Inleiding
Isack Beeckman schreef in 1613 over een les van Willebrord Snellius waarin de 'derde aardbeweging' werd uitgelegd met een instrument. Deze notitie is waarschijnlijk de eerste vermelding van zo'n model, of tellurium, dat laat zien hoe de as van de aarde eenzelfde schuine stand houdt (gericht naar de Poolster) bij een omloop om de zon.
Hoe het instrument precies werkte heeft Beeckman niet achterhaald, wel bedacht hij zelf een mogelijke constructie met twee latjes (zie fig.). Een andere mogelijkheid is: met twee katrollen, zoals uitgelegd wordt in de eerste gedrukte beschrijving van zo'n instrument, in Nicolaus Mulerius' uitgave van Copernicus, bij W. J. Blaeu, Amst. 1617.
De beschrijving is volgens Mulerius afkomstig van Adriaan Anthonisz (ca. 1543 - 1620) *), via diens zoon Adriaan Metius (leerling van Rudolph Snellius).
De tekening erbij geeft niet meer te zien dan de Dierenriem en een wijzer met de plaatsen voor zon en aarde, maar de uitleg is zo uitvoerig dat het toestel wel na te maken moet zijn. Het is echter geen simpel model: het aardbolletje krijgt zes koperen ringen.
Het instrument van Snellius was er al voordat de beschrijving gedrukt was, maar het kan heel goed op hetzelfde principe gebaseerd zijn geweest. Andere verwijzingen naar gebruik van zo'n onderwijsmodel omstreeks 1610 zijn nog niet gevonden. °)
Zeker is dat W. J. Blaeu (die Adr. Metius goed kende) twintig jaar later een geavanceerd tellurium bouwde gebaseerd op dit model, naar het lijkt, maar met drie raderen i.p.v. twee katrollen en verkocht, met een uitvoerig instructieboek.
*) Ca. 1527 - 1607 volgens D. Bierens de Haan (^), maar zie C. de Waard in NNBW.
°) Simon Stevin noemt het niet in zijn Wisconstige Gedachtenissen (1608) (<) en W. Snellius geeft ook geen aanwijzing in zijn Latijnse vertaling ervan. Wel wordt het model van Adriaan Anthonisz vermeld in Daniel Lipstorp, Copernicus redivivus (1653), p. 44.
Hier volgt eerst een korte toelichting bij twee tekeningen van Copernicus (ed. 1617) en dan de beschrijving van Adriaan Anthonisz' tellurium, in vertaling en als brontekst.
Copernicus
Lib. I, cap. XI: De triplici motu telluris demonstratio. (Engl.)
Boek 1, h. 11: Voorstelling van de drievoudige beweging van de aarde.
De aarde draait in een jaar om de zon, en in etmaal om haar as. Een derde beweging werd nodig verondersteld om te zorgen dat deze as het hele jaar in dezelfde stand blijft (naar de Poolster gericht), en niet een kegel beschrijft (zoals iemand in een zweefmolen).
25 [ vgl. ed. 1543 ]
Vier standen van de aarde tijdens een jaarlijkse omloop om de zon. GI en FH staan loodrecht op elkaar in het evenaarvlak, dat schuin staat. H is voor het vlak van tekening (het eclipticavlak), F er achter. A is het begin van het teken Kreeft, B van Weegschaal, C van Steenbok, D van Ram.
Als de aarde in A staat is het winter op het noordelijk halfrond, de zon wordt dan gezien in het teken Steenbok.
27 [ vgl. ed. 1543 ]
De eerste en de derde stand, gezien in het eclipticavlak. Tijdens de dagelijkse draaiing van de aarde lijkt de zon te lopen over de Steenbokskeerkring KL, resp. de Kreeftskeerkring MN. (De helling is niet juist getekend, zodat de afstand van de kringen tot de evenaar te groot is.)
Mulerius
28
Noten.
Hoewel de schrijver de dagelijkse beweging van de aarde en de jaarlijkse beweging ervan vrij uitgebreid en duidelijk uitlegt, lijkt toch wat hier gezegd wordt over de derde beweging nogal duister en minder gemakkelijk te begrijpen. Daarom heb ik gemeend dat het op prijs gesteld zou worden als ik op deze plaats een beeld geef van een toestel, dat de drievoudige beweging van de aarde voor ogen stelt volgens het inzicht van Copernicus. De bouw van dit toestel heb ik eertijds gekregen van de hooggeleerde heer Adriaan Metius, professor in de wiskunde aan de Academie van Franeker, die deze toeschreef aan zijn vader meester Adriaan, wiskundige van de Staten van Holland.
De bouw is als volgt.
Op een glad gemaakt en met papier bedekt bord worden twee of drie evenwijdige cirkels getekend, zoals in onderstaande figuur te zien is. De rand ervan, verdeeld in twaalf delen, moet de namen of tekens van de Dierenriem krijgen, en de graden van elk teken. Het middelpunt van de randcirkels wordt doorboord met een vierkant gat. Vervolgens wordt een radiale staaf gemaakt van hout, ter dikte van een vinger; iets groter in de breedte, met boven- en onderoppervlak plat; met de lengte die de maat van de beschreven binnenste cirkel vereist.
Als dit hout, dat de plaats van een straal zal innemen, op deze wijze vervaardigd is, wordt het verder op twee plaatsen bij de uiteinden zo uitgehold, dat aan weerskanten een katrol of schijfje in de holte aangebracht kan worden. Van deze katrollen wordt de ene in het midden doorboord met een rond gat, waardoor een ronde stift gestoken kan worden, die tegelijk door elk van beide platte oppervlakken gaat, zowel boven als onder, van de radiale staaf. En deze stift moet iets boven het bovenvlak van de staaf uitsteken, zodat de top ervan een bolletje kan dragen dat het lichaam van de zon voorstelt; de andere kant echter, die onder het benedenoppervlak van de staaf komt, moet een vierkante vorm hebben, en daarmee in het gat gaan van dezelfde vorm, waarmee naar ik gezegd heb het bord doorboord moest worden in het middelpunt van de rand of van de cirkel. En zo wordt de radiale staaf vastgemaakt aan en verbonden met het bord; alles op zo'n manier dat, terwijl de stift onbeweeglijk blijft, niet alleen de radiale staaf, maar ook de katrol er omheen, als om een ronde as bewogen en rondgedraaid kunnen worden.
Maar de andere katrol, precies gelijk aan de vorige, ook met een dergelijk gat doorboord, wordt gezet in de holte van de radiale staaf bij de rand, en door het gat ervan wordt een rond en hol asje gestoken, zo gemaakt en in de katrol vastgehecht dat het samen met de katrol, als die in een cirkel rondgedraaid wordt, zelf ook draait; en beide delen ervan die uit de katrol steken, namelijk boven en beneden, worden gebracht in gaten met een gladde of ronde vorm, tegenover elkaar, die gaan door zowel het beneden- als bovenoppervlak van de staaf, waarin dit asje met de katrol in het rond gedraaid kan worden; het bovenste gedeelte echter van dit asje moet als een buisje enigszins boven het bovenoppervlak van de staaf uitkomen.
29
Dan worden verder deze twee katrollen met sterk touw of draad, uitgespannen en in zichzelf terugkerend, omwonden en onderling samengebonden op zo'n manier dat, als de ene katrol draait, ook de andere door de kracht van dit touw noodzakelijk met dezelfde beweging en met dezelfde snelheid beweegt.
|