Der Naturen Bloeme - Woordenlijst


a, b, c, d, e, f, g, h, i, j, k, l, m, n, o, p, q, r, s, t, u, v, w, x, y, z.

a
aent - eend
alf, elf, elve - boze geest
alleens - eveneens, enerlei
als ende als - geheel en al
altehanden - aanstonds
anden - eenden
anevarden - naderen, aanvaarden
anschijn - gelaat, gezicht
anxt - benauwdheid, gevaar
appel - ronde knop aan zwaardgreep
arch - kwaad, slecht
aregher - slechter
arre, zie erre
artitike - artritis, jicht
asen - voeden
assel - schouder, vleugelholte
aterment - zwartsel, inkt

b
bachten - van achteren
backen - blaffen
balge - afgestroopte huid
    z.o. belgen; swimbalch
baraet - bedrog
baten - helpen; hulp
becopen - boeten
becraken - neerkomen
bedarven - behoeven, nodig hebben
bedi - daarom
bedriven - uitvoeren, noodzaken
beede - beide
beeten, zie beten
begaden - ordenen
begaen - achterhalen
begaren - begeren, verlangen
begeven - in de steek laten
begomen - regelen
begonnen - beginnen
beiden - wachten
bejagen - verkrijgen
(hem) bekeren - zich toeleggen op
beleiden - behandelen
belesen - bezweren
belgen, balch - boos worden
beloken - besloten (vgl: luken)
benemen - afnemen, beletten
benine - benig
bequame - aangenaam
berechten - leiden, onderrichten
bernen - branden
besceet - bericht, onderscheid
bescouden - schroeien (vgl: schouw)
beseffen - bemerken
    beseven - bemerkt
besinghen - verschroeien
besoeken - opzoeken, onderzoeken
bespaersen - bestrooien
bespoien - besproeien
bespringen - besprenkelen
bestaen - aanvallen
bet - beter, meer
beten - neerdalen
betide - bijtijds
bevaen - bevatten, omvatten
bewaren - beschermen
biden - bij den
binden - binnen (bereik van) de
bispel - verhaal, voorbeeld
bleine - blaar
blijf, zie: sonder blijf
bliken - te voorschijn komen
blode - bang; laf
bloet - bloed, bloei; bloot, laf
blouwen - slaan (vgl E: blow - slag)
boem - boom
boete - verbetering, middel
bor, bure, ne bore - niet erg
borgroot - niet zo groot
borde, boerde - grap, verzinsel
borne - bron(water)
borte, zie borde
bosine - bazuin
bout - vol zelfvertrouwen
breden - verbreiden, verspreiden
breke - gebrek
breken - (ont)breken, zwakker worden
brief - bewijsstuk
broedekine - stukjes brood
broek, brouc - drassige weide
broke, zie breke
brud - bruid
buc, zie buuc
buggherie - ketterij
bughen - buigen, wenden
burdine - last
buter, bute der - buiten
buuc - buik, bijenkorf
buunre - bunder, hectare

c
callen - praten, vertellen
care - lief
carmen - kermen
carnel - pit (E: kernel)
carvetse, kervetse - kreeft
caytijf, zie kaitijf
cesseren - ophouden
cisterne - regenput
clemmen - klimmen
clene - klein; weinig
clergien - geestelijken, geleerden
cliven - klimmen
coepmanscepe, zie copmanscepe
cokene - kuiken
colerium - zalf (G: kollurion)
cont - bekend
conterfaiten - namaken
copmanscepe - koopmanschap
coren, cueren - keuren
coringhe - verzoeking, verlokking
couten - praten
covent, convent - verzameling, groep
coworde - pompoen
cranc - zwak
croenge, cronien - dood dier, kreng
cronica - vallende ziekte
crop - krop, strot
cruut - kruid
cubitus - el (70 cm)
cuen - kauwen
cul - teelbal
cume - nauwelijks (D: kaum)
cure - keur
    ter cure - naar wens
curts - koorts

d
dachcurtinge - tijdverdrijf, vermaak
dachvart - dagreis
daden - dadels
(an haren) danc - tegen hun zin
danen - van daar
danne - dan; leger, ligplaats
dapperhede - snelheid
(ic) dar - (ik) durf
decken - bedekken
deduut - genot
deel: een deel - enigszins
delven - begraven
demsterhede - duisternis
der of, daeraf - daarvan
der hien / der soen - van mannetjes / vrouwtjes
derbi - daarbij
dere - pijn
deren - schaden
derre - deze
dic - dijk, dam
dicke - dikwijls, vaak
dieden - van betekenis zijn, helpen
diën, dihen - gedijen, uitdijen
diefte - diefstal
diere - kostbaar, duur
diet - volk (z.o. diën; dieden)
dievel - duivel
dinket, zie dunken
dodre - dooier
doe - toen
doeden - doden
doemen - doet men
doet, doot - dood
doghen - deugen; verdragen
doghet - deugd
dolen - dwalen, zich vergissen
donren - donderen
doolne (dolen) - dwalen
doom - damp
dor, dore - door, ondanks, wegens
    dore soete - heel zoet (door en door)
dore, door - lichtzinnige dwaas
dorewreet - zeer wreed
dorper - onedel; verachtelijk
drierande - in 3 soorten, 3-erhande
drove - troebel
dul - dol, dwaas
dunken - toeschijnen, voorkomen
duwiere - spelonk
dwaen, dwouch, gedwegen - wassen
dwinen - afnemen, verdwijnen

e
ecghen, zie egghe
echt - daarna, bovendien
edeket - herkauwt
eencoren - eekhoorn
eesch - begeerte, eis, zoveel als nodig is
eeschen - eisen, verlangen
egghe - scherpe kant (L: acer)
eisemlic - ijselijk, vreselijk
eist - is het
el - ander(s)
elende - het vreemde land, droevig lot
elf, zie alf
elpendier - olifant
emmer - immer, steeds; immers
engien - list
en si, en ware - tenzij
epelenchie - epilepsie, vallende ziekte
erande, eenrehande - een zekere
erde - aarde
erre - in de war; kwaad
esch, zie eesch
etaet - tijdperk
ets - het is
evel - euvel, kwaad; ziekte
evene - haver

f
falgeren - falen, missen
feesten driven - genoegen hebben
fier - woest, trots
fisike - kennis van kruiden
fleume - fluim, slijm
foreest - bos
frenesie - waanzin

g
gader - bijeen
gaen - lopen
gaiole - kooi
gans - oprecht, voortreffelijk
gapen - jagen naar
garen, zie geren
garse - gras
gebaren - te werk gaan
    in der ghebare - op de manier
gebart - met 'n baard
gebele - geblaf
gebure - buur
geclovet - gekliefd
gedaen - gedaante, uiterlijk
gedoghen - toelaten
gedroeg - gedrocht
geduelmt - bedwelmd
gedwegen, zie dwaen
geeste - verhaal, geschiedenis
gehard - behaard
gemeinlike - gezamenlijk, gewoonlijk
gehoeft - met 't hoofd
geleesten - vertonen (D: leisten)
geleren - leren
gellen - gillen, janken
gelosen - lozen, overdenken
gelouwe - greep
gelovert - met loof, met blad
gemanc - gemengd
gemanet - met manen (bv. paard)
gemeene - algemeen
gemicken - overwegen, bedenken
gemint - geliefd
gemme - edelsteen (E: gem)
gemoeten - ontmoeten
genaken - naderen, bereiken
generen - onderhouden; leven
genoet - genoot, wijfje
(wel) geraket - voortreffelijk
gere, geenre - geen
geren - begeren, verlangen
gerute - gegons, gebrom
geset sijn (op) - gekant zijn (tegen)
gesicht - gezicht; gezift, gezeefd
gesien - zien
gesinet - gezind
gesitten - gaan zitten
gesoeden: zie sieden
gestade - standvastig
getellen - vertellen, opsommen
geten - gegeten
getiden - gebeden op vaste tijden
getordene weghe - betreden paden
geval - gelukkig toeval
gevallen - gebeuren
gevarwet - gekleurd
gevleghen - gevild
gevoegen - samenvoegen, passen
gewagen - spreken van
gewes - gewis, zeker
gewout - geweld, macht
ghe-, zie ge-
ghernen - baardharen
ghimme, zie gemme
gier, gierich - begerig
gilen - spotten
gliden - glijden
glose - kanttekening
goliarde - gulzigaard
gomen, goeme nemen - letten op
gone - gene
gonnen - gunnen
gore - slik, modder
gram - boos
graveel - niersteen
grootevel - epilepsie
guls - gulzig

h
halling - halve penning
harde, herde - zeer
hare enthare - hier en daar
harst - braadstuk
have - have, goed, bezitting
hecht - heft (van mes)
heert - egel
heesch - hees, schor
helsen - omhelzen
helt - helft
hens - het en is, er is (niets)
herde - herder (z.o. harde)
here - heer; leger, schare
hermite - kluizenaar
hesceden, zie eeschen
heten - noemen, bevelen
hie - hij (soe - zij)
hilte - handvat, greep, gevest van zwaard
hoe so - hoe ook
hoede - bescherming
hoeden - teelballen
honen - bedriegen
horten, hurten - stoten
houde, hout - gauw; graag, trouw
hoverde - hovaardij, hoogmoed
hoves - hoofs, welgemanierd
hud, hut - huid
hueghe - herinnering; vrolijkheid
humure - vocht
hushonde - huishonden

i
.i. - een, iemand
ie, ye - steeds
iet - iets; enigszins; soms
iewer, iewaer - ergens
inadren - ingewanden
incubi - boze geesten

j
jan, zie gonnen
jeeste, zie geeste (F: geste)
jeghenoede - landstreek
jofte - of
joghet - jeugd
joie - vreugde, vermaak
jonnen - gunnen

k
kapoen - gesneden haan
kaitif - rampzalige, ellendige
karitate - liefdadigheid
karsp, kersp - gekruld (vgl. crêpe)
keelct - kelk
keitijf - zie kaitif
kemel - kameel
kerse - kaars
kersp - krullend
kerstael - kristal
kerven - doorsnijden
kervetse - kreeft
kesel - kiezelsteen
kinnen - kennen, herkennen, zien
knecht - knecht, jongen

l
lachteren - afkeuren (lasteren)
laes, lace - helaas
lage - hinderlaag
langen - verlangen
langhe - lengte
lanken - lendenen
laserscap - uitslag, lepra, melaatsheid
latame, lachame - lichaam
laten - aderlaten
latuarie - kruidendrank
lazerscap - zie laserscap
ledech - niet bezig
leep oghen - tranende ogen
leet - onaangenaam
leetsterre - poolster
leie - leek
lende - lende; linde
lenen - leunen
lesen - verzamelen
leste - laatste
let - lid
lettel - weinig (luttel, E: little)
letten - beletten, hinderen; talmen
lib - leb, stremsel
liden - voorbijgaan; lijden
liebart - leeuw
lief ghetal - lieftallig
liën - belijden, vertrouwen
lier - wang
lijden, zie liden
lijf - lijf, leven
lijfnere - levensonderhoud
lijs - bank
lijxeme, lijcteken - litteken, kenteken
lime - leem, modder; visgraat
loedre - loeder, lokaas
loes, loos - vals, bedrieglijk
    sonder loos - oprecht
loef - blad
loien - loeien
longre - longen
lotert - los zit (vgl. leuteren)
lover - gebladerte
lovie - zondvloed (vgl: diluvium)
luchtre - linker
lude ende stille - geheel en al
luken, geloken - sluiten (vgl: luik)
lumbricus - worm
luscen - luisteren; op de loer liggen
luud - geluid
luxurie - wellust

m
machlichte - misschien
maghe - verwanten
maiseniede - hofhouding (ménage)
maisiere - muur
mammen - borsten
manen - bezweren
maniere - manier, aard, soort
march - merg
mare - bericht; vermaard
marsch - moerasland
masiere, zie maisiere
matrice - moederkoek, placenta
matten - schaakmat zetten
mattin - metten, vroege ochtenddienst
mecken, zie micken
mee - mede; meer
meer, mere - groter
meiseniede, zie maiseniede
menge - menige
menegertiere - van allerlei soort
meniote - liefelijke
menison - buikloop, diarree
mergen - zich vermaken
merre - oponthoud; men er
mersc - weide
merst - vermeerdert
mesbaren - jammeren
mescomen - leed veroorzaken
mespris - misprijzen (F: mépris)
mesquame - kwaal
messchien - onheil ondervinden
messelijc, zie misselijc
mesval - ongeluk
micken - overwegen
miede - geschenk
(no) min no mee - volstrekt (niet)
minder - kleiner
minnen - beminnen, houden van
misselijc - veelsoortig (mis-gelijk)
mistkin - mistje, dampje
moete - tijd
moeteit, moetheit - vermoeidheid
moien - kwellen
more - modder
morw - murw, zacht
moude - grond, vlakte, schedel
muesien - muggen
mul - fijne aarde
mule - muil
musschet - mannetje van sperwer
muten - ruien (van vogels)

n
na - nabij
nap, nappe - beker, schaal
nar - naar toe, nabij
nauwe - listig; smal
ne - niet
negheene - geen
nemmee - niet meer
nerenst - ernst
nes, n'es - is niet
netten - nat maken
newaer - maar
neware - tenzij
niet - niets
niewer, niewaer - nergens
nighen - nijgen, buigen
nigromasine - beoefenaars van zwarte kunst
nimare, niemare - bericht, gerucht
no - noch
node - met moeite, ongaarne; z.o. noet
noene - namiddag(-gebed)
noet, noot - nood, lijden, gevaar
noeten, zie noten
noker note - okkernoot, walnoot
none - noch
noot hebben - nodig hebben
nopen - steken
nose - ongemak
noten, genoten - paren
nouwe, zie nauwe
nyen - hinniken

o
oede - gemakkelijk
oege, oge - oog
oekin - ooitje, schaapje
oest - oogst, augustus
of - af; of, indien
ofteren - opmaken
om-, zie on-, ont-
omoedich, zie ootmoedich
onbate - nadeel
onbequame - onaangenaam
onderwinden - ondernemen
ongehier, zie ongier
ongeleerd - onwetend, dom
ongemate - buitengewoon
ongeroe - onrustig
ongestade - wispelturig
ongeweghet - ongeleid, zonder wegen
onghe- zie onge-
ongier, onghehier - geweldig
onlanghe - niet lang; onlangs
onmare - veracht
onneere - schande
onsalichede - ongeluk, ellende
onseggen - ontzeggen, weigeren
onsochte - hard
onsuverhede - wellust
ontberen - missen, afzien van
ontbiden - afwachten
ontbinden - losbinden, verlossen
ontbiten - ontbijten, nuttigen
ontdoen - (zich) openen
ontdragen - wegvoeren
ontfaren - ontkomen
ontfarmichede - barmhartigheid
onthalen - ontvangen
onthier ent - totdat
onthouden - vasthouden
onthueghen - bedroefd zijn
ontier, zie onthier
ontledet - misleid
ontsaken - loochenen
ontsien - ontzag hebben, vrezen
ontstaen - bestand zijn
ontvrien - beroven
ontwee - in stukken
ontwegen - verwijderen, vergaan
ontwisschen - ontsnappen
onwijs - onwetend
ootmoedich - ootmoedig, nederig; genadig
opdat, updat - indien maar, mits
openbare - duidelijk
orbaren, orebaren - gebruiken
orlof - afscheid
outare - altaar
over - over, gedurende, op
overe - oever
overhorich - brutaal
overliden - voorbijgaan
overmoede - smadelijke bejegening, overmoed

p
paeren - peren
pais - vrede
pale - grenspalen
palien, paelgen - stro (F: paille)
pant - leed
pape - priester
paren, zie paeren
parlement - vergadering
pas - weg
pat - pad, voetspoor
pellen - zijden kleed
penitentie - straf
pensen - denken, peinzen
pine - moeite
pipe - buis, fluit
plait - pleit, rechtsgeding
plaster - zalf
plegt - helpt (vgl. verplegen)
plein - vlakte
pliën - plegen
plonc - bot, stomp
plumen - veren
podagre - voetjicht
poet - poëet
poghen - streven
poilieren - polijsten
point - punt; eigenschap
polument, pulment - pap
porne - porren, in beweging brengen
porreide - prei
porren - vertrekken, in beweging brengen
prensen - prinsen
prigen - zich beijveren
prochipape - parochiepriester
proper - passend
prosente - present, geschenk
proven - bewijzen
purgiren - zuiveren
put - puit, kikker

q
quadertire - ongenadig (tegengesteld aan goedertieren)
quareel - pijl
quartane - vierdedaagse koorts
quathede - ondeugd
quenicum - zotteklap
quinancie - kramp in maag of ingewanden
quite - kwijt

r
raghen - uitsteken
ramen - mikken, aanleggen op
recht - juist
recken - uitstrekken
rede - koorts
regneren - besturen
reinen - regenen
reke - rij, reeks
reken - herstellen
resine - hars
riden, rijden - rijden, paren
rieken - ruiken
ries - dwaas
rigghe - rug
rinnen - stromen
rise, rijs - takje
roch - kuit van vis
roec - reuk, geur
roede - twijg, zijtakje
roeken - zich bekommeren
    (mine rouc - mij een zorg)
roest - verhemelte
roet - rood; vet
roke, zie roec
rongen - jeuk, schurft
rote - troep (vgl: samenrotten)
roten - rotten
rudder - ridder
rude - schurft
rusen - aardkluiten
ruten - met gegons vliegen
ruusschen - gedruis maken

s
saen - weldra, meteen
sage - verhaal
    (sonder sage - gewis)
sarc - zerk
sat - verzadigd
scacht - lans, geslachtsdeel
scaden - schaduw
scalc - knecht; dienstbaar, arglistig
scamenesse - beschaamdheid, schande
scande - schande, ellende
scaven - schaven
sceppen - maken, vormen
sceppenesse - bouw van het lichaam
sceren - scherts
sciere, schiere - spoedig, schielijk
scier - grauw
scinkel - been
scivekin - schijfje, vlek
scole - school, menigte
scoren - scheuren
scorf - schurft
scouden - met kokend water begieten (vgl: schouw)
scraven - krabben, wroeten
scuwen - schuwen, ontwijken
sede - gewoonte
sedelic, sedich - fatsoenlijk
seer - zeer; verdriet
seghevri - onoverwinnelijk
sekele - sikkel
selsien, selsen - zeldzaam
selvre - zilver
sere - zeer, pijnlijk; pijn
serjant - dienaar (sergeant)
sermoen - preek, betoog
sichten - ziften, zeven
sident, sider - later
sieden, ghesoeden - koken, zieden
siere - teek, klein insect
sierhede - pracht
siminkel - aapje (vgl: scharminkel)
sincope - onmacht, schijndood
sindael - zijden stof
sire - zijn
slachten - lijken op (vgl: geslacht)
slicht, slecht - effen; eenvoudig
slim - slijm, drek
sliten - verscheuren
slume - schil
smalen - versmallen, verkleinen
smare, smere - vet
smeker - vleier
smelten - poepen
smout - vet
sneven - struikelen, ten val komen
sniemen - spoedig
soch - moedermelk
sochte - zacht
so - zo, als (z.o. hoe so)
soe - zij (hie - hij)
soen - zoon
solaes - troost
somech, somich - sommige
somen - sommigen
somme - som
    tere somme - bijeen
sonder - behalve
sonder blijf - zonder twijfel, zonder mankeren
sonderlanghe - afzonderlijk, bijzonder
sorterie - hekserij (E: sorcery)
soutaen - sultan
spade - laat
spaets, spaetst - het laatst
spareware - sperwer
sparen - sparen, ontzag hebben voor
spark - vonk
spekelde - gespikkeld, gevlekt
spiet - speer
spise - spijs, voedsel
spoet - voorspoed
stade - gelegenheid
    in stade staen - bijstaan
stat - plaats
stappans - op staande voet
steken - steken, treffen
stenen - zuchten
stide - sterk
stiet - stuit
stont, stonde - uur, tijd
stout - dapper
Stoyfen - Hohenstaufen
strael, strale - pijl, speerpunt, angel
stranc - sterk, geweldig
strate -straat, weg
strec - strik
striken - strijken, strelen
strijpt - gestreept
struke, struuc - boomtronk
suchte - ziekte
sueghe - zeug
sugende diere - zoogdieren
summe, zie somme
suppositorius - zetpil
sure - zuur, onaangenaam
    te sure werden - leed veroorzaaken
swarlike - bezwaarlijk
swelle - eelt
swigen - zwijgen
swimbalch - zwemblaas

t
tam - zachtaardig
tangher - krachtig
tart - treedt, stapt (zie: terden)
tedrinten - opzwellen
tehant - terstond
telghe - tak (telg)
temen - betamen
tempeest - geweld, onweer
terden - (be)treden
tere - voedsel (teerkost)
tewaren - in waarheid
thanden - terstond
thovet - 't hoofd, de kop
tiden - gaan
tiën, tihen - trekken; beschuldigen (tijgen)
tilike, tidelike - vroeg
tisike - tering
toeven - vasthouden
togen - tonen (t'ogen)
tor, torre - toren
toren - verdriet, schade
torment - kwelling
tornieren - deelnemen aan tournooi
torsioen - kramp
treden - betreden, vertrappen, stappen
treke - streek
triakele - tegengif (E: treacle)
trompen - stappen, trappen
trone - hemel
    onder den trone - op aarde
trop - troep, menigte
tumen - tuimelen
twelefwarf - twaalfmaal
twerande - 2-erhande, in 2 soorten
twi - waarom
twint - oogwenk; weinig
    (niet een twint - geenszins)

u
unghement - zalf (E: ointment)
up dat, zie opdat
uteraghen - uitsteken

v
vaec - slaap
vaen - vatten, vangen
vaer - angst, gevaar
vaert - reis, vaart
valschen - vervalsen
valeu - geelachtig
var, vare, zie vaer
varen - gaan, te werk gaan
vart, vaert - tocht, het gaan
    metter vart - dadelijk
varwe, varewe - kleur
vatine - vat hij hem
vederspel - jacht met afgerichte vogel
veinoetinne - vriendin (vgl: vennoot)
vellen - laten vallen
venijn - gif
vensen (veinsen) - uitdenken
verarten - ter aarde werpen, vertrappen
verbaren - verschijnen
verbernen - verbranden
verboren - verdienen, verbeuren
vercouden - koud worden
verde, zie vaert
verdinghen - afkopen
verdoempt - verwenst, verdoemd
verdoren - misleiden; onzinnig worden
verduwen - verteren
verdwasen - verschalken, bedriegen
vereeschen - eisen, vragen; bemerken
verhogen - verheugen
verkeert - veranderd
verladen - overladen, in 't nauw brengen
verlaten - kwijtschelden
verlesen, zie belesen
vermuten, zie muten
vernoien - verdrieten, vervelen
vernuwen - vernieuwen
verpurren - doen bewegen (vgl. porren)
verraden - verraden, verleiden
verroten - omwroeten
versaget - versaagd, bevreesd
versceden - scheiden, weggaan
verscuven - verstoten, verwerpen
(hem) versien - oppassen, voorzichtig zijn
versiken - zwaar zuchten
verslaen, verslane - verslaan, doden
versteken - uitsluiten, wegjagen
verstoet - begreep (van: verstaen)
verstolen - verborgen
verswaren - tot last worden
vertaren - verteren
vertut, zie virtuut
vervard - bang
vervreescen, zie vereeschen
verwandelen - veranderen
verwoeden - waanzinnig worden
verwoet - razend
vesten - vastmaken
viant - duivel
vichte - vijfde
vier - vuur
vile - vijl
vintmere - vindt men er
virtuut - kracht, goede eigenschap (E: virtue)
visieren - bedenken
vite - levensbeschrijving
vledersijn, fledersijn - epilepsie
vlien - vlieden, vluchten
vlotten - drijven
voere - handelwijze; voor
voeren - voeren, brengen
    te voeren - tevoren, vroeger
voghet - beschermer (voogd)
vole - veulen
vrame, zie vrome
vrec - gierig
vrede - vrede, veiligheid
vreescen, zie vereeschen
vrese - gevaar, vrees
vri - vrij, edel
vro, vroe - vrolijk, blij
vroet - verstandig
vrome, vrame - voordeel
vromelic - dapper
vruchten - vrezen
vuchten - bevochtigen
vueren, voeren - behandelen, castreren
vulleesten - volbrengen

w
wachten - de wacht houden
    hem wachten - zich in acht nemen voor
waen - mening
    sonder waen - waarlijk
waenen - afnemen (maan, E: wane)
wagenslag - wagenspoor
waken - ontwaken
waker - vochtig
wale - wel, goed
wallen - borrelen; walmen
wamme - buik (vgl: wambuis)
wan - waan, mening
wandren, wandelen - gaan, zwerven
wanen - vanwaar; menen
ware - aandacht (vgl: waarnemen)
waren - verweren, beschermen
    zie ook: tewaren
warf - keer (vgl: driewerf)
wart - heen (bv: dar wart - daarheen)
wassen - groeien
wech, weech - wand, muur
wede - twijg, takje
weder - weer
weder ... of - hetzij ... of
wedere - ram (D: Widder)
wedouwe, zie wede
weltijt dat - wanneer
were - afweer, tegenstand
werlike - werelds
werringhe - verwarring, twist
wers - slechter (E: worse)
wert, waert - gastheer
wetten - scherp maken
wieke - vleugel, pluksel, lampepit
wieken - waakten
wiesen - groeiden
wighe, wijch - strijd
wijs, wise - wijze, manier
wile - tijd, uur
wilen - vroeger
winnen - winnen, krijgen, verwekken
wispelen - sissen
wonderlichede - vreemdheid
wonne - genot
worde - woorden
worem - worm, insect
wrake - wraak, straf
wreet - hard, vreselijk
wuwe - wouw, kiekendief

y
ydrope - waterzucht
ye, zie ie

z
zage, zie sage
zeghevri, zie seghevri
zoe, soe - zij
zueghe - zeug



Zie ook dbnl - woordenlijst bij 'Walewijn en het schaakbord'.

Geneeskundige termen bij dbnl - recepten.

En nu natuurlijk: MNW, het Middelnederlandsch Woordenboek
    (zoek bij Google met: "woord" MNW).


a, b, c, d, e, f, g, h, i, j, k, l, m, n, o, p, q, r, s, t, u, v, w, x, y, z.

Der Naturen Bloeme