Stevin | Sterctenbouwing | Begin | Vervolg

Titelblad , opdracht , cortbegrip , overzicht


[ PW 39 ]
titelblad

[ 40 ]



S I M O N   S T E V I N

wenscht

D  E  N    E  D  E  L  E  N

Ernstesten, Hoochgheleerden

Ioncker   H E N D R I C K   van   B R I E N E N,

ghedeputeerde van wegen des Vorstendoms van
Gelderlant, ter vergaderinghe vande Heeren
Generale Staten, veel ghelucx.


DE   sterckten deses tijts, welckemen sterckten noemen mach, te weten die door wisconstich beleyt, met sichtstralen  {Mathematicam operationem radiis visualibus.} opt meeste voordeel gheteyckent worden, sijn inde Italiaensche ende Françoische spraken soo overvloedelick beschreven, dat ymant dencken mocht daer af ghenouch ghedaen te wesen:  Doch twee merckelicke redenen hebben my beweeght derghelijcke oock in onse tael te doen.  Ten eersten, om daer mede te gherieven veel Nederduytschen in die spraken onervaren, als Kriegsluyden, Boumeesters  {Architectis.}, ende ander tot wetenschap van dien belusticht, waer uijt volghen can, niet alleen vernoughinghe van soodanighe besonder persoonen, maer oock daden  {Effecta.} streckende tot dienst des ghemeene Landts.  Ten tweeden, om dat onse tale het selve (ghelijc oock alle stof  {Materiam.} daer swaricheyt in gheleghen is) veel beter uijtbeelden, ende grontlicker verclaren can als eenighe ander.
[ 42 ]
Van welck ghevoelen den hoochgheleerden H. Adriaen van Roomen, Wisconstnaer, Gheneser, ende  Rector der Ghemeenschool tot Leuven,  {Mathematicus, Medicus, Rector Vniversitatis.} niet en schijnt te verschillen, uijt seker Wisconstighen handel, die hy vande viercantinghe des rondts,  {Mathematico tractatu de Quadratura circuli.} onlancx in Duytsch heeft laten uijtgaen, in Duytsch segh ick, datmen soo wel Duytsch mach heeten, alsmen de stof Wisconstich mach noemen: T'welck nadient ettelicke gheleerden seer wel bevalt, ende dat daer benevens Cardanus des Duytsch wonderlicke gheluckighe t'saemvoughinghe, onder de naturens vreemdicheden stelt,  Libro de subtilitate 11. (wie soudet van een Milanois verwacht hebben?) soo schynt mijn meyning ghenouchsaem in reden ghegront, ghemerckt de achtbaerheyt  {Autoritas.} van sulcke, billichlick voor ghewichtigher te houden is, dan van duysent leecke schampers, met noch duysent daer toe, die hun selven laten voorstaen meer dan leecken te wesen.

    Ick dan ant misverstant van soodanighe my niet stootende, en heb mijn voornemen daerom niet achterghelaten maer de bescrivinghe deser stof by een vergaert, in sulcker form als die V. E. hier toegheeyghent wort: Tottet welcke my twee besonder redenen beweghen, d'eene, om voorbeelt te toonen des
  Oirdens  {Methodi.} die ick van V. E. doen sy haer met my inde Wisconsten  {Mathematicis.} oeffende, gheleert heb, alwaer ick sach dat sy haer selven een manier voorstelde, welcke niet teghenstaende de stof  {Materia.} diens wetenschap ghy begheerdet u onbekent was, ick nochtans metter daet merckte tot goede voortganck der leering te strecken, ende in nateurlicke redenen ghegront te wesen: V. E. hieldet daer voor, dat de Aristotelisten heftelick ghenouch vande  Oirden streden, maer metter daet weynich Oirdens ghebruyckten: Dat Ramus meining van dies tot een goet einde streckte,
[ 44 ]
doch volghdet ghy noch dijn eyghen sin.  Ick ondertusschen overweghende uwe redenen, teghen schriften en woorden van anderen, ende daerdeur leerende dat ick niet en wiste, viel eintlick int vermoeden, my des Oirdens eyghenschap ende wesen grontlick bekent te sijn, ende dat (na leeringhens ghemeenen aert) met sulcken versekertheyt, dat ick oock mijns selfs hooft betrouwende, hebbe my Euclides (die ick acht int stuck des Oirdens, onder de ouden wat besonders te wesen) in ettelicke punten wel laten bevallen, ende eintlic in verscheyden stoffen een voortganck ghevolcht, soodanighe als dit voorbeelt uijtwijst: welcke, hoewel ick vermoede datse V. E. niet in alles behaghen en sal, overmidts verscheyden persoonen in sulcx ghemeenelick tot eenich verschil gheneghen sijn, doch achte ick datse daer in sal mercken, eenighe pylen uijt haren koker ghecommen.

    Dander reden is, dat V. E. den ghenen die hun niet dan in Euclidische beghinselen
  {Elementis.} en oeffenen, sonder tot de daet  {Praxin.} te commen, Spieghelvechters noemde, die haer schaduwe heftelick bestrijden sonder gheraken: welcke manier V. E. niet volghende, dede maken verscheyden reetschappen  {Instrumenta.} noodich tot de daet, als om door t'ghesicht onghenakelicke langden  {Distantias inaccessibiles.} te meten, Grontteyckening van sterckten opt velt te beworpen, en dier ghelijcke, doende sulcx al self metter handt, ende meer soude ghedaen hebben, hadde sy niet tot grooter ende nootlicker saken, te weten der Regieringhe, ghedronghen gheweest.  Nu hoewel mijn meyning altijt was, dat der Spieghelaers spieghelinghen  {Theoricorum theoriæ.} , tot voordering van der Doenders daden  {Practicorum effecta.} connen strecken: Nochtans om mette sticke te bewijsen, hoe my V. E. ghevoelen vande vermenginghe deser twee bevalt, ende dat ick niet en begheer datse my onder de eenvoudighe Spieghelvechters rekent,
[ 46 ]
soo heb ick haer dit werckelic voorbeelt toegheschickt: Het welcke, hoewel dattet noch al maer (ghelijckmen seght) Burghen inde locht, ofte noch eyghentlicker, papiere bolwercken en sijn. Doch commet de sake veel naerder, dan Spieghelsche ghedachten der grootheden ghescheyden van stof:  {Theoricæ contemplationes magnitudinum.}  want anghesien teyckeninghen ende redenen der omstandighen, voor het dadelick werck moeten gaen, soo schynet datment eenichsins deel des dadelicx wercx soude meughen noemen.  Het selve believe V. E. t'ontfanghen tot teycken van dienstwillighe goede gheneghentheyt, door welcke ick haer wensche voorspoet in Regiering, ende gheluck in al haer doen.   Uijt Delf den  25en van Sporckel int  1594e Iaer.
[ 48 ]
C O R T B E G R I P.

{Argumentum.}


TE N  eersten sullen verclaert worden de beteyckeninghen der eyghen woorden ende namen van desen handel, door 21. bepalinghen. {Definitiones.} Ten anderen de manier der teyckeninghe van een volcommen seshouckighe sterckte int cleen. Ten derden het ghebou van een der ghelijcke volcommen seshouckighe sterckte int groot. Ten vierden de teyckeninghe ende t'ghebou der volcommen anderhouckighe dan seshouckighe sterckten, soo wel int groot als int cleen. Voort alsoo den leerlinck uijt het bovescreven sal verstaen hebben den eysch, eyghenschappen, ende omstandighen van een volcommen sterckte, ende connende daer deur begrijpen de verschillen {Quæstiones.} dieder tusschen de Boumeesters {Architectos.} vande beste manier der sterckten ommegaen, soo sullen de selue verschillen daer na bescreuen worden: maer wantmen om daer af wel te oirdeelen, eerst de kennis behouft van het wit deses handels, soo sullen ten vijfden de voornaemelicke drie punten van dies verclaert worden. T'voorseyde wit, daermen hem int oirdeelen dickwils na ghevoughen moet, aldus bescreven sijnde, soo sullen ten sesten volgen ettelicke verschillen op een volcommen sterckte: Ende ten laetsten sommighe verschillen op onvolcommen sterckten, diemen na gheleghentheyt der plaetsen moet maken. Al twelck begrepen sal sijn in seven Hooftsticken. {Capitibus.}

[ 50 ]
    Ende om noch ooghschijnlicker te verclaren het wesen des Oirdens {Methodi.} deser stof, soo vervaten wy andermael het bovescreven tafelwijs als volght.

    Dese
sterckte-
bouwing
bestaet in
vercla-
ring der
accolade eyghen woorden, bescreven in 21.
bepalinghen des  Ien Hooftstucx.
accolade teyckening
int cleen,
welcke ons
ontmoet
accolade op de gront,


verheven,
accolade beyde ver-
vaet int

2e Hooft-
stick.
saken, be-
grijpende
accolade de manier
des ghebous
van volco-
men sterck-
ten, welcke
sijn ofte
accolade seshouckich,
waer in te
ansien valt
teyckening ende bouwing int groot,
bescreuen int
  3e Hooftstick.

anderhouckich dan seshouckich, wiens teycke-
ning int cleen ende groot verclaert wort int

4e Hooftstick.
strijding
vande beste
manier des
ghebous, be-
staende in
accolade
verclaring des wits dier stof, wiens kennis oir-
boir is tottet verstant der strijtredens ende oirdeel
van dien, welck wit begrepen wort in drie voor-
namelicke punten des
  5en Hooftsticx.

strijtredens
op
accolade volcommen sterckten, vervatet
in
  17  verschillen des  6en Hooft-
sticx.

onvolcommen sterckten begrepen
in
  12. verschillen des laesten Hooft-
sticx.

    Ende tot noch meerder claerheyt van alles, soo sullen de nootlicke uijtheemsche woorden, als Italiaensche, Françoische, ende Latinsche, tot verscheyden plaetsen inde canten nevens haer Duytsche ghestelt worden.



Simon Stevin | Sterctenbouwing | Begin (top) | Vervolg