Ie H O O F T S T I C K,{ I Caput. }
Inhoudende de * bepalinghen der eyghen na- { Definitiones. }
|
[ 54 ] 2
|
|
[ 56 ] 3
|
|
[ 58 ] 4
|
als by voorbeelt wanneer een cloot comt uijt den strijckhouck lPH (welcke strijckhouck hier onder inde 12e bepaling verclaert sal worden) langs de groote gordine, bolwerckx gordine, middelgracht, bedectewech, bedectewechs borstweer, of langs de ghemeene landtgront alsoo de strepen inde selve form dat anwijsen, men seght dat sodanighen cloot de voornomde plaetsen strijckt, oock datter een strijckschote is. Maer clooten die teghen de mueren, wallen, of weghen ancommen, dat die qualick of niet en strijcken. De Italianen segghen nettare, scoppare, strisciare, fiancheggiare, scortinare; de Françoisen nettoyer, raser, flancquer, dat vaghen, scheeren, ende sijdelingschieten beteyckent: De Hoochduytschen ghebruijcken het woort streychen, t'welck wy (hoe wel vaghen en scheeren oock niet onbequaem en sijn) om de ghemeenschap dier tael met de onse, navolghen, ende daer voor strijcken segghen, te meer dattet bequaem ende verstaenlick is, sijn grondt {Subiectum.} wel beteyckenende, want een cloot die langs eenighen muer vlieght, wy segghen ghemeenelick datser langs henen strijckt: Voort ghelijck een strijckstock af strijct het cooren, ofte saet dat buijten de mate steeckt, alsoo strijckt sulck een vlieghende cloot af, het ghene datse op wallen weghen of mueren ontmoet. Hier machmen noch dit by segghen, nademael ons woort strijcken vande Italianen ghevolght woort, dieder strisciare af maken, soo en can den oirspronck self {Etymologia.} van strisciare voor ons Duytschen niet oneyghen wesen.
|
[ 60 ] 5
|
|
[ 62 ] 6
|
S'ghelijcx wanneer buijten de groote gordine gheleydt wort een uijtstekende hooft vooren heel plat sijnde (twelck meest te pas comt voor gordinen met inwendige houcken, om die platte sijde strijckelick te crijghen, als t'sijnder plaets breeder sal verclaert worden {In des 7e Hooftsticx 2e verschil.}) sulck hooft ofte bolwerck heet oock Platte form: Inder voughen dat Platte form ghenouchsaem gheslacht is {Genus.}, diens twee afcomsten {Species.} sijn Plattecat ende Platbolwerck.
|
[ 64 ] 7
|
ende die verscheydenheden, int volghende als ouervloet der woorden {Copia verborum.} ghebruijcken, om daer mede somwijlen te veel selfwoordicheyt te schuwen {Tautologiam.}, als by voorbeelt, beneven Gracht, Bedectewech, Strijcken, Strijckschote, Strijckhouck, Schutsel, noch te segghen Veste, Sloot, Grachtschans, Loopschans, Vaghen, Scheeren, Vaeghschote, Scheerschote, Sydschote, Vaeghouck, Scheerhouck, Sydhouck, Decksel, Oir, Vleugel, en dierghelijcke: dan wy hebben voor ons ghenomen, meerder claerheyts halven, eenvoudelick byde bepaelde te blyven. Beneven de voorscreven uijtlegginghen, soo sijn tot meerder claerheyt, by elcke der acht volghende formen, de beteyckening haerder deelen int corte schriftelick ghestelt.
|