Stevin | < Sterctenbouwing > | Hooftstick 6

Maten , bolwerk plomp , niet veelhoekig , niet los , schutsel , strijkhoek ,
gordinen , bedekte weg , katten , poorten , steunstijlen , moordkuilen


[ 126 ]   39

6 e   H O O F T S T I C K

Van ettelicke * verschillen op een volcommen
sterckte als de voorgaende.

{Quæstionibus.}

IN T  begin des tweeden Hooftsticx, is gheseyt de reden waerom wy de verschillen dieder opde sake der bouwing vallen, niet en wilden menghen met de teyckeninghen des selfden Hooftsticx, oock dat dit 6e Hooftstick, metgaders het volghende 7e, tottet besonder verclaeren van dien veroirdent waren, ende volghende alsulck besluyt, sullen daer mede voort varen in deser voughen.


I e   V E R S C H I L   V A N D E   M A T E N.

DE R  Boumeesters {Architectorum.} sinnelicheden sijn vande maten der sterckten seer verscheyden, sommighe willen (als Girolamo Maggi seght) dat de langde

[ 128 ]   40

der gordine tusschen twee bolwercken, sy van 600 tot 700 Bracci {Ellen.}: Ander van 300 tot 400: Tartaglia van 250 tot 300 paßi {Stappen.}: Capitan Frate da Modena 140 cannes: Cataneo neemt voor verscheyden steden verscheyden langden, als 192, 232, 240, 244, 256, 510 bracci: de sterckten van 149, 152 bracci (soo Maggi seght, maer inden druck die ick daer af hebbe vindese van ontrent soo veel paßi [1564, p. 36]) Secretario Fiorentino 200 bracci: Girolamo Maggi van 250 tot 300 bracci: Carlo Theti van 80 tot 100 cannes: M. Aurelio de Pasino in sijn twee gheteyckende sterckten, ontrent 80 ende 90 toises {Vademen.}: Daniel Speckle in verscheyden formen 500, 600, oock 650 voeten. Dit is vande groote gordine gheseyt, ende souden derghelijcke verscheydenheden van dander deelen der sterckten hier oock meughen vergaren, dan latent om gheen tijt te verliesen.

    De oirsaken van sulck verschil sijn veelderhande. Ten eersten dat ons somwijlen de naem der maten bedriecht, welcke dickmael even eens luydende, nochtans in deen stat veel langer sijn als in d'ander, daerom wanneer de reden {Ratio.} der maten van verscheyden steden niet uijtdruckelick ghenouch bepaelt en wort {Definitur.}, soo en hebben wy uijt haer bloote namen gheen sekerheyt: Nu om hier af eenighe verclaringhe te doen, sullen vergaren ettelicke maten in Italiaensche, Francoische, ende Hoochduytschen druck uijtghegaen, welcke yghelick dieder lust toe heeft, soo teghen malcanderen, als teghen ons Delfsche mate overlegghen mach.

DE  Delfsche voet daer de voorgaende teyckeninghen op ghedaen sijn, begrijpt 12 duymen, ende de 12 voeten doen een roede, doch wy en hebben de langden hier vooren deur gheen roeden uijtgesproken, om dat ons altemael voeten gherievigher dochte. Het 1/4 van een dier voeten is van dese langde:

[ 7,8 cm ]

maten

[ 130 ]   41

maten

[ 132 ]   42

maten

    Inde ghedruckte formen van Sebastianus Serlius Antiquitatum lib. 3. overgheset uijt het Italiaens int Latin deur Ioannes Carolus Saracenus, staen oock verscheyden maten van Brachia, Palmi, Pedes antiqui, Pedes recentiores, die soo wel onder malcanderen, als vande voorgaende seer verschillen.
    Tot hier toe is vande verscheyden langden der maten gheseyt.
    Ten tweeden soo comter dickwils verschil der maten tusschen het een ghebou ende het ander, deur dien dat de Boumeesters {Architecti.} hemlieden moeten ghevoughen na de geleghentheyt der plaets, welcke hun belet de ghemeene reghel te meughen volghen.
    Ten derden ghemerckt dattet een gheschot voorder draeght alst ander, ia dat een selfde stick met dit buscruijt meer ghewelt doet als met dat, soo en ist gheen wonder dat de menschen vande maten verscheydentlick oirdeelen, elck na de ervaringhen die hem ontmoet sijn.
    Ten vierden soo sijnder ettelicke die hun rekeninghe maken, met groot gheschut te schieten, datse artiglieria reale noemen, daer by verstaende stucken diens clooten swaer sijn van acht pont opwaert: Ander met non reale, dat is van acht pont neerwaert, t'welck soo verre niet en draecht.
    Ten vijfden soo is de meyninghe van sommighe, dat opde groote gordine eenighe versterckinghen commen, als van catten {Cavaglieri.}, platteformen, ofte strijckhoucken {Flancs.},  om de wille van welcker behulp, sy de gordine tusschen twee bolwercken, langher veroirdenen dan de gene dieder sulcke versterckinghen niet op en brenghen.
    Ten sesten willen eenighe, als Iacomo Castriotto ende ander, de groote gordine soo lanck, ende de bolwercken soo wijt van malcander hebben, datse van haer teghenoverstaende strijckoucken met groot gheschot niet beschadicht en worden, welcke reghel ander verworpen, diens bewijs ende redenen int volghende 8e verschil deses Hooftsticx verclaert sullen worden, teghen de ghene die tot sulcken einde cromme gordinen maken.
    Hier ten laesten noch by ghevought, dat deen niet gheeren en schynt sijn wetenschap van dander te hebben, voornaemlick vande ghene die noch leven

[ 134 ]   43

(met de overleden als Vitruvius Archimedes Euclides en heeft het gheen noot) denckende dat hun achtbaerheyt {Autoritas.} daer deur soude vermindert worden, soo sijn de menschen in sulck gheval ghemeenelick gheneycht van malcander te verschillen, ende vervolghens soo heeft alles sijn nateurlicken loop.
    Angaende de maten hier vooren int 2e Hooftstick ghestelt, ick hebbe na het overlegghen der strijtredens {Argumentorum.} verscheydener schrijvers, ende van ander omstandighen, daer in ghevolght t'ghene my alsdoen de reden naest dochte: Isser yet langher of corter, dicker of dunder dant den Leser goetdunckt, hy macht na sijn welghevallen veranderen, ende t'ghene ick verstaen can verbetert te sijn, daer in wil ick soo lief hem navolghen, als ick anderen ghedaen hebbe: T'welck de reden oock alsoo vereyscht, gemerckt ons voornaemelick einde niet en behoort te strecken, om staende te houden t'ghene wy eens gheseyt hebben, maer om de alderbeste sterckten te veroirdenen.


2 e   V E R S C H I L   V A N   P L O M P E
en scherpe bolwercken.

HO E  wel dattet voor ghemeene reghel ghehouden wort, de scherpe voorhoucken der bolwercken, lichtelicker deurschoten ende nederghevelt te worden dan plompe, nochtans sijn eenighe van meyning, datmen gheen plompe, hoe wel datmense bequaemlick crijghen mocht, en behoirt te veroirdenen, dan datmen om die te schuwen, de bolwercx gordinen uijt het middel, ofte uijt eenich ander punt der groote gordine moet trecken, als inde volghende eerste form; niet uijt den strijckhouck {Flanc.} na de ghemeene manier der onderscreven tweede form, welcke alle beyde verstaen worden op een rechte grooe gheteyckent te wesen.

plomp en scherp

    Maer om te bewijsen dat de Boumeesters {Architecti.} inde vermaerde sterckten, met goede nateurlicke reden na de plompste houcken trachten, soo sullen wy de strijtredens {Argumenta.} dier stof van punt to punt overlegghen.


Ie Punt, of inde scherpe of plomphouckighe bolwercken
de breetste * muerbrake ghedaen wort.

{Breche.}

TE N  eersten soo worter van eenighe voortghebrocht, dat den afgheschoten punt eens scherphouckich bolwercx, smalder muerbrake

[ 136 ]   44

(soo noemen wy der Françoisen breche : Ofte om noch beter te segghen, sulcx is den oirspronck {Etymologia.} van der Françoisen breche, want voor ons breken, seyden de Walen ende Picarden breke, daer voor de Françoisen noch verder van ons gheseten, oock noch verder vanden oirspronck loopende, segghen, ghelijckse alle soodanighe veranderen, breche, daer de Italianen breccia, af maken) veroirsaect om over te stormen, dan een afgheschoten plompen punt: T'welck wel waer is wanneermen elcken punt even lanck af schiet, maer in sulck gheval isser meer stof vanden plompen afgheschoten, als vanden scherpen: Daerom laet de verlijcking na t'behoiren ghestelt te worden, te weten datmen op elcken punt even veel schoten schiet, ende dan de sake overweghen, want ghenomen dat den cloot maer 20 voeten (ettelicke betuyghen van al veel meer) in d'eerde en vlieghe, soo salmen den voorpunt des rechthoucx, ick laet scherper varen, tot opde langde van (als den Meter {Geometra.} bekent is) wrtl200, dats over de 14 voeten, connen deur ende weder deur schieten, maer opde houcken die plomp ghenouch sijn, en heeftmen van ter sijden gheen vaten.

    Angaende gheseyt wort, dat wanner de viant sijn gheschot plant voor t'middel van een plomphouckich bolwerck, dat hy alsdan van die eenighe plaets, muerbrake sal meughen schieten opde twee sijden des bolwercx: Hier op antwoortmen, dat wanneer de viant sijn gheschot plant voor t'middel der groote gordine, nevens welcke scherpe oft rechthouckighe bolwercken ligghen dat hy van die eenighe plaets, muerbrake sal meughen schieten in vier sijden der bolwercken, want alsoo (ghelijck boven gheseyt is) de clooten dweers deur de scherpe houcken vlieghen, soo sal elck bolwerck op twee sijden beschadicht worden, met groote verspreyding der stof: Maer int plomphouckich bolwerck, daermen om twee gordinen t'seffens te breken van vooren op schiet, blijven de clooten steken, met veel minder schade.


2, Punt, van der bolwercx gordine bescherminghe
over de groote gordine.

A L S  des scherphouckich bolwercx gordine ghetrocken is uijt het middel, ofte uijt eenich ander punt der groote gordine, soo canmen (segghen sy) van een deel der selve groote gordine, de bolwercx gordine beschermen. Hier op antwoortmen, dat vande groote gordine gheen goede bescherminghe der bolwercx gordine geschieden en can, overmidts datter een groot deel vande selve bedect blijft, van weghen de dickte des borstweers {Parapetto.} der groote gordine, want by aldienmen (op dat wy sulcx met doorsichtighe spiegheling {Perspectiva Theoria.} verclaren) het plat {Planum.} der afdakinghe vant borstweer der groote gordine deur t'ghedacht oneindelick voorttreckt, soo sal al t'ghene dat van het schutsel {Oreillon.} ende vande bolwercx gordine onder t'selve plat light, verborghen blijven voor den ghenen die langs de afdakinghe des voorscreven borstweers siet:

[ 138 ]   45

Maer alsoo en ist niet wanneermen siet uijt den tegheoverstaenden strijchouck {Flanc.}, oft vande schutsels gordine, wantmen van daer niet alleen des anders bolwercx gantsche gordine en siet tot den gront toe, maer noch een groot deel vande gront des grachts. Ten anderen soo en canmen int borstweer der groote gordine gheen bequame bosgaten {Cannonieres.} noch schutsels legghen, om van daer te strijcken {Nettoyer.}, het selve deel der bolwercx gordine datter soude meughen int ghesicht commen, uijt oirsaeck dat de strijckschote te schoens deur de langde des borstweers soude moeten strecken. Daerom alsoo vande groote gordine gheen strijckingen comt diemen strijcking noemen mach, ende dat uijt den strijckhouck self {Flanc.} gheen rechte strijcking ghedaen en wort, soo en heeft sulcke bolwercx gordine gheen volcommen strijcking.

    Angaende dat ettelicke neven den strijckhouck inde groote bovegordine een inham maken, diens borstweers voorsijde na des scherphouckich bolwercx gordine keert, om door de bosgaten daer in ligghende de selve bolwercx gordine beter te beschermen sonder verhindernis te crijghen vande voorscreven dickte des borstweers der groote gordine; Oock om van dien oirt een deel des velts te ontdecken: Hier op segtmen: Ten eersten dat sulcke bosgaten van het schutsel {Oreillon.} weynich beschermt sijnde, voor de viant seer bloot ligghen, ende dattet beter is des plompen bolwercx gordine te beschermen met bedecte bosgaten dieder inden strijckhouck ghenouch sijn. Ten tweeden wat de ontdecking des velts belangt, dat ander plaetsen der groote gordine, oock der bolwercx gordinen, daer toe veel bequamer sijn, als wesende den viant tot die plaets int velt veel naerder, om hem met vrie schoten te moghen treffen. Ten derden dat de groote gordine ter plaets van dien inham haer volcommen strijcking niet en crijght: Ten vierden dat die bosgaten gheen groote gordinen strijcken en connen: In somme dattet een ghebroken form is daer gheen voordeel uijt en comt.


3e Punt, vande strijckschoten langs scherphouckighe
bolwercken met cleen gheschot.

A N G A E N D E  datmen het bolwerck van een sterckte die weerdich is den naem van sterckte te voeren, alsoo scherphouckich anleght, datmen sijn rekeninge maeckt, de beste volcommen strijckschoten langs de bolwercx gordine te willen schieten vande groote gordine, met cleen gheschut, als muschetten, ofte hantroers, het wort vande ervaernen met goede reden voor onghegront voornemen ghehouden, want die opde eyghenschap des strijckens wel acht neemt, ende recht overdenckt hoe datter op een cleene breede van drie of vier roeden, veroirdent is soo grooten menichte der goede strijckscoten van grof gheschut, dieder commen vande catte, vande hooghe ende leeghe plaetsen des strijchoucx,

[ 140 ]   46

vande hooghe ende leeghe schutsels gordinen ende dat altemael ghelijck gheseyt is op soo cleenen breede, als in eenen doel, hy sal bekennen dattet niet noodich en is, maer teghen reden, sulcken bolwercx gordine noch te willen strijcken {Raser.} met cleyn gheschot, dat leeren, reetschappen {Instrumenta.}, noch borstweeren des viants breken en can, noch over meurbrake met springhende puyn hem scade doen. Tis wel waer dattet hantgheschot, in tijt des storms seer bequaem ende noodich is, tottet ghene int ghesicht comt, maer dat te willen ghebruijcken tot de alder volcommenste strijckschoten der bolwercx gordinen, diemen om de redenen des 2en punts ten grooten deele niet sien en can, daer oock ander grof gheschot eyghentlicker toe veroirdent is, ende om sulck misverstant de streken des grof gheschuts ghebreckich te trecken, cranckhouckighe bolwercken te veroirdenen, ende de stercke plomphouckighe te schuwen, ten schijnt in gheen reden ghegrondt.


4e Punt, vande afschietinghe der schantsen, die door de viant
ande bolwercx gordine meughen gheleyt worden.

ET T E L I C K E  meynen dat soo de viant hem voor de bolwercx gordine beschanst, om sich teghen de strijchoucken te bevrijden, datmen in sulcken ghevalle sijn schantsen of borstweeren, met rechte strijckschoten der plomphouckighe bolwercken niet soo seer cranken een can als met scheeve, der rechthouckighe of scherphouckighe, maer de sake wel inghesien, t'is heel anders daer mede ghestelt, want een rechte strijcschote worpt de stof {Materiam.} der schants achterwaert wech, verspreyt die, de springhende sticken ende den deurvlieghenden cloot heschadighen den viant, ende can sulcke schans van daer afghevaeght worden {Nettoyé.} tot de gordine toe: maer de scheeve (die eyghentlick gheen strijckschote en is, dan om verstaen te worden sulcken naem heeft) streckende te wallewaert in, die worpt de springhende sticken meer teghen de bolwercx gordine an, daerom en connen soo wel niet verspreyt worden als anders, oock en is vanden deurvlieghenden cloot sulcken schade des viants niet te verwachten, om datse of inde gordine blijft steken, ofte heur daer op vermaect.

    Om t'welck noch opentlicker te verclaren, soo merckt dattet voor ghemeen reghel ghehouden wort, datmen de schantsen door sichteindersche {Horizontalem.} schote veel meer beschadicht, dan met de ghene die van boven neerwaert comt: Daerom de voorsijde der bolwercx gordine ghenomen sijnde als voor sichteinder {Pro terminatore visus seu Horizonte.}, ende des viants borstweer als schants daer op, soo sal de rechte strijckschote voor sichteindersche verstrecken, maer de scheeve, voor de ghene die van boven neerwaert comt.

[ 142 ]   47

5e Punt, vande bescherminghe van deen bolwercx
gordine met dander.

SE G G H E N  noch, dat wanneer de voorhoucken der bolwercken niet plomp en sijn, dat alsdan de twee gordinen van twee bolwercken neven een ligghende, malcander beter sien connen, daerom soo een strijckhouck {Flanc.} met haer schutsel {Oreillon.} neder ghevelt wierde, soo salmen van deen bolwercx gordine, dander beter connen sien ende beschermen: Hier op antwoortmen, dat sulck ghedacht van sien hem niet en ghevought, na t'ghene daermen voornaemlick op behoort te letten, te weten op de strijckinghe {Nettoyement.}, want van deen gordine der plomphouckighe bolwercken, canmen dander beter na de strijckinghe sien, ende vervolghens connen malcander beter beschermen, om de redenen van dies int voorgaende 4e punt breeder verhaelt. Men soude hier noch meughen segghen, hadt ghy die punten na t'behoiren plomp ghetrocken, de viant en soude soo lichtelick tot muerbrake {Breche.} niet gherocht hebben, om daer over te stormen, ende het ander bolwerck daer ghy de beschermenis mede doen wilt, soude oock stercker ende versekerder sijn, om tot bescherminghe te meughen ghebruijcken.


6e Punt, van storm met leeren ofte over muerbrake.

ST O R M  gheschiet met leeren ofte over muerbrake: Soo veel die met leeren belangt (welcke somwijlen ghedaen wort, wanneer de viant vermoedt datmender gheen ghoede wacht en houdt, datter weynich volck opde sterckte is, of dier ghelijcke) alwaer met een rechte volcommen strijckschote, veel leeren met datter op is t'seffens te neder connen ghevelt worden: In sulcken ghevalle en isser langs de bolwercx gordine dier scherpe bolwercken gheen volcommen strijcking, want vande groote gordine af, isser een groot deel der bolwercx gordine bedect, ende onstrijckelick, soo wy int 2e punt breeder verclaert hebben, ende uijt den strijckhouck {Flanc.} sijn de strijckschoten scheef ende onvolcommen: Inder voughen dat sulcke manier teghen storm met leeren onbequaem is.

    Maer by aldien de storm over muerbrake gheschiet, soo canmen door rechte volcommen streken, met de springhende puyn, ende met deurvlieghende clooten, den viant veel meer beschadighen, dan met scheeue onvolcommen strijckschoten, als van derghelijcke int wechschieten der viants schantsen breeder verhael ghedaen is, int voorgaende 4e punt.

    Angaende het voordeel dat eenighe rekenen, deur de groote uijtstekende plaets, diemen opde scherphouckighe of rechthouckighe bolwercken crijght, om aldaer catten te meughen legghen, die tusschen haer ende het borstweer des bolwercx, groote ruymte hebben: Hier teghen sal beweesen worden int volghende 13e verschil vande catten,

[ 144 ]   48

dat die groote plaets daer tusschen beyden schadelick is. Inder voughen dat rechthouckighe of scherpe bolwercken, benevens datse meer stof behouven, ende costelicker vallen als ander, op veelderley wijse groot achterdeel veroirsaken.

    Hier by mach noch dit gheseyt worden: Anghesien ghy self de groote gordine voor best bewaert acht, diens strijckschoten nochtans uijt den strijckhouck daer heel by ende langs henen strecken, over al even wijt daer af, waerom sal derghelijcke strijckinghe langs de bolwercx gordine quaet wesen? Ofte is v scheeve onvolmaecte strijcking der bolwercx gordine de beste, waerom en brengdi niet derghelijcke beter manier opde groote gordine, makende de halsen der bolwercken soo lanck, ofte yet anders daer toe doende, datmen sulck voordeel daer oock mach crijghen? Maer ghelijck v bekent is dat sulcx tot achterdeel der groote gordine soude ghedien, alsoo is anderen bekent, dattet tot achterdeel der bolwercx gordine moet strecken.

    De voorgaende redenen worden noch bevesticht door de ervaring, inde vermaerde sterckten die tot verscheyden plaetsen ghebouwet sijn: Als onder anderen Malta, een der voornaemste vestinghen des eertbodems, daer veel an gheleghen is, diemen onder de nieuwe rekenen mach, alsoose int iaer 1566 ontrent een iaer voor het Casteel van Antwerpen anghevanghen wiert, door rijpe beraetslaghinghe vande voornaemste Boumeesters {Architectorum.} ende Crijgservaernen van Cristenrijck, welcke alle meeste voordeel sorchvuldelick na trachtende, hebben, soo elck sien mach deur de ghedruckte formen daer af uijtgaende, de bolwercx gordinen uijt de strijckhoucken {Flancs.} ghetrocken, om alsoo de plomphouckichste bolwercken te crijghen, met dander voordeelen daer uijt volghende, als boven verclaert is. Wy besluyten dan met de ervarenste, dat de alder plompste houcken, diemen na der doorsichtighen {Perspectivorum.} reghel crijghen can, de beste manier van bolwercken maken, diemen na gheleghentheyt der volcommen sterckten deses tijts, tot noch toe veroirdent heeft.


3 e   V E R S C H I L   V A N   R O N D E
of veelhouckighe bolwercken na de
rondtheyt streckende.

SO M M I G H E  hebben hun de ronde bolwercken laten bevallen, ettelicke twee cromme gordinen booghwijs teghen malcaner commende, ander veelhouckighe bolwercken, diens sijden ghestreken worden {Nettoyez.} uijt verscheyden strijckhoucken die inde groote gordinen ghewrocht sijn, ghelijck de volghende form anwijst.

[ 146 ]   49

veelhoekig

    Nu anghesien dat de voorscreven form der bolwercken veelhouckich sijnde, na de rondtheyt streckt ende dat de ronde form, segghen sy, de sterckste is, om dat de stof haer na t'middel toe meer t'samen prangt alsmense beschiet, soo moet die manier van bolwercken stercker wesen, als van twee rechte gordinen. Hier op wort gheantwoort, dat in sulck ghemeen oirdeel recht onderscheyt ghebreect, want hoe wel den metser in overwelfselen de ronde of veelhouckige form verkiest, om bestsluijtende boghen te maken; Hier teghen souct den timmerman sijn werck met corbeelen te verstijven, dat is eyghentlicker gheseyt, hy schouwet den veelhouck, ende tracht na den driehouck, welcke niet teghenstaende sy ter contrari onder de rechtlinighe formen de alder eenvoudichste is, nochtans vast staet, maer den vierhouck niet, den vijfhouck noch min, ende vervolghens hoe des timmermans onghecorbeelde veelhouck meer sijden heeft, ende meer na de rontheyt streckt, hoe sy slapper is. Inder voughen dat voor ghemeen reghel te segghen, de meesthouckighe formen die na de rontheyt strecken de sterckste te wesen, ende dat slechtelick met ymants achtbaerheyt {Autoritate.} te bevestighen, het schynt, ghemerct men contrari dadelicke voorbeelden can toonen, dat sulcke achtbaer persoonens rechte meyning niet wel ghetroffen en is, oft andersins, datmen de achtbaerheyt meer gheloof gheeft dan de reden.
Daer valt dan voor het oirdeel anghesien te worden de ghedaente des wercx, voorts na den eysch van dien te besluyten, want wercken die van binnen hol sijn, ende van buyten over al anperssinghe crijghen, vereysschen de rontheyt, als steenen overwelfsels van kelders, brugghen, kercken, en dierghelijcke, alwaer den booch self overal haer druckende ghewicht mede brenghende, de rontheyt heeft daer t'meeste voordeel, want alsoo het steenwerck des boochs van binnen cleender is dan van buyten, soo veroirsaect die persinghe vaster sluijtinghe der steenen in malcander. S'ghelijcx een bornput, waer teghen het eertrijck van buyten an allen sijden druckende, de ronde form is daer de bequaemste. Maer soomen (by voorbeelt gheseyt) de steenen back des bornputs stelde boven opt landt, ende van binnen met eerde vulde, alsoo dat de persinghe van binnen uijtwaert druckte, tis kennelick datmen daer in het eerste voordeel niet hebben en soude, want ghelijck die steenen deur persinghe van buyten innewaert

[ 148 ]   50

(overmidts datse opde buytesijde meerder breede hebben) gheneycht sijn tot meerder sluyting: Alsoo sijnse ter contrari deur persing van binnen uijtewaert, om datse opde binnesijde smalste sijn, tot meerder ontsluytinghe gheneycht. Daerom soo der bolwercken ghebruijck inhielde, te moeten wederstaen een persinghe die van buijten over al daer teghen anquaem, soo soude de veelhouckighe, of ronde form tot dien einde wel stercker wesen, maer sulcke persinghe en worter niet op verwacht. Angaende de clooten die van buijten daer op gheschoten worden, dat en is gheen persinghe overal, te weten des aerts daermen ronde wercken omme maect, of behoort te maken; want ghelijck yemant met een breeckyser, soo lichtelick een gat maect inden muer van een rondt of veelhouckich bolwerck, als inden muer van een weynichouckich bolwerck, alsoo doet oock den gheschoten cloot opt een soo veel inbrake als opt ander.
Daerom en moetmen om sulck wanen van voordeel, na gheen ronde noch veelhouckighe formen van bolwercken trachten, alsoot strijt teghen de punten, des wits, daer de sterckten deses tijts op ghegront staen, naemlick strijckinghe, ende meeste begrip der plaets: Teghen de strijcking, overmidts dat ronde of veelsijdeghe bolwercken, tot haer bewaernis veel gheschots behouven, datmen andersins met weynich doen can: Teghen t'meeste begrip, om dat de groote gordine een inwendighen bocht hebbende, daerom oock langher en costelicker sijnde, nochtans soo veel plaets verliest, alsser begrepen soude sijn tusschen de cromme gordine, ende de linie rechtuijt ghetrocken.
Het sy dan verre datmen na veelhouckighe bolwercken soude spooren, te meer dat soot meughelick waer, een sterckte te besluyten met strijckelicke bolwercken vooren heel plat sijnde, sonder houck (ghelijck van soodanighe gheseyt sal worden t'sijnder plaets, te weten int 2e verschil des 7e Hooftsticx) men soudese op sulcke wijse door verkiesinghe {Electionem.} behooren te maken. Hier eintlick noch by voughende, dattet ghebreck ende de onbequaemheyt vande oude ronde bolwercken, eertijts goede strijckelicke bolwercken heeft leeren vinden, als int voorgaende 5e Hooftstick gheseyt is, sullent daer by laten, besluytende dat bolwercken met twee gantsche rechte gordinen, de beste form sijn diemen na den eysch der sterckten deses tijts tot noch toe ghebruijckt heeft.


4 e   V E R S C H I L   V A N   * A F G H E-
scheyden bolwercken.

{Ital. Rivellini.  Fr. Moineaux.}

ME N  heeft tot veel plaetsen, ghedeurende dese Nederlandtschen ende Franschen crijch, bolwercken buijten de groote gordine gheleyt, als eylandekens daer af ghescheyden, welcke de Italianen Rivellini noemen, de Françoisen Moineaux, daermen over een houten brugghe in comt. Het voordeel datter uijt verhoopt wort, is, dat de viant schoon sulcken bolwerck

[ 150 ]   51

inghecreghen hebbende, soo en heeft hy daerom de Stadt niet, alsooder noch een diepte is, tusschen t'selve bolwerck ende de gordine.
    De achterdeelen daer teghen sijn dese: Ten eersten dat sulcke bolwercken haer groote gordine niet soo volcomelick en strijcken {Rasont.} als de ghemeene, overmidts sy verre daer af ligghen. Ten anderen, de belegherde en connen malcander in tijt des storms niet soo wel bystaen, om alle nootlicheyt of ende an te brenghen, ende het spreken ende t'gheroep van malcander te hooren. Boven dien, als de viant de bedecte wech {Corridor.} in heeft, soo can hy lichtelick die houten brugghe af schieten, waer deur sy gantschelick van malcander ghescheyden sijn: Tis waer datmen in drooghe grachten, deur een overwelfde ganck onder de eerde vande sterckte int bolwerck mach commen, om alsoo gheen brugghe te behouven, doch en sijn daer mede dander onghevallen niet voorcommen, want het anbrenghen van alle nootlicheyt, ende om malcander metter haest by te staen, is alsoo noch ongherievigher. Inder voughen dat soodanighen bolwerck beter om winnen is als een ander, ende hoe wel de viant dan noch de stadt niet en heeft, doch soo is hy meester vande gracht, of canse lichtelick worden: de stof des selfden bolwercx mach hem dienen, om de plaets tusschen het bolwerck ende de gordine te vullen.
In somme, alsoomen ghemerckt heeft het meeste voordeel in afghescheyden bolwercken niet te wesen, sy worden tot ettelicke plaetsen verandert, ende als ghemeene bolwercken ande gordine ghewrocht: Volghende welcke meyning, wy hebbense als by verkiesinghe {Electionem.} ande volcommen sterckten niet willen oirdenen: Doch daermen hem na de gheleghentheyt der plaets moet voughen, macht sijn bescheyt hebben.


5 e   V E R S C H I L   V A N   R O N D E
of cantighe * schutsels.

{Oreillons.}

DE  ghene die ronde schutsels begheeren, achten de ronde form voor stercker, ten anderen dat de springhende sticken van cantige schutsels alsmense beschiet, de belegherde meer beschadighen, ende de gracht meer vullen.
    Soo veel de sterckheyt angaet, die inde ronde form meerder soude sijn als in dander, het bedencken mach daer op tweederley vallen, te weten van schieting recht daer op commende, om het heele werck te gronde te worpen, ofte sijdelingsche schieting, alleen om canten te breken: Soo veel het eerste belangt, daer teghen is verclaring ghedaen int voorgaende 3e verschil, ende bethoont datmen om sulck vermoeden van voordeel gheen rondt werck en behoort te veroirdenen, dat andersins ghebreckich is. Angaende het ander bedencken, men moet bekennen dat cantighe houcken

[ 152 ]   52

van ter sijden lichtelicker ghebroken worden, dan uijterste sijden van ronde formen: Maer soomen neemt dattet rondt schutsel machtelick {Potenter.} int cantich bestaet, ende op sijn rondtheyt met die canten noch verdickt ende versterckt is, de sake sal een ander insien hebben. Angaende ymant hier teghen mocht voortbrenghen, datmen soo wel een cantich schutsel int ront bedencken mach, diens canten met rondtheyt verdickt sijn, als een rondt int cantich, diens rondtheyt met canten bedeckt is, de antwoort valt daer op, dat soomense even lanck neemt, ghelijck de reden in sulcken ghevalle schijnt te vereysschen, soo sal het eerste plaets houden, het ander moet wijcken.

    Wat de verhinderinge der springhende stucken belangt, waer af noch maer te rekenen en is het verschil der stucken van cantighe en ronde schutsels: Hier op segtmen, dat ghenomen sulck verschil bemerckelick waer, dat de belegherde met borstweeren {Parapets.} daer teghen bewaert sijn, soo wel als teghen de ghetrapte sijden der bosgaten, die ettelicke teghen het inslieren der clooten in plaets van even sijden veroirdenen, sonder sulcke springhende stucken te vreesen: Voort dat sulck cleen verschil, metgaders het cleen verschil der grachtvullinghe, welcke uijt deen meer soude meughen commen als uijt dander, altemael niet te bedien en heeft, verleken byde voordeelen die van cantighe schutsels commen: Als datse haer volmaecte form hebben, na den eysch der strijckschoten: Datse beter den strijckhocuk {Flanc.} bedecken, ende datter volcommender strijckinghe {Nettoyement.} langs henen can ghedaen worden: Waer by noch te overdencken valt, datmen deur het schuwen van sulcke rondtheyt, tot den constighen aert der strijckelicke sterckten deses tijts gherocht is, soo wy int 5e Hooftstick breeder verclaert hebben. Dese voordeelen teghen achterdeelen ouerleyt sijnde, soo hebben ons de cantighe scutsels best bevallen.


6 e    V E R S C H I L    O F    D E    B I N N E S I I D E
des * schutsels bequamer ghetrocken wort * evewij-
dich met de groote gordine, of niet.

{Oreillon.   Parallela.}

E T T E L I C K E  willen de binnesijde des schutsels, als de lini Pl inde Ie form des 2en Hooftsticx, ghetrocken hebben evewijdich met de groote gordine HK, achtende den strijckhouck {Flanc.} alsoo bslotender ende beter bewaert te wesen, dan ofmen die van vooren wijder open stelde. Ander ter contrari willense scheef trecken, na den loop vant uijterste datmen sich voorstelt sijdeling te willen schieten, welck ghevoelen ons oock best bevalt om dese redenen: Tis seker, oft immer daer voor te houden, datmen mettet buijtenbosgat niet alleenelick een strijckschote evewijt vande groote gordine en wil schieten, maer oock, alst den noot voordert,

[ 154 ]   53

meer tersijdewaert uijt na de teghenoverstaende bolwercx gordine toe, luttel of veel, daerom alsmen soo schiet, ende dat dan de binnesijde des schutsels ghetrocken is deur l evewijdich met de groote gordine, soo moet tusschen de lini bescreven vanden vlieghenden cloot, ende des schutsels houck P, een ledighe onghevulde plaets wesen, soo groot als die schoensheyt veroirsaect: Nu of die ledighe plaets ghevult waer, sal daer mede den strijckhouck te meer ontdeckt sijn, blijvende des schutsels uijterste einde l op sijn selve plaets? neense niet met allen, maer het schutsel sal daer soo veel dicker en stercker wesen, ende sijn voorhouck l soo veel plomper ende beter hebben, als die vulling bybringt.
Ofte tot noch meerder claerheyt aldus gheseyt: Wanneer des schutsels binnesijde Pl, afwijckt vande groote gordine, ofmen dan vande selve sijde soo veel stof afbrake, tot datse evewijdich waer met de voorschreuen groote gordine, soude daer mede den strijckhouck te beter bewaert sijn? Sonder twijffel neense, maer het schutsel soude soo veel ghedunt ende ghecranckt wesen, ende sijn voorhouck l van soo veel ghescerpt, als die afghevallen stof veroirsaeckt. Wij besluijten dan, dat de binnesijde des schutsels met meerder voordeel ghetrocken wort, na den loop vande schoensche schietinghe diemen sich voorstelt te willen doen, dan evewijdich vande groote gordine.


7 e    V E R S C H I L    O P D E    P L A E T S E N
des * strijckhoucx ende t'ghene
daer in comt.

{Flanc.}

M E N  heeft over een tijt, de onderplaets ende middelplaets des strijckhoucx met overwelfselen ghedeckt, om alsoo de boveplaets opt overwelfsel der middelplaets meerder ruymte te gheven, Vijt dese overwelvinghen sijn, soo de ervaringhe daer na leerde, ettelicke onghevallen ghevolght, te weten, dat te wijle de viant die beschoot, soo en condemen daer onder, van weghen de springhende stucken, niet bevrijt sijn: Ten anderen, soo spleten en braken de overwelfselen vande gewelt haers eyghen gheschots, in sulcker voughen, datmen daer boven noch daer onder versekert en was: Ten derden, soo wierden die plaetsen, alsmen daer uijt schoot, soo seer met vier en roock vervult, datmen niet en sach watmen dede, noch sonder groote banghicheyt daer en conde blijven, veroirsakende verlies des ghehoirs ende ghesichts: Ende hoe wel tot dien einde lochtgaten ghemaect wierden, om den roock te vertrecken, noch en hielpet niet. Om teghen sulck ongheval te voorsien, soo en heeftmen daer na die plaetsen deen niet recht boven dander ghebouwet, maer de middelplaets, wat meer achterwaert dan de onderplaets, ende de boveplaets wat meer achterwaert dan de middelplaets, alsoo dat de plaetsen

[ 156 ]   54

boven open sijn sonder overwelfsels, alleenlick wordender overwelfsels gheleyt inden wal daer achter staende, ghelijck int 25e punt der grontteyckening des 2en Hooftsticx gheseyt is, om daer onder uijt reghen en snee, oock uijt de hitte der Sonne te moghen wesen, om t'gheschot, clooten, ende ander reetschappen daer toe dienende int drooghe te stellen.

    Belanghende den steenen steygher, die ettelicke heel onbesloten ende bloot legghen, om vande boveplaets na de middelplaets te commen, die en schijnt niet sonder eenich perikel, want de viant gherocht sijnde, of met ghewelt, of deur listighen anslach, inde selve middelplaets, soo can hy voort commen over den hooghen wal inde sterckte, sonder dat hem eenich ghebau belet: Daerom hebben wy inde voorscreven grontteyckening, den selven steygher met een muer afghesondert, alsoo dat de middelplaets met een deure vande boveplaets can ghescheyden sijn.

    Angaende de bosgaten {Cannonieres.} der drie plaetsen, die heeftmen eertijts alsoo ghemaect, dattet nauste der selver quam ant buijtenste einde des borstweers {Parapetto.}, voort na de binnesijde breeder en breeder.
    Hier mede waren de belegherde wel beter beschermt voor het inslieren van des viants clooten, danse nu sijn, met bosgaten ter contrari buijten wijtst ende binnen naust: Maer wederom daer teghen, soo vielen op sulcke wijse de buijtenste canten der tanden {Merlons.} seer dunne, ende t'gheschot daer op goede vating hebbende, wierden lichtelick afgheschoten, ende de gaten terstont seer vermeerdert. Ten anderen soo braken de tanden, van weghen der belegherden eyghen gheschot, deur den slach des ontsteken buscruijts, t'welck deur die nauwe plaets moest vlieghen. Om dit ongheval te voorcommen, soo pastemen daer na het nauste der bosgaten opt middel des borstweers: Maer alle voordeel teghen achterdeel, deur veel ervaringhen overleydt sijnde, soo wort nu oirboirst gheacht de nauste sijde teenemael opde binnecant des borstweers te legghen, opde manier als inde grontteyckening der 2e ende 3e form des 2en Hooftsticx ghedaen is.


8 e    V E R S C H I L    V A N    R E C H T E
en cromme groote gordinen.

Ie   V O O R B E E L T .

E T T E L I C K E  hebben gheacht, dat soomen met de strijckhoucken {Flancs.} een groote rechte gordine wilde beschermen vande stormen des viants, dat deen strijchouck met schieten dander strijchouck, gheschot, of bolwerck te groote schade soude doen. Om teghen twelck te voorsien, sy gheven de groote gordine int middel een uijtwendighe bocht, alsoo dat elcken helft comme inde lini, daer de bolwercx gordine op ghetrocken is, als inde form hier onder, alwaer elcken helft der gordine een strijckhouck alsoo bedect, datmen van deen tot dander niet sien en can.

[ 158 ]   55

gordine

    Hier teghen wort wederom gheseyt, dat elcke halve gordine aldus maer van een sijde ghestreken {Nettoyée.} en can worden, daer sy anders haer strijcking van beyden sijden crijcht, daerom een strijckhouck door de viant ter neder ghevelt sijnde, soo blijfter een halve gordine onbeschermt.
    Ten anderen, soo ist een eyghenschap in alle groote gordine die maer van een sijde ghestreken en wort, datter een plaets tot voordeel des viants bedect ende onbeschietelick blijft: Om welcke plaets te bescrijven, soo neemt door t'ghedacht twee oneindelicke platten {Plana infinita.}, het een streckende langs de afdakinge des borstweers vande groote gordine, het ander langs de afdakinghe vant borstweers des strijckhoucx, want de plaets, welcke voor den strijckhonck tusschen die platten begrepen is, en can tot gheenen oirt int ghesicht commen, vande ghene die langs de afdakinghe der borstweeren siet, ende vervolghens al wat in dien houck tusschen de selve platten staet, is verborghen: Inder voughen dat de viant soo wel ter eender sijde onder den strijckhouck, als ter ander sijde inde groote gordine, metter handt sal meughen graven en breken na sijn wille, sonder vande belegherde verhindert te worden. Ende by aldienmen door t'ghedacht noch sulcken plat {Planum.} trect, langs de afdakinge vant borstweer ten einde des schutsels, men sal daer onder tusschen de platten oock derghelijcke onbeschietelicke plaets crijghen.
    Ten 3en, soo de viant sonder muerbrake {Breche.} de groote gordine met leeren bestormt, in sulcken gevalle schietmen uijt de strijckhoucken met keyen ende ketengheschot, t'welck grooter moort der vianden doet, sonder bolwercken te beschadighen.
    Ten 4en, by aldien de storm over muerbrake ghedaen wort, soo schietmen vrielick met grof gheschut in die afghevallen steenen, om met de springhende sticken onder de viant meerder schade te doen, ende dat sonder de bolwercken te breken, want de clooten inde puyn commende, of sy blijvender in steken, of verliesender haer cracht op, of nemen een onseker spronck.

[ 160 ]   56

    Ten 5en, stormen ghebueren selden, ende en gheduren soo langhe niet, dat de bolwercken daerentusschen soo groote schade lijden, of t'prouffijt en is veel meerder, datter comt uijt de gheduerighe vreese, die de viant belet hem tusschen sulcke twee strijckhoucken tot den storm te begheven.


2e   V O O R B E E L T .

S O M M I G H E  hebben de gordine tusschen twee bolwercken in drien ghebroken, het middelste deel innewaert gheleyt, ende daer an twee strijckhoucken {Flancs.} ghebrocht, uijt welcke niet alleen dat middelste deel, maer oock de bolwercx gordinen volcommelick ghestreken worden {Nettoyez.}, als hier onder, achtende daer mede de gordine meerder sterckte, ende beter bewaernis te hebben.

gebroken gordine

    Hier op segtmen dat een van beyden, te weten, of de twee bolwercken staen van malcander soo verre, dat elcx gheschot de gantsche groote gordine niet strijcken en can, ofte soo na dat daer gheen ghebreck af en is. By aldien sy soo verre staen, soo is elck gordijndeel dat nevens het bolwerck light, alleenelick bewaert met een strijckhouck, te weten met dien daer an gheraect, want dander strijckhouck is te verre, ende vanden strijckhouck des middelsten deels en cant niet ghesien noch ghestreken worden. Inder voughen dat de viant een strijchouck des bolwercx ghebroken hebbende, soo blijft het gordijndeel daer an staende onbeschermt. Oft andersins een strijckhouck des middelsten deels der gordine ghebroken wesende, soo blijfter een bolwercx gordine onghestreken, overmidts het ander bolwerck te wijt daer af is.
Maer by aldien de twee bolwercken malcander na ghenouch staen om de heele gordine daer tusschen ligghende, oock om deen des anders bolwercx gordine te connen strijcken, soo sijn de twee strijchoucken des middelsten deels daer onnoodich, want can het gheschot van deen strijchouck des bolwercx, sijn cracht doen tot ant einde der gordine tusschen de bolwercken, ende tot ant einde der bolwercx gordine, met meerder reden salt sijn cracht connen doen opt middelste derdendeel. T'welck anghemerckt, sulck gordinen worden met grooter costen meer vercranct, want het gheschot can grooter muerbrake {Breche.} ende schade doen, opde canten der schutselen {Oreillons.} van ghebroken gordinen,

[ 162 ]   57

dan op heel rechte ende even. Ten anderen sijnse van cleender begrip.
    Ten 3en, de houcken der bolwercken commen aldus scherper oft onplomper te wesen, daermen hem deur ghemeene reghel voor wachten moet.


3e   V O O R B E E L T .

A N D E R  en hebben de groote gordine niet alleenelick in drien ghedeelt alsvooren, maer wel in vijven, ghelijck hier onder: Welcke manier uijt de bovescreven redenen noch ergher gheacht wort dan die des 2en voorbeelts, als wesende van slimmer bewaernis, minder begrip, van noch scherper of onplomper ende crancker bolwercxhoucken, ende boven dien alles streckende tot meer onnutte costen.

gordine in vijven

4e   V O O R B E E L T .

D A E R  na bemerct sijnde de bovescreven faute des 2en ende 3en voorbeelts, te weten datmen uijt yder strijckhouck {Flanc.} dander gordijnsticken niet sien en conde, men heeft de deelen scheef ghetrocken, ende voor malcander strijckelicker ghestelt, als hier onder.

strijkhoek

    Waer op gheseyt wort, sulcke verbeteringhe andersins meerder verergheringhe te veroirsaken, als dat de houcken der bolwercken alsoo noch scherper ofte onplomper vallen: Boven dien datmen met veel costelicke wallen noch weynigher plaets begript.

[ 164 ]   58

Wy besluyten dan dat een gantsche rechte groote gordine tusschen twee bolwercken, de bequaemste manier is diemen inde volcommen sterckten tot noch toe ghebruijckt heeft.


9 e    V E R S C H I L    V A N D E    D I C K T E
der leeghe gordine, ende de breede
des gancx daer achter.

D E  strijcking {Le raser.} die in alle volcommen sterckte vereyscht wort, is tweederhande, d'eene langs staende vlacken, als der caden en gordinen vande buytsijde ende binnesijde des grachts, daer eyghentlick t'gheschot der strijchoucken {Flancs.} toe veroirdent is: Dander langs ligghende sichteindersche vlacken {Plana Horizontalia.}, als des velts ende der afdakinghen vant boorstweer der bedecte wech {Strada coperta.}, diens volcommenste strijckinghe vande leeghe gordine gheschiet, om alsoo meer vianden te connen ombrenghen, oock om sijn schantsen lichtelicker te moghen breken, dan met gheschot dat van hooghe comt, deur dien de stof der schantsen aldus meer verspreyt, ende dat den deurvlieghenden cloot hem meer beschadighen mach.
Daerom sterckten die den sichteinder {Horizontem seu Terminatorem visus.} niet volcommelick strijcken en connen, haer ghebreect een goet deel der volmaectheyt: Soodanighe sijnse diens borstweeren der leeghe gordine een steenen muerken is, twee of drie voeten dick, met bosgaten daer in, deur welcke men met musschetten ende handtroeren schiet: Voort een smalle ganck daer achter van 5 of 6 voeten breet. De reden van haer ghebreck is dese: Ten eersten datmen op sulcke onder gordinen gheen grof gheschut bruijcken en mach om den sichteinder te strijcken {Nettoyer.}, overmits den ganck te smal is, oock met afvallende walbrake haest vervult wort. Ten anderen, dat soodanich steenen borstweerken, teghen des viants grof gheschot niet dueren en can, oock dat de springhende puyn de belegherde groot achterdeel doet, hun belettende, soo wel cleen als groot gheschut daer te moghen besighen.
Om sulck ongheval te schuwen, ende het bovescreven voordeel te ghenutten, soo hebben wy inde teyckening der volcommen sterckte, ghevolght het ghevoelen der ghene die t'borstweer der leeghe gordine, soo dick veroirdenen als het borstweer der bovegordine, met een ganck breet 20 voeten, wesende noch inden hooghen wal tot de behoirlicke plaetsen, overwelfsels om t'gheschot sijn deysing in te nemen. Ende by aldienmen beneven t'ghene boven gheseyt is, noch insiet, dat der strijchoucken {Flancs.} leegste plaetsen, als by ghemeene reghel, het grootste gheschot vereysschen, soo is daer uijt oock te verstaen, datmen sijn rekening behoirt te maken, opde leeghe gordine niet alleenelick soo groot gheschut te moeten ghebruijcken als opde bovegordine, maer eer grooter, ende vervolghens de reden te willen, dattet werck der selve leeghe gordine daer na angheleydt wort.

[ 166 ]   59

    Sommighe wel verstaende de nootlicheyt van dit strijcken des sichteinders, veroirdenen seker manier van strijchoucken, anden punt des borstweers vande bedecte wech die teghen over t'middel der groote gordine comt, om van daer sijdeling des viants schantsen opde afdakinghe ende opt velt te beschieten: Maer de leeghe gordine na t'behoiren weerbaer veroirdent sijnde, sy is daer toe veel bequamer, want de viant ligghende opde afdakinghe teghen over den houck eens bolwercx, soo en ismen hem vande gordine des selfden houcx niet alleen veel naerder, als van soodanighen strijchouck, maer boven dien breeckmen hem sijn schantsen met meerder versekertheyt ende gerief der belegherde: Oockwanneermen sulcke uijtwendighe strijchoucken verlaten moet, soo ghediense tot groot achterdeel der sterckte.
    Wat de coorde belangt, die ghemeenlick tot cyraet der leeghe gordine boven het beschoysel {Scarpa.} der selve ghewrocht wort, de ghene die segghen datse daer gheen coorde en souden begheeren, en bevallen my int selve niet qualick.


1 0 e    V E R S C H I L    O F T    O I R B O I R
is de twee sijden der * bedecte wech, als
* cabeschoeysel, ende het borstweer,
na de * strijcking te trecken.

{Strada coperta.  Contrascarpa.  Flancquement.}

W A N N E E R  de cade inde grontteyckeninghe uijt de middelplaets ghetrocken is, soo sijn eenighe van meyning, datmen t'beschoeysel der selve cade uijt de onderplaets niet strijcken en can om sijn schoensheyts wille, achtende men soude het selve beschoeysel, om volcommelick te meughen ghestreken worden, moeten teyckenen met eenighe verbreydende trecken die uijt den strijchouck commen, t'welck alsoot moeyelick ende ongheschickt ghebou soude veroirsaken, te weten beschoeyselen ant een einde veel dicker als ant ander, sy en willen hun ande volcommen strijcking niet verbinden. Hier op segh ick, dat hy die met doorsichtighe spiegheling {Perspectiva contemplatione.}, overleght de ghedaente des 22en punts der grontteyckening, sal verstaen dat de bosgaten {Cannonieres.} der onderplaets in sulcker voughen gheleyt sijn, datse t'beschoeysel overal eenvaerdigher dickte sijnde, heel volcommelick sien en strijcken, commende nochtans de twee uijterste bosgaten van malcander te ligghen, dan de bosgaten der middelplaets, alsoo datter noch een derde bosgat int middel comt, uijt oirsaeck dattet borstweer vande onderplaets vermeerdert, om het afwijcken des schutsels.
    Hier af dan gheen noot wesende, ende anghesien de viant het borstweer der bedecte wech, ende het cabeschoeysel moet hebben, eer hy tot de bolwercken of groote gordine can gheraken, soo ist billich het selve borstweer ende beschoeysel,

[ 168 ]   60

om hem daer veel verhindering te connen doen, opt meeste voordeel te trecken, dat is na de volcommen strijckschoten uijt den strijchouck {Flanc.} commende, ghelijck inde Ie form des 2en Hooftsticx ghedaen is, want dat schantsen ende reetschappen {Instrumenta.} die de viant daer op brenght, alsoo bequaemlicker connen ghebroken worden, dan door onvolcommen scheeve strijcschoten, sulcx is ghenouch te verstaen uijt de volcommen strijcking der bolwercx gordinen daer int 2e verschil breeder af gheseyt is, voornaemlick int 4e punt des selfden verschils. Ten anderen, soo dickmal de viant hem verstout inde gracht te commen, t'sy om te stormen, ofte andersins daer na sijn voordeel te trachten, soo en can hy daer in niet gheraken, noch weder daer uijt vertrecken, dan over de bedecte wech {Chemin couvert.}: Daerom als haer borstweer ende cabeschoeysel {Contrascarpa.} na de strijcking niet ghetrocken en sijn, soo isser een groot voordeel versien, ende sulcx te willen laten daerment doen can, het strijt teghen t'ghemeen ghevoelen daer int 5e Hooftstick af gheseyt is.
    Angaende dat de bedecte wech aldus byde houcken als c breeder valt, dan byde punten als d, sulcx comt beneven de bovescreven voordelen noch wel te pas, om de weghen in te legghen, daermen door boven opde afdakinge comt, wantmen alsoo opde bedecte wech noch breetheyt ghenouch houden mach.
    Belanghende de breetheyt des grachts, welcke aldus voor t'middel der groote gordine smalder valt, dan alsmen de cade trect evewijdich met de bolwercx gordine, ofte noch wijder voor de schutsels {Oreillons.} dan voor den bolwercx houck: Hier op seghtmen, dat alsoo het middel der groote gordine, die van beyden sijden ghestreken {Rasée.} wort, de onwinnelickste plaets is, ende dat boven dien de gracht daer veel breeder valt dan voor de schutsels, welcke nademael sy maer van een sijde ghestreken en worden crancker sijn, soo ist onnodich de gracht daer noch wijder te trecken, ende daerom caden te veroirdenen met onvolcommen strijcking.
    Angaende dat de gracht voor de bolwercx punten aldus ten alder breetsten comt, dat vereyscht oock de reden, ghemerckt de sterckte an die punten ten alder crancksten is, om verscheyden redenen: Ten eersten overmidts elcke haer sijde alleenelick van een strijchouck {Flanc.} ghestreken wort: Ten anderen dat de gordinen daer ten alder wijtsten vande strijchoucken sijn, waer deur des viants schantsen an dien oirt alder weynichst vande strijchoucken connen beschadicht worden: Ten derden, dat de gordinen der bolwercken deur sijdelincsche schieting, lichtelicker muerbrake {Breche.} connen crijghen ande punten der bolwercken, dan op ander plaetsen: Ten vierden, dat de viant om de voorscreven redenen, an die punten alder bequaemlicxt de gracht can vullen, daerom datmense tot die plaets ten nausten trect, daerse de meeste wijde behouft, ende ten wijtsten daerse ten nausten mach wesen, het is den viant onnoodelick voordeel ghegheven,

[ 170 ]   61

dat op veelderley wijse tot achterdeel der belegherde strect.
    Sommighe der ghene die de cabeschoeyselen {Contrescarpes.}, ende de borstweeren der bedecte wech na de strijcking niet en trecken, nochtans wel verstaende den grooten noot diese lijden moeten, wanneer de viant hem daer beschanst, veroirdenen opde buytesijde des grachts voor den punt des cabeschoeysels die teghenover t'middel der groote gordine comt, verscheyden borstweeren {Parapets.} met haer bosgaten {Cannonieres.}, om de selve cabeschoeyselen ende borstweeren der bedecte wech van dien oirt an weder sijden te strijcken: Maer ghemerckt sulcx uijt de strijchoucken bequaemlicker can ghedaen worden, met daer by te ghenutten al dander vervolghende voordeelen die boven verhaelt sijn, soo ist onnoodich buijten de sterckte nieuwe besonder ghebouwen te legghen, diemen boven al dander voorscreven achterdeelen, van verkeerde wijtheyt der grachten en bedecte weghen, niet dan met grooter moeyte, cost, ongherief, ende onsekerheyt beschermen noch behouden en can, welcke eintlick, wanneermen die verlaten moet, tot groot voordeel des viants strecken.
    Ettelicke legghen int borstweer der bedectewech teghenover t'middel der groote gordine, een inham {Barbacane.} met haer bosgaten, om de afdakinghe {Argine.}, ghelijck sy segghen, an beyden oirten sijdeling te moghen beschieten: T'welck tot dien einde onnoodich schijnt, ghemerckt datmen vant een heel borstweer, des anders borstweers afdakinghe sijdeling beschieten can, sonder inham. Om t'selve by voorbeelt verstaenlicker te verclaren, soo laet ABC het borstweer der bedecte wech beteeckenen, waer af B de punt is die teghenover t'middel der groote gordine comt. Nu ghenomen datmen de linien AB ende CD niet heel rechtuijt en trect, maer alleenelick tot D ende E, van daer af na F, alsoo dattet borstweer der bedecte wech nu sy ADFEC, hebbende een inham DFE, om over tborstweer DF, te moghen schieten ter sijdewaertuijt langs de afdakinghe {Levée.} van AD, ende over het borstweer EF, ter sijdewaertuijt langs de afdakinghe van EC, legghende tot dien einde bosgaten inde borstweeren DF ende EF.

borstweer

    Hier op segtmen, dat als t'selve borstweer sonder inham waer, alleenelick vande twee rechte linien AB ende BC, dat de belogherde dan soo wel sijdeling schieten over t'borstweer BE, langs de afdakinghe van DA, ofte BA, als sy anders doen over het deel DF: S'ghelijcx soo wel over BD,

[ 172 ]   62

langs de afdakinghe van BC, als anders over EF. Inder voughen dat dien inham tot sulcken einde gheen voordeel en doet. Maer soomen de sake wilde nemen, dat opde bedecte wech CG gheen verweerders en waren, om t'borstweer aldaer als borstweer te ghebruycken, alsoo dat de viant hem verstoute te commen boven opt borstweer ter plaets van H, in sulcken ghevalle soude den inham DFE bate gheven, want de belegherde staende voor t'borstweer DF, om te schietem langs de afdakinghe van DA, souden van achter met den houck E beschut sijn voor den viant wesende ter voorscreven plaets van H. Maer de belegherde, welcke tot dien einde stonden voor t'borstweer BE, souden voor den viant an H bloot sijn, ende inden rugghe of sijdeling gheschoten worden.
Hier op valt wederom te segghen, Soomen wil nemen, dat de viant hem vervoordert te staen ter plaets van H, opden bovecant des borstweers, sonder t'gheschot te vreesen dat vande bolwercken ende gordinen can commen, soo moetmen met een toelaten, dat hy oock sal durven commen in een van soodanighe inhammen daer hy sijn meeste voordeel merct, want de weghen eensdeels daer toe bereyt ligghen, ten anderen een borstweer van 4 of 4 1/2 voeten hooch, is licht om afspringhen: Als by ghelijcknis, de viant hem vervoughende inden inham DFE, sal beyde de houcken D ende E tot schutsels ghebruijcken, om van daer met voordeel te beschieten de belegherde dieder sijn opde bedecte weghen EC ende DA. Angaende ymant hier teghen segghen mocht, datmen van binnen de sterckte den viant niet toelaten en soude in dien inham te blijven: Hier op antwortmen, dat sulcx soo ghenomen, men sal sich met een moeten voorstellen, datmen hem vande selve sterckte niet ghedooghen en sal, opt voorscreven borstweer te staen. T'welck overleyt sijnde, dien inham soude, oock in dat ansien, soo wel tot achterdeel als voordeel strecken.
    Angaende dat eenige dien inham met manier van strijckhoucken verstercken, om van daer den viant met grof geschut opde afdakinge sijn schantsen te breken, t'selve schijnt tot dien einde onnoodich, ende in ander ansien schadelick, gemerckt sulcx vande leeghe gordine bequamelicker ghedaen wort, als breeder verclaert is by t'einde des voorgaenden 9en verschils.
    Ander sijnder die int borstweer niet alleen dien inham en maken als vooren gheseyt is, maer teyckenen noch elck lanck borstweer in form van een heughel, met vier neusen als hier onder.

borstweer met uitsteeksels

[ 174 ]   63

    De redenen van voordeel ende achterdeel, sijn hier af ghenouchsaem de selve, die wy hier boven vanden inham verhaelt hebben, want of men stelt sich voor, dat den viant hem sal verstouten te commen opt borstweer AB, om van daer te ontvrien den bedecten wech CDEF, of dat hy t'selve niet en sal durven bestaen: doet hijt, soo sal hy met een, om noch meerder voordeel te hebben, durven commen vant borstweer opde bedecte wech, ende ghebruijcken de neusen G H I K met soo grooten voordeel, als de belegherde de neusen C D E F doen. Maer darf hy opt borstweer AB niet verschijnen, soo en behouftmen daer teghen de neusen C D E F tot gheen decksels te veroirdenen. Tis oock te weten dat die heughels om uijt de strijckhoucken {Flancs.} ghestreken te worden, meerder openheyt des schutsels {Oreillon.} vereysschen, waer deur de bosgaten blooter staen, ende uijt het velt souden connen beschoten worden. Voor besluijt, wy alle achterdeel teghen voordeel overlegghende, ons heeft inde voorgaende teyckening des 2en Hooftsticx, beter bevallen de manier der ghene die elcke sijde der bedecte wech rechtuijt trecken, sonder inham ofte heughelneusen, oock strijckelick uijt de strijchoucken.


1 1 e    V E R S C H I L    O F T    B E T E R    I S
het * buijtebosgat der middelplaets opde * bedecte
wech te connen ghebruijct
worden, of niet.

{Cannoniere exterieure ou pres l'oreillon.  Chemin couvert.}

B Y  aldien, als sommighe willen, het schutsel {Oreillon.} soo wijt open ghestelt wort, datmen door het buijtebosgat der middelplaets can strijcken {Nettoyer.} het borstweer der bedecte wech, ghelijck inde Ie form des 2en Hooftsticx ghedaen is, soo sal de viant vande bedecte wech als hy die heeft, wederom dat buijtebosgat connen breken. Maer treckmen het schutsel soo nauwe toe, dattet buijtebosgat bedeckt blijft mettet nevenstande bolwerck A, alsoo dattet vande bedecte wech nerghens ghesien en wort, ghelijck hier onder, soo en can de viant sulcken bosgat niet breken. Inder voughen datter te overlegghen valt welck nutter waer, den strijchouck {Flanc.} beter bedeckt, sonder het buijtenste gheschot opde bedeckte wech te connen ghebruijcken, ofte den strijchouck blooter te stellen, ende dat gheschot daer te meughen besighen.

strijkhoek

[ 176 ]   64

    Ten eersten mochtmen segghen, anghesien t'gheschot inde strijchoucken veroirdent is, soo wel om te breken schantsen en reetschappen {Instrumenta.} des viants opde bedecte wech, als inde gracht, soo vereyscht de reden datmen t'gheschot des strijckhoucx daer altemael ghebruijckt, datmender bequaemlick gebruijcken can. Hier op antwoortmen, dat wanneer het buijtebosgat alsoo bedect is mettet schutsel ter eender, ende het nevenstaende bolwerck ter ander sijde, soo en macht van buijten niet beschadicht worden, daerom al waer de reste des strijckhoucx heel ter neder gheschoten, soo houdtmen dat buijtebosgat altijt versekert, teghen een storm die de viant soude moghen anvanghen. Hier teghen wort wederom gheseyt, dat ghelijck het schutsel den viant belet, het buijtebosgat te meughen breken, alsoo belettet oock de belegherde t'selve ter noot te moghen besighen op het bolwercx deel BC: Inder voughen dattet binnebosgat ghebroken sijnde, soo sal hy t'selve deel BC vrielijck moghen bestormen, sonder van dat bewaerde buijtebosgat hindernis te crijghen, daerom wat helpet een heel onghebroken bosgat te moghen behouden, daermen den viant gheen schade mede doen en can?
Hier benevens machmen noch dit segghen: Haddemen mettet buijtebosgat, soo wel als mettet binnebosgat, de bedecte wech connen strijcken, ende dattet een stick het ander gheholpen hadde, misschien dat de viant die bedecte wech voor hem niet versterckt noch behouden en soude hebben, noch vervolghens middel ghecreghen, om tot storm te gheraken.
Voor besluyt, wy achterdeel teghen voordeel overlegghende, oock gedenckende dat de viant de bedecte wech niet hebbende, de strijckhoucken gheen besonder schade doen en can, overmits hy te verre daer af moet ligghen: Dat noch daer benevens het buijtebosgat R der boveplaets inde 3e form des 2en Hooftsticx, oock het bosgat datmen ter plaets van S inde selve form legghen mach, sulcke twee bedeckte bosgaten sijn, soo beviel ons beter de mannier der voorgaende grontteyckening inde Ie form, alwaer het borstweer der bedeckte wech, ende het cabeschoeysel {Contrascarpa.}, uijt des strijckhoucx buytesijde P ghetrocken sijn, ende het buijtebosgat daer na veroirdent: Oock sonder t'selve buijtebosgat wijder het velt te connen ontdecken, als sommighe willen, die daerom den strijckhouck noch wijder openen, want daer toe eyghentlicker dient het gheschot opde gordinen ende catten {Cavaglieri.} liggende.


1 2 e    V E R S C H I L    O F    D E    V O L C O M M E N
* strijckinghe vande bolwercx leeghe gordine, beter ghe-
daen wort uijt het binnebosgat der middelplaets,
of uijt het binnenbosgat der boveplaets.

{Le raser.}

B Y  aldienmen des bolwercx leeghe gordine, treckt, ghelijck sommighe willen, uijt het binnebosgat der middelplaets, soo en canmen

[ 178 ]   65

deur het binnebosgat der boveplaets, die leeghe gordine niet sien noch strijcken. Hier teghen valt wederom te seggen, dat soomen de selve gordine treckt uijt het binnebosgat der boveplaets, dat die strijckinghe van hooghe nederwaert dalende, niet soo volcommelick langs de heele gordine en can strecken, ghelijckse doet commende uijt de middelplaets die op de selfde hooghde light. Ten anderen en can alsdan de middelplaets die gordine oock niet volcommelick strijcken: Inder voughen datse gheen volmaeckte strijcking hebben en sal. Ten derden soomen de strijcking van boven treckt, dat maeckt onplomphouckigher bolwercken, twelckmen deur ghemeene reghel schuwen moet. Ten vierden, soo can doch even wel de bolwercx leeghe gordine, uijt twee bosgaten der boveplaets, als PQ inde 3e form des 2en Hooftsticx, ghestreken worden.
Dese voordeelen ende achterdeelen teghen malcander overleydt, soo heeft ons best bevallen, de volcommen strijcking der bolwercx leeghe gordine uijt het binnebosgat der middelplaets te trecken: Twelck de natuerlicke ghedaente der form oock schynt te vereysschen, soomen insiet dat de hooghe ende leeghe gordinen, ghenouchsaem twee sterckten sijn, deen boven dander ligghende, die elck uijt haer eyghen binnebosgat, haer eyghen bolwercx gordinen begheeren ghetrocken te hebben.


1 3 e    V E R S C H I L    V A N D E    *  C A T T E N.

{Cauaglieri.}

H O E  wel vande catten gheen goede strijcking opt velt en gheschiet, deur dien het gheschot van hooghe comt, nochtans soo wort haer dienst seer nut ende noodich geacht, overmits datmen beneven de strijcking {Le flanquer.} van dander plaetsen, noch hoogher gheschot heeft om den viant achter sijn schantsen te ontdecken, oock om hem te bedwynghen dat hy met grooter moeyte, cost, ende tijtverlies, hoogher schantsen moet opworpen, waer in de Boumeesters {Architecti.} ghenouchsaem met malcander overcommen, maer vande bequaemste plaets der catten, daer af is t'verschil:
Want catten die boven opt middel der groote gordine ligghen, beschoten sijnde, de vallende stucken vullen de gracht seer: Maer brengtmense om hier teghen te voorsien, meer achter den wal, soo en canmen van daer, segghen sy, gheen bolwercx gordine sien noch beschermen. Dit wiert tot ander plaetsen ghebetert, met de bolwercx sijden te trecken na de catte toe, alsoo datse daer af ghestreken {Rasez.} mochten worden, twelck in dat ansien wel goet was, maer wederom quaet, dat de bolwercx gordinen alsdan van malcanders strijckhoucken {Flancs.} gheen volcommelicke strijcking en creghen, dat boven dien de voorhoucken der bolwercken scherper of onplomper vielen: Ettelicke hebbense tot noch ander plaetsen gheleyt, als boven opden hals ofte inganck des bolwercx: Sommighe op elcke sijde des ingancx een: Ander voor den inganck, doch vant bolwerck verscheyden. Maer elck int besonder overleyt wesende, men bevint in yder sijn ghebreken.

[ 180 ]   66

Onder allen soo heeft my best bevallen, de manier der ghene diese opt bolwerck legghen, na de wijse dieder int 2e Hooftstick verclaert is.
    Angaende eenighe die hun laten voorstaen, dat de plaets der catte aldaer te cleen soude vallen, men seght daer teghen dat eyghentlick ondersouck van dies, sekerheyt der sake can gheven, t'welck is, datmen den vloer boven opde catte tusschen haer borstweeren {Parapetti.} 80 voeten (men soude met veel min connen ghedoen) breet bevint, welcke berekent worden inde sijden des seshoucx daer de sterckte op gheteyckent is, als de twee deelen der twee sijden BC, BG, begrepen tusschen t'punt B, ende het borstweer der catte, diemen elck 40 voeten lanck bevint, de uijterste voorsijden vanden vloer sijn noch langher, wesende boven dien daer vooren de borstweeren met beschoeyselen {Scarpa.} dick na t'behooren, ende de beneden plaetsen ende ganghen ruijm na den eysch.
    Maer want ettelicke soo seer trachten na groote plaets, tusschen de catte ende des bolwercx bovecrans {Ghirlanda.}, soo moeten wy daer af wat breeder segghen: De ervaring heeft gheleert, als kennelick is, datmen de plaets tusschen de leeghe bolwercx gordine ende den wal der hooghe bolwercx gordine daer achter ligghende, niet soo wijt en moet nemen alsmen wel can, maer slechs een wech soo breet, als noodich is tot de deysing des gheschots, ende de afvallinghe der walbrake {Breche.}:
T'welck oock in reden ghegront is, want seer groote plaets, soude den viant, wanneer hy daer op gheraect, tot voordeel strecken; als stof {Materiam.} verleenen om hem daer te beschantsen, ende gheleghentheyt om daer op met grooter menichte van volck voorder storm an te vanghen: Want wilt ghy opt bolwerck groote plaets maken om veel beschermers haer te moghen verweeren, ghy maeckse met eene voor de viant, om v met veel bevechters te moghen bestormen, t'welck onnoodich is, ghemerckt sy deur den hooghen wal voor hemlieden staende, niet loopen en connen. Ia de viant wetende dat hy gheen gheleghentheyt hebben en soude, om daer te moghen blijven, bevint hem ghenootsaeckt oock walbrake inde bovegordine te moeten schieten, eer hy hem tot stormen begheeft.
Daerom wort die leeghe gordijnganck vande Boumeesters {Architectis.} deur ghemeene reghel, met goede reden alsoo smal ghetrocken als gheseyt is, op datmen den viant daer sulcken voordeel niet en gheve, maer datmen hem ter contrari, uijt de nevenstaende strijchoucken {Flancs.} ende catten vande smalle gordijnganck mach strijcken, vant een einde tottet ander. Sulcx dan den rechten eysch wesende vande ganck achter een leege gordine, ende gemerckt dat de bovecrans des bolwercx daer een catte achter comt, oock een leege gordine is, int ansien der cattens gordine, soo vereyscht den ganck achter die bovecrans derghelijcke form ende ghestalt te hebben, op dat den viant genootsaeckt sy inde catte oock walbrake te moeten schieten, eer hy hem tot stormen begheeft, ende om dander voordeelen te crijghen, en de achterdelen te schuwen, die boven verhaelt sijn.

[ 182 ]   67

    Om t'welck noch opentlicker te verclaren, ghenomen datter een bolwerck sy, alleenlick (ghelijckmen tot veel plaetsen vindt) met een gordine, welcke, alsooder gheen ander gordine en is daermense teghen verlijken mach, noch hooghe noch leeghe gordine eyghentlick gheseyt en can worden. Op dit bolwerck wilmen tot beter bewaernis noch een hooghde brenghen: De vraghe is wat breede datmen bequaemlicxt laten sal, tusschen die hooghde ende het borstweer des bolwercx? De antwoort soude met goede reden dusdanich meughen sijn: Anghesien de gordine van dese hooghde, de hooghe gordine sal wesen, ende de gordine des bolwercx dieder nu is de leeghe, soo salmen die hooghe gordine trecken, ghelijck de ervaring in ander hooghe en leeghe gordinen leert goet te wesen, dat is met en strijckelicke ganck tusschen beyden, soo breet als ghenouch is voor het deysen des gheschots, ende de afghevallen walbrake.
Angaende ymant hier op mach segghen: Anghesien die hooghde, vant bolwerck niet voort geleydt en wort opde groote gordine, soo en salt gheen bovegordine wesen, maer een catte, ende willende daerom die hooghde een ander form gheven, wie en siet niet dat hy hem selven bedriecht met de namen, sonder te letten opde sake.
    Maer op dat ick alle partyeghe noch met strickreden {Dilemmate.} begheghen, ende tot teghenspreuck {Contradictionem.} brenghe, soo laet andermael een bolwerck sijn alsvooren hebbende alleenelick een gordine, t'welckmen begheert te verstercken, met daer op een hooghde van eerde na t'meeste voordeel te veroirdenen: Dese hooghde suldi legghen of verre vant borstweer {Parapetto.} der bolwercx gordine, ofte daer heel by, alsoo dat den vloer des bolwercx daer mede bicans vervult wort: Ligtse verre, ghy noemtse catte, ligtse by, ghy heetse bovegordine. Nu van dese twee manieren en can maer een de beste sijn, welcke segdi die te wesen?
Soo ghy hier antwoort dattet deerste is, te weten de hooghde die verre vande bolwercx gordine light, waerom dan en veroirdent ghy niet alsoo by verkiesing {Electionem.} alle bolwercken, ghemerckt het meeste voordeel over al ghesocht wort? waerom raedt ghy elders ter contrari tot een onbequamer, te weten tot bolwercken met bovegordinen, welcke na v eyghen seggen soo goet niet en sijn? Maer soo ghy hier antwoort dat dander wijse de beste is, te weten de hooghde byde bolwercx gordine ghebrocht, waerom segdi elders ter contrari hooghden verre vande gordine beter te wesen? Tot hier toe is gheseyt vande plaets tusschen de catte ende het borstweer daer voor.
    Angaende noch by mocht ghebrocht worden, dat de afvallende stof {Materia.}, alsmen de catte beschiet, beletten soude de boveplaets des strijchoucx {Flanc.} te moghen ghebruycken: Hier teghen segtmen, dat de boveplaets niet meer noots vande afvallende stucken der catte en verwacht, dan de middelplaets vande afvallende stucken des hooghen wals, want daer is soo groote ruymte tusschen de tanden {Merlons.} der boveplaets, ende het beschoetsel {Scarpa.} der catte,

[ 184 ]   68

als tusschen dander tant ende den wal daer achter staende. Hier af dan gheen noot wesende, soo sullen wy de voordeelen verhalen uijt sulcke gheleghentheyt der catte spruytende. Ten eersten connense, daer ligghende, de groote gordinen hooghe en leeghe van weder sijden strijcken {Raser.}. Ten anderen meughen sy self van haer nevenstaende strijchoucken ghestreken worden. Ten derden, wantse den viant daer naerder ligghen, soo ontdeckense hem veel meer achter sijn schantsen, die hy opde bedeckte wech {Strada coperta.} of inde gracht mocht opworpen, dan ofse op eenighe van d'ander plaetsen stonden. Ten vierden, sy en verminderen daer het begrip der sterckte niet, ghelijckse achter de wallen doen. Ten vijfden en streckense daer tot soo groote cost niet, als achter de wallen, overmits datse (op dat ick soo segghe) wel half ghemaect sijn eermense beghint, deur dien het bolwerck sijn hooghde van selfs mede brengt. Ten sesten, nademael de bolwercken, diens gordinen maer van over een sijde ghestreken en worden, crancker sijn dan de groote gordine, om datmense van weder sijden strijcken can, soo ist oirboirder de cranckste plaetsen met de catten te verstercken.
Ten sevenden sijnse daer bequaemer, om alst noot is vertreckwallen {Ital. Retirati.  Fran. Retraictes of retrenchemens.} te legghen (soo noemen wy der Italianen retirati, ende der Françoisen retraites, of retrenchemens) want de bovecrans {Ghirlanda.} of bolwercx gordine door de viant te neder ghevelt sijnde, soo en behouftmen, om sich te verstercken, niet een halve maen oft ander form te legghen, soo lanck als de muerbrake {Breche.}, ghelijckmen doet in bolwercken daer gheen catte op is, maer alleenelick twee wallekens, ofte borstweerkens, over de breede des wechs, tusschen de catte ende beyde einden der muerbrake, met een diepe put daer voor, quellende daer beneven den viant, met van boven de catte af te worpen vier, brandende tacken, siedende peck, en dierghelijcke, waer af hy om de smalheyt des wechs hem niet wel bevrijden en can.
Ten laetsten, soomen beneven al dese voordeelen noch overdenct, dat de behoirlicke plaets vande torens der oude sterckten, was ten deele buijten de mueren te steken, ende dat nu de catten genouchsaem in plaets van sulcke torens commen, soo schijnt de nateurlicke reden te vereysschen, datse in derghelijcke ghestalt behoiren gheleyt te worden, alsoo ten deele buijten de groote gordine stekende.


1 4 e    V E R S C H I L    V A N D E    P O O R T E N.

S O M M I G H E  willen dat de poorten beschermt worden met eyghen bolwercken, ende verscheyden stercke ghebouwen: T'welck ander segghen onnoodich te wesen, want alsoomen niet en verneemt, dat sterckten diemen sterckten heeten mach, deur poorten met ghewelt inghenomen worden, dat die groote beschutselen onnoodighe costen sijn, door welcke altemet der sterckten nateurlicke form mismaect wort, waer uijt oock in ander ansien somwijlen achterdeel volght: Willen daerom,

[ 186 ]   69

datmense slechtelick legghen sal int middel der groote gordine, ofte andersins inde selve gordine byden strijckhouck {Flanc.}, alsoo datse door het schutsel {Oreillon.} ghenouch bedect sy: Voort datmen sal brenghen een cromme brugghe, streckende om het schutsel na de bedecte wech toe {Corridor.}. Wy hebben int 2e Hooftstick deerste meyning gevolght alwaer de poorte int middel der groote gordine gheleyt is, ende soo wel het ghewelf der poorte onder de wallen, als de brugghen over de gracht, heel rechtuijt veroirdent sijn.
De redenen waer deur men acht sulcx het meeste voordeel te wesen sijn tweederley, d'eene de sterckte, dander de strijckinghe {Le nettoyer.}, daermen als na voornaemlick wit in dese stof {Materia.} het oogh op behoort te hebben: De sterckte is hier in gheleghen: Ghemerckt dat ten einde des ghewelfs een stercken wal light, met haer borstweeren ende bosgaten daer in, soo ist daer voor te houden, dat al stonde d'eerste doore EF inde 4e form des 2en Hooftsticx wijt open, ende dat de brugghe al bereyt laghe, om tot sijn wille daer over te loopen (ick laet varen dat de ghebruyck inhoudt, wanneermen den viant siet ghereetschap maken om een poorte te beschieten, datmen valbrugghen optreckt, brugghen afbreeckt, poorten toe sluijt, die van binnen met eerde vult en dierghelijcke) noch en soude de viant, wetende hoet van binnen ghestelt is, hem niet vervoorderen daer in te commen, want de tweede deure ter plaets van K, en can door grof gheschut niet beschadicht worden, hy soude daer staen voor een stercke wal met haer borstweer {Parapetto.} ende bosgaten, in veel meerder perikel dan voor den buijtewal, connende ghestreken worden {Rasé.} tottet einde der brugghe toe. Derghelijcke voordeel heeft dese strijckinghe teghen de listighe anslaghen des viants, die een poorte onvoorsiens metter haest wil overweldighen, soo wel int afwijcken als int ancommen.
    Poorten die buijten haer mueren uijtsteken, met pilaerwercken ende ander costelick cyraet, en achten ettelicke (die my daer in wel bevallen) niet oirboir, segghende goede vasticheyt der sterckten beste cyraet te wesen, want sulcke uijtsteeckselen beletten de volcommen stryckinghe der gordinen, sy connen int stormen den viant tot beschutsel verstrecken.


1 5 e    V E R S C H I L    V A N D E    * S T E V N S T I I L E N.
{Freyten of Pilaren achter an ghevvrocht.
Ital. Speroni.  Franc. Contreforts.
}

A L S M E N  de steunstylen anden muer dunder maect dan na de walsijde, ghelijckse int 3e Hooftstick gheteyckent sijn, soo houdt den muer ende den eerden wal inde ghedeuricheyt beter t'samen, maer daer teghen ist meerder achterdeel, segghen ander, wanner de muer van buyten deurschoten wort, want het gat dan tusschen twee steunstylen wyder sijnde na de gracht toe, als na den wal, soo is de eerde tusschen beyden ligghende, meer gheneghen om af te vallen, dan of ter contrari die plaets na de gracht sijde engher waer, ende na den wal toe wijder, dat is met steunstijlen dicker ande muer, ende dunder na den wal.

[ 188 ]   70

Maer als sy in sulcker voughen ghemaect sijn, soo en strecket niet tot sulcken geduericheyt, want soo den muer gheneycht is te hellen na deen sijde, ofte den wal na dander, de eerde tusschen beyden en houdtse dan niet soo seer t'samen. Ettelicke makense van vooren en achter even dick. Sommige om beyde de voorscreven onghevallen te voorcommen, makense int middel dunst, waer deur deen helft vande eerde tusschen twee steunstijlen, den wal ende den muer t'samen houdt, dander helft crycht na de gracht toe meerder nauicheyt, om de eerde aldaer (den muer afgheschoten sijnde) beter by een te houden.
Noch sijnder ander die achten, datmen de wallen niet en bemuert, ofte en behoort te bemueren, in meyning dat steen het grof gheschut beter can teghen staen dan eerde, alsoo ter contrari goede eerde beter teghenstant doet dan steen, maer datse alleenelick bemuert worden, om den wal langher in gheduericheyt te houden datse niet en vervalle: In welck ansien soo en behoort ons voornemen niet te wesen, de ontmuerde eerde te verstercken met steunstijlen die na de grachtsijde breeder sijn, maer ter contrari smalder, ende volghende sulcke meyning, wy hebbense alsoo gheteyckent int voorscreven 3e Hooftstick: Sy die deur ervaringhe of vernuftighe redenen ander wijse voor beter kennen, meughen die te wercke stellen.


1 6 e    V E R S C H I L    V A N D E
* heymelicke uijtganghen.

{Ital. Sortite.  Franc. Sorties ou Fausses portes.  Hoochd. Ausval.}

A L S O O D E R  eertijts opde cade gheen bedeckte wech {Strada coperta.} en lach, soo waren de heymelicke uijtganghen van cleynen dienst, inder voughen dat een of twee voor een groote sterckte ghenouch was: Maer de bedeckte weghen daer na inde ghebruyck commende, soo wordender tot de sterckten die een bedecte wech hebben, an elck bolwerck twee gheleyt. Ettelicke hebben de uijtcomst ofte de deure des heymelicken uijtgancx, ghebrocht in des strijckhoucx onderplaets, ende om daer te gheraken, maeckten wenteltrappen binnen inde bolwercken. Ander en maken gheen trappen, maer, t'welck an ettelicke beter bevalt (voornaemlijck tot sterckten met drooghe grachten) neerdalende ghanghen sonder trappen, om daer over met peerden te meughen commen: En hebben oock de deure niet ghestelt inde onderplaets, maer bequamelicker daer buyten ande binnesijde des schutsels {Oreillon.}, ghelijck int 2e Hooftsticks 28e punt der grontteyckening, oock met de 5e form verclaert is.


1 7 e    V E R S C H I L    V A N D E
* moortcuylen.

{Casemattes.}

E T T E L I C K E  willen dat inde gracht tusschen twee bolwercken een leeghe dunne muer sal wesen, met veel bosgaten daer in, die na allen sijden strecken.

[ 190 ]   71

Waer teghen wederom gheseyt wort: Ten eersten dat die muer soude beletten het beschoysel {Scarpa.} des leeghen wals te meughen ghestreken worden van haer nevenstaende strijckhoucken {Flancs.}: Ten anderen, datmen de viant daer uijt met gheen groot gheschot en can beletten het opworpen der schantsen inde gracht. Ten derden, dat de afvallende stucken der beschoten gordine, den ghenen verhinderen soude die achter den selven muer stonden.
Ander begheeren een moortcuyl ten einde des schutsels {Oreillon.}, als voor de sijde lm inde Ie form des 2en Hooftsticx, de welcke oock cleen ende cranck sijnde, daermen gheen groot gheschut in ghebruycken en can, soo wordense om de voorgaende redenen van ettelicke veracht. Ander, die my best ghevallen, willen moortcuylen gheleyt hebben inde houcken der caden, teghen over de punten der bolwercken, als ter plaets van b, segghende die aldaer best beschermt te sijn, ende datmen den viant van dien oirt met minder swaericheyt een tijt lanck soude meughen beschadighen, want inde gracht commende, hy soude ghequelt worden van achter ende van vooren.
    Sy verstaen oock datmen de selve moortcuylen niet seer sterck noch groot en sal maken, op datmen die, soomense verlaten moeste, te lichtelicker mach afschieten, sonder de gracht seer daer mede te vullen, oock op dat de springhende stucken den viant seer mochten beschadighen. Willen oock datter vande selve houcken af tot den voorhouck des teghenoverstaende bolwercx toe, ende van daer voort tot inde sterckte, overwelfselen sullen ligghen inde eerde onder den gront des grachts, om daer langs henen uijt de sterckte na die moortcuylen bedecktelick te moghen gaen en keeren.
    Doch alsoo dese moortcuylen gheen wesentlicke deelen der stercte en schijnen, maer alleenelick souden meughen gheleyt worden ten tijde van oirloghe, tot sulcke plaets ende van sulcke ghedaente als de voorcommende nootlicheyt vereyscht, soo en hebben wy de selve inde teyckeninghe des 2en Hooftsticx niet bescreven, ghenouch achtende dese vermaninghe daer af ghedaen te wesen.




Home | Simon Stevin | Sterctenbouwing | Hooftstick 6 (top) | Vervolg