Mantichora | ||
Der Naturen Bloeme (boek 2): | ||
Mantichora mach wel .i. wonder sijn De mantichora is echt een monster als Plinius scrivet, ende Solijn. zoals Plinius schrijft, en Solinus. Gheansict als die man, Het aangezicht als van de mens, mar oghen ghelu hevet nochtan; maar wel heeft hij gele ogen; roet van hare, ghelijc den lioen rood van haar, als de leeuw esi ghemaect bi na in al sijn doen; is ie gemaakt bijna in al zijn doen; so scaerp ghestaert dat wonder es. met wonderbaarlijk scherpe staart.
Soeten luud hevet, des sijd ghewes, Een zoet geluid heeft hij, gewis, datte scijnt die warheit das zodat het werkelijk schijnt al oftet conste al pipe gheblas. alsof hij op een schalmei blaast. Vor des menscen vleesch allene Boven mensenvlees alleen sone minnet groot no clene. verkiest hij anders geen. So snel eist in sire vlucht Zo snel is hij in zijn vaart alse de voghel in der lucht. zoals een vogel in de lucht. Drie rekede staen hem int hovet In drie rijen staan in zijn hoofd sine tande, des ghelovet. zijn tanden, dat kun je geloven.
![]()
Afbeelding: KB, KA 16.
|
Fabeldieren , Der Naturen Bloeme |