Beeckman | < Journaal > | Woordenlijst

Thermoscoop , rad , Drebbel , klok , kijkgat , bedrog , wijnbrood , kaarsen , mondharp , bedrog


Beeckman - 1622

C. de Waard, Journal tenu par Isaac Beeckman de 1604 à 1634

Tome II: 1619 - 1627


[ 199 ]     27 mei - 2 juli 1622

Thermoscoop

Vitri quo calor aeris examinatur ratio.

    Also my Willem Jansen*) verhaelde datter een doctoor was t'Amsterdam°), die het temperament van elcke camer int bysonder weten conde, hoeveel deen van dander in hitte ende coude verschilde, ende dat op de manniere, die ick hem verhaelde gesien te hebben te Delft opt stadthuys, daer ick vooren wat van geschreven hebbe [<], so viel my in dat het nootsakelick op dese manniere geschieden moeste: thermoscoop

    c is een baxken vol water, ab een glas, omgekeert, also dat het tot aen b vol waters blyft, twelck niet nedervallen en kan omdatter geen locht in en kan kommen. Nu a is vol lochts, dewelcke van de hitte ende koude lichtelick verdunt ende verdickt wort.
Alse verdickt wort door de koude, so beslaet se min plaetse, waerdoor het liqueur van onder opkommen moet tot aen d, om die ledich gemaeckte plaetse door de koude te vervullen. Maer als de locht in a door de wermte verdunt wort, so beslaetse meer plaetse ende stoot het water na beneden toe, tot aen b, twelck lichtelick op ende neer gaen kan, dewyle het backxken c open is, ende wort also deen tyt volder ende dander tyt legher.


      [ Andersom kan ook: 237, vloeistof omhoog bij warmtetoevoer.]
    *)  Willem Jansz. Blaeu, alias Guil. Jansonius, Blavius of Caesius (1571 - 1638). [>]
    °)  Misschien Pieter Jansz Hooft (1576 - 1636), neef van de historicus en verwant met Blaeu. Hij had geneeskunde en chemie gestudeerd, en deed veel natuurkundige experimenten te Amsterdam.
Of Nicolaes Jansz van Wassenaer (geb. ca. 1570), in 1621 medicus te Amsterdam, met een verzameling rariteiten. Hij publiceerde vanaf 1622 een haljaarlijks 'Historisch Verhael'.
[Zie 'Historische weerkundige waarnemingen', p. 16-7.]
    [ De naam 'thermoscoop' komt voor het eerst voor bij Biancani (ca. 1616), zie Thermometrie-Geschichte.]

[ 200 ]

Voortdurend bewegend rad

Motus perpetuus in rota inventus.

    Hierdoor soude men een motum perpetuum konnen maken, te weten:

    Neempt dat A sy een radt van avontueren ende dat a, b, c, d, e, f, g persoonen syn, te weten, koningen, keysers, pausen, princen, heeren, edelen, cooplien, ambachslien, bedelaers. perpetuum mobile Ick segghe datmen sal konnen maken dat dit radt altyt drayen sal, sonder eenighe nieuwe hulpe. Want het liquer deur de koude int glas p opgetrocken synde, wort door de klappe t opgehouden, also dat het weder werm wordende, het water niet wederom in denselfden back en kan persen, want de klappe t gaet dan toe, ergo het water moet door de klappe r in den anderen back gaen. Also wort desen back altyt volder ende volder. Maer indien men in dien backs bodem by s een gaetken maeckt, daerdoor het water trachelick drupt op het rat, so sal het rat, licht synde, van den val van die druppelkens omdrayen met persoonen met al. Nu doordien den dach altyt warmer is dan den nacht, so en sal t'water niet ophouden van op ende neder te gaen.

[ Lat. (vervolg) v ]

[ 201 ]

Thermoscoop: nauwe buis

Vitri quo calor examinatur, tubum in infinitum minuere.

    Alst gebeurde dat in laetste figuere op één na [<] de pype db te wydt ware, also dat het liqeur in de pype niet genoech en hooghde, noch en leeghde, doordien dat de bolle niet groot genoech en ware naer advenant, so en hoeft men maer in de pype een houdtken, yserken, of teeckenken te steken, soo lanck als de pype is. Want daerdoor sal de pype nauwe genoech worden ende het liqeur sal daerin rysen so veel als men wilt, also dat de minste veranderinghe in het weer een groote differentie in de pype veroorsaken sal. Want men soudet also konnen maken dat de pype db gheen vyngerhoet capaciteyt soude hebben, waerdoor geschieden soude dat de minste koelte in a al de locht uit db, een ellelanck synde, trecken soude, ende het water in de plaetse kommen.


Glaswerk voor perpetuum mobile

Vitra motui perpetuo inservientia.

glaswerk

    Jacobus Bernhardi seght, dat hy voor eenen hooftman, ryck alchymist te Haerlem*), soodanighe glasen heeft doen blasen, vier of vyve, also dat de pypen in malkanderen pasten, die sy daerna toemaken konden, met een lampe de eynden aeneen smeltende, also dat men soveel sulcke glasen aeneen setten konde als men wilde.

    Seyde oock, dat desen hooftman met Drebbel, die het perpetuum mobile gevonden heeft°), alle dynghen ondersocht heeft, ende so wel weet als hy, maer daer soseer niet naer en vraeght, omdat hy so rycke is, ende Drebbel niet. Seyde oock, dat dese glasen tot het motum perpetuum gemaeckt wierden.


    *)  De eerste is niet geïdentificeerd. De tweede is misschien Christiaen Coppens [>].
    °)  Cornelis Drebbel [< , >] maakte een 'perpetuum mobile' in 1607 voor de Engelse koning Jacobus I, in 1610 voor keizer Rudolph II in Praag, en ca. 1617 in Engeland een derde [>]. Later schreef men het toestel toe aan Pieter Hooft [<] en zijn vriend Jacob de Graeff (1571 - 1638).


Wond genezen op afstand

Vulnera quî absentes curare dicantur.

    Denselfden Jacobus Bernardi, met verscheyden alchymisten gewrocht hebbende, seyde voorseker te konnen een wonde genesen sonder aen te raken, ende tot bewys daervan vermadt hem den persoon pyne aen te doen als hy wilde, al en was hy er op verde na niet by.

    Seyde daerna dat het hem geleert was van den pestmeester van Utrecht, aldus:
Neempt het mes, daer ymant mede gequest is, ofe steeckt een ander mes in de bebloede wonde, ende neempt dan een stuck speck ende steeckt het mes also tusschen het vel ende het speck, ende hanghet in een plaetse, niet te heet, noch te koudt. Wilt ghy dan den patient pyne aendoen, treckt maer het mes uyt, ende laet het koudt worden.

    Dit schryve ick hier om te toonen de sotticheyt van sulcke beuselen.*)   [>]


    *)  Een leerling van Paracelsus, Crollius, propageerde een 'sympathische' zalf, goedgekeurd door van Helmont in Brussel (1621). Nog een halve eeuw verkondigde de hermetische school deze ideeën (Digby: sympathie-poeder).
[ 202 ]

Drebbel

Motus perpetuus Drebbelij ex auditu explicatus.

    Die het motum perpetuum van Drebbel gesien hebben, segghen, dat het twee glase halve rynghen syn, tegen malkanderen kommende, waerin een liqeur is, twelck met het getye op ende neer gaet in de rynghen, also dat het van beyde syden ontrent a byeen komt, ende dan na b toe wederom afwyckt*). Segghen daerenboven, dat men daerin oock siet wat weer dattet in see maeckt. ring, met buisje in water

    Vooreerst dan segghe ick, dat op dese manniere door de voorgaende wetenschap het liqeur door de veranderinghe van de locht in c uyt de back d, gelyck geseyd, teghen malcanderen kommen sal ende afwycken in de rynghe a, b, e, ja de rondicheyt geeft lichticheyt, also dat het liqeur so swaer niet op te trecken en is, omdatter veel plaetse verandert, weynich verhooght synde.

    Wat aengaet het wassen van het water, dat is misschien geseyd per similitudinem, te weten, gelyck het water wast ende daelt, also ryst dit oock ende daelt, twelck de lieden hoorende, kunnen gedocht hebben, dat men de getyen daerdoor weten konde als per signum. Wat aengaet de storm in see, datselvighe is my oock geseydt van het voorgaende te Delft int stadthuys staende [<], meughelick alleen om de sake te wonderlicker te maken.

    Dan wat de veranderinghe des weers voor vapeuren of anders int glas verwecken sal, dewyle de locht int glas behoort verandert te worden gelyck de locht buyten, nadien datter onder oock water is, also wel als in de see, die also wel hier als daer syn dampen behoort te schieten, welcke oock opkommende niet en konnen verdwynen dewyle het glas boven toe is, de locht van eenderley natuere synde als buyten —, dat sal den tyt leeren. [>]


    *)  [<,>] Dit klopt met andere beschrijvingen: brieven aan Galileï van G. de Medici (18 aug. 1610) en Antonini (4, 11 febr. 1612); Tymme, A dialogue philosophicall (1612) met een figuur (^), en Mersenne, Quaest. in Gen. (1623). Door Rubens ingelicht, kon Peiresc het apparaat namaken (1624), zoals beschreven in L'usage du thermometre (Parijs, 1628).
[ 203 ]
    Ende wat aengaet het hoogh ende leegh water, dewyle de reden, waerdoor dat de Mane dat veroorsaeckt, noch niet ter deghen bekendt en is, waerom en soude de operatie van de Mane niet meer kracht hebben in de locht, die men siet dat so gemackelick recken ende dicken kan, dan int water? De locht, dan verdickt synde door eenighe kracht der Mane, maeckt ontrent het water een ydelheydt, alwaer de Mane gaet; om welcke ydelheydt te vullen, so volcht haer het water van den Oceaen, ende steutende teghen America, maeckt daer seer hoogh water, gelyck vooren ergens van de manniere daervan geseydt is [<].
    [ > ]


Dampen in thermoscoop?

Vapores an in vitro quo calor examinatur, fiant.
thermoscoop
    Maer indien het water int voorgaende glas dampen uytgeeft, so behoorde den back byna gesloten te syn, opdat de dampen niet uytvlieghen, ende souden maer alleen int glas trecken; voornementlick so het liqeur brandewyn ware om de kracht te bewaren, die lichtelick opvlieght ende misschien in dese gelegentheyt best dienen soude. Want sooder eenighe dampen daervan circa liquoris superficiem vlieghen door eenighe uyterlicke of innerlicke hitte, so sullen die opwaerts getrocken worden so de locht subitelick koel wort, ende sullen wesen als een wolckxken int glas. Ofte liever onder trachterswyse, so sal alles dat dampich wort, int liqeur tot in den bol opwaerts vlieghen, sonder teghenstandt.


thermoscoop met omgekeerde trechter in water     Maer, sal ymandt moghen vraghen, en lydt het glas boven op de trachterwyse niet soveel last, dat het wel borsten soude? Want al het liqeur, dat in abc is, hanckt daeraen.

    Ick antwoorde, datter niet meer aen en hanckt dan de hooghte de op de wytte fg persen soude, waerse omgekeert; effen contrary t'gene Stevyn in syn Waterwicht [20] schryft. So oock aen gh hanckt effen soveel als de hooghte de op de wytte, gh eenen bodem synde ter syden. Hoe grooter dan dat de bolle is, hoe meer laste dat se lydt van te bersten, door hetselfde liqeur. So gaet het oock met ai etc.

    Maer soomen vraeght, hoet gaet met het recken van de locht in k, so segghe ick dat se meer gereckt wort van dese trachterwyse dan of de buyse tot aen het water enghe ware, want elck deelken vant water heeft syn swaerte ende wilt nedervallen;

[ 204 ]
ende valt oock neder, solanghe als de locht noch recken kan. Ergo hoe meer waterdeelkens, hoe meer de locht recken moet, eveleens alsoffer boven een gaetken in ware, want dan soude oock elck waterdeelken door dat gaetken soveel locht trecken alst groot is. Nu dewyle de locht, in syn natuerlicke gestaltenisse synde, lichst aen deen of dander syde verandert kan worden, so acht ick, alse sterck gereckt is, dat een tamelicke warmte haer nu soveel niet en sal konnen veranderen ende voorder recken, als die wel te voeren dede, doen de locht natuerlick was ongereckt. Daer soude een slanghwyse pype [>], gelyck een daer men brandewyn door distilleert, alder bequaemst syn.
    [ > ]


Eeuwige klok

Horologium perpetuum requirit subinde reductionem ad tempus exactum.

    Om een perpetuum horologium te maken, soude oock dienen konnen een ordinaris subtyl horologe, daervan het gewichtken sy een backxken met water, twelck gevult wort door het vyfde instrument [<]; ende alst doort druppen op een sekere mate gekommen is, dat het dan per syphonem subitelick uytloopt ende dan wederom beghint, gelyck Hero doet Lib. de Spiritalibus.

    Maer dewyle alle instrumenten door verscheyden redenen rasschen ende traghen, so worter in een perpetuum horologium verheyscht een seker motus op een sekeren tyt, daerdoor alle erreur geeffent mach worden; twelck syn soude, waert dat het glas altyt s'daeghs leeghde ende snachs hooghde. Ofte indien men het instrument of glas so subtyl maeckte, dat het licht van den dach daerin veranderinge maeckte, het is apparent dat doort licht de lucht verdunt wort, maer door de warmte oock. Wie sal nu het een van het ander scheyden?


    Door de warmte ende koude kan men sien, hoe dickwils het weder verandert. Maer soo daer neffens yet ware dat sekerlick door nacht ende dach beweeght wierde, ende dat ééns daeghs ende ééns snachs, dan soude men weten hoe dickwils dat het weder veranderde in dach ende nacht, weke, maendt etc.
    [ > ]


Kijkgat

Kyckgaten na de perspective te maecken in onse jongers eetsale.

    Te Rotterdam, den 2en Julij.

    Also onse 64 discipulen in onse beste kamer eten, ende wy altemet haer geerne alleen laten souden, also datse meenen, dat wy al haer doen sien, so moeten wy een gat maecken in de muer int Westen staende, in het Noorteynde daervan, ontrent 8 of 10 voeten boven de aerde, alwaer een kamerken achter de muer is, uyt hetwelcke wy in de kamer kycken konnen. Nu nadien de principale tafel staet lanckx de Suydermuer, ende wy het gat niet en behooren wyt, maer lanck ende smal, te maken, opdat niemant en wete of wy er door sien of niet, so is de questie, hoe dat lanckwerpich gat gemaeckt moet worden, opdat wy rechs al sien, dat op de langhe tafel gedaen wort?

[ 205 ]
gezichtslijn

    Hiertoe sal ons de perspective dienen. Laet ab de langhe tafel syn, een lynie op de vloer, rechthouckich op de glasgront*), bc. Het ooch sy d, so verde van het glas alsmen wilt: daerom en behoefter oock gheen vloerliny te wesen. Treckt dan van d tot b, so is db de linie, daer de schaeu van ab inkompt. Ende het gat moet effen so noes gemaeckt worden, so lanck alsmen wilt; want maeckt ment wyt, ende staet mer heel naby, so moettet soveel kleynder syn. Maer indien ab niet rechthoeckich en stonde op bc, so moest men doen gelyck in de perspective geleert wort, soeckende des tafels Oostpunt a, waert int glas vallen sal. Nu dan moet een gat syn gelyck ef.


    *)  Zie Stevin, Deursichtighe, 13.


Dampen

Vapores in vitro quo calor examinatur.

    In de voorgaende figuere is onder anderen geseydt, dat de locht in k gereckt wort, waerdoor het apparent is dat se te min verdunt of verdickt kan werden ende het water te ongemacklicker rysen, want de locht verdickt synde, moet krachtelicker verdickt syn om de swaerte van het water te overwinnen.

B: thermoscoop met U-buis; A: model van 3 elementen     Daerom is de figuere B bequamer, alwaer het baxken c kompt op de hooghte, daer het water is als de locht aldermiddelmatichst is, also dat het de helft min tot syn natuerlicke plaetse sal moeten gaen, na de veranderinge van het weder, t'sy na boven of na beneden.

    De figuere A toont, hoe dat de dampen van onderop tot d kommen konnen, als het water wermachtich is ende de locht koudt. Daerom is rontsom A een backxken vol koudt water gestelt, ende om e niet, opdat de dampen in A blyven souden. Ende so sal hier een figuere syn van 3 elementen: e is instede van vier, A van locht, daer de wolcken syn, ende onder d is water. In de voorgaende figuere wort de locht gereckt; hier wort se geperst, omdat het water in den ondersten back hooger staet dan int glas. Dit kan men soveel doen alsmen wilt, ende men mach sien wat best is tot onse intentie.
    [ < , > ]

[ 206 ]     17 juli - 8 okt. 1622

Leugen en bedrog

Mendatium quid.

    Den 17en Julij te Rotterdam, ter occasie van David de voorleser*).

    Daer is veel questie van de leughen, watse is ende hoese gexcuseert mach worden. Hiervan dunckt my, dat by een leughen altyt moet wesen contrarie woorden of gestien dan de sake is, ende dat den leugenaer dat weet ende de partye niet, sodatter altyt een bedroch by is. Dan daer is wel geoorlooft bedroch, daermen ymant goet mede doet, sonder sonde; maer daer en kan gheen geoorloofde leughen syn, want die is een bedroch met onwaerheyt beleydt.

    Nu daer is sowel onwaerheyt in actien of gestien als in woorden, gelyck oock de woorden verandert worden door de manniere van pronuncieren. Derhalven, tsy datmen al wetens ende willen ymant wat doet verstaen anders dan de waerheyt is door woorden, tsy door de pronuntiatie, tsy door gestien, tis na myn oordeel altyt een leughen. Maer hier en mach men Christus niet beschuldighen als hy hem geliet of hy na Jerusalem gaen wilde, noch Godt als hy Jonas dede segghen dat Ninive binnen veertich daghen vergaen soude, noch de genoode gasten als sy haerselven excuseren teghen haer meyninghe. Want hier en is geen formelick bedroch, want de partye weet wel, dat dit de manniere is datmen sich gelaet anders alsmen meent, om te sien of hyt van herten meent, die hen noodicht; ende oft hem heel wel geleghen kompt. Ende is een specie van beleeftheyt ende niemant is bedroghen, niet meer dan alsmen ironicè of andersins figuerlicker wyse spreeckt. Hier worden oock voor leughens gekeurt alderhande dobbelsinnighe woorden, pronuntiatien, gestien, die eenichsins maken dat de partye anders denckt dan de waerheyt is. De graden hiervan syn alsmen daerdoor wat goets teweghe brenghe: vyanschap schoudt, niemant gheen ongelyck en doet, den vyant bedrieght diemen weet dat ons oock so bedrieghen soude; maer de alderquaetste is alsmen daermede quaedt doet, die goet syn.


    *)  David Jacobsz Haeckendover [>].

Liegen om iemand te redden

Mendatio an liceat aliquem à morte liberare.

    Maer, sal ymant vraghen, moet ick dan àl segghen dat men my vraeght, al soude ick mynen naesten beclappen totter doot; mach ick niet simuleren, opdat ick mynen vriendt niet en verstoore, die ick het recht bescheet niet en begeere te openbaren? Ist sonde, mach ick wel quaedt doen om eenich goet wille datter soude moghen uyt kommen? En moet ick my van de minste sonde niet meer wachten dan voor de doot?
[ 207 ]
    Hierop dient voor antwoorde dat gelycker trappen syn van de sonde, datter also oock trappen syn van sich teghen de sonde te kanten. Want indien ymant sich also teghen de hooveerdye, giericheyt, nydt etc. kandt, dat hy nochtans sich dickwils daerin verloopt, ende denselfden persoon gaet sich so kanten teghen den minsten leughen dat hy in geender mannieren synen naesten daerdoor van de doot en verlost, maer sichselven of hem ter doot laet brenghen — die mach bedencken hetgene dat Christus seght teghen de Phariseen: Matth., cap. 23, vers 23: Dit moest ghy doen ende tgene niet nalaten, te weten: de barmherticheyt moet ghy voornementlick doen ende het kleyne oock wel, maer niet met sulk een neersticheyt als het andere.
Daerom wacht u van de sonde na proportie, kandt u sterck teghen de groote; ende indien ghy in de groote dickwils begeert te missen, wat wysheyt ist nimmermeer te willen missen in de kleyne? Geeft ghy de hooveerdicheyt so geerne toe ende en wilt ghy niet een dobbelsinnich woort spreken om uwen naesten te verlossen? Als ghy vry syt van hooveerdie, so wacht u vry, op het aldernauste, van de alderminste leughen. Of meyndt ghy dat het moyelicker is sich te wachten voor hooveerdye, in dewelcke het begin, middel ende eynde al sonde is, dan ymant uyt de handen der vervolgers te verlossen door een leugentjen?

    Hier dient verhaelt, hetgene de Prediker seydt, cap. 7, vers 16, 17: Weest niet al te rechtveerdich, noch niet al te godloos, niet al te wys noch niet al te dwaes. Want de Phariseen voorseydt waren al te rechtveerdich, omdatse, teghen de grootste geboden Godts dickwils sondigende, de cleynste opt scherpste onderhielden. Also machmen teghen die een goedt man beclappende, ter doot brenckt, segghen: "Ghy syt al te rechtveerdich."
Die in de schoenen van syn voeten een fout vindende, den schoenmaker beschuldicht, ende nochtans opt ongeschickt fatsoen van broeck ende wambuys niet en let, ghy syt al te wys. Hy is al te godloos die hem met de voorsz. reden te veel excuseert ende sich te verre verloopt; hy is al te dwaes, die gheen verstandt en heeft, noch van cousen noch van schoenen, maer denckt dat geschicktheyt curieusheyt is.

    "Breeckt desen tempel, ende in dry daghen sal ick hem weder oprichten", seght Christus, ende dat sonder leughen, al wast sake dat sy dat van den materialen tempel verstonden. Want de toehoorders hadden het behooren te verstaen, ende dat syt niet en verstaen, is haer ende haer voorouders schuldt. Op deselfde manniere heyscht Godt van ons in syn wet, dat wy niet doen en konnen.

Raadsels, parabelen en grappen

Ænigmata, parabolæ, cluchten, etc. licita.         Risum quid excitet.

    Hiermede worden geexcuseert alle raetselen ende vraghen ende subtyle spreuken, die de meester ende geleerde lieden den volcke voordraghen, al latensese allanghe in een verkeert gevoelen, om haer daerdoor te beter te leeren. Niet veel en verschillen hiervan de cluchten, daermen ymant mede doet lachen. Want int beginsel vant verhael maeckt men syn propoost, dat het schyndt dat men wat anders segghen wilt dan men int eynde seght, welcke vremdicheyt doet lachen,
[ 208 ]
gelyck Galenus schryft van den aep, die de duym cleynst heeft, daerse int gebruyck de grootste behoorde te syn van de vingers. So doen oock de guychelaers, dewelcke de goede spryngers ende konstenaers willende nabotsen, doen al de actien, die sulcke springers haer vooren gedaen hebben, ofte doen souden. Maer in stede van over het peert te sprynghen, kruypen sy er onder deur.

    Dit voorseyde genoechelick propoost en is geen loghen, omdat den toehoorder niet en behoorde so haest syn gedachten te vesten op hetgene dat niet noodtsakelick uyt de voorseyde eerste woorden en volght.
    [ > ]


Eeuwige fontein

Fons perpetuus per maris aestum.

    Als ick een eeuwighe fonteyne make doort wassen ende dalen van het hoogh ende leegh water, so salt goedt syn dat ick oock lette daerop, dat men mede wat profyts heeft van het leeghworden van den back; te weten dat daerdoor oock wat waters opgehaelt worde of een meulen gedraeyt door de in ende uytgaende wint, of alle beyde etc.
    [ < , > ]


Wijn in brood

Vini omnem essentiam in pane colligere.

    Abraham Melis [<,>] heeft verstaen van een alchimist, als een sake die gansch vast gaen soude, gedaen dickwils van den alchymist, ende ordinaris gedaen wordende van eenighe Duytsche vorsten, datmen seer lichtelick al de quinte essentie uyt een vat Rynsche wyn kan trecken ende daerdoor tallen tyden Rynschen wyn dryncken.

    Sy nemen een warm rogghenbroot, een weynich grooter dan het boomgadt ende doen de onderste korste af, so wyt alst boomgat is, ende legghen het broodt met de cruyne nederwaerts op het boomgadt ende stoppent rontom het broot dicht toe, datter gheen wint noch uyt, noch in vlieghen en kan. So sal dan dit warm broot in sich trecken al de quinte essentie van het heel oxoot, ende al de wyn van binnen bederven. Dit broot dan koudt geworden synde, sult ghy afnemen ende met u draghen, ende als ghy Rynschen wyn dryncken wilt, so sult ghy een kruymken daervan in een glas met water legghen ende het sal so goet worden als Rynschen wyn.


Ritme van verzen op muziek

Rythmi belgici per jambos et trocheos, musicae non respondent.

    In de Duytsche rymen, als van Aldegonde, Heynsius, Cadts*), etc., siet men anders niet dan jambos ende trochaeos. Maer (gelyck ick vooren [<] ergens int breede verclaert hebbe), die so doen en konnen geen bequamen dicht op alderhande musyckstucken maken, ja selfs niet op alle de psalmen.
[ 209 ]
Als, onder anderen, op den eersten regel des 24en heeft Aldegonde een jambum gemaeckt; maer diet synght, sal vinden een hardicheyt daerin, want in aertryck, wort aert kort, ende ryck lanck gepronuncieert, anders dan in der nature is, want ryck kompt int neerslaen van de mate, alwaer een langhe syllabe verheyscht wort. Dit geschiet allom daer int beginsel twee of vier heele noten syn.
    *)  Marnix van St Aldegonde, Het boeck der Psalmen (Antwerpen 1580) [<,>].
Daniel Heinsius, Nederduytsche poemata (Amsterdam 1616).
Jacob Cats, Maechdenplicht (Middelburg 1618, dbnl), Selfstryt (1620), e. a. [<,>].
[ Lat. ]

[ 212 ]     8 okt. - 27 nov. 1622

Aantrekking

Spuma in vitro cur marginibus et sibi adhaereat.

    Abraham Melis [<,>] toonde my hoe in een glas vol waters een pampierken, niet verde van de kant geleydt, terstont tot aen de kandt trock, ende hoe nader de kant het quam, hoe rasscher het na de kandt liep. Oock twee pampierkens, niet verde vaneen geleydt, trocken raschelick aeneen. So doen oock de bobbelkens, treckende ronsom aen de kant, ofte dycht aeneen, gelyck men siet in versch geschonken wyn of dun bier, etc.

    Hy meynde dat de kant door een magnetische kracht dat treckt. Maer ick seyde, ende houde het daervoor, dat het geschiet door eenighe spiritus of dampen, die gestadich uyt het water oprysen, terwylen het water uytdrooghende is sonder ophouden door de gedueriche warmte des lochts*). Nu so wort het pampierken van die uytrysende dampen meest beweecht aen die syde, daer meest water licht. So dan tusschen het pampierken ende de kandt minst water ende rysende dampen synde, wort het na de kandt gedreven ende hoe nader het de kant is, hoe grooter verschil daer is tusschen het water aen beyde syden des pampiers. So oock tusschen de twee pampierkens byeen en is mede niet veel waters.   [>]


    *)  Volgens Beeckman wordt elke kracht via contact doorgegeven [<]. Vergelijk zijn verklaring van magnetisme [>].
[ Lat. ]

[ 218 ]

Kaarsen barsten

Candelae cur findantur.

    Te Rotterdam, den 27en November.

    Dat de keersen borsten als sy koudt opgemaeckt werden, is omdat de warmte daer te haest uyttreckt. Nu hetgene metterhaest geschiet, en kan niet eenparich geschieden, waerdoor het gebeurt, dat het roet aen het een pleckxken dichter ineen gedronghen wert dan in het ander (gelyck wy vooren [<] oock wel yet sulckx geseyt ende bewesen hebben).

Daveren

Candelae cur scintillent.

    Dewyle dan dat deen brockxken dichter, swaerder, harder ende van meer lichamelickheyts is dan het ander, so soudt wel moghen wesen dat het daveren van de vlamme daerdoor kompt, omdat nu een dicht, nu een open brockxken verteert wort. Ende alser een dicht brockxken verteert wort, dan wort de vlamme groot, ende alser een licht brockxken verteert wort, dat geeft wat min materie tot de vlamme, ende also wort de vlamme van dit brockxken kommende, kleynder; twelck overhandt geschiende, so schyndt de vlamme op ende neder te gaen, twelck wy daveren noemen. Ende dewyle dat in sulcke keersen sommighe brockxkens byeen legghende, wel een deel byeen even dicht konnen syn, so staet de keerse wel wat stille sonder daveren; maer als het naeste dichter of noch lichter of noch dichter is, so isser gedaver.
[ 219 ]

Goede kaarsen maken

Candelas facere non scintillantes.

    Om dit te remedieren salmen de keersen in een stove ofte in een getemperde plaetse maken, opdat de warmte, van langerhandt ende alleynskens uyt treckende, de brockxkens al even groot maken mochte. Want dan en wortter geen forse gedaen, maer het roet gaet sitten, gelyckt natuerlickxt behoort ende op syn gemack. Want een klyn beetken warmte seffens uytgaende, en maeckt niet dat het roet verre uyt syn eerste plaetse moet gaen om de warmtens plaetse te vullen; ofte (si vis) een kleyn beetken viers uyttreckende, en douwt of en druckt het roet niet verde wech uyt syn plecke.
    [ > ]


Oostenwind bij evenaar

Ventus cur sub aequinoctiali orientalis.

    Mr David*), die de seevaert leert, seght dat tusschen de tropicos de wint altyts Oost is ende dat de schippers, die na Oost-Indïen varen, moeten buyten de tropicus Capricorni blyven om daer te geraken, want daer syn de winden variabel gelyck hier.
    *)  David Davidts [>] werd op 1 dec. 1615 geconsulteerd door Pieter Karre en Cornelis Matelief over de uitvinding van Jan Hendricks [Jarichs] van der Ley om de lengte te bepalen op zee. Te Rotterdam onderwees hij de poolshoogte-vinding volgens Stampioen.
[ Lat. (verklaring) ]

[ 222 ]

Natte lei

    Den 22en December.

    Alsmen een schailje, daer men rechs op gecyffert heeft ende met natticheyt uytgevaeght, in de stove kompt, so wortse so nat, dat men de letters die men maeckt, niet sien en kan.

    De reden hiervan is, dat de natticheyt buyten de stove in de poren of sweetgaetkens van de schailje schuylt, also dat het schyndt dat se niet seer nat en is; maer de natheyt is wel niet int midden des lichaems, maer altyt leegher dan het oppervlackt van de schailje. Als nu de warmte op de schailje kompt, so menghtse haer met het water, dat in die gaetkens is, makende dat het meerder plaetse hebben moet dan in die hollekens is, waerdoor de natticheyt van de warmte uytgedronghen wort; niet anders gelyck de wyn uyt een volle tonne overloopt alsmer noch water ingiet.

[ 223 ]
Daerenboven so treckt het vier oock in de kanten van die hollekens; ende daeraen klevende maecktse noch kleynder, ende dierhalven pranght het vier de natticheyt uyt, daerse best uyt kan, twelck is boven op die schailje. Daertoe mach men wel gelooven dat in die gaetkens, doordien dat de kanten oock warm worden, het water alderlichst tot damp begint te worden, want daerin en is maer een kleyn beetken, twelck rontsom met warmte besedt wort. Ende daer is dickwils geseydt [<] dat kleyne dinghen een grooten omtreck hebben naer advenant de groote dynghen. Nu den dampt hoeft meer plaetse dan het water, doch in de locht kommende by het ander water, dat op de schailje oock dunnekens gespreydt wort, verliest se haer hitte ende menght haer met het water ende also wort de schailje natter.

    Hetselvighe siet men oock als men eenen natten doeck, die sterck uytgevronghen is, by het vier drooght. Ende voornementlick als dien doeck in een koude vochtighe plaetse geleghen heeft, want doen en schyntse niet nat te syn voor ende aleer datse by het vier kompt. Ende dan siet men de natticheyt bescheeghelick, selfs eer se begint te roocken, ende oock alse roockt.


Mondharp  (^)

Musici instrumenti (quod totum fere ori inditur, belgice trompen) ratio.

    Den 24en December int weerom kommen van Dort.

    Daer syn instrumentkens van yser, die men in de mont neempt om op te spelen, ende men heet se trompen.  ab is een stale latken, dat men doet daveren alsmen aen c stoot met den vyngher, ende men speelter alle lydekens op.

trompe (mondharp)     Alwaer te verwonderen staet dat men verscheydenheyt van toonen hoort, daer het instrumentjen doch eenparich is ende buyten de mont slechs eenen eenparighen ofte schier geenen toon en geeft. Maer men moet weten dat de locht in een nauwe plaetse gesmeten, ende niet hebbende om te wycken, meer clynckt ende gebroken wort; ende dewyle men den mont kleynder ende grooter maeckt int spelen, so verandert men ooc de toonen, niet anders dan tgaet met de orgelpypen. Want als men de kaken wyt open spreydt ende eenen grooten mont maeckt, so komter eenen groven toon van; eveneens alsmen die int synghen verandert. Also dat ick meyne, dat men de voys maer en hoeft na te botsen sonder synghen, den mont openende gelyck men synghen soude. Ende also kan men sonder veel te leeren, alle liedekens spelen, die men synghen kan.

[ Lat. ]

[ 224 ]     24 dec. 1622 - 6 jan. 1623

Bedrog

Mendatij deceptionis ratio.

    Vooren [<] hebbe ick wat gesproken van de leughen, alwaer ick oock een weynich mentie maeckte van bedroch, hetwelcke schyndt de leughen seer naby te kommen. Nochtans en kan men niet wel segghen dat alle bedroch sonde is, tensy men dit woort specialick int quade neempt, want beproevinghe is mede een bedroch, generalick genomen synde; so kan oock courtoisie syn alsmede bedroch daermen ymant wat mede leert, geckt, speelt etc. In welcke alle de sonde schyndt te kommen uyt het quaet, dat men daerin voor heeft ofte daermede te weghe brengt.

    Wat aengaet de beproevinge, daer God Abraham mede beproefde, die was soodanich dat hy hem dede gelooven dat niet waer en was, want Abraham dachte dat het Godts wille was dat Isack soude ymmers gedoot worden, twelck Godts wille niet en was. Ja, God hadde wel moghen segghen sonder lieghen: "ick wil dat ghy uwen sone doodet", daer hyt nochtans niet en wilde, maer hy verstont hem: "ick wil dat ghy al de actien van gehoorsaemheyt betoondt, die ghy doen soudet so ick dat ymmers begeerde". Maer so klaer en mocht dit niet geseydt worden, want dan en haddet gheen beproevinge geweest; want wat eere konde Abraham hebben, dat hy al die actien dede, wel wetende dat het na syn sin uytvallen soude?

[ 225 ]
    Also beproeft oock een vader syn kindt; ende wie sal segghen datmen also eenen vriendt niet en sal moghen weeren, dat hy niet en sie hetgene men hem opentlick niet en derft weygeren te sien? Want oock myn intentie en is niet, hem te doen meenen, dat ick dit of dat niet en doe; maer slechs te maken, dat hy niet en meene, dat ick dit of dat doe. Twelck niet en is hem leughen te doen meenen, want so hy anders meent, dat en volcht niet nootsakelick uyt myn woorden of actien, want tis my genoech dat hy niet en meent dat ick dit of dat doe. Ende al weet ick dat hy door myn woorden ende actien meenen sal dat ick dit of dat niet en doe, leugen synde, so en schyndt het niet, dat hem in middelmatige dynghen soo nouwe moet wachten. Siet de plaetse voorseydt.     [<,>]


[ Lat. ]



Beeckman | Journaal - 1622 (top) | vervolg