend water en hun verband met de helling.
19, 1. De beste en eenvoudigste middelen bedenken om water omhoog te halen.
20. De kracht van buskruit onderzoeken.
21. Evenzo van knalgoud. [Aurum fulminans, Zie XXII, 598.]
22. Evenzo van water verdund door vuur. [Zie XXII, 540 bij 13 dec.]
23. De kracht van stoot onderzoeken, of de meedeling van beweging door botsing van lichamen; kennis waarvan zeer nuttig is in de mechanica.
24. De kracht onderzoeken die lichamen hebben om zich te verwijderen van het middelpunt door beweging in een cirkel.
25. Het verband onderzoeken van tonen met de grootte en vorm van klinkende lichamen.26. Evenzo het verband van geluiden van snaren met hun lengte, dikte, gewicht en spanning.
27. Bepalen welke de beste samenklank is voor orgels, klavecimbels, klokkenspelen enz.
[28]. Door middel van thermometers waarnemen en vaststellen de verschillende graden van warmte en koude en hun effecten. Buizen met kwik*) in een voortdurend experiment hebben om te onderzoeken de verschillende hoogte en het verband met de gesteldheid van de lucht die er is, of zal komen.
I BIS.
Dit stuk (f. 110 van de "Chartae astronomicae") is in fac-simile afgebeeld [1-16 en 17-20], zodat hier niet aangegeven behoeft te worden waarin het verschilt met stuk I.
*) Hier draagt de barometer nog niet zijn naam. Het woord is wel in 1666 te vinden in T. II van de Registers van de Académie (p. 37, "Memorie" gelezen door Auzout "van instrumenten en andere noodzakelijke dingen die geleverd moeten worden aan degenen die naar Madagascar zullen gaan").
Zie over de in dezelfde Memorie door Auzout genoemde thermometers p. 345 die volgt. [Er wordt gesproken van "zowel gewone thermometers als die welke gemaakt zijn met wijngeest, kwik enz. die men geijkt moet hebben voor dat land, om de verschillen op te merken".]
[ T. V, p. 188 (2 jan. 1665): Huygens noemde als eerste een universele maat voor een temperatuurschaal.]