IB | < Vertalingen > | Index

Terugspringen , spiritus , stuiptrekking , hoofd , kerkdienst , vrijheid


Isack Beeckman - 1621 v



[ 157 ]     24 dec. 1620 - 19 feb. 1621

Terugspringen

Terugspringen van lichamen door mij niet begrepen met atomen.

    Hiervoor [<] heb ik veel geschreven over het terugspringen of terugkaatsen. En tot nu toe is aan te nemen dat er bepaalde zeldzame atomen zijn zoals een spons, die na samengedrukt te zijn terugspringen en weer uitzetten, en dat die atomen wel even klein kunnen zijn als vaste, of kleiner, en door hun samendrukbaarheid in alle mogelijke poriën kunnen dringen. En deze atomen lijken weliswaar te bestaan uit vaste vezels, maar ik geef toe dat ik niet begrijp hoe ze gebogen kunnen worden. Niettemin wil ik toch niet de peripatetische verdunning toelaten, die hier wel noodzakelijk is, maar op geen enkele manier met het verstand te begrijpen, zoals evenmin dat een atoom, bestaande uit vaste vezels, afwisselend een grotere en kleinere ruimte inneemt. Misschien moet ik dit evenwel anders begrijpen, met een verbinding van andere lichamen, en zo zal ook verklaard worden de lichtheid, ijlheid, fijnheid en snelheid van lucht en van vuur.
    [>]

[ Ned. ]


[ 174 ]
Spiritus        

Spiritus cerebri quomodo tam gravia ossa moveat.

Hoe hersengeest zo zware botten beweegt.

    Den 21en Julij te Rotterdam.
    Quaesivere multi, atque ipse quoque hîc ante [<] aliquoties quaesivi, quo pacto fieri possit quod quotidie toties fieri videmus, viz. ut tot ossa et carnes, quales sunt pedum et manuum etc., a levissimo spiritu, e cerebro prodeunte, queant moveri?
Videmus enim ossa attrahi cum nulla in promptu sit tanta vis, quae nervos apprehendendo ad sese rapiat. Imo, si tanta vis foret, ea esset procul dubio in cerebro; ast ibi nervorum origines tam sunt molles, ut prius frangerentur quam ijs mediantibus quicquam grave moveretur attrahereturve.
    De 21e juli [1621] te Rotterdam.
    Velen hebben zich afgevraagd, en ik ook enkele malen hiervoor [<], hoe gedaan kan worden wat we dagelijks zo vaak zien gebeuren, nl. dat zoveel botten en vlees, als van voeten en handen etc., door een allerlichtste geest*), uit de hersenen voortkomend, bewogen kunnen worden?
We zien immers dat aan botten getrokken wordt terwijl zoveel kracht in het geheel niet zichtbaar is, die ze snel naar zich toe grijpt met aanwending van zenuwen. En sterker nog, als zo'n grote kracht er zou zijn, zou die ongetwijfeld in de hersenen moeten zijn; maar daar zijn de zenuwen aan het begin zo zacht, dat ze eerder zouden breken dan dat ermee iets zwaars bewogen of getrokken zou worden.

[ *)  Het woord 'spiritus' is hier eigenlijk onvertaalbaar: het ging om uiterst fijne deeltjes, volgens Galenus, 'pneuma psychikon'.]

[ 175 ]
    Quid igitur respondes? inquies. Nempe causam materialem omnis motûs revera esse in cerebro, spiritum videlicet animalem. Hic, cum sit levis, nullo negotio a virtute appetibili cerebri per nervos ad musculos demittitur, quorum calore dilatatus, extendit eos atque ita totum crus etc. attrahitur; calefactus vero, per poros avolat evanescendo cogiturque cerebrum, quamdiu actionem velis continuari, novos spiritus succedentes mittere. Hinc fit cerebrum fatigari spiritusque ejus exhauriri toto die, qui noctu iterum restaurantur ex cibo pridie ingesto.     Wat antwoord je nu? zul je vragen. Dat er wel echt een materiële oorzaak van elke beweging is in de hersenen, blijkbaar de levensgeest [>]. Daar deze licht is, wordt hij moeiteloos door een streving van de hersenen via de zenuwen naar de spieren gezonden, en, door de warmte hiervan verruimd, strekt hij deze en zo wordt aan het hele been getrokken etc.; maar warm gemaakt vliegt hij weg door poriën, en dit vervliegen dwingt de hersenen er nieuwe geesten voor in de plaats te zenden, zo lang je de handeling wilt laten voortduren. Zo raken de hersenen de hele dag vermoeid, en hun geesten uitgeput, die 's nachts weer hersteld worden met het overdag genuttigde voedsel.
Neque nimium mirari decet tam subitam mutationem et alterationem dilatationemque spirituum a calore musculorum: multo enim celerius dilatatur pulvis pyrius ignis vi levissima tantosque globos tantum spatium per aera ducit, cui non alia subest motûs causa quam ignis pulverem eum attenuans, de quo ante alubi loquutus sum [<]. En we hoeven niet al te verbaasd te zijn over deze zo plotselinge verandering en over de afwisseling en uitzetting van de geesten door spierwarmte: veel sneller immers zet buskruit uit door een heel zwakke kracht van vuur, en het brengt zo grote bollen zo ver door de lucht, waarvoor geen andere bewegingsoorzaak is dan het vuur dat dit kruit ijler maakt, waarover ik eerder elders gesproken heb.


Stuiptrekking        

Palpitationum in musculis ratio.

    Simile quid indies in nostro corpore contingit quando membra et musculi corporis palpitatione vexantur. Tum enim manifeste animadvertimus humores tenues, aut potius vapores crassiusculos, ad membrum hoc dimitti eosque subito attenuari atque ita membrum attollere, statim evolare novumque vaporem in procinctu esse ut quoque attenuetur.
Reden van stuiptrekking in spieren.

    Iets dergelijks gebeurt wel eens in ons lichaam wanneer ledematen en spieren van het lichaam door een stuiptrekking hevig bewogen worden. Dan merken we namelijk ontegenzeglijk dat dunne vloeistoffen, of liever dikkiger dampen, naar dit lid gestuurd worden en dat deze plotseling verdund worden en zo het lid optillen, dat ze terstond vervliegen en dat nieuwe damp beschikbaar is om ook verdund te worden.
Atque ita saltus quidam fit membri involuntarius, non aliter quam in candela ardente, ac subinde salitante, fieri aliquando demonstravimus [<]; nam plano eodem modo saevum quoque vicissim ad flammam rapitur attenuaturque versumque in flammam evanescit, ita ut singulis momentis alia atque alia sit flamma; neque, ut quidam existimant, perpetuo eadem numero flamma conspiciatur. En zo ontstaat een of andere ongewilde sprong van het lichaamsdeel, niet anders dan bij een brandende en van tijd tot tijd opflakkerende kaars gebeurt, zoals we eens beschreven hebben; want op precies dezelfde manier wordt kaarsvet ook beurtelings naar de vlam getrokken en verdund, en in de vlam gebracht vervliegt het, zó dat op afzonderlijke momenten de vlam nu eens deze vorm heeft en dan weer die; en dat niet, zoals sommigen menen, voortdurend dezelfde vlam gezien wordt.
Spiritus ergo cerebri frigidior existens, in locum calidiorem musculorum perveniens, aptissima est materia quae attenuetur ac dilatetur. Non est igitur necesse ut via, a cerebro ad musculos perveniens, fit dura, tenax aut quae non facile frangi queat; sed sufficit membra membris alligata esse fortibus tendonibus quibus inferius membrum possit attrahi a superioris musculo dilatato, (modum attractionis per musculum dilatatum nemo non intelligit). Os igitur ossi proximo duntaxat fortiter alligatur, ac sufficit exigua quaelibet via inter tendones latitans, per quam spiritus in carnem exiguosque nervos musculorum perveniat. Geest dus van de hersenen die vrij koud ontstaat, is, als hij op een warmere plek in de spieren komt, een heel geschikte materie om verdund te worden en uit te zetten. Het is dus niet nodig dat de weg, die van de hersenen naar de spieren loopt, hard is, of stevig, of niet makkelijk te breken; maar het is voldoende dat de ledematen aan elkaar vastzitten met sterke pezen waarmee het onderste lid getrokken kan worden door hogere als de spier zich verbreedt (de manier van trekken door middel van een verbrede spier begrijpt iedereen). Een bot is dus slechts aan het naastliggende bot stevig vastgebonden, en het is genoeg als tussen de pezen een smal paadje vrij ligt, waarlangs geest in het vlees en de dunne spierdraden komt.

[ Lat. ]


[ 179 ]
Hoofd        

Caput magnum significat ingenium.

    Qui magnum habent caput, membra vero reliqua parva, multos in capite spiritûs colligunt, nisi id male conformatum sit, id est, si itidem sit multi cerebri et non valde crassorum ossium. Cumque corpus reliquum sit exiguum, parum ex ijs spiritibus membra inferiora exhauriunt; quod restat igitur cedit in fantasiam et ingenium. Verum id ipsum congerit multos humores, quos plerumque non bene digerit, praesertim in pueritia, adeo ut multis distillationibus ijdem abundent, puerique multo mucco deformes reddantur, qui postea toto corpore, per aetatem exsiccato, in viros non paenitendos emergunt. Foeliciter igitur cum ijs agitur quibus magnum caput habentibus, cerebrum tendit ad siccius: id enim eos humores supervacuos absumit.

Groot hoofd wijst op verstand.

    Wie een groot hoofd heeft, en de overige ledematen klein, verzamelt veel levensgeesten in het hoofd, tenzij het slecht gevormd is, d. w. z. als er eveneens veel hersenen zijn en niet veel zeer dik gebeente. En daar de rest van het lichaam klein is, nemen de onderste ledematen weinig van deze geesten; wat overblijft gaat dus over in verbeeldingskracht en verstand. Maar dit hoopt wel veel vochten op, wat het meestal niet goed verwerkt, vooral in de kinderjaren, zozeer dat verkoudheid bij hen vaak voorkomt, en dat kinderen door veel slijm bevuild raken, die later, met het hele lijf droger geworden gedurende hun leven, tot niet te versmaden mannen uitgroeien. Gelukkig gaat het dus met diegenen met een groot hoofd bij wie de hersenen neigen tot het drogere: deze nemen namelijk die overtollige vochten op.

Patris mei conformatio.

    Talis videtur pater meus, cujus caput excedit magnitudine maximorum virorum capita (quod saepe per eorum pileos experti sumus). Cerebrum quoque videtur optime proportionatum et paucorum ossium, quia reliqua membra sunt talia: vox enim indicat magnos habere pulmones, id est pectoris cavitatem ingentem. Praeterea constat suris quidem crassissimis; at quod spacium est inter suras et pedes, eo constat valde exiguo; id autem spacium, cum sit osseum, patet ejus ossa esse non crassa, cumque ipsi sufficiant, constat esse densa. Siccum vero habere cerebrum ostendunt crines ejus nigri.
Lichaamsvorm van mijn vader.

    Zodanig lijkt mijn vader te zijn, wiens hoofd in grootte de hoofden van de grootste mannen overtreft (wat we vaak bevonden hebben met hun hoeden). De hersenen lijken ook heel goed geproportioneerd en met weinig bot, omdat de overige lichaamsdelen als volgt zijn: de stem verraadt namelijk dat hij grote longen heeft, d. w. z. een heel grote borstholte. Bovendien heeft hij wel heel dikke kuiten; maar de ruimte die er is tussen kuiten en voeten, is bij hem zeer kort; daar nu deze ruimte benig is, blijkt dat zijn botten niet grof zijn, en daar ze hem genoeg zijn, staat vast dat ze dicht zijn. Dat hij inderdaad droge hersenen heeft tonen zijn donkere haren.

[ Ned. ]


[ 188 ]
Kerkdienst        

Concionem ad locos logicos referre.

    Qui concionem etc. ad locos logicos referre velit integram, poterit etiam preces, cantum, ingressum templi, apertionem capitis, gestûs et caetera quae non videntur partes concionis, ad suos locos redigere. Sunt enim partes externae. Nam etiamsi non scribantur, possunt tamen scribi ab alio, cui animus est omnia circa eam concionem memoriae tradere.
Desen 21en Novemb. te Rotterdam.

Kerkdienst herleiden tot logische onderwerpen.

    Wie de kerkdient enz. tot de logische onderwerpen geheel wil herleiden, zou ook de preek, het gezang, de inkomst in de kerk, ontbloting van het hoofd, gebaren en andere zaken die geen onderdeel lijken van de dienst, een plaats moeten geven. Het zijn namelijk uiterlijke zaken. Want al staan ze niet op schrift, ze kunnen toch beschreven worden door een ander, die zin heeft om alles rondom deze dienst op te tekenen.
Deze 21e november te Rotterdam.   [>]


Vrijheid        

Libertatis amor meus.

    Libet hîc inserere illud Senecae cap. XIX Lib. de Brevitate vitae, alieno quidem loco (nihil enim huc transferendum praeter proprias meditationes), attamen quia optime congruit cum mea sententia quam palam multoties profiteor [<], non possum non ejus verba pro meis habere. Omnium quidem, inquit, occupatorum conditio misera est; eorum tamen miserrima qui ne suis quidem occupationibus laborant, ad alienum dormiunt somnum, ad alienum ambulant gradum, ad alienum comedunt appetitum, amare et odisse, res omnium liberrimas, jubentur. Hi si velint scire quam brevis ipsarum vita sit, cogitent ex quota parte sit sua etc.

Mijn vrijheidsliefde.

    Ik wil hier invoegen wat Seneca schrijft in h. XIX van het boek Over de kortheid van het leven, wel enigszins misplaatst (want hier hoort niets gezet te worden dan eigen overwegingen), maar omdat het toch heel goed overeenkomt met mijn mening die ik dikwijls openlijk verkondig [<], kan ik het niet laten zijn woorden voor de mijne te houden. Zeker, zegt hij, hebben alle bezette mensen een deerniswekkend lot; en nog het meest zij die zich niet eens voor hun eigen bezigheden inspannen, zij slapen naar andermans slaap, zij lopen naar andermans pas, zij eten naar andermans eetlust, liefhebben en haten, zaken die van alle het meest vrij zijn, worden opgelegd. Laten zij, als ze willen weten hoe kort hun leven is, maar eens bedenken voor welk deel het 't hunne is, enz.
    Ejusmodi quaedam meditatio me coëgit Ultrajectensem conrectoratum deserere [<], cogitque etiamnum neminem certis horis necessario docere, spernereque quamlibet conditionem quam remunerat magistratus*), vix animum applicare ad medicam praxin ne aegrotis cogar obtemperare quasi stipendio me obligantibus, tandemque summo ardore ad mechanicam artem candelariam ferri.     Een dergelijke overweging bracht mij ertoe het Utrechtse conrectoraat op te geven, en brengt me er nog altijd toe om niemand noodzakelijk op gezette tijden te onderrichten, en elke positie die de overheid bekostigt af te wijzen*), nauwelijks aandacht te geven aan de medische praktijk om niet ertoe gebracht te worden zieken te gehoorzamen, als mensen die mij geld verplicht zijn, en tenslotte door de grootste hartstocht gedreven te worden tot het ambacht van kaarsenmaker.

    *)  Beeckman kende — anders dan Seneca (h. III) — iemand die zijn geld wilde delen: zijn broer [<]. In 1624 werd hij conrector [>].
[ Lat. ]



Isack Beeckman | 1621 v (top) | vervolg