Harpij | ||
Der Naturen Bloeme (boek 3): | ||
Arpia, als Adelinus cande De harpij, als Adelinus kon melden, es .i. voghel van verren lande. is een vogel van verre landen. Te Strapidos inde wostine Bij Strapinos in woest gebied pleghen harpien te sine. houden harpijen zich op. Met hongre altoes verladen Altijd met honger zo groot, cume machmense versaden. nauwelijks is die te stillen. Si hebben clawen crom ende wreet Met klauwen krom en wreed en te gripene ghereet. en om te grijpen gereed. 't Anscijn heveti na den man 't Gezicht is als van de mens maer lettel dogheden der an. maar weinig welwillends daarin.
Wien bediedet bet die harpie Wie is meer als de harpij dan dien God vermaledie: dan de door God vervloekte den woekerare, die nacht ende dach de woekeraar, die dag en nacht gapet ende niet versaden mach. inhalig is en onverzadigbaar. Al es hi ghelijc den man Ook al is hij als een mens dar nes ghene menscheit an. hij kent geen menselijkheid.
Harpia pleghet, ne twifelets niet: De harpij doet dit, betwijfel het niet: den eersten mensche, die so siet de eerste mens, die zij ziet wanderen inde wostine groot, gaan in de woestenij zo groot, vermach soene, so slatene doot. kan ze 't, dan slaat ze hem dood. Alsoe te watre comt na dien Als ze bij 'n water komt nadien dar soe hare selven mach gesien, waarin ze zichzelf kan zien, ende soe siet dat soe hevet dot en ze ziet dat ze heeft gedood van anscijn hare ghenoet, één die is naar gezicht haar genoot, werd so drouve ye lanc so meere wordt ze bedroefd, hoe langer hoe meer om dat so doot hevet haren here omdat ze heeft gedood haar heer (ende oec somwile selve doot blivet). (en ook zelf gaat ze dood soms al gauw). Ende emmer vort soe rouwe drivet. En voortaan is ze in diepe rouw.
Somwile ghevallet, horic lien, Soms gebeurt het, hoor ik vertellen, dat men ghetempmet hevet harpien. dat men harpijen getemd heeft. Ende die oec spraken na den man, En die spraken ook net als een mens, mar gheen bescheet so nesser an. maar 't is geen betrouwbaar verhaal.
![]()
Afbeelding: KB, KA 16.
|
Afbeelding uit Jonston (1660, tekst):
Vergelijk Aldrovandi, Monstrorum historia, 337 (Im. 344): Harpya.
Fabeldieren , Der Naturen Bloeme |