IB | < Vertalingen > | Index

Luchtdruk , lucht wegen , vacuüm , afstand schatten , goede werken ,
wolken , koude , studeren


Isack Beeckman - 1619 v


[ 281 ]
Luchtdruk        

Corporis sibi invicem cohaerentia, cur difficulter separentur.

    Dicit Scaliger alubi*): Si duae laminae sibi invicem ita respondeant ut planum unius plano alterius plane congruat, non decidet inferior lamina a superiore, etiamsi superia sola sustineatur.

Waarom onderling nauw verbonden voorwerpen moeilijk gescheiden worden.

    Scaliger zegt ergens*): Als twee plaatjes zo op elkaar aansluiten dat een vlak van het ene geheel samenvalt met een vlak van het andere, zal het onderste plaatje niet van het bovenste afvallen, ook al wordt alleen het bovenste vastgehouden.

    Ratio est quia aer inferiorem laminam sursum premit. Quam primum enim haec occipit cadere non premitur a superiore laminâ, quae manu suspenditur. Unde sequitur majorem vim ferre inferius planum quam superius laminae inferioris. Ergo sursum impellitur.

    De reden is omdat de lucht het onderste plaatje omhoog drukt. Zodra dit immers begint te vallen, wordt er niet tegen gedrukt door het bovenste plaatje, dat in de hand wordt gehouden. Waaruit volgt dat het ondervlak van het onderste plaatje een grotere kracht krijgt dan het bovenvlak. Dus wordt het omhoog geduwd.

    Sciendum etiam est laminam superiorem non incumbere ullo modo inferiori cum manibus teneatur. Vim ergo totam aeris sustinet inferior superficies idque perpetuo.   [<]
— Tot Dordrecht, den 22en Meerte.
    Te weten is ook dat het bovenste plaatje, wanneer het in handen gehouden wordt, op geen enkele manier leunt op het onderste. Dus het is geheel de kracht van de lucht die het ondervlak ondervindt, en wel voortdurend.   [<]
— Te Dordrecht, de 22e maart.

    *)  In het werk genoemd op p. 8: Julii Caesaris Scaligeri exotericarum exercitationum liber quintus decimus: de subtilitate, ad Hieronymum Cardanum (1557), Exerc. 333 'de Planis exquisitis iunctis':
    Eramus olim apud Albertum Durer aliquot tyrunculi. Quorum unus cùm, ut alibi solebat, sui roboris clarum specimen multis factis periculis dedisset: demulcens illi caput Durer, Ecquid igitur, inquit, videmus te perpusillam rem moliri posse? Simul ostendit aereas tabellas duas, alteri alteram superpositam, quas ille ad scalpturam quandam compararat. Tolle, inquit, superiorem leviter apprehensam: atque ab inferiore disiunge.
Cùm ille frustra tentasset: ac maiore vi aggresso nihil procederet: caussatus adolescens dolum ex ferruminatione, deposuit. Tum Durer inclinatis illis facilè effecit: ut quia essent maximè lubrica politura, altera ab altera quasi deflueret.


    Lang geleden waren wij, enige beginnelingen, bij Albert Dürer. Toen één van ons, zoals hij elders gewoon was, met veel vertoon een duidelijk blijk van zijn kracht gegeven had, aaide Durer hem over de bol en zei: "Zullen we nu eens kijken of je iets heel kleins in beweging kunt brengen?". Tegelijk toonde hij twee koperen plaatjes, het ene op het andere gelegd, die hij voor snijwerk gereed gemaakt had. En hij zei: "Houd het bovenste lichtjes vast, en maak het los van het onderste".
Nadat de aangesprokene het tevergeefs had geprobeerd, en met grote krachtsinspanning niets had bereikt, zei de jongeman dat het een list was met soldeer en legde het neer. Toen kreeg Durer het gemakkelijk voor elkaar door ze schuin te houden, zodat (omdat ze heel glad gepolijst waren) het ene bijna vanzelf van het andere af kon glijden.


[Cf. Zucchi/Guericke (>) en Boyle, 1669, Exp. 50.] [Vgl. Zucchi/Guericke (>) en Kabinet 7c (1722), 44 over Boyle.]

[ Ned.: "Alsoo trect men met een leer een steen uyt de eerde." ]


[ 285 ]
Lucht wegen        

Aeris gravitatem ponderare.

Zwaarte van lucht wegen.

    Gravitas aeris hoc forsan pacto aestimari potest:

    Fac globum ex levi materia, qualis est testa ovorum aut ex tenuissima lamina ferrea, ne facile rumpatur; sitque globus magnus: quo major enim, eo est aptior ad rem quam paro. In hoc globo contineatur aer dumtaxat et aestimatur bilance pondus globi, sitque pondus dimidiae unciae. Quoniam autem aliquantum aeris potest ex hoc globo sugendo extrahi, etsi nihil corporeum in ejus locum succedat, aufer tantum aeris quantum fieri potest absque ruptura aut flexione globi, ac iterum aestima pondus globi totius. Erit procul dubio pondus minus, quia aeris portio quaedam abest, quae quoque suum pondus habebat. Si igitur reperiatur globus nullius gravitatis, adeo ut in aere quemvis locum datum obtineat, extractus aer dimidiam unciam gravitate aequat; si sursum ascendat globus per se, extractus aer gravior est unciâ dimidiâ levitasque globi aestimabitur eo modo quo ligni levitas aestimatur existentis sub aqua. Si vero globus quartam unciae partem aequet, extractus aer etiam unciae quartam partem gravitate aequabit. Quantum vero aeris extractum sit, facile est colligere ex capacitate oris nostri, aut tubi, per quem aerem sugendo extrahimus.

    De zwaarte van lucht kan misschien op deze manier bepaald worden:

    Maak een bol van licht materiaal, zoals eierschaal of van het dunste ijzerplaat, opdat hij niet makkelijk breekt; en het moet een grote bol zijn: hoe groter immers, des te geschikter voor de zaak die ik van plan ben. In deze bol moet slechts lucht zijn en met een balans moet het gewicht van de bol bepaald worden, en laat het gewicht een halve ons zijn [ca. 15 g]. Aangezien nu enige lucht uit deze bol gehaald kan worden door te zuigen, zonder dat er iets lichamelijks voor in de plaats komt: neem zoveel lucht weg als mogelijk is zonder breuk of doorbuiging van de bol, en bepaal weer het gewicht van de hele bol. Ongetwijfeld zal het gewicht minder zijn, omdat een gedeelte van de lucht ontbreekt, dat ook zijn gewicht had. Als dan bevonden wordt dat de bol geen zwaarte heeft, zodanig dat hij in de lucht een willekeurige plaats kan innemen, is de uitgehaalde lucht in zwaarte gelijk aan een halve ons; als de bol vanzelf naar boven gaat, is de uitgehaalde lucht zwaarder dan een halve ons en de lichtheid van de bol wordt bepaald op die manier waarop de lichtheid van hout bepaald wordt dat zich onder water bevindt. Maar als de bol evenwicht maakt met een vierde deel van een ons, zal de uitgehaalde lucht ook in zwaarte gelijk zijn aan een vierde deel van een ons. Maar hoeveel lucht is uitgehaald, is gemakkelijk op te maken uit de capaciteit van onze mond, of van de buis, waarmee we door zuigen lucht weghalen.



Vacuum        

Aer quomodo se ad vacuum praesens explicet.

Hoe lucht zich uitbreidt in aanwezige leegte.

    Si vas ubique clausum construeretur tam firmâ materiâ ut totus aer incumbens illud non possit rumpere, etiamsi intus omnino esset vacuum, quaeritur an e tali vase aer intrinsecus suctione aliquâ exhauriri possit. [<]

    Als een aan alle kanten gesloten vat gemaakt werd van een zo stevig materiaal dat de gehele erop rustende lucht dit niet kan breken, ook al was het erbinnen helemaal leeg, wordt gevraagd of uit zo'n vat door zuigen nog enige lucht van binnen er uitgehaald kan worden. [<]

    Respondeo: Nequaquam totus, sed pars ejus solummodo. Aer enim apud nos, cum a superiore aere prematur, constrictior perpetuo est pro sua natura. Cum igitur vacuum aliquod ad manûs est (ut accidit in suctione), extendit et explicat sese impletque locum vacuum. At jam satis superque explicato aere, etsi vacuum aliquod praesens est, in quod posset intrare, nulla ratio est cur suum locum desereret. Si igitur suctio adhibeatur ad summitatem hujus tam firmi vasis, nullo modo aer ascendet, ut locum vacuum impleat, si jam ante se sufficienter explicuerit. At si suctio inferiore vasis parti adhibeatur, cum aer quoque ad centrum Terrae tendat, non aliter quam corpus grave, deorsum ad locum vacuum movebitur, desertâ parte superiore.     Ik antwoord: Zeker niet alle lucht, maar slechts een deel ervan. De lucht bij ons is immers, daar erop gedrukt wordt door de bovenlucht, naar zijn aard voortdurend nogal compact. Wanneer nu een leegte beschikbaar is (zoals het geval is bij zuigen), zet hij uit en verspreidt hij zich en vult de lege ruimte. Maar nu is er voor de meer dan genoeg uitgebreide lucht, ook al is er enige leegte aanwezig waarin hij zou kunnen gaan, geen reden om zijn plaats op te geven. Als dus zuiging wordt toegepast op de bovenkant van dit zo stevige vat, zal de lucht geenszins stijgen, om de lege ruimte op te vullen, als hij zich al eerder voldoende heeft verspreid. Maar als de zuiging wordt toegepast op het onderste deel van het vat — aangezien lucht ook de neiging heeft naar het middelpunt van de Aarde te gaan, niet anders dan een zwaar lichaam — zal hij omlaag bewegen naar de lege ruimte, en het bovenste deel verlaten.

[ Lat. ]


[ 315 ]
Afstand schatten

Hoe een enkel oog afstanden kan schatten.

  Niet zonder reden wordt gevraagd hoe een enkel oog de afstand kan onderscheiden van een voorwerp tot zichzelf, dat wil zeggen tot het oog. Want als je zegt dat de uiterste grenzen van een nabij voorwerp grotere hoeken van inval maken dan de uiterste grenzen van hetzelfde voorwerp verder weg, zal geantwoord worden dat het gezichtsvermogen niet weet of hetzelfde voorwerp tevoorschijn komt, en dat daarom niets het gezichtsvermogen belet om de afstand hetzelfde te schatten, maar de grootten verschillend; dan zal het het gezichtsvermogen twijfelen of het voorwerp verder weg is, of kleiner.

  We moeten dus onze toevlucht nemen tot het lichtbundeltje van één punt: want één punt vult met zijn stralen de gehele pupil, en dezelfde stralen komen dan weer samen op het netvlies in één punt. Dit punt van het zichtbare voorwerp zendt één straal door het middelste punt van de pupil langs een rechte tot aan het punt van samenkomst van het bundeltje op het netvlies. Deze straal wordt niet gebroken aangezien hij loodrecht in het oog valt. Maar dit punt zendt ook andere stralen naar de buitenomtrek van de pupil. Deze maken allemaal gelijke scherpe hoeken met het oog, en daarom worden ze gebroken omdat ze samenkomen in één enkel punt op het netvlies. Als dit voorwerpspunt verder van het oog wordt verwijderd, maken deze stralen, die bij de omtrek van de pupil invallen, grotere hoeken met de pupil en dan zal het punt van samenkomst minder ver in het oog liggen, en noodzakelijker­wijze zal het netvlies zich naar voren bewegen om dit punt van samenkomst waar te nemen.


[ 316 ]
  Dit alles merkt het gezichtsvermogen ongetwijfeld op, en daar dit voorwerpspunt altijd gelijk is, of het nu veraf is of dichtbij, begrijpt het gezichtsvermogen dat de afstand of de verwijdering verschilt, en niet de grootte van het punt. Een enkel oog zal dus de afstand van een voorwerp waarnemen met een bundeltje van één punt. Op die manier lijkt de bodem van een met water gevulde beker door de breking hoger dan in werkelijkheid, ook als het oog zich loodrecht boven het wateroppervlak zou bevinden; want één voorwerpspunt van de bodem zendt zijn stralen zo door het water, dat stralen die door het water naar het oppervlak omhooggaand van het oog zouden afwijken, wegens de breking de pupil binnengaan; waardoor bij het oog een zodanige invalshoek ontstaat van stralen van één punt van de verder gelegen bodem, als er zou ontstaan van een dichterbij gelegen punt in de lucht. Aangezien nu het gezicht slechts wordt beïnvloed door iets dat er echt in is, moet het wel oordelen dat dingen van buiten die er dezelfde indruk op maken, zich op dezelfde manier gedragen. Dus het oordeelt ook dat dit punt in water om dezelfde reden op gelijke afstand is met een dichterbij gelegen punt in de lucht.

  En dit oordeel heeft deze reden: stralen immers die vanaf een voorwerpspunt invallen op de omtrek van de pupil, maken scherpe hoeken met de pupil; de straal echter die door het middelpunt van de pupil gaat, staat loodrecht op de pupil en maakt overal een rechte hoek met de pupil. Deze straal dan, samengenomen met een straal die door de omtrek van de pupil gaat, maakt daarmee op de pupil twee hoeken die kleiner zijn dan twee rechte hoeken; dus zullen ze tenslotte samenkomen. En daar al deze scherpe hoeken gelijk zijn, zullen alle samenkomen in één punt van de loodlijn; en hoe kleiner die scherpe hoeken zijn, hoe dichterbij het oog*) ze zullen samenkomen. En de waarneming wordt direct gericht naar die kant, waarvandaan ze wordt geprikkeld, op de manier waarop we, getroffen door een steen of een pijl, voelen van welke plaats de pijl is afgeschoten, door verschil, schuinte, rechtheid enz. van de inval van de steen op ons lichaam. Dus als veel stralen op dezelfde manier de omtrek van de pupil prikkelen, wordt de waarneming, die door de afzonderlijke stralen ontstaat, geheel gericht op hetzelfde punt dat het ware voorwerpspunt is; of door een verschil van het medium, waardoor de inval van de stralen wordt gewijzigd, is het althans het schijnbare voorwerpspunt. Deze verschijning houdt het gezicht echter voor de werkelijkheid, omdat het een beoordeling maakt volgens wat het voelt in het oog zelf, daar dingen van buiten het gezicht niet onmiddellijk beïnvloeden.

Met twee ogen oordelen we gemakkelijker over afstanden.

  Voorwerpen nu die we met twee ogen zien, worden door ons veel gemakkelijker onderscheiden, meer of minder, want hier geven de loodrechte stralen zelf een bijdrage tot kennis van de afstanden. In gedachten wordt namelijk een rechte lijn getrokken vanaf het middelpunt van de ene oogpupil tot het middelpunt van de andere oogpupil. Aan de uiteinden van deze lijn, die de middelpunten van de pupillen zijn, maken stralen die worden binnengelaten, afkomstig van hetzelfde voorwerpspunt, scherpe hoeken; en hoe dichter dit punt bij het oog is, des te scherper worden de hoeken met die lijn.
*)  Noot van de Waard: oculum [oog] is tussen de regels geschreven.
[ Bedoeld zal zijn: hoe verder van de as (of: hoe boller het oog), hoe dichterbij de voorkant van het oog.]

[ 317 ]
En daar die lijn veel groter is dan de middellijn van een pupil, zal ook de verhouding veel groter zijn van deze lijn tot de afstand van het voorwerpspunt vanaf het oog. Dus de kennis van afstanden wordt nauwkeuriger met twee ogen. Want van de driehoek, waarvan de basis is de lijn waarmee de pupilmiddelpunten worden verbonden, is de hoek tegenover de basis groter dan de hoek van de kegel waarvan de basis de pupil is, en het voorwerpspunt staat evenver van het oog. En een grotere hoek kan langer worden verkleind bij grotere verwijdering van het voorwerpspunt, voordat de waarneming ervan geheel verloren gaat, en alle stralen kunnen eerder beschouwd worden loodrecht te zijn op een kleinere dan op een grotere basis.
  [>]

Voorwerpspunt

De omvang van een voorwerpspunt uitgelegd.

  Zodanig is de kennis van afstanden vanaf het oog wanneer je met de ogen knippert; maar over de omvang van dit voorwerpspunt is hier ook het een en ander te behandelen. Hierbij zal iemand twijfelen of dit een wiskundig punt is en oneindig in alles wat te zien is, of fysisch en eindig van getal op elk ding. Doch aangezien een lichtstraal en het gezicht fysische zaken zijn, kan het er ook op gehouden worden dat een voorwerpspunt fysisch is: een straal heeft zijn breedte en diepte. Eén straal wordt door een voorwerp langs slechts één weg teruggekaatst; dus één straal alleen lijkt niet een bundeltje te vormen. Maar een enkel punt van het voorwerp wordt door veel stralen verlicht: primaire, secundaire, tertiaire enz.; al die stralen vermengen zich als ze elkaar in een enkel punt raken, en ze blijven aan elkaar gekluisterd, streng bepaald door terugkaatsing volgens de hoek.

  Alle stralen nu die elkaar snijden in een of ander punt, wijken een beetje af van de weg die ze zouden hebben aangehouden als ze elkaar niet hadden geraakt, en zo straalt dat punt dan naar alle kanten en wordt in het oog het genoemde bundeltje veroorzaakt. Wel zou het voorwerpspunt ook naar alle kanten om zich heen stralen, al was er niet zo'n vermenging; maar door wederzijds contact ontstaat die vermenging, zodanig dat die stralen die zonder wederzijds contact het oog niet geraakt zouden hebben, nu met deze vermenging het oog juist raken, en dat stralen die het oog zouden hebben geraakt, het nu juist niet raken, maar in een andere richting lopen.

  Maar wanneer sommige stralen elkaar en een of ander punt geheel raken, en sommige tenminste met een deel ervan, en met het overige deel een andere straal, zullen we niet zonder reden twijfelen of hieruit niet een oneindigheid van vermengingen voortkomt. Geen enkele straal lijkt immers een bijzonder overwicht te hebben, om meer de middelste straal van de vermenging te zijn, maar alle hebben gewoon evenveel andere stralen om zich heen. Waaruit zou volgen dat er geen vermenging komt, omdat vermenging komt van veel stralen die tot een geheel worden verzameld, maar er is geen reden waarom ze zich met deze of gene straal zouden verbinden.


[ 318 ]
  Ik antwoord dat stralen in de lucht werkelijk van elkaar gescheiden zijn, zodat er ruimte is tussen de ene en de andere straal. Anders zou daar immers geen lucht zijn. En als dit zo is: zodra stralen een ondoorzichtig lichaam bereikt hebben, die elkaar daar voor het eerst raakten, hechten ze zich daar aaneen. En niet alle stralen hebben dezelfde nabijheid tot elkaar, maar in de lucht vliegend zijn sommige stralen dichterbij elkaar dan andere, en zo dus meer geschikt voor verbinding.

Stralen vergeleken met vallende regen.

Deze grotere en kleinere nabijheid wordt veroorzaakt door ontmoeting met de lucht, waardoor ze een beetje van hun rechte gang afwijken, geheel op dezelfde manier als waarop de regen neervalt: die wordt immers bij het vallen niet verdeeld in oneindig veel deeltjes, ja zelfs niet in heel kleine, maar opgehoopt in zichtbare druppels naar gelang van de toevallige aankleving van deeltjes aan elkaar, en het worden druppels van eindige grootte op die manier, waarop geacht moet worden dat er op elk voorwerp eindige punten komen, waarin vermenging van stralen ontstaat, waaruit een lichtend bundeltje groeit. En wanneer de afstand van een voorwerp zo groot is dat alle stralen van het bundeltje loodrecht op de pupil lijken te zijn, wordt de afstand niet meer met één oog bemerkt, zonder verstandelijke redenering. Niettemin zien we het voorwerp wel en die afstand tast het niet aan wat betreft zijn natuur, dat wil zeggen warmte, vorm enz.; de groote lijkt namelijk alleen met een redenering te worden opgemaakt uit kennis van het voorwerp en van het aantal delen ervan.

  Terugkaatsing in eigenlijke zin, die op een glad lichaam gebeurt, komt tot stand omdat er op de spiegel geen enkele oneffenheid is, en daarom maken alle stralen van één punt of voorwerp, en alle bundeltjes, hoeken van inval die precies gelijk zijn aan de hoeken van terugkaatsing, zoals we elders eerder hebben gezegd [<].

  De 18e juni bedacht op weg van Zierikzee naar Noordgouwe. En meestal heb ik onderweg bedacht, wat ik thuis op papier zet.


[ Lat. ]


[ 336 ]
Goede werken        

Deus quomodo nos moveat ad bona opera.

    Deus dicitur causa bonorum operum in nobis. An sicut 'automata' moventur artificium machinis? an potius sicut equus ab insidente quoquo versum dirigitur, habens in se motûs principium, nihilominus tamen nequens domino non obedire? an potius sicut famulus a domino persuadetur argumentis quibus nequit non duci? an potius sicut filius patris voluntatem exequitur, sentiens revera dulcedinem haereditatis paternae, quo nequit non moveri? Agit igitur Deus ita in nobis necessario talibus machinis ut neque sensum, neque assensum, neque voluptatem adimat. Non ergo movemur sicut stipites, equi, servi, sed libenter, ut filij.
Hoe God ons beweegt tot goede werken.

    God wordt genoemd de oorzaak van goede werken in ons. Soms zoals 'automaten' bewegen in de machines van de vaklieden? of liever zoals een paard door de ruiter ergens heen gestuurd wordt, met in zich wel een begin van beweging, niettemin toch niet in staat de meester niet te gehoorzamen? of liever zoals een knecht door zijn meester overreed wordt met argumenten die hij onmogelijk naast zich neer kan leggen? of liever zoals een zoon de wil van zijn vader uitvoert, werkelijk de bekoring voelend van de vaderlijke erfenis, die hem niet onbewogen kan laten? Zo handelt God in ons dus noodzakelijk met zulke middelen dat hij noch het gevoel, noch de instemming, noch de wil ontneemt. Dus handelen we niet als lummels, paarden, slaven, maar vrij, als zonen.   [<]
— Pater et ego te Rotterdam.

    Den 23en Augusti quamen wy van De Swaluwe te Breda.
    [ < , > ]

— Vader en ik te Rotterdam.

    De 23e augustus kwamen wij van De Zwaluwe te Breda.


[ Lat. ]



[ II, 3 ]     8 - 17 december 1619 [te Utrecht]

Wolken        

Nubium altiorum et inferiorum ratio.

Reden van hogere en lagere wolken.

    Visuntur interdum nubes infra nubes inferioresque longe celerius volitant. Hujus phaenomeni hanc ego rationem esse arbitror:

    Soms worden wolken onder wolken gezien en de laagste vliegen veel sneller. Van dit verschijnsel meen ik dit de reden te zijn:

    Volitant quidem supremae nubes in summâ aeris superficie, sed non raro accidit ut non ascendant vapores usque ad aeris summitatem, cum videlicet interjectus quidem tractus aeris calidior tenuiorque existit infimo aere; tum enim vapor ascendit quidem usque ad summitatem aeris infimi sed gravior existens medio aere; tum enim vapor ibidem haeret nec altius ascendit.

    De hoogste wolken vliegen wel in het bovenste oppervlak van de lucht, maar niet zelden komt het voor dat dampen niet opstijgen tot aan de top van de lucht, namelijk wanneer juist een tussenliggende luchtstreek warmer en dunner is dan de onderste lucht; want dan stijgt de damp wel tot aan de top van de onderste lucht maar hij is zwaarder dan de middelste lucht; want dan blijft de damp daar ook hangen en stijgt niet hoger.*)

Aer superior interdum tenuior.

Hogere lucht is soms dunner.

Is vero vapor, qui medio hoc aere tenuior est, eum perrumpit facile; etiam supremum aerem penetrat ob hujus densitatem [<], ibique in superficie supremas nubes constituit.

    At dicet aliquis: Cum infimus aer ob reflectionem caloris sit calidissimus, quî fieri potest esse aliquem medium tractum aere infimo calidiorem?

    Respondeo eo modo, quo infimus aer primus persentiscit et afficitur calore, sic etiam primum affici frigore. Affecto igitur infimo aere, necdum afficitur medius; densatur igitur infimus frigore, medio necdum densato. Sic quibusdam in plagis regionis ob exhalationum diversitatem aer densior fit et tenuior: alia enim terra alio atque alio tempore alias exhalationes edit. Ubi igitur locus quidam e coeli constitutione propriâque loci naturâ calorem concepit aerque eius loci subito densatur frigore, tum ascendit vapor fitque ros, pruina, caligo, nubes etc.

Die damp echter, die dunner is dan deze middelste lucht, doorbreekt deze makkelijk; ook dringt hij door in de bovenste lucht wegens de dichtheid hiervan, en daar brengt hij in het oppervlak de hoogste wolken tot stand.

    Maar iemand zal zeggen: Terwijl de onderste lucht wegens de terugkaatsing van warmte het warmst is, hoe kan dan een streek in het midden warmer zijn dan de onderste lucht?

    Ik antwoord dat de onderlucht, zoals hij als eerste alles voelt en door warmte beïnvloed wordt, zo ook als eerste door koude beïnvloed wordt. Als dus de onderlucht beïnvloed wordt, dan nog niet die in het midden; de onderste wordt dus verdicht door koude, en de middelste nog niet. Zo wordt de lucht in sommige zones van een gebied wegens verschil van uitwasemingen dichter en dunner: andere grond geeft immers op andere tijden andere uitwasemingen af. Zodra dus een plaats door de toestand van de hemel en door de plaatselijke gesteldheid warmte opgenomen heeft en de lucht er ineens verdicht wordt door koude, dan stijgt damp op en ontstaat dauw, rijp, nevel, een wolk enz.


    [ *)  Drie luchtlagen rond de aarde:
drie luchtlagen
Suprema Aeris regio - hoogste luchtstreek,
Media - middelste (met wolken),
Infima - onderste.

Ignis - vuur (erbuiten).
    De middelste laag zou de koudste zijn. Daarom moest Beeckman beredeneren waarom er in het midden een warmere luchtlaag kon zijn.

    Afbeelding uit:
Oronce Finé, Prothomathesis (1532), Vol. 3, Fo. 103.
Vergelijk de figuur in een manuscript van Le sphere de monde (1549).


Vuur boven lucht ook in een andere figuur.]

[ Ned. ]


[ II, 4 ]
Koude        

Frigus an sit quid reale.

    Ut scias an frigus sit quid reale, extruito tibi locum crassissimo muro, undique cinctum. Videtur enim hoc locus fore frigidissimus, quia omnis calor arcetur, neque inferne videbitur ab ipsa terra calor hunc ingredi si et pavimentum denso lapide struatur. Sed an non calor aestate ipsos lapides penetrat, quî frigore, aere poros lapidum occludente, intus coercetur?
Of koude iets bestaands is.

    Om te weten of koude iets bestaands is, moet je je een ruimte bouwen met een heel dikke muur, overal omsloten. Want het blijkt dat deze ruimte heel koud zal zijn, omdat alle warmte geweerd wordt, en ook zal blijken dat de warmte van de aarde zelf niet ondergronds erin gaat als ook de vloer van dichte steen gemaakt wordt. Maar of niet 's zomers de warmte door die stenen dringt, hoe hij door de kou, als de lucht de poriën van de stenen sluit, binnen gehouden wordt?

[ II, 5 ]

Gelu remittente cur in aedibus magis frigeat.

    Dicitur frigus aedes ingredi, gelu remittente. Quod si ita sit, quomodo frigus privatio caloris dicatur? Non enim id, quod non est, pellitur; unde sequitur, adventante calore, frigus in aedibus nequaquam posse augeri.

Waarom meer kou in huis als de vorst minder wordt.

    Men zegt dat kou het huis inkomt als de vorst minder wordt. Als dat zo is, hoe kan kou dan een ontbreken van warmte genoemd worden? Want dat, wat niet bestaat, wordt niet geduwd; waaruit volgt dat, als de warmte opkomt, de kou in de huizen geenszins kan toenemen.

    At sciendum aerem nunquam esse adeo calore privatum apud nos quin adhuc multae particulae ignis ei insint. Quamdiu igitur aer extra domos aeque constringitur frigore ac interior retinetur in aedibus, est calor exiguus, sed ubi exterior aer remittit porosque majores acquirit, interiore adhuc sese comprimente, exprimitur calor aedium in poros aeris interni fitque aer intra domos frigidior, gelatque in aedibus, cum ante non gelasset, cum adhuc in macrocosmo gelaret.

    Den 29en.

    Maar men moet weten dat de lucht bij ons nooit zozeer beroofd is van warmte dat er niet nog veel vuurdeeltjes in zijn. Zolang dus èn de lucht buiten de huizen door koude samengetrokken wordt èn de binnenlucht in huis blijft, is er een geringe warmte, maar zodra de buitenlucht ontspant en grotere poriën krijgt, terwijl de binnenlucht zich nog ineendrukt, wordt huiswarmte uitgeperst in poriën van de binnenlucht en wordt de lucht binnen in de huizen kouder, en dan vriest het in huis, hoewel het er eerder niet gevroren had, toen in de buitenwereld nog vroor.

    De 29e [december].


[ Ned. ]


[ II, 9 ]
Studeren        

Studendum duntaxat cum lubet.

    Vixi quinque aut sex annos, praecipue cum essem Zirizeae, quibus me nunquam paenitivit neglectarum horarum, nec dolebam si non studuissem cum poteram studere. Ratio erat quia tum existimabam me mea studia absolvisse neque aspirabam ad ulteriorem quandam doctrinam.
Studeren alleen als je er zin in hebt.

    Vijf of zes jaar van mijn leven, in het bijzonder toen ik in Zierikzee was [<], had ik nooit spijt van verloren uren, en vond ik het niet erg als ik niet gestudeerd had hoewel ik had kunnen studeren. De reden was omdat ik toen meende dat ik klaar was met mijn studie, en ik dacht niet aan enige verdere wetenschappelijke vorming.
Hoc genus vitae hîc in Terrâ longe beatissimum, ad quod deberent se Philiosophi praeparare. Id me recepturum spero ubi ex animi sententiâ in medicinâ fuero versatus. Laborandum enim ne semper laboremus; tandem studebimus ubi lubet studere ac otiabimur absque animi dolore ubi lubet otiari. Deze manier van leven is hier op Aarde verreweg de gelukkigste, waarop de filosofen zich zouden moeten voorbereiden. Ik hoop die terug te krijgen zodra ik voor mijn gevoel bedreven ben in de geneeskunde. We moeten immers moeite doen om niet altijd moeite te hebben; ten slotte moeten we studeren wanneer we er zin in hebben, en nietsdoen zonder spijt wanneer we zin hebben in nietsdoen.   [>]

[ Ned. ]



Isack Beeckman | 1619 v (top) | vervolg