Beeckman | Appendices | Index

Inleiding , glas , bekken , dop , slijpen , polijsten , verbeteringen , mechanisch , noten


Over het slijpen en polijsten van lenzen

C. de Waard, Journal tenu par Isaac Beeckman de 1604 à 1634

Tome III: 1627 - 1634 (1635)

Notes sur le rodage et le polissage des verres.

[ vertaling: Cathie Schrier ]


[ III* ]

Inleiding

    Al in 1622 had de astronoom Lansbergen te Middelburg Beeckman aangeraden een verrekijker te bouwen, een samenstelling van een dubbelbol glas — het objectief — en een dubbelhol glas — het oculair 1. Dit oculair was te vinden bij brillenmakers, zij het niet zonder moeite, aangezien het aangepast moest zijn aan het objectief [<], maar het objectief zelf, dat een grote brandpuntsafstand moest hebben, was geen gangbaar artikel. In datzelfde jaar 1622 had Beeckman een van die glazen laten vervaardigen in Middelburg [<], en in 1624 had hij er een uit Den Haag gehaald, maar in geen van beide gevallen slaagde hij [<].
Al had Beeckman mischien al vroeg een kijker, gekocht in Delft [>], hij heeft vast de wens gehad zelf een objectief te vervaardigen; inderdaad waren de kijkers, hoewel ze duur verkocht werden, ronduit slecht 2. Nadat hij al een paar technische observaties had genoteerd [<], onderwees hij zichzelf uit een klein boekje, in 1618 gepubliceerd door Sirtori [<]; het is te merken dat hij zich in Dordrecht bleef bezighouden met het onderwerp [<], maar pas in het begin van 1632, zette hij zich aan het uitvoeren van zijn plannen [<].
Aangezien die uitvoering verscheidene moeilijkheden opleverde, gingen geïnteresseerden vaak hun licht opsteken bij brillenmakers van professie; Beeckman noemt die van Dordrecht [>], Johannes Sachariassen te Middelburg [<], de Engelse brillenmaker op de Dam te Amsterdam [<] en Paulus Ruysch te Utrecht [>]. Maar geen van deze brillenmakers heeft ons aanwijzingen nagelaten over zijn vak en anderzijds zijn inlichtingen schaars. Behalve Sirtori en pater Scheiner die er heel weinig over zegt 3, is Beeckman de enige in die tijd die het er tamelijk uitgebreid over heeft 4.
Het aantal van de notities die wij hierboven hebben weergegeven, is al overvloedig; de volgende bladzijden [371 - 431, vanaf eind 1633] worden uitsluitend besteed aan technische overwegingen. Voor een goed begrip van de inhoud, en om enigzins een richtlijn te hebben in deze menigte uiteenlopende voorschriften, schijnt het ons nuttig toe hier een samenhangend overzicht te geven van de beoefening van dit handwerk.
[ IV* ]

Het glas

    Men weet dat glas ontstaat door het smelten van siliciumzand vermengd met potas of soda. In de Nederlanden trof men in het midden van de XVIe eeuw glasfabrieken aan in Luik en in Antwerpen, maar na de afscheiding van de Zuidelijke Nederlanden, werden er ook van die fabrieken opgericht in de Noordelijke Nederlanden. Ook hier werd deze bedrijvigheid vooral uitgeoefend door vaklieden afkomstig uit Italië, met name uit Murano, bij Venetië, waar dit handwerk floreerde 1. Daar zij dezelfde ingrediënten gebruikten als hun landgenoten in Italië, maakten deze arbeiders vooral potas-glas, terwijl ze dat "christal de Venise" (in het Hollands "chrystal" of "crystallyn") noemden, om het te onderscheiden van soda-glazen, in het Hollands "grove glasen" genoemd 2.

    De oudste glasfabriek van de Noordelijke Nederlanden werd in 1581 opgericht in Middelburg, op de "Cousteensche dyk" door Govert van der Haghen uit Antwerpen, die met Italiaanse arbeiders werkte; in 1605 werd hij opgevolgd door Antonio Miotto uit Veneti‘, bijgestaan door zijn assistent Simon Fabri uit dezelfde stad. In de offici‘le documenten van toen wordt de glasfabriek aangeduid als de "fournaysse de christal". Na het vertrek van Miotto in 1621, werd Guillaume Wynants uit Amsterdam er het hoofd van; zij bestond tot in 1646. Bovendien vindt men in Middelburg een spiegelfabriek, in 1607 onder leiding van Jan Wambassaert en François Maclau, die voor de oude Seispoort een "overdecte bane om spiegele te wercken" hadden. In Amsterdam waren er glasfabrieken vanaf 1597; van 1602 tot 1623 vindt men op de Kloveniersburgwal die van Jan Hendricksz Soop die eveneens met Italiaanse arbeiders werkte en die ook kristalspiegels maakte, net zoals Abraham van Tongerloo die van 1613 tot 1619 bij de Regulierspoort werkte; de glasfabriek in 1621 opgericht door Claes Rochusz (Jaquet) vervaardigde alleen maar grove sodaglazen, maar die welke al vanaf 1634 geleid werd door Guy Libon en Jean Paston uit Luik fabriceerde "verres de cristalles de toutes fassons". In Rotterdam bevond zich, bij de "Glashaven" de glasfabriek die in 1614 was opgericht door Claes Jansz Wytmans (overleden in 1642); die welke opgericht werd in 1615 in de "Hoogstraat" door Hendrick van den Heuvel en Cretentius Thomer schijnt tot in 1643 in bedrijf geweest te zijn, terwijl er nog een derde bestaan heeft van 1615 tot 1623, maar in deze drie vestigingen werden alleen maar gewone glazen gefabriceerd. Daarentegen schijnt het dat er in de glasfabriek die in 1632 in Den Haag werd gevestigd door Hendrick Heuck "artifices de cristal" werden vervaardigd 3.

    Welnu, de brillenmakers en lenzenslijpers konden niets beginnen met gewoon glas, aangezien dat teveel zand bevatte. We vernemen van Beeckman dat men het soms trachtte te verhelpen door het zeer sterk te koken [>]. Het schijnt ook dat in Middelburg Johannes Sachariassen hoeveelheden glas afkomstig van gebroken bokalen smolt [<]: het langzame afkoelen (le recuit) van het glas (voor de schijven die bestemd waren voor de verrekijkers: enkele weken) brengt de inwendige spanningen in het glas en het dubbel brekend vermogen dat zij met zich meebrengen terug tot een heel kleine waarde. "Venetiaans kristal" had echter de voorkeur 4.

[ V* ]
Dikwijls werd dit glas aangeschaft in de vorm van "spiegelglas" of "Venetiaanse spiegel"  1. Dit had ook nog andere vereiste eigenschappen: het was heel doorzichtig, heel homogeen, niet gekleurd en zonder luchtbellen of golvingen 2. Dit glas was over het algemeen goed gepolijst op het ijzer 3. Zoniet, zoals het weleens voorkwam [<], dan moest er een stuk uit het midden genomen worden [<]. Er werd een plak van een passende grootte gekozen, niet te dun, maar ook niet te dik [>]; hij moest ook precies gelijke dikte hebben over zijn gehele breedte.
Het gekozen deel moest in stukken gesneden worden in overeenstemming met het werkstuk dat men eruit wilde maken. Op zo'n stuk werden met een diamant twee concentrische cirkels getrokken, waarvan er een de straal had van de opening in het instrument waarvoor het moest dienen, de straal van de andere was een millimeter groter; de gedeelten van het glas die buiten de laatste omtrek vielen, werden eraf gebroken of men liet ze ervan af springen met behulp van een gloeiend heet ijzer. Dit rond maken kon aan een draaier worden toevertrouwd; er moest echter op gelet worden dat deze ronding de grondslag was van het hele werk en de basis van de hoop op welslagen in de arbeid. De glazen van Beeckman hadden een middellijn van anderhalve duim (3,92 cm) [<], een middellijn van twee en een halve duim [<] en dikwijls van 3 duim [>]. Inderdaad kon de middellijn niet al te groot zijn, teneinde de chromatische aberratie te verminderen.

    Je zou kunnen denken dat natuurlijk kristal, oftewel "bergkristal" dat heel doorzichtig is, het beste zou zijn voor optische glazen; het oppervlak ervan geeft echter teveel terugkaatsing en overigens is er moeilijk aan te komen [<]  4. Hoewel diamant en karbonkel nog helderder zijn, zijn ze uitgesloten om andere redenen 5.


Het bekken of de grondplaat

    Om het gewenste dubbelbolle glas te slijpen had men nodig een schaal ("forma", "patina", "becken") in de vorm van een nap, zo groot mogelijk. Begonnen wordt met het vormen van een ruw bekken door grondstof te gieten in een mal ("modulus") van ijzer of hout, maar ze kunnen ook van tin gemaakt worden. De beste manier om de mal in vorm te brengen, is met zand.

    Het bekken wordt meestal van metaal gemaakt, in ieder geval van een harde stof [<]. In Holland schijnen er over het algemeen ijzeren of stalen vormen gebruikt te zijn. Het was echter nodig dat deze metalen, zoals we weldra zullen zien, ook nog speciale eigenschappen hadden. Hoe vlakker het bekken is, hoe groter zijn bol-straal, en hoe groter de kromtestraal van het glas wordt [<]. De bol-straal van het bekken is iets langer dan de koker van de te maken verrekijker.

[ VI* ]
    Als het bekken gevormd was, moest nog het oppervlak aan de binnenkant ervan uiterst egaal zijn en mocht het geen oneffenheden vertonen. "Res difficilima" — schrijft Sirtori (o.c. 33-34) — "fabrica hujus formae in qua multi ignari opifices falluntur, sibi suadentes posse malleo, lima, torno formam perficere; sed si semel experiantur ... sentient quam laboriosum futurum sit". Inderdaad schijnt het procedé om het bekken glad te maken met hamer en vijl Beeckman niet bevallen te zijn: hij past het slechts incidenteel toe [>].
bekken en slijpsteen Direct bij het begin van zijn werkzaamheid volgde hij dan ook een methode die hij, naar het schijnt, ontleende aan de spiegelmakers [<]. Een koord, of liever een buigzame stok, van notenhout, wordt aan een van zijn uiteinden opgehangen aan het plafond (zie de figuren [<,<,>]); hij is beweegbaar in alle richtingen, door middel van een constructie die Beeckman ons beschrijft [<]. Er moet voor gezorgd worden dat de loodrechte as van het bekken precies door het ophangpunt gaat [<]. Met behulp van drie schroeven die in elkaar steken kan de stok langer of korter gemaakt worden volgens de kromtestraal van het bekken. Hij kan trouwens op verschillende manieren bewegen [<]. Om het bekken te polijsten, heeft de stok aan zijn vrije uiteinde een steen ("slypsteen") van geschikt materiaal [<]. Hij wordt snel in alle richtingen bewogen met voldoende druk op de vorm, die voorzien is van een dun laagje polijstpoeder.
Deze constructie dient niet alleen voor voor ronde bekkens; dankzij de mogelijkheid van het mechanisch construeren van kegelsneden, is hij ook toepasbaar op ellips-, parabool- en hyperboolbekkens [<]; hij maakte het ook mogelijk holle glazen [<] te slijpen 1.

    Beeckman gebruikte een ijzeren bekken [<], dat een kromtestraal had van vier Rijnlandse voet, dat is bijna 125,6 cm [>]. Men kan aannemen dat dit hetzelfde bekken is waaraan hij elders [>] een "grootte" van anderhalve voet toeschrijft, waarbij hij dan misschien doelt op de straal van de opening. Daar dit bekken afgewerkt was met een te kleine steen, vertoonde het ongelukkigerwijs een onregelmatigheid die overging op de glazen die erop werden gelegd [>]. Maar voor het overige was niet alle ijzer of staal geschikt voor de bouw van een goed bekken:
De smidths segghen dat quaet yser (sy noemen dat, welck lichtelick breeckt) niet en schelfert, ende kan so effen geslepen worden als spiegel, doch is harder om te vylen. Dats dan goed om beckens te maken om glas op te slypen.
Aldus Beeckman [<]. Hij vertelt ons over Johannes Sachariassen [<]:
De brilmaker te Middelborgh slypt altyts in syn stale of ysere becken heel op, met polysten met al ....
Hy seyde oock dat de beste beckens syn van stael, dat ontlaten is; dan ist sachte om geschuert te worden.
Overeenkomstig zijn eerdere overwegingen [<] schafte Beeckman ook een tinnen bekken aan met de zelfde holheid als die van het ijzeren en dat niet alleen kon dienen voor het passlijpen maar ook voor het polijsten [>]. Hij maakt onderscheid tussen zijn ijzeren en tinnen bekken en zijn bekken van "metael" dat een beetje platter was en meestal diende om glazen te polijsten [>]; het woord "metael" duidt vaak messing (geel koper) aan. Morian gebruikte ook een koperen bekken [>]. Een slijper moest over verschillende bekkens beschikken 2.
[ VII* ]

Het handvat of de knop

    In het Vlaams heet het "dop" of "hanthaefken" [<], naam waarmee Beeckman het stuk gereedschap aanduidt dat hij in het Latijn "capulus" noemt. Dit instrument werd gebruikt door de brillenmakers 1; Sirtori (o.c. 47) en Beeckman [>] hebben voor ons een figuur er van bewaard. dop Het handvat is gemaakt van hard hout [>] en is matig zwaar. De ronde basis ervan mag nooit groter zijn dan de grootte van het glas; gewoonlijk is zij even groot als het te bewerken glas [>], d.w.z. in het geval van Beeckman, dikwijls drie duim. De hoogte ervan moet niet groot zijn, om redenen die onze schrijver uitlegt [<]; gewoonlijk een duim, maar soms is zij groter [>].

    De basis van het handvat moet aan het glas vastgemaakt worden, om het tijdens de bewerking vast te kunnen houden en te bewegen. Men smelt pek en die wordt op de voet van de verhitte knop gegoten; deze voet wordt zodanig tegen het eveneens verhitte glas aangeduwd dat er geen lucht meer zit tussen het glas en de pek [>]. De middelpunten van het glas en de basis van het handvat moeten exact samenvallen opdat later de niet gebroken straal door het middelpunt van het glas zal gaan 2. Als dat gebeurd is, kan de kop van de knop vastgemaakt worden aan de onderkant van de stok, hetzij losjes, hetzij stevig [<]. Aldus kan het apparaat bewogen worden over de bodem van het bekken, dat vervolgens bedekt wordt met een poedervormige stof. Wij denken dat het deze opstelling is die Beeckman aanduidt met "vaste dop"; werken met een "losse dop" schijnt te betekenen dat men afziet van het gebruik van een stok, door het handvat tussen de vingers te nemen of dat men drukt op de top ervan [>].


Het passlijpen

    Als hij bij de een of andere brillenmaker werkt, schijnt Beeckman de methode van de "losse dop" te hanteren. Wanneer hij de glazen thuis passlijpt, hetzij op zijn gewone bekken, hetzij op het tinnen, bedient hij zich meestal van de stok [<]. Het verdient aanbeveling het bekken vast te zetten [>].

    Om het glas pas te slijpen bedient men zich eerst van grof zand, Dit zand moet goed worden gewassen, want er zit soms vettigheid aan die slecht is voor het passlijpen [>]. In plaats van zand kan men amaril gebruiken (smiris), maar dat is vaak te hard voor het glas en voor de geelkoperen schalen [<] 3.

    Tijdens het passlijpen moet men de dop voortdurend tussen de vingers draaien. Men kan het glas met het handvat een rondgaande beweging geven die Sirtori al onderverdeelt (o.c. 19, 22, 32, 52 en 53) in een handeling "parvis ambitibus" en "magnis ambitibus" [met kleine/grote omlopen], en Beeckman bespreekt dikwijls de vraag hoe te weten wanneer men de ene of de andere methode moet gebruiken [>] 4. Men kan echter ook "recht gins ende weer" gaan, d.w.z. "recta linea" [>]. Door de ene of de andere werkwijze te gebruiken raakt men of het midden of de randen van het glas. Het passlijpen van dit midden en de randen heeft zijn eigen moeilijkheden [<].

[ VIII* ]
Bij het begin maakt Beeckman het zand voldoende nat om het glas goed te laten glijden over het bekken [<], en het moet voortdurend nat gehouden worden [>], maar niet te erg 1. Het gebeurt echter dikwijls dat het glas niet voldoende glijdt omdat het zand of de amaril op de bodem van het bekken blijft plakken, waardoor het glas klappen en schokken oploopt tijdens het bewerken; als men niet het idee heeft het bekken te voorzien van kleine gaatjes [<], moet er veel water gebruikt worden [>]. Wanneer het glas waggelt worden de randen te dun [>],
Maar dat zijn echt niet de enige moeilijkheden. Het grove zand waarmee het passlijpen is begonnen, moet van tijd tot tijd vervangen worden door steeds fijnere soorten [>], als men niet het oorspronkelijke zand wil houden dat steeds meer verpulvert en zijn scherpte verliest [>]. De grote zandkorrels die daaraan ontkomen verzamelen zich aan de randen van het bekken en men moet uitkijken dat geen scherfje van dat grove zand onder het glas gaat zitten en de lens bederft door er strepen en groeven in te maken [<]. Om het zand weg te halen moeten die randen voortdurend afgeveegd worden [>], hetzij met een stuk leer [>], hetzij met de vingers [<].
Er is nog meer. De druk die men uitoefent moet zeer gelijk zijn, en de stokmethode geeft de beste resultaten. Om die stok snel in alle richtingen te kunnen bewegen, kan men hem in het midden verzwaren met een zwaar gewicht [<]; als men zonder stok werkt, kan men een handvat van lood gebruiken om de vastheid van de hand te verzekeren [>]. De druk die uitgeoefend wordt, moet inderdaad zeer krachtig zijn, niet alleen voor het slijpen maar ook om de vettigheid te laten verdwijnen [>]. Tijdens het werk moet men dikwijls het zand van het handvat afhalen, zijn mouwen schoonmaken en vaak zijn handen wassen, uit vrees dat men de een of andere verontreiniging op de vorm aanbrengt die het glas kan bederven. Maar uiteindelijk is het zand helemaal verpulverd en het is hoe langer hoe droger geworden, zodat het gaat ruisen [>]. De hoeveelheid wordt vanzelf zoveel minder dat men niet weet waar het blijft ("men en weet niet waert bevaert") [>]. De kleren van de handwerksman zijn helemaal stoffig geworden [>]. 2

    Dit alles vormt een voortdurende bron van zorg voor de lenzenslijpers van die tijd, Maar het passlijpen is niet alleen een zorgvuldig werk, het is ook zwaar werk: onze auteur noteert soms dat hij moe was en dat de meester hem liet uitrusten [>], ofwel hij vertelt de instructies van de meester terwijl hij de zucht slaakt: "Hy dede my sweten" [>]. Beeckman was niet alleen maar een uurtje aan het slijpen [>], maar ook wel een halve middag [>].

    Het ogenblik waarop het passlijpen afloopt en met het polijsten begonnen moet worden is moeilijk te bepalen. Volgens Beeckman zijn de beide bewerkingen bijna niet van elkaar te onderscheiden [>] 3:

Slypen ende polysten is één ende hetselfde. Maer alst glas, al slypende, begint te blyncken, dan heet ickt polysten.
Als men dan de lens bekijkt, zal men opmerken dat de beide oppervlakken tamelijk glad zijn geworden, maar dof vanwege de vettigheid [<].

    Alvorens tot het polijsten te kunnen overgaan, moet het handvat schoongemaakt worden, om het zand of de amaril dat er zich bevindt te verwijderen; maar vooral moet, om dezelfde reden, het bekken van ijzer [>], zowel als dat van tin [>] en dat van "metael" [>] geschuurd worden met grof zand, grof glas of iets anders.

[ IX* ]
Dit schoonmaken dient er ook voor om te vermijden dat de stoffen die gebruikt zullen worden bij het polijsten, gaan plakken [>] 1. Beeckman raadt aan om van te voren met een vijl groefjes te maken in het bekken; deze groefjes zullen vol gaan zitten met de poederachtig substanties die men gebruikt en het glas zal makkelijker glijden over het boven-oppervlak van deze stoffen [>].


Het polijsten

    Deze bewerking dient ervoor het oppervlak van de lens dat er dof uitziet helder te maken. Zij bestaat erin de kleine oneffenheden die tijdens het passlijpen in het glas zijn gekomen te laten verdwijnen [<]; de golfjes ("baerkens") die de lensvorm hebben vertekend toen het zand nog niet helemaal verpulverd was, moeten ook uitgewist worden [<].

    Men kan polijsten met een "vaste dop", d.w.z. met de stok [<], vastgemaakt aan het pafond en vastgehouden met de hand [>] 2, maar men kan ook zonder stok werken ("losse dop"). Wat het bekken betreft, Beeckman polijst soms op zijn tinnen schaal, maar hij denkt dat hij ook zonder voren ("schrabben") kan polijsten op een bekken van hout met dezelfde holheid als zijn ijzeren bekken [<] of op een bekken van porfiersteen [>]. Maar grote glazen (Beeckman verstaat daaronder zijn drieduimsglazen) worden bij voorkeur gepolijst op het bekken van "metael" dat wat platter is dan het gewone ijzeren bekken (cf. hierboven VI*) en dat minder stoot [>].

    Voor het polijsten ("cujus rei peculiaris ars praescribetur" [dat een bijzondere kunde vereist], zegt Sirtori, o.c. 53) moet men op de bodem van die bekkens de een of andere tussenlaag van stof vastplakken. Beroepsbrillenmakers polijsten op laken [>]. Aangezien dat te zacht is om de oneffenheden van het glas te laten verdwijnen, wordt het achtereenvolgens bedekt met een poeder van rode aarde ("roode aerde der sweertveghers"), d.w.z. ijzeroxyde, daarna met een poederaarde uit Tripoli ("tripoli") 3, die een beetje natgemaakt is, en tenslotte met "potey", d.w.z. verkalkt tin (witte tinas), afkomstig uit het as van tinnegietersovens [<]. Maar dat alles is een beetje willekeurig. In plaats van laken te gebruiken [<], kan men polijsten op leer [<], op een ruwe, harige stof ("pye") [>] en op andere substanties. Beeckman schrijft: [<] 4

dat men op alle dynghen ende met alle dynghen polysten kan, dat vast licht of steeckt, ende so sacht is, dat het geen strepen en maeckt
Men kan zelfs polijsten zonder laken of tussenlaag, op het ijzer van het bekken zelf, ingesmeerd met in water zacht gemaakte tinas [<]. In het begin had Beeckman deze methode alleen incidenteel gebruikt, maar toen hij had gemerkt, in juni 1634, dat dank zij de toepassing daarvan er geen golven ontstonden in het glas [>], maakte hij er doelbewust gebruik van, vanaf de 25e juli daaropvolgend [>], en hij behaalde er gunstige resultaten mee 5. In Midddelburg was Johannes Sachariassen ook gewoon te polijsten op het ijzeren bekken dat hij had gebruikt om te slijpen en hij gebruikte daarbij ook hetzelfde zand [<]; deze laatste bijzonderheid werd soms eveneens overgenomen door Beeckman als hij bij de meester sleep [>].
[ X* ]
    Maar, welk procédé men ook volgt, men moet beginnen met veel water op de schaal aan te brengen [>], en het poederachtige materiaal op het bekken steeds opnieuw natmaken als het droog is geworden [>], hoewel het droog polijsten, en ook slijpen, soms zijn voordelen heeft [>] 1. Al polijstend geeft men handvat en glas een beweging over heel de oppervlakte van het bekken in alle richtingen, zoals bij het slijpen, maar hier beweegt de hand meer [<]. Men kan "linea recta" gaan [>], maar meestal begint men met "magnos ambitus" [grote omlopen] te maken, waardoor het glas in de eerste plaats op de randen gaat blinken; men moet dus vroeg "parvos ambitus" maken, die het glas eerst in het midden polijsten en dit midden het eerst doen blinken [>]. Zoals bij het slijpen, moet men op het glas drukken niet alleen gelijkmatig, maar ook krachtig [>]. Het vraagstuk van de druk is erg belangrijk:
So nauw luystert het polysten, dat als ick int midden van den dop, ..., met myn hant douwe, dan polyst het midden vant glas eerst.
Aldus Beeckman [>]. Tijdens het werk moet men het glas dikwijls afvegen met een spons [>]. Er zijn nog meer dingen waarop gelet moet worden. Het komt soms voor dat de brandspuntsafstand van de lens verandert tijdens het polijsten [>], een ongemak dat Beeckman hoopt te kunnen vermijden door speciale maatregelen met behulp van een kegelvormig bekken [<]. Soms is het glas ook doorschijnend geworden in het midden voordat dit aan de randen gebeurt; dan moet het weer op het gewone bekken gelegd worden, waarbij men moet oppassen dat men niet teveel corrigeert en dat de randen niet helderder worden dan het midden, wat het noodzakelijk maakt het glas weer op een platter bekken te leggen [<]. Ondanks de "parvos ambitus" waarmee het polijsten beëindigd hoort te worden [>], blijft het midden dikwijls "mistig" [>] en het is moeilijk om het helder te krijgen [>].

    Vanwege al deze moeilijkheden kan de tijd die men steekt in het polijsten aanzienlijk verschillen: Beeckman heeft het over ruim een half uur [<], een uur [>], en twee uur [>]; Johannes Sachariassen noteerde zelfs een keer negen uur [>]. Maar men kan nog meer op de proef gesteld worden. Na het polijsten moet het hele oppervlak van het glas blinken als een spiegel; als men daar niet in slaagt, moet men zich aan het "verslypen" zetten, d.w.z. weer gaan passlijpen 2. Deze handeling is ook noodzakelijk [>] wanneer het blijkt (uit het onderzoeken van de lens in een "camera obscura", waar men door de lens heen het omgekeerde beeld ziet van een lichtgevende vlam) dat de straal die loodrecht valt op het glas, er niet ongebroken doorgaat, of wanneer alle stralen niet voldoende bij elkaar komen in een enkel punt [<] 3.

    Kortom, het is onmogelijk bij verschillende van de hierboven beschreven handelingen algemene regels te geven en veel wordt overgelaten aan het inititief van de handwerksman. Ook Beeckman veranderde dikwijls zijn werkwijze tijdens het werk, daar zijn aantekeningen nogal bevestigen — zoals hij het uitdrukkelijk opmerkt — "quam fuerim in agendo varius et quam ineptus ad imitandum quod in alijs vidi;
[ XI* ]
forte quia semper muto, aliquid indagans quod inter agendum in mentem venit" [hoe wisselend ik geweest ben in het uitvoeren en hoe onhandig bij het imiteren van wat ik bij anderen zag; wellicht omdat ik steeds verander, iets naspeurend dat me onder het uitvoeren te binnen geschoten is] [>]. Op sommige momenten beoordeelt hij al zijn eerdere inspanningen zelfs als onhandig ("futselingen" [>]). Elders schrijft hij [>]:
Aen al dit schryven ende wryven an dese sake siet men hoe moyelick het is een ambacht by syn selven perfect te leeren. Ick hebbe verscheydenmael sien slypen ende selve by de meesters geslepen, ende al gevraecht, dat ick doen wilde, ende thuys gekommen synde, hebbe ick altyt noch meer te vraghen. De reden is, omdat ick alleen moet vinden in korten tyt, dat in so veel jaren van hant tot hant geinventeert is. Ende dat leeren de jonghers van de meesters door usantie, een jaer of 2 aen het ambacht blyvende.
Inderdaad wordt nog later van het bewerken van objectief-glazen gezegd dat het is "excedant en difficultez dans la pratique tout ce que ceux qui ne l'ont pas experimenté en peuvent speculer" [moeilijker in de praktijk dan alles wat zij die het niet zelf gedaan hebben kunnen vermoeden] 1.


Verbeteringen van Beeckman

    Hierboven is al sprake geweest van enkele verbeteringen die Beeckman heeft aangebracht in de gewone manier van het slijpen van glazen. We wijzen hier op nog een paar andere.

    Vermeld is dat men glazen volgens de methode van de "vaste dop" of die van de "losse dop" kan slijpen. Men kan echter ook helemaal afzien van een handvat en werken "sonder dop" zoals Beeckman dat noemt. Deze nieuwe manier die hij aanduidt als zijn eerste uitvinding [>] bestaat in het volgende:

    Terwijl het glas heen en weer rolt en waggelt over de substantie in het bekken, kunnen er kleine stukjes van het glas en van het pek op het handvat losraken wanneer die voorwerpen de randen van het bekken raken. Dit veroorzaakt ruwheden op de lens in de vorm van kleine putjes en puntjes [>]; als het glas sleept, kunnen zich talloze lijnen vormen [<]. Om dit kwaad te verhelpen hadden de brillenmakers de gewoonte aan de oppervlakken van het glas een grotere kromming te geven naar hun gemeenschappelijke rand toe, zodat deze oppervlakken elkaar onder een grotere hoek snijden; dit kan gedaan worden in een bolvormig bekken dat holler is dan een gewoon bekken 2. Terwijl hij zich meester maakte van deze methode (die vooral van toepassing is bij grote glazen), merkte Beeckman op dat het dan niet meer nodig is het glas weg te halen en dat het handvat overbodig is geworden [<], zodat er alleen met de vingers gewerkt kan worden [>] 3. Het glas waggelt dan inderdaad niet meer [<]; het zand, of de poederachtige materie, wat het ook is, dat fijner is geworden, gaat makkelijker onder het glas zitten [>] en de vorm van het bekken wordt beter gevolgd [>], en zodoende is het ongemak van de strepen en de groeven uit de weg geruimd, aangezien het glas op alle punten in aanraking is met de slijpstof [>] 4.

[ XII* ]
Dit slijpen "sonder dop" vindt zijn toepassing zowel bij het passlijpen [<] als bij het polijsten [>]. Na veel proeven, schijnt Beeckman deze nieuwe methode voor het eerst in april of mei 1634 te hebben toegepast [>], en, na verdere overwegingen [>], bedient hij er zich regelmatig van vanaf mei 1635 [>]. Dan zegt hij: "De glasen waren beter dan oyt te vooren" [>]. Deze kunstgreep hield hij echter voor zich, schrijvend dat hij hem aan niemand wilde onthullen ("want dit en openbare ick niemant" [>]) 1.

    Onder de andere wijzigingen die Beeckman voorstelt of gebruikt buiten de gewone manier van doen, kunnen we zijn methode noemen van slijpen op vier "punten" geplaatst op het bekken [<] en die van het vastmaken, door middel van drie kleine armpjes, van gewichten aan het handvat, om het rollen van het glas [over het zand] in het bekken tijdens de bewerking te bevorderen [<]. Dit stelsel van de drie kleine armpjes, met hun gewicht, wordt ook op andere hulpstukken toegepast. Om het slijpen van kleine glazen (d.w.z. van anderhalve duim) te vergemakkelijken, had Beeckman voorgesteld een schijf te maken ("slypschyve") van vijf duim met in het midden een gat van anderhalve duim om er het glas te leggen [>], dat ook hol kan zijn [>]. Maar ook de schijf kan voorzien worden van de drie armpjes met hun gewichten 2. Dezelfde inrichting wordt toegepast bij een stelsel van vier kleine glazen geplaatst onder het handvat om een sterke druk uit te oefenen terwijl men op het ijzer van het bekken zelf slijpt [<]; drie van deze glaasjes kunnen overigens vervangen worden door bolletjes [>] 3. De armpjes maken het slijpen van zowel grote als kleine glazen mogelijk; zij dienen ertoe te verhinderen dat het glas waggelt en dat de randen te veel afnemen [>]. Ze kunnen vervangen worden door stalen veren die naar beneden buigen [>], of wel door een ring ("slyprinck"), vastgemaakt op het bekken en die nog beter werkt [>].


Het mechanisch slijpen

    Hoewel de draaischijf aan het eind van de zestiende eeuw in zwang kwam, zijn er weinig sporen van het gebruik ervan bij het slijpen van glazen. Porta zegt er geen woord over als hij de fabricage van brillen behandelt 4. Sirtori spreekt er alleen maar over als hij zijn lezers aanraadt het rondmaken van een hol glas aan een beroeps-brillenslijper toe te vertrouwen, hoewel hij overigens de aankoop van een draaischijf aanbeveelt aan niet-vakmensen 5.
[ XIII* ]
Descartes wendde zich, in 1625, tot de handwerksman Ferrier, voor wie hij een machine ontwierp om zijn hyperbolische glas te slijpen [<]. Dat was de draaischijf, welk idee hij liet varen in zijn brief van 8 october 1629 aan Ferrier, maar waarop hij later terugkwam in zijn eerste boek (daarin heeft hij het niet meer over de opstelling die hij aanraadt in zijn brief aan Ferrier van 13 november 1629) 1. Zijn voorziening was die van een apparaat waardoor het slijpen werkelijk machinaal plaatsvond, in die zin dat het glas er mechanisch werd vastgehouden en bewogen.
Men schrijft het gebruik van de draaischijf aan Drebbel toe, maar men weet er maar heel weinig van 2.
Wat Beeckman betreft, hij heeft het over een beweging van het bekken om zijn vertikale as naar aanleiding van de vorming van dat bekken [<] 3, maar het blijkt uit zijn andere aantekeningen dat hij tijdens het slijpen zelf werkte met een vrije hand: zijn plannen om het bekken te laten draaien in 't bijzonder tijdens het slijpen van min of meer hyperbolische glazen [<] 4, om met de voet een beweging van het bekken te veroorzaken om zijn vertikale as, terwijl men met de hand werkt [>], om het glas met een stok tegen een draaiend wiel te drukken [<], of om een "drille" te gebruiken [<], schijnen niet uitgevoerd te zijn.
Als er al brillenmakers waren die over een draaischijf beschikten, dan werkten zij waarschijnlijk zodanig dat het glas met de hand bewogen werd, terwijl het bekken draaide. Maar de draaischijf schijnt niet erg geliefd geweest te zijn bij de brilenmakers van die tijd 5, en, eerlijk gezegd, was hij ook niet nodig voor het slijpen van lenzen met een grote brandpuntsafstand (zoals de geleerden dat wensten), maar verder tamelijk klein. Evenwel blijkt een beweging aan het bekken gegeven te zijn in het apparaat van Morian [>], kort voordat Descartes in 1635 zijn pogingen hervatte om mechanisch hyperbolische glazen te slijpen 6.
Rheita bevestigt ons het gebruik in die tijd van draaiende bekkens voor het slijpen van bolle glazen 7; hij beschrijft overigens, volgens Gutschoven, een machine voor het slijpen van hyperbolische glazen (o.c. 340-349) en zet een nieuwe methode uiteen om op de draaischijf exact bolronde bekkens te vormen (o.c. 353-354), waarover Beeckman eerder had gesproken. Niettemin kon Hevelius te Dantzig schrijven dat hij niet wist of iemand voor hem bolle glazen had geslepen op een draaischijf 8. Dezelfde Hevelius publiceerde als eerste de tekening en de beschrijving van een met de voet aangedreven machine voor het slijpen van verschillende glazen (o.c. 6-8),
[ XIV* ]
terwijl pater Maignan te Rome die gaf, naar het voorbeeld van Rheita, maar op zijn eigen manier, voor het vormen van ronde en hyperbolische bekkens 1. Eveneens omtrent 1648 bouwde De Meru [^], raadsman bij het parlement van Nevers, een draaischijf, die evenwel alleen maar geschikt scheen voor het slijpen van kleine glazen.
Bij al die machines werd het glas met de hand bewogen. Voor grote glazen kan de hand niet meer een overal gelijke druk uitoefenen, en de warmte van die hand is erg schadelijk. Machines voor het slijpen van grote bolronde bolle glazen, waarbij, zoals bij die van Descartes, het de glazen waren die mechanisch bewogen werden, werden vanaf 1662 gebouwd door Christiaan Huygens, op de voet gevolgd door Hooke*) die misschien voordeel trok uit zijn contacten met een zwager van Drebbel, en door Campani. In zijn specialistisch boek gaf pater Cherubin d'Orléans, in plaats van machines met een samengestelde beweging, die geroemd werden door de handwerkslui van zijn tijd (o.c. 380), de beschrijvingen en tekeningen van machines om objectiefglazen bolrond te vormen, waarin de vorm wordt bewogen (o.c. 384-392) ofwel zowel de vorm als het glas (o.c. 405-411) 2.





Noten

III* n
    1.  Wij hebben al opgemerkt dat de astronomische kijker [met een bol oculair] niet voor 1650 zijn intrede deed [<].   «
    2.  Cf. in deel IV de brief van 26 januari 1636 van Hortensius aan Galileï en de noot erbij.   «
    3.  In zijn manuscript de Tubo optico in de Bibliotheek van de Polytechnische School te Zürich en in Lib. II, cap. 33 (p. 135) in de 'Dubia practica' van zijn Rosa ursina (Bracciani, 1630) hierboven [<] geciteerd.   «
    4.  De aanwijzingen die qua datum het dichtst komen bij die van deze auteurs worden door Torricelli vermeld in zijn brief aan Rafael Maciotti van 4 december 1643 (Le opere di Ev. Torricelli, ed. Loria en Vassura, t. III (Faenza, 1919), 150-153). Verscheidene bijzonderheden zijn ook te vinden in de verhandeling 'Oculus astrospicus binoculus sive Praxis dioptrices' in het werk van pater Schyrl de Rheita, Oculus Enoch et Eliae (Antwerpiae, 1645), I, 336-356.   «
IV* n
    1.  Voor deze beroemde glasfabrieken, zie: Vinc. Zanetti, Guida di Murano e delle sue celebri fornaci vetrarie. Corredata di note storiche, artist., biograf., cronolog. (Venezia, 1866).   «
    2.  Voor de glasfabricage in die tijd in het algemeen, zie: Antonio Neri, l'Arte vetraria distinta in libri sette (Firenze, 1612) en Jean Haudicquer de Blancourt, de l'Art de la verrerie etc. (Paris, 1647 ['97]; 602 pp.); voor kristalglas: Houday, Verreries à la façon de Venise (Paris, 1873). Tenslotte L'histoire des verres d'optique in E. Turriére, Optique industrielle (Paris, 1920). I, 27-98.   «
    3.  Wij ontlenen deze bijzonderheden aan de uitstekende studie van F.W. Hudig, Das Glas (Wien-Amsterdam, 1923), 22-63.   «
    4.  "Fusores Muranenses" schrijft Sirtori (Telescopium, Frankfurt 1618, 39) "norunt qua temperie esse debeant lentes telecopij. Ea concoquitur magis; deinde materia, quae est ad oram aut ad fundam mortarij minime apta, idcirco ad aliud convertunt opus, donec semihausto mortario, materiam praebat concoctam, repurgatam et bene digestam".   «
V* n
    1.  "So is dan het spiegelglas tot brillen, verrekyckers ende verfoylde spiegels best" [>].
Rheita schrijft: "Vitra eligantur ex fragmentis speculorum insigniter polita, pura, pervia, clara et sine ulla vena, aequalis et uniformis crassitiei; ... minima venula maxime objectum confundit" (o.c. I, 341b).   «
    2.  "Christallum, quod dicemus artificiale, proprie natum videtur huic artificio. Illud probatur quod est durissimum, tersum, nitidum, candicans, sine arenula, sine ebullitione" (Sirtori, o.c. 40).   «
    3.  "Johannes Sacharias seght, dat een glas maer op een syde geslepen synde ende effen so verde schilderende als een ander, dat op beyde syden geslepen is, het eerste beter te syn. Puto dat te geschieden omdat ['t] de platte syde van een spiegel is, die int slypen groot was, ende so is de platte syde naer advenant beter dan dander, ende syn beter naerdat de spiegel goet of beter was" [>].   «
    4.  "intus venis et meatibus naturalibus, inaequaliter diaphanis, difformiter continuatis, passim infessa reperitur: zegt pater Scheiner (Rosa ursina, 98).   «
    5.  Voor het slijpen van edelstenen, zie Anselmi Boetij de Boodt Brugensis Belgae  Gemmarum et lapidum historia (Hanoviae, 1609) (^), Lib. II, cap. 23 en 24, of de vertaling van Fr. Bachou: Le parfaict joaillier ou Histoire des pierreries (Lyon, 1614).   «
VI* n
    1.  Sirtori (o.c. 34-35) beschrijft de afwerking van een loden bekken waarvan hij het oppervlak egaliseert met een speciale vijl ("sagma") in de vorm van een cirkelboog, waarvan de straal even groot is als die van het bekken en die dikwijls maar weinig verschilt van een rechte lijn. Zo'n soort instrument wordt ook door Rheita aangeduid (o.c. 340-341). De hamer-en-vijl-methode voor het bijwerken van het bekken werd echter nog in 1655 gebruikt door de brillenmaker Calthoff te Dordrecht (Oeuvres de Chr. Huygens I, 375 (1888); cf. ibidem, XVII (1932), 254).   «
    2.  Rheita beveelt loden, koperen en vooral tinnen bekkens aan, gegoten in een houten of ijzeren mal (o.c. 341a en 343b-344a). Emanuel Maignan schrijft voor: "ut plures modulos conformes habeas...", te weten van lood en van koper (Perspectiva horaria .... Consequitur vero Methodus certissima telescopium efficiendi, non modo sphaericum, sed etiam hyperbolicum atque ellipticum ..., Romae, 1648), 704 (Prop. 77).   «
VII* n
    1.  Porta, Magia naturalis (Neapoli, 1589), 278 [ al in 1558 en 1561 (p. 129), IV, cap. XIX: "ne rotae motus speculum frangat, lignum dolabis, ea ad speculi formam reduces, & pice glutinabis, ne moueatur". Cf. Natural Magick, XVII, ch. XXI, 'How Spectacles are made': "handle of wood"].   «
    2.  "Quod si tantillum distorqueatur" — schrijft Sirtori (o.c. 46) — "ut qualicunque inaequalitate accidere solet, frustraberis omni tuo opere et labore".   «
    3.  "Smiris lapis" — schrijft Sirtori (o.c. 50) — "ex Oriente advehitur, quo nullus durior aut gravior; gemmarij utuntur gemmis corrodendis; saepius conteritur et maceratur .... is quo utuntur speculorum artifices, summa curiositate lavatus et repurgatus, omnibus praehabendus".   «
    4.  Deze bewegingen worden voorgesteld in Tab. 49, fig. 1 van het werk dat de meest gedetailleerde beschrijving geeft van het passlijpen der glazen in zijn tijd: La dioptrique oculaire ou la théorique, la positive et la mecanique de l'oculaire dioptrique en toutes ses espèces. Par le Père Cherubin d'Orleans, Capucin (Parijs 1671).   «
VIII* n
    1.  "Hoe droogher men slypt hoe beter, als tglas slechts redelick voortgaen kan" [>].   «
    2.  In het voorgaande hebben we het procédé van Beeckman verhaald. I. p. v. het zand meteen bij het begin te bevochtigen, kan men evenwel droog passlijpen, wat andersom gaat: men voegt geen water toe voordat het oorspronkelijke zand geheel verpulverd is. En dan "in hac madida et semifluida arena" — zegt Rheita (o.c. 342b) — "vitrum post inductam jam figuram eousque teratur donec nullus amplius in terendo stridor audiatur et arena madefacta instar atramenti nigra appareat".   «
    3.  Rheita maakt dit onderscheid niet: "Aliqui autem eousque vitrum in patina terunt donec poliatur et splendeat; qui modus quidem praeter magnum laborem hoc etiam incommodi habet, quod eo vitra nunquam fere sine scissuris, rimis et maculis elaborari queant" (o.c. 343a).   «
IX* n
    1.  Sirtori raadt eenvoudig aan: "Diligenter formam, lentem et capulam spongia, aqua referta, lavato, imo et omnia immerge aquae, ita ut nullam subsideat arenulae granum" (o.c. 50; cf. 52-53).   «
    2.  Cf. "het glas onder aen den stock, die in syn center hanght, vast maken" [<] en "Het glas moet aen eenen stock hanghen ende de stock aen de solder" [>].   «
    3.  "Tripolis lapis" — schrijft Sirtori (o.c. 54) — "est cretaceus, flavescens, mollis, friabilis, gravis, cujus vis et proprietas est smethica, id est astergiva. Ex Oriente Venetias advehitur."
[ Tripoliet bestaat uit de schelpen van kiezelwieren (diatomeeën) en is feitelijk niets anders dan heel fijn quartzpoeder. (^) ]   «
    4.  Later polijst men op papier, Rheita geeft dat cursief aan (o.c. 344a) met een anagram, te lezen als: "Chartae patinam lenissimo pulmento ingeniose glutina; tripoli vitrum polito in ea" *). Gutschoven beval dit procédé aan in zijn brief van 1653 aan Chr. Huygens (Oeuvres, I, 223).   «
    5.  "... men siet, dat myn aldus gepolyste glasen even wel goet syn, ende beter, dan op laken gepolyst" [>].   «

    [ 4. *)  Zie Manzini, L'occhiale all'occhio, dioptrica pratica (1660), p. 168 en over dit boek: V. Ilardi, Renaissance vision (2007), p. 229-233.]
X* n
    1.  Johannes Sachariassen deed er maar heel weinig water bij [>].   «
    2.  Volgens Rheita moet men werken "donec tersissima etiam specula (vitrum) suo splendore superet; quod si forte spatio dimidij quadrantis non contingat, signum est vitrum in scutella pro politura non sufficienter fuisse tritum, proindeque denuo terendum erit, ne figura jam concepta nimis diutina illa politura deperdatur" (o.c. 343a-b).   «
    3.  Om een stigmatische lens [met een scherp brandpunt] te hebben schijnt Beeckman al in 1622 geprobeerd te hebben een glas ongeveer hyperbolisch te laten maken, naar het schijnt door de kanten van een al bolvormig glas langer te slijpen [<]. Later stelt hij verschillende andere middelen voor om deze afwijking weg te werken [<], maar hij bleef belang stellen in hyperbolische glazen [>].   «
XI* n
    1.  P. Cherubin d'Orleans, o.c. 406.   «
    2.  Cf. de uitdrukkingen "eerst een weynich slypen op een geheel hol becken" [<]; "Daer waeren kanten aent glas afgeslepen, gelyck de slypers gewoon syn te doen" [>]; "De kanten op een holder becken af te schueren" [>]; "Als den kanten afgeslepen syn" [>]; "Doen sleep ick op een hol beckentjen de kanten aen het glas" [>]; "de kanten op een holder becken afgeslepen" [>] en "op een ander becken, dat so heel veel holder niet en is als daer ghy het op polysten wilt" [>].
Het procédé bleef lang in gebruik. "Hoc vitium superabimus" — schreef van Gutschoven in zijn brief van 1653 aan Chr. Huygens — "si primo in schirella seu forma multo minoris sphaerae, vitri limbum atteramus" (Oeuvres, I, 223).   «
    3.  Cf.: "so mach men die groote glasen met de handt sonder dop geheel op slypen tot het polysten toe" [<]; "Om styver te douwen, beyde de handen op het glas, van elcke handt 2 vynghers" [>] en "Int eerste vant slypen, slype ick met één handt ende al by beurte, stellende myn 2 voorste vynghers opt glas; ende overgae het geheele becken dickwils. Dan laetende het glas so ligghen, stelle ick myn twee voorste vyngers van myn slynckerhandt daer, ende gae so gelyck ick met myn rechterhandt gedaen hebbe" [>].   «
    4.  "Daerom sal ick sonder dop slypen: so wort al de stoffe met het geheel glas gerocht" en "het en scrabde niet omdat het glas, sonder dop geslepen synde, de stoffe allom gerocht hadde" [>].   «
XII* n
    1.  Het ambacht leende zich voor dergelijke geheimen. Torricelli geloofde er twee van zichzelf te openbaren in zijn brief aan Magiotti van 4 december 1643. Het eerste bestond uit de toepassing van een cirkelboog ("centina") van glas om het bekken vorm te geven, het tweede, waaraan hij het meest gehecht was ("e che non si sa da altri che da Dio e da me"), was een verbod om het glas te behandelen met pek of met elke andere stof die het gebruik van vuur noodzaakte. Hoewel het laatste voorschrift la 25 jaar eerder geformuleerd was door Sirtori (o.c. 48), en het eerste te vinden is, in andere vorm, bij deze en bij Rheita (VI*, n. 1), verzocht Torricelli zijn vriend er met niemand over te praten "perche e cosa che nessune ne sospetta".
Na zich onafgebroken jaloers betoond te hebben om de faam van Fontana en andere geleerden, vertrouwde Torricelli zijn geheimen, in een gesloten kistje, bij zijn overlijden toe aan de Groothertog van Toscane, aan wie Viviani, de intieme vriend van Torricelli, ze overhandigde om vier uur in de nacht, op 8 december 1647. Maar hoewel Viviani, dankzij de ruimhartigheid van de Groothertog, deze geheimen te weten is gekomen (verscheidene staan in mss Galileiani Discepoli, 133, Bibl. naz. Florence) heeft hij nooit gebruik ervan kunnen maken of ze publiceren, en zelfs Serenai, erfgenaam van Torricelli's geschriften, kende ze niet (Vassura, La pubblicazione delle Opere di Ev. Torricelli (Faenza, 1908), 35-43 en Loria, Opere di Ev. Torricelli, I (Faenza, 1919, pp. XI-XII (n)).   «
    2.  "de slypschyve, daer de 3 armkens onderaen syn" [>].   «
    3.  "of yet anders, dat licht teghen het yser schuyft" [>].   «
    4.  Magia naturalis (1589), Lib. XVII, cap. 21 'Specilla quomodo fiant', 278-9 [cf. VII* n. 1].   «
    5.  "Monui superius" (cf. o.c. 42) "spicillum hoc christallario prius tradendum, ut torno ad aequalitatem perducat, et si fieri potest parum excavare etiam incipiat et dirigere centra. Tornus iste arti tam utilis, tam necessarius, ut quilibet hujus artis studiosus et tornum ferreum (Augustae venundantur) comparare et discere uti necesse habeat, ne aliena indigeat opera" (o.c. 60-61).   «
XIII* n
    1.  Oeuvres de Descartes, ed. Adam en Tannery, I (1897), 32-37 en 53-69; Discours de la Methode (Leiden, 1637), La Dioptrique, 137-153, met figuren.
[ Vertaling: J. H. Glazemaker, Verregezichtkunde (1659), 181-196.]
[ W. R. Shea, 'Descartes and the French artisan Jean Ferrier', Annali dell' IMSS di Firenze, Anno VII, fasc. 2, 1982, p. 145-160.]
[ R. Descartes, Brieven, vertaald door Glazemaker, 3e deel (1684), aan en van Ferrier: p. 319 e.v.]   «
    2.  Zie over Drebbel: p. 367, Jaeger (132) en Tierie (48, 107-8).   «
    3.  Cf. de uitdrukkingen: "den as, daer het becken op draeyt" [<] en "alsmen het becken draeyt" [<]. Deze methode is ook toepasbaar als men gebruik maakt van de "sagma" genoemd door Sirtori (VI*, n. 1): deze cirkelboog kan vast blijven staan.   «
    4.  "neempt dan een vlacker becken ... ende set het op eenen drayenden as" en "neempt een tin becken, ende laet het op den as al drayende slypen. So sullen de kanten altyt meest afnemen" [<].   «
    5.  "Il leur importe" — schrijft Constantijn Huygens aan Descartes in 1635 — "de descrier le tour qui un jour doibt ruiner leur mestier" (Correspondence of Descartes and Constantyn Huygens, ed. Roth (Oxford, 1926), 8) [Brief 1322].   «
    6.  In 1635 beval Golius aan Descartes die toen in Utrecht woonde een "tourneur" in deze stad aan (Oeuvres de Descartes, I (1897), 315). Constantijn Huygens vermeldt in notities van 8 januari 1639 "Teeckeningen van Mr Paulus Claesz. draeyer" en "Probata van Mr Paulus van Arnhem, draeyer" (ms. XLVII). Zijn zoon Christiaan noemt in 1650 een brillenmaker "Mr Paulus" (Oeuvres, I, 215).   «
    7.  "Alij adhuc multo securius et melius convexa in torno poliunt beneficio scutellarum ex ligno salicis aut alterius mollioris speciei ejusdem magnitudinis et cavitatis ejusdemque arcus, cum clypeis aeneis seu patinis cupreis fabrefactarum; quibus terra tripolitana madida inductis tornoque agitatis vitra tamdiu manibus parallele et fortiter applicant donec exactissime poliantur" (o.c. 343b).   «
    8.  "Communis ratio, quam Sirturus et reliqui fere ad unum omnes artifices adhibent, fit libera manu. Alia quoque ratio parandi haec specilla in scamno et machinamento tornatili initur, in quo lentes concavae tantum tornantur et poliuntur. Utrum vero convexa specilla quoque in scamno tornatili sint elaborata, nec ne, me latet" (Selenographia sive Lunae descriptio (Gedani, 1647), 6).   «
XIV* n
    1.  O. c. 689-692 en 693-695; 689-700 en 703, met de desbetreffende gravures.   «
    [ *)  Robert Hooke beschrijft in Micrographia (1665) een slijptoestel: fig.]   «
    2.  Voor het mechanisch slijpen van glazen zijn details te vinden in de studie van Crommelin, Het lenzenslijpen in de 17e eeuw (Amsterdam, 1929).
[ Een overzicht bij: 1608 - 2008.]   «



Beeckman | Lenzen slijpen (top) | 1635