Stevin | Varia | Jan de Groot

Overzicht , Inleiding , taal , puntdicht , motus , Vossius , Galileï , Willem , Noten


Stevin en Hugo Grotius

  • Taalkundige beschouwingen in Parallelon Rerumpublicarum.  1
  • Puntdicht over de zeilwagen: wat bedoelde Grotius met 'aard-bewegingen'?  2
  • Brieven waarin het nieuwe wereldbeeld genoemd wordt.  3
  • Brieven waarin Stevin genoemd wordt.



Inleiding

Hugo de Groot (10 april 1583 - 28 aug. 1645) zag tijdens zijn kinderjaren Simon Stevin nauw samenwerken met vader Jan (ongeveer van 1585 tot 1594). Hoewel er een groot standsverschil was tussen de patriciër en de eenvoudige kenniszoeker die zijn vaderstad ontvlucht was is het niet onwaarschijnlijk dat Stevin enige invloed gehad heeft op de vorming van 'HugeJanus'.  4
Deze oefende zich in het Latijn door De Havenvinding te vertalen (1599) en de zeilwagen te bezingen (ca. 1602).
In dezelfde tijd gaf hij een weerspiegeling van Stevins denkbeelden over de taal in het manuscript Parallelon rerumpublicarum, een vergelijking van de Griekse, Romeinse en Hollandse maatschappij. Hierin komt ook de zeilwagen weer langs (3:28), met Grotius aan boord — een uitvinding die de ontwerper zelf in geen van zijn werken noemt.
Voor Stevins stuk over de Wijzentijd, dat verscheen in 1608, had de 'Hoochgheleerden Heer Doctor Huych de Groot' een literatuurlijst opgesteld.
De naam Stevin komt voor in brieven van en aan Grotius. In 1644 is er zelfs sprake van een nog te schrijven biografie.

Kosmografie

Bij puntdicht XX over de zeilwagen rijst de vraag: wat vond Grotius van een draaiende Aarde? Prudens van Duyse vertaalde wel (uit het Latijn): "Stevin, die [...] ’s aerdrijks omzwaei heeft bevroed". Maar het valt te betwijfelen of Grotius deze formulering geaccepteerd zou hebben.

Misschien heeft de jonge Hugo samen met zijn vader en Simon Stevin de sterrenhemel bewonderd, en uitleg gekregen volgens het heliocentrische stelsel van Copernicus. En misschien heeft hij in boek 3 van de Hemelloop (1608) gelezen over het nieuwe wereldbeeld.
Maar tijdens zijn studie in Leiden was hij ondergedompeld in de filosofie van Aristoteles, die zijn voornaamste bron voor de natuurwetenschap lijkt te zijn geweest (als 14-jarige verdedigde hij stellingen uit de Physica en Over de hemel — in het Latijn  5). En in Parallelon geeft hij weinig blijk van inzicht in de kosmografie als hij zegt dat Nova Zembla niet bereikt wordt door de Zon (zie 2:127).

Over het al of niet draaien van de Aarde heeft Grotius zich nooit duidelijk uitgesproken, ook niet toen het te pas kwam in enkele van de vele brieven die hij vanuit het buitenland schreef aan Vossius  6.  Alleen in een brief aan Galileï vinden we een aanwijzing.

(top)



Taal

Het jeugdwerk Parallelon rerumpublicarum is door Grotius niet uitgegeven, maar het manuscript bleef bewaard. Tweehonderd jaar later werd het door Johan Meerman uit het Latijn vertaald en gedrukt. Deel 3, blz 102:
De eerste die met de grootste en algemeenste toejuiching ondernomen heeft onze taal op te luisteren, en in dezelve de Mathematische Weetenschappen in het licht te geeven, was Stevijn, met wien ik in de nauwste vriendschap en betrekking staa, de uitvinder der gewichtigste dingen, tot wiens lof ik hier niet meer kan toevoegen, dan dat hem de doorluchtigste Prins Maurits in zijne studien raadpleegt.
Grotius ziet, evenals Stevin (zie 'Uytspraek'), overal sporen van een groots Hollands verleden. Blz 75:
Wat de Letterkunst betreft, meen ik te hebben opgemerkt, dat hetgeen Tacitus van de Germaanen in 't algemeen verhaald heeft, dat de geheimen der letteren aan mannen en vrouwen beiden onbekend waren, ten opzicht der Batavieren, die meer menschelijkheid en beschaafdheid gehad hebben, eene uitzondering lijdt.

[...] twijffel ik niet, of 'er zijn van onheugchelijke tijden af bij de Batavieren Gymnasien geweest, in welken de jeugd in de oeffeningen der Letterkunde onderweezen wierdt

Blz 92:
zeer veel Grieksche woorden hebben verwandschap met de onzen: waarvan men den oorsprong misschien zoeken moet of in de overwinningen van Brennus, of in de Phocensers die Marseille bewoond hebben, of in eenige andere reden.
Door de Gezantschappen weet men, dat bij de bewooners der Crim volmaakt de taal en zindelijkheid der Hollanders bespeurd wordt, en tevens derzelver met eenvoudigheid gepaarde schranderheid [...]
Doch dit alles is minder verwonderenswaard, dan dat het verste Oosten in onze woorden deelt.

[...] Phrygisch woord van de vroegste tijden [...] voetspooren van het zelve nog in 't woord van Broodbakken [...]
Het woord van Burg, waar door wij een Kasteel aanduiden en eene stad, is niet meer Hollandsch dan Arabisch [...]. Dat van Galg is bij de Arabieren, gelijk bij ons, bekend [...]

De benoeming van het aardrijk, die het uit Tacitus blijkt dat de alleroudste geweest is, is aan die der Hebreeuwen gelijk, en die der Arabieren is dezelfde.

Later wordt duidelijk gemaakt dat onze taal niet de oorsprong is (blz 97):
De Hebreeuwsche is de oudste, de eerwaardigste, de deftigste die men kent; en 'er is 'er geen, die waardiger is de stof, waar mede zij zich bezig houdt te behandelen. Wanneer men dit gezegd heeft, schiet 'er niets meer over tot haare verheffing
Maar in verband met Germanen wordt gezegd (blz 94):
dat de Geeten, dezelfden die ook Gothen genoemd worden [...] bijna geheel Asiën onder het juk hebben doen doorgaan [...]

De woorden, die wij van de Persiaanen, of eigentlijker de Persiaanen van ons ontleend hebben, zijn van geen zeldzaam of ongewoon gebruik: [...] bij voorbeeld die van de naaste maagschap

Als genoeg gezegd is over de oudheid van onze taal staat er:
Over haare nuttigheid en voortreffelijkheid blijft ons nu nog iets weinigs ter mededeeling over.
De gedaanten der dingen vormen gewaarwordingen in onzen geest, die wederom door woorden uitgedrukt worden [...]
zoo moet men het voor den voornaamsten lof eener taale houden, in zoo weinig tijds als mogelijk de denkbeelden mede te deelen [...]

dat de woorden en de voornaamste naamen in éénen lettergreep bevat worden [...]
Deeze kortheid nu der grondwoorden dient, meer dan men zich verbeelden kan, tot het aan één koppelen van woorden [...]

wij hebben te gelijk leeren woorden nazeggen en woorden scheppen. 'Er ontvallen 'er dikwijls aan de kinderen onder 't speelen en dartelen, zonder dat zij 'er zelven om denken, die wel nieuw zijn, doch geen de minste gedaante van nieuwheid vertoonen [...]
De naamen der dingen voeren de bepaaling der dingen met zich

Vergelijk Stevin,
- over de kortheid: Uytspraeck, en Wijzentijd (daar eveneens: in Noord-Holland het best);
- over het koppelen: Bewysconst, Uytspraeck (hier ook: 'bepaling'), en Wijzentijd;
- over spelende kinderen: Bewysconst.
Bij beiden vinden we dat het woordensamenstellingsgemak in het Grieks groter is dan in het Latijn. Grotius had hiervan een voorbeeld gegeven in de titel van zijn Havenvindingvertaling: 'Limeneuretikè, sive Portuum investigandorum ratio'.

Onderwijs

In navolging van Stevin benadrukt Grotius het algemeen belang van onderwijs in wiskundige zaken, en dat in de eigen taal (blz 71):
Die Weetenschappen derhalven, die de Goddelijke Voorzienigheid gewild heeft, dat, onder allen welke het ijdele menschdom bezit, alleen op vaste gronden steunen zouden, tellen in Holland de ervaarenste lieden onder haare Leeraars, en eene groote schaar van leerlingen.
Want het is niet op de Academie slechts en in de boeken, dat de waarheid door eene scherpzinnige behandeling der Stelregels tot helderheid geraakt: maar de kinderen leeren zelfs in de schoolen de nauwkeurige regelen der getallen; en de Schippers in de haven of op de schepen de omwentelingen der starren en den stand des aardbols.
Ook voor Bouwkundigen en Landmeeters worden in 't openbaar in onze moedertaal de Vraagstukken, die daar toe behooren, beantwoord.
Het laatste verwijst naar de Ingenieursschool die in 1600 was opgericht in Leiden, op instigatie van Maurits en met een programma van Stevin.
Op blz 104:
Want alle kundigheden hebben dan de grootste vorderingen gemaakt, wanneer ze in de dagelijksche Landstaal voor allen zijn bloot gelegd. Dit heeft den Grieken, dit den Romeinen behaagd; en ter zelver tijd dat wij ons van hunne taal bedienen, verachten wij evenwel hunne grondregel. [...]

Maar wij, als of ons leven veel te lang ware, poogen het op deeze wijs nog te verkorten, en ontsteelen den tijd aan de ernstige beoeffening der kundigheden: en dat wel om taalen te leeren, welke, terwijl zij ons 't verlies van zeer veel jaaren kosten, ons geen aasje wijzer maaken dan te vooren.
[...] daar men liever den weg, en wel den Koninklijken, baanen moest, om alle verstanden hunne offerhanden te doen samenbrengen, ten einde de algemeene som van wijsheid te vermeerderen.

[...] wij wenschen ons Vaderland geluk, dat men reeds een' aanvang gemaakt heeft met het voorleezen en schrijven over de Weetenschappen in die taal, die wij niet in de schoolen leeren maar in de wieg; en zo dit voortgaat, zullen wij buiten eenigen twijffel eene aller volmaaktste kundigheid van alle Weetenschappen 't zij dan verkrijgen, 't zij terug bekomen.

Een nagalm van Stevins Wijzentijd: misschien "terug bekomen" wat we ooit gehad hebben.
Zelf kon Grotius kennelijk moeilijk loskomen van het Latijn, want anders had hij dit stuk wel in zijn moedertaal geschreven (of heeft hij in de wieg Latijn geleerd?). Tijdens zijn gevangenschap in slot Loevestein (1618 - 1621) heeft hij wel de landstaal gebruikt voor het Bewijs van den waren godsdienst en de Inleydinghe tot de Hollandsche Rechtsgeleertheyt.
Citaten uit 'Parallelon', en bespreking, in:  Cd. Busken Huet, Het land van Rembrand II-2, 26-35.

(top)



Puntdicht

Omstreeks 1602 schreef Hugo de Groot gedichten over de zeilwagen van Simon Stevin, in het Latijn, en een aantal ook in het Nederlands. Ze zijn niet bedoeld ter informatie, maar ter verstrooiing. Nu vinden we het vaak moeilijk om de vele verwijzingen naar de klassieke mythologie thuis te brengen, maar als historische puzzel kunnen de gedichten nog goede diensten bewijzen. Zo is er sprake van een walvis op het strand, en van een aardbeving: "omgeroerden gront".  7

En wat bedoelde Grotius precies in epigram XX met "motus terrae"?

Illum qui numeros & rerum pondera novit,
    Qui fluxum aequorea comperit unus aquae,
Et motus terrae varios Stevinius auctor
    Iussit arenosae credere vela viae.
Volgens de vertaler Prudens van Duyse (1846):
        Stevin, wiens geest en yvervolle moed
De Weeg- en Cyferkunst, als schepper, kon verryken -
                Stevin, die eerst der zeeën vloed
                En ’s aerdrijks omzwaei heeft bevroed,
        Beval het zeil zich d’oever te vertrouwen.
Maar bij een prent stond in 1603 een andere vertaling:
Dien [Wagen] heeft Stevijn (die t’Wicht, en t’wercken der getalen
Eerst sach, en hoe de Zeen door vloedt en ebbe dwalen,
T’eerdcloot stof roersel mee) gevonden en verzint:
En over t’zandich veldt doen zeylen met de Windt.
Geen draaiende Aarde, maar beweging van materie op de Aarde. Heeft Grotius dit bedoeld?

Roersel

De uitdrukking 'stofroersel' is te vinden bij Simon Stevin, in de titel van boek 2 van het Eertclootschrift (1605/08). Bepaling 1 hiervan zegt:
Stofroersel des Eertcloots is na dese meyning, t'roersel in sijn plaets vande verscheyden stoffen daert uyt bestaet, blijvende t'samen een clootsche form.

[...] het is te weten dat de Locht, het Water, Sandt, en d'ander stoffen daer in vermengt, seker roersel hebben, commende gheduerlick boven en achter dat onder en vooren geweest heeft, ghebeurende t'selve roersel in sijn plaets, dat is blijvende de stoffen gheduerlick t'samen begrepen in haer clootvlack in form eens cloots.
Welck roersel in sijn plaets, hier gheseyt wort tot onderscheyt des roersels van plaets tot plaets, daer af wy als van roersel eens Dwaelders {Planetæ.} inde volghende boucken der Dwaelderloopen segghen sullen.
De uitleg bij voorstel 1 begint met:
Het schijnt dat den eersten Roerder alles in geduerich roersel wil hebben, soo wel int ansien der deelen als des heels, want den gantschen Eertcloot niet alleen heur jaerlickschen loop om de Son en doet, en de daghelicksche op haer eygen as, maer de verscheyden stoffen daerse uyt bestaet, hebben een gheduerige vermenging en beweging deur malcander.
Stevin zelf maakte dus duidelijk onderscheid tussen de bewegingen van de Aarde en die op de Aarde. Beide soorten werden verzorgd door de 'eerste Roerder'.

Motus terrae

Het Latijnse 'comperit ... motus terrae varios' in epigram XX kan betekenen: hij doorgrondde de verschillende bewegingen van de Aarde. Voor ons is dit niet dubbelzinnig, wij zijn vertrouwd met de dagelijkse aswenteling en de jaarlijkse omloop om de Zon. Maar rond 1600 lag de zaak anders. De 'omzwaai' van de Aarde was nog lang niet algemeen geaccepteerd.  8
Simon Stevin was een van de eersten die het zonnestelsel beschreven volgens Copernicus. De Hemelloop was nog niet verschenen, maar Hugo de Groot kan de argumenten voor een bewegende Aarde gehoord hebben (in de sterrenkunde had hij zich verdiept bij het uitgeven van een oud handschrift 9). Hij kan deze betekenis bedoeld hebben in zijn puntdicht, en we kunnen een climax zien in: getal, gewicht, vloed, Aarde.

Een andere vertaling is: hij doorgrondde veelsoortige bewegingen van de Aarde. Nu ligt een verwijzing naar de aardbeving van 3 januari 1602 voor de hand, en nu klinkt 'stofroersel' niet meer zo ver gezocht, zeker niet als we 'terrae' opvatten als tegenhanger van 'aquae'.

Maar het is goed mogelijk dat Grotius juist de bedoeling had zich dubbelzinnig uit te drukken. Hij had zelf waarschijnlijk nog geen definitieve keus gemaakt voor het stelsel van Copernicus, en dan was het beter om de lezer te laten kiezen, en om bij een vraag naar de betekenis verschillende antwoorden te kunnen geven.
In onderstaand fragment uit een brief aan Vossius (12 aug. 1634) lijkt hij nog niet overtuigd, maar toen behoorde hij al enige tijd niet meer tot de inwoners van Holland en Zeeland, die volgens Gassendi en Galileï bijna allemaal Copernicanen waren (de theoloog Voetius bewees vanaf 1635 dat dit niet zo was). Wel was Grotius van mening dat het bekende verhaal over een geslaagde opdracht "Zon, sta stil" (Jozua 10: 12) geen argument kon zijn tegen de nieuwe opvatting.  10

Stevin heeft inderdaad inzicht verschaft in allerlei bewegingen van en op de Aarde, en bij de laatste kunnen we ook nog denken aan de valproef, die hij samen met Hugo's vader gedaan heeft.

(top)



Brief-fragmenten

Duizenden brieven van en aan Hugo Grotius zijn gepubliceerd in 17 delen, uitvoerig geannoteerd. De volgende stukjes werpen licht op de opvattingen over een draaiende Aarde.


1930.     1634  mei 28.   Van  G. J. VOSSIUS.

    Simul literas accipies Hortensii a, civis tui, quem puto aliquando non inglorium patriae urbi fore. Est et illi familiaritas, sed literaria, cum Schikarto. Uti et cum Gassendo b et aliis, in mathesi claris viris. Ipse nunc disciplinas mathematicas in urbe hac, sed extra ordinem, profitetur. Attamen is est confluxus audientium, is quoque genius docentis, ut non dubitem, quin propediem eum collegam simus habituri.
Ptolemaeum c sic sequitur, ut Tychonianam d et Copernicanam e sententiam simul proponat et explicet. Nec obscurum nobis in Copernicanam magis inclinare: utcumque ea Romae sit damnata a cardinalibus anno MDCXVI atque iterum anno superiori: imo Galileus Galilaei f Florentinus, quia hanc sententiam et viva voce et scribendo defenderet, in carcerem sit conjectus nec inde emittendus, priusquam poenitentiae satis egerit.
Quam rem a nuncio apostolico Bruxellis Lovanium perscriptam esse mihi constat ex Fromondo g, qui his diebus Antaristarchum suum hoc de argumento ad me misit.
       Hierbij ontvang je een brief van Hortensius a, je stadgenoot, die volgens mij zijn vaderstad nog eens eer zal aandoen. Hij kent ook Schickard, zij het schriftelijk. Eveneens Gassendi b en anderen die verstand hebben van wiskunde. Hij doceert nu hier de wiskundige vakken, als buitengewoon hoogleraar. Toch trekt hij veel toehoorders, hij is ook een geniaal docent, zodat ik niet twijfel, of eerstdaags hebben we hem als collega.
Hij behandelt Ptolemaeus c zo, dat hij tegelijk het stelsel van Tycho d en dat van Copernicus e aan de orde stelt en uitlegt. En het is ons niet onbekend dat hij meer neigt naar dat van Copernicus; ook al is dit in Rome veroordeeld door de kardinalen in 1616 en vorig jaar weer; ja zelfs is de Florentijn Galileo Galileï f, omdat hij dit stelsel zowel mondeling als schriftelijk verdedigde, in de gevangenis gezet en hij mag er niet uit, voordat hij voldoende spijt betuigt.
Dat over deze zaak door de apostolische nuntius te Brussel naar Leuven geschreven is maak ik op uit Froidmont g, die mij onlangs zijn Antaristarchum zond over dit onderwerp.

    a.  Martinus Hortensius — Maarten van den Hove (1605 - 1639), wis- en sterrekundige, geboortig van Delft. Op 9 maart 1634 kreeg hij toestemming van de vroedschap van Amsterdam om gedurende enige maanden aan het Atheneum wiskunde te doceren. In 1635 werd Hortensius tot hoogleraar benoemd te Amsterdam en in 1639 te Leiden. [Zie ook noot 12.]
    b.  De filosoof en astronoom Pierre Gassendi (1592 - 1655).
    c.  Claudius Ptolemaeus, Grieks astronoom, geograaf en wiskundige uit de 2e eeuw te Alexandrië.
    d.  De astronoom Tycho Brahe (1546 - 1601).
    e.  Nicolaus Copernicus — Niklas Koppernigk (1473 - 1543).
    f.  De Italiaanse wiskundige en natuuronderzoeker Galileo Galilei (1564 - 1642). Zijn instemming met het stelsel van Copernicus bracht hem in conflict met de geestelijkheid van Florence. Toen dit stelsel op 23 februari 1616 door Rome als ketters was veroordeeld, werd aan Galilei het verbod opgelegd de leer van Copernicus te houden, te onderwijzen of te verdedigen. Een in 1624 ondernomen poging bij Urbanus VIII, om herroeping van het decreet van 1616 te verkrijgen, bleef vruchteloos. De publicatie in 1632 van zijn Dialogo sopra i due massimi sistemi del mondo, Tolemaico e Copernicano maakte, dat Galilei op 22 juni 1633 van ketterij verdacht verklaard werd. Tevens werd hij tot formele gevangenschap bij het H. Officie veroordeeld.
    g.  Libert Froidmont (1587 - 1653) [^], Leuvens theoloog, mathematicus en natuurkundige. Hij schreef tegen de Zeeuwse wiskundige en predikant Philippus Lansbergen — [Commentationes in motum terae diurnum & annuum, 1630] zie over hem no. 1755, p. 37 en n. 2 aldaar — zijn Ant-Aristarchus, sive de orbe terrae immobili liber adversus Philippum Lansbergium, Antverpiae 1631, en na Philippus' dood in 1632 tegen diens zoon Jacobus (1590 - 1657), die medicus was, Vesta, sive Anti-Aristarchi vindex adversus Jacobum Lansbergium et copernicanos. Antverpiae 1634. Dit laatste was een antwoord op Jacobus Lansbergens Apologia pro commentationibus Philippi Lansbergii in motum terrae diurnum et annuum: adversus Libertum Fromondum, Theologum Lovaniensem et Joan Baptistam Morinum, doct. med. et Parisiis Mathematum Professorem Regium. Middelb. apud Z. Roman, 1633.
[ Morin, Responsio, 1634. Een hard oordeel over Morin: Sorberiana (1694), p. 144-5.]


1946.     1634  augustus 12.   Aan  G. J. VOSSIUS.   [Uit Frankfurt.]

    Literas, quas scripsisti, vir praestantissime, Iunio mense, in uxoris iter dilatae nunc demum ad me pervenerunt, non et Hortensii quae nescio quomodo, dum colliguntur, sarcinulae exciderunt; ei igitur me ut comiter excuses rogo, et quod unum non conspectis literis possum, dic gratias agere maximas et laetari me, quod spes sit, ut vir tibi probatus collegio quoque societur.
    Sententiam de terrae rotatione damnatum Romano judicio ut sacris literis inimicam non Italis tantum, sed et illarum rerum peritissimo Kepplero a placuisse scio, et multos quotidie reperio eam sectantes. Est tamen ek toon phainomenoon anapodeiktos et argumenta sunt in contrariam partem haud levia ek toon phusikoon etiam ex umbrarum quibusdam observationibus, si Caesenati b credimus.
        De brief die je schreef, mijn beste, in juni, is met de reis van mijn vrouw die moest wachten nu pas bij mij aangekomen, niet ook die van Hortensius die (ik weet niet hoe) bij het samenbinden uit het pakje gevallen is; ik verzoek je mij dus bij hem vriendelijk te excuseren, en wat ik kan zonder de brief gelezen te hebben, zeg hem dat ik hem hartelijk dank en blij ben dat, naar we hopen, een man die bij jou in de smaak valt ook in het college komt.
    Ik weet dat de opvatting over een draaiende Aarde die veroordeeld is in een uitspraak van Rome, als strijdig met de heilige schrift, niet alleen Italianen beviel, maar ook de in deze zaken hoogst ervaren Kepler a, en ik verneem dagelijks dat velen die onderzoeken. Toch is het uit de verschijnselen niet te bewijzen en tegenargumenten zijn echt niet zwak, uit de physica en ook uit bepaalde waarnemingen van schaduwen, als we de Cesenaat b geloven.

    a.  De Duitse astronoom Johannes Kepler (1571 - 1630), evenals Galilei aanhanger van het stelsel van Copernicus; vgl. no. 1930.
    b.  Inwoner van Cesena [...].

Opmerking:
De Cesenaat kan niemand anders zijn dan Scipione Chiaramonti, die de drie nieuwe sterren van 1572, 1600 en 1604 tot het ondermaanse rekent, en wiens argumenten tegen de draaiende Aarde besproken worden in Galilei's Dialogo.  11



2108.     1635  mei 17.   Aan  G. J. VOSSIUS.   [Uit Parijs.]

Vir in omni mathematum parte summus, in philosophia caetera non infimus, Galilaeus Galilaei, Iesuitarum in ipsum odio ac principis Thusci, sub quo vixit, socordi metu coactus Romam ire, ideo quod terram movisset non vetante vestro Hortensio  12, dure habitus, ne majus vitaret malum, quasi ab ecclesia edoctus sua scita rescidit.
[...]
    De man die in elk wiskundevak aan de top staat, en in de rest van de wetenschap niet de geringste, Galileo Galileï, is door de haat jegens hem van de Jesuieten en met harteloze intimidatie van de Toscaanse vorst, onder wie hij leefde, gedwongen naar Rome te gaan, daarom dat hij de Aarde had laten bewegen — zonder veto van jullie Hortensius  12 —, is er onheus bejegend, en kon grotere schade niet ontwijken dan door, na kerkelijk onderricht, zijn stellingen af te zweren.
[...]
Dialogum Galilaei anno 1632. Florentiae editum an videris nescio. Est scriptus Italico sermone ea rerum reconditarum peritia, ut nullum nostri saeculi opus ei comparare audeam, antiquorum multis praeferam.     Ik weet niet of je de Dialoog van Galileï gezien hebt, uitgegeven in 1632 te Florence. Geschreven in de Italiaanse volkstaal met zoveel praktische kennis van diepe materie, dat ik geen werk uit onze tijd ermee durf vergelijken, en ik stel het boven vele uit de oudheid.

Opmerkingen:
In het weggelaten stukje gaat het over de vraag of de bejaarde Galileï, die zich in Etrurië mocht vestigen, niet in Amsterdam zou kunnen komen wonen. Hij had al weer schitterende werken gereed, onder meer over drijvende lichamen: 'de his, quae in aqua supernatant' (in 1612 had hij hierover al een werk gepubliceerd, in navolging van Archimedes).
    Zie: Epistolae (1687), 148;  en: C. de Waard, Journal tenu par Isaac Beeckman, IV, p. 235 e.v.

Iemand die de Dialoog ook gelezen heeft zou nu aan Grotius willen vragen:

  • Je prijst het werk wel de hemel in, maar wat vind je nu van de conclusies?
  • Waarom zeg je nu niet dat de eerder genoemde man uit Cesena niet te vertrouwen is? Dit wordt in het boek toch heel duidelijk gemaakt?
  • Waarom noem je niet de jou zo goed bekende Simon Stevin die al in 1608 duidelijk uitlegde waarom het eenvoudiger is om aan te nemen dat de Aarde beweegt dan dat ze stil staat?
Antwoorden zouden kunnen zijn:
  • Weinig ervaring met het Italiaans, en te weinig tijd om het grondig te bestuderen.
  • Weinig interesse in het onderwerp, laat anderen dat maar uitzoeken.
    [ Grotius vond het misschien wat beneden zijn stand, anders dan zijn vader. Tijdens zijn jeugd had hij niet veel aan wiskunde gedaan. Over de sterrenkunde vermeldt hij in Parallelon (ca. 1602) nauwelijks meer dan (blz 68): Nicias' angst voor een maansverduistering, Lactantius' ongeloof aan 'tegenvoetelingen', Nigidius (pottenbakkerswiel als draaiende Aarde), en het probleem van de jaarlengte. Hij schreef een lang gedicht 'Mathematica principis Mauritii' (Poemata, 1617, p. 62) op de Wisconstige gedachtenissen, maar zonder de naam Stevin te noemen.]
  • Beter niet kiezen in een omstreden kwestie, eerst aftasten hoe men denkt.
    [ Een belangrijk iemand als een ambassadeur van Zweden moet om zijn positie denken, en ook is het zaak de kansen op eerherstel in de Republiek niet verspelen.]
Vossius noemde in zijn antwoord (1 juli 1635) Galileï wel: velen hoopten dat deze naar Amsterdam zou komen. Maar over het boek schreef hij niets. Bekend is dat hij in 1634 een vraag van een ander over het copernicaanse stelsel niet beantwoordde (het probleem hoorde bij de "geheimen van de natuur"), maar doorspeelde naar Hortensius. Deze leerling van Isaac Beeckman en Willebrord Snellius werd de eerste hoogleraar in de Republiek die het nieuwe wereldbeeld verdedigde. Hij had er voor gezorgd dat twee exemplaren van de Dialoog in 1634 naar Nederland kwamen (Beeckman kreeg het tweede, en leende het uit aan Descartes).  13


De volgende brief aan Galileï — een antwoord op diens brief van 15 augustus 1636 over de "invenzione della longitudine" en de interesse die daarvoor in Amsterdam bestond  14 — geeft misschien een aanwijzing dat Hugo Grotius voor zichzelf overtuigd was van het draaien van de Aarde. Tenzij natuurlijk de vleierei al te onwaarachtig is (had hij onze 'verwantschap met de hemel' niet vooral van Stevin geleerd?). Maar hier was minder gevaar voor ongewenste conclusies van niet bedoelde meelezers dan in de brieven aan Vossius, dus het kan zijn dat de verhulde verwijzing naar het heliocentrische wereldbeeld zijn opvatting weergeeft.



2763.     [1636  september 20].   Aan  G. GALILEI.

    Cognationem nobis esse cum coelo ex tuis maxime operibus didici, vir sapientissime, omnem humanum conatum superantibus, quibusque effectum est ut neque veterum scripta desideremus, neque metuamus ne ulla posteritas de hoc saeculo triumphet. Nolo id mihi gloriae sumere, ut me inter discipulos tuos fuisse dicam; magni enim est ingenii ista vel te praeeunte assequi. Inter admiratores si me dixero semper fuisse, nihil mentiar; felicem vero me, si qua tuis partubus in immortalitatis lucem exeuntibus obstetricari possim.        Dat wij een verwantschap met de hemel hebben heb ik vooral geleerd uit uw werken, zeer wijze heer, die elke menselijke poging overtreffen, en die maken dat we noch naar geschriften van de ouden verlangen, noch vrezen dat enig nageslacht over deze eeuw triomfeert. Ik wil me er niet op beroemen uw leerling geweest te zijn; want er is al een groot talent nodig om u zelfs maar te volgen. Als ik zeg dat ik u altijd bewonderd heb lieg ik niet; ik prijs me werkelijk gelukkig als ik op een of andere wijze er aan bij kan dragen dat uw gedachtevruchten in het licht van de onsterfelijkheid komen.

(top)



Over Stevin:

7017.     1644  augustus 27.   Aan  W. DE GROOT.

[ Postscriptum: ]
    De arca nihil? Nolim perire tantum monumentum divinae in me bonitatis. a
Velim scire an quis habeat materiam collectam ad scribendam vitam Stacinii, b magni mathematici et nobis amici.
    [ P.S.]
    Niets over de kist? Ik zou niet willen dat zo'n sterk bewijs van de goddelijke goedertierenheid a jegens mij verloren ging.
Ik zou willen weten of iemand materiaal heeft verzameld voor een levensbeschrijving van Stevin, b de grote wiskundige en vriend voor de onzen.

    a.  De speurtocht van Willem de Groot naar de boekenkist waarin Grotius op 22 maart 1621 uit zijn Loevesteinse kerker was ontsnapt.
    b.  'Stacinius', lees: Stevinius. De belangstelling voor het leven en de werken van de mathematicus en werktuigbouwkundige Simon Stevin (1548 - 1620) leefde pas twee eeuwen later op (NNBW, V, kol. 815 - 818, en The poetry of Hugo Grotius / De Dichtwerken van Hugo Grotius, I, tweede deel, pars 3A en B, p. 117 - 148).


7043.     1644  september 12.   Van  W. DE GROOT.

De Stevinio quod scire vis inquiram; a ego pauca aut nihil superesse puto, neque enim reliquit liberos istarum litterarum gnaros; b inquiram tamen et si quid comperero perscribam.     Ik zal zoeken naar wat je van Stevin wilt weten; a ik veronderstel dat er weinig of niets is overgebleven, hij liet immers ook geen kinderen na die bekend zijn met die handschriften; b ik zal toch zoeken en als ik iets vind zal ik het je schrijven.


    a.  In zijn brief van 27 augustus stelde Grotius aan zijn broer de vraag of hij de vindplaats kon achterhalen van de wetenschappelijke nalatenschap van de mathematicus en werktuigbouwkundige Simon Stevin (1548 - 1620); vgl. no. 7017.
    b.  Simon Stevin was op latere leeftijd een huwelijk aangegaan met Catherina Craey. Het echtpaar liet twee zonen na: Frederik (* 1613) en Hendrik (* 1614) (NNBW, V, kol. 815 - 818).


Stukken uit de nalatenschap zijn gepubliceerd door Hendrik Stevin (1649 en 1667/68). Andere fragmenten werden aangetroffen in het journaal van Isaac Beeckman, gepubliceerd door C. de Waard (deel II, 1942). De vraag doet zich voor of Grotius een biografie van Simon Stevin geschreven zou hebben als hij niet in 1645 overleden was.

(top)



Noten

  1. Johan Meerman, Hugonis Grotii, Batavi, Parallelon rerumpublicarum ... Vergelijking der Gemeenebesten door Hugo de Groot. Derde boek: Over de zeden en den inborst der Athenienseren, Romeinen en Hollanderen. Uit een echt handschrift uitgegeeven, in 't Nederduitsch vertaald en met aanmerkingen opgehelderd (Haarlem 1801 - 1803).   «

  2. A. J. E. Harmsen geeft in 'Hugo Grotius' de Latijnse zeilwagen-gedichten uit Hugonis Grotii Poemata collecta, 1617 (p. 381-392).
    In 'Hugo Grotius: Poemata Neerlandica' (met prent): vertalingen, afkomstig van:
    - de dichter zelf (helaas niet puntdicht XX)
    - Bijschriften bij de Nederlandse prent (Leiden, van Sichem en Haestens, 1603). Volgens het octrooi (21 mrt 1603): "den zeylenden wagen van Zijn Extie, geïnventeert door Simon Stevin", in koper gesneden.
    - De Zeilwagen van Simon Stevin, naar de Latijnsche gedichten van Hugo Grotius (Gent, 1846). Latijnse tekst en Nederlandse vertaling door Prudens van Duyse.
    Zie ook: Arthur Eijffinger over Hugo de Groot als dichter.   «

  3. Briefwisseling van Hugo Grotius, 17 delen, in de serie Rijks Geschiedkundige Publicatiën; zie bij het Huygens Instituut en bij DBNL. (Noten zijn letterlijk overgenomen, zonder nummer, niet alle. De vertaling is van mij, A. D.). Deel 17 heeft Grotius' opdrachtbrief in Limeneuretikè, sive Portuum investigandorum ratio aan Doge, Senaat en inwoners van Venetië (1 april 1599).   «

  4. portret E. J. Dijksterhuis, 'Stevin en de Grotii' in De Gids, 1942 - III, p. 166 - 179.
    L. Mok, 'Hugo de Groot en Simon Stevin' in Med. van het Jur. Inst. van de Erasmus Univ. Rotterdam, 46 (1988).
    H.J.M. Nellen en J. Trapman (red.), De Hollandse jaren van Hugo de Groot (1583 - 1621), Hilversum 1996. Op p. 26 een portret van doctor HugeIanus Grotius, Huig Jansz. De Groot, 15 jaar (in de uitgave van Capella's Satyricon, 1599).
        P. C. Molhuysen, 'De bibliotheek van Hugo de Groot in 1618', no. 37: Legermetingh Stevini [1617], 247: Portuum investigandorum ratio [1599, Stevin]; 305: L'Arethmeticque, de Simon Stevin.   «

  5. F. Sassen, 'Grotius, Philosophe Aristotélicien', in Grotiana IX - 1941/42.
    Hugeianus Grotius, 'Physicarum disputationum septima de infinito, loco, et vacuo' (1597, Tit.p.), Praes.: Pierre Du Moulin (Petrus Molinaeus).

        Stelling XII gaat over het vacuüm:
    ... Contra est Aristoteles, & ratio: Nam si esset Vacuum nihil posset in eo quiescere, nec moveri: Et si moveretur, motus fieret in instanti, quia tarditas, & celeritas motus fit ex maiori aut minori obsistentia medij: ...

    ... Ertegen is Aristoteles, en de rede. Want als er een vacuüm zou zijn, zou niets daarin kunnen stilstaan, of bewegen. En als het zou bewegen, zou de beweging in een ogenblik gebeuren, omdat traagheid en snelheid van beweging komt door grotere of kleinere weerstand van het medium. ...
    Stevin zag het genuanceerder, zie de samenspraak van Jan en Pieter over het 'Ydel' in de Bewysconst (1585), p. 144 e.v. Op p. 148 blijkt Aristoteles' argument weerlegd, maar wat volgt (lucht uit een fles zuigen) overtuigt niet (overblijvende lucht zwelt op). Jan heeft "t'hooft noch vol mugghen, die niet nu, maer t'haerder tijt wel eens mochten uytswermen".
    Het elders aangekondigde 'Lochtwight' [<] is helaas niet verschenen.
      «


  6. C. S. M. Rademaker, Gerardus Joannes Vossius (1577 - 1649) (Zwolle 1967, en in het Engels: Assen 1981). Vossius was professor in de geschiedenis, letteren en welsprekendheid aan het Athenaeum Illustre in Amsterdam. Bij de oprichting in 1632 had hij geprobeerd ook Hugo Grotius benoemd te krijgen. Deze was toen enkele maanden in het geheim in Nederland.   «

  7. Voor walvis en aardbeving zie Florike Egmond in De Hollandse jaren, p. 31 - 34.
    Anthonis Duyck schreef in zijn Journaal, 1602 (ed. 1866, deel 3, p. 274):
    Den iijen Januarij op den middach werde deur de landen van Hollant gevoelt een eertbevinge, doch en duyrde niet lang, ende was oock soe weinich dat veele menschen die niet gewaer en wierden
    Citaat uit J. Buisman, Duizend jaar weer, wind en water in de Lage Landen, Franeker 2000, 209.   «

  8. Copernicus dacht dat er nog een derde beweging moest zijn om de as van de Aarde dezelfde stand te doen houden tijdens de omloop om de Zon, maar Stevin sprak van een 'seylsteenighe stilstandt' (zoals van een magneetsteen).
    Zie de brief van de door Stevins Hemelloop geschokte Ubbo Emmius.     «

  9. Hugo de Groot had een uitgave van de Aratea-codex verzorgd (Syntagma Arateorum, 1600), met gravures van Jacobus De Gheyn (zie ook Goedgezien, object 61). Hierin wordt het zonnestelsel anders voorgesteld dan gebruikelijk (obect 52): Venus en Mercurius kunnen draaien om de Zon, of om de Aarde (zoals bij Ptolemaeus).
        De 'Leidse Aratea' is te vinden via http://disc.leidenuniv.nl/.   «

  10. R. Hooykaas, G.J. Rheticus' Treatise on Holy Scripture and the Motion of the Earth, Amsterdam, 1984 (bespr.), p. 182.
        Hooykaas (p. 168) vond een anonieme brief over de beweging van de aarde afgedrukt bij David van Goorle, Idea physicae (1651) — 'Cujusdam anonymi epistola De terrae motu' — en ontdekte dat het gaat om een verloren gewaande verhandeling van Rheticus. Er was "little impact on the contemporaries" (p. 170), maar de verhandeling is niet geheel onopgemerkt gebleven: J. F. Weidler, Historia astronomiae (1741), cap. XV, p. 493 ("epistolam luculentam", uitstekende brief, beschreven in 10 regels).

    Gassendi schreef aan Peiresc, na bezoeken aan o. a. Beeckman en Albert Girard: "tous ces gens là sont pour le mouvement de la Terre" (21 juli 1629, in: C. de Waard, Journal tenu par Isaac Beeckman, IV, p. 153).
    Voor Voetius zie: Rienk Vermij, The Calvinist Copernicans, h. 11, 'Copernicanism in the theological discussion', p. 245 (KNAW 2002, online als pdf).
        Opmerkelijk: in Geographiae compendium (Utrecht 1650), worden heliocentrisch en geocentrisch wereldbeeld tegenover elkaar gesteld (vanaf p. 22). De bekende argumenten voor beide komen aan bod: "zij zeggen ...", en de lezer mag zelf zijn conclusie trekken; maar de figuur op p. 35 toont: zon, aarde, Mars, Jupiter en Saturnus volgens het copernicaanse stelsel.

        Nog eind 17e eeuw was lang niet iedereen overtuigd van het nieuwe wereldbeeld:
    ... Terrae-motus ... Hic pro Copernicano interdum sumitur, quo, sole immoto, terram moveri fingunt. Verum hoc commentum Scripturae adversum, non attingimus modò, sed de motu, quo pars aliqua terrae vel tremit, vel pulsatur, vel deprimitur, vel attollitur, nobis sermo erit.

    ...Aardbeweging ... Deze wordt soms voor de Copernicaanse genomen, waarbij men zich voorstelt dat de zon stilstaat en de aarde beweegt. We zullen ons echter met dit verzinsel, dat tegen de Schrift ingaat, hier niet inlaten, maar we zullen het hebben over de beweging waarbij een deel van de aarde trilt, of schokt, of daalt of stijgt.
        Rudolphus Leusden, Disputatio philosophica inauguralis de terrae-motu (Utr. 1692, 29 maart), p. 4.
    (Op 18 sept. 1692 was er een aardbeving voelbaar in Nederland; Christiaan Huygens schreef erover (OC 19, 311).

        «

  11. Galileo Galilei, Dialogue Concerning the Two Chief World Systems — Ptolemaic & Copernican, translated by Stillman Drake (Univ. of Cal. Pr. 1953).
    Dialogo (Florence 1632), Latijn: Mathias Bernegger (1635), Engels: Thomas Salusbury (1661, herdruk 1968), Duits: Emil Strauss (Leipzig 1891), Frans: Rene Frereux (Parijs 1992), Ital.: O. Besomo en M. Helbing (Padova 1998), Ned.: Dialoog over de twee voornaamste wereldsystemen (Amst. 2012), vertaling van Hans van den Berg.
    Scipione Chiaramonti, De tribus novis stellis (Cesena 1628).
    Chiaramonti had bekende waarnemingen van de nieuwe ster van 1572 zo geordend, dat de afstand kleiner leek dan die tot de Maan. Galileï liet in de Dialoog zien hoe misleidend dit was. Chiaramonti (1565 - 1652) was een van de geleerden die voor paus Urbanus VIII de Dialoog moesten beoordelen. Hij verklaarde zich nader in Difesa ..., Fir. 1633, De sede sublunari cometarum opuscula tria, Amsterdam 1636, e.a. (zie bij IMSS).   «

  12. Zie Klaas van Berkel, 'De illusies van Martinus Hortensius' in Citaten uit het boek der natuur, 63-84 (Amsterdam 1998); op p. 66: Hortensius had een "felle aanval op de reputatie van Brahe" gedaan, in het voorwoord (36 blz) bij de Latijnse vertaling van Lansbergen's Bedenckingen op den ... loop van den Aerdtkloot (1629), Commentationes in motum Terrae ... (1630); de Deen Bartholinus [Petrus] publiceerde in 1632 een Apologia pro ... Brahe.
        Hortensius' voorwoord ontbreekt in de uitgave van 1651 (in Philippi Lansbergii ... Opera omnia).
    Zeven brieven van Hortensius aan Gassendi staan in diens Opera omnia II (1658):
    p. 409 (26 april 1633), 418 (Bartholin genoemd), 422, 425, 429, 431, 432 (12 okt. 1636).
    Er zijn vijf antwoordbrieven van Gassendi, zie Argumenta - Hortensio: p. 62, 67 (Bartholin), 83, 91, 92.
      «

  13. Beeckman schreef een notitie over de Dialogo: 1 aug. 1634.   «

  14. Zie Jovilabe: lengtebepaling op zee met behulp van de manen van Jupiter. Er was een prijs uitgeloofd door de Staten-Generaal, zie Resoluties.
    Galileï had de methode in 1612 bedacht, en in 1617 voorgesteld aan de Spaanse koning, zie
    Stillman Drake, Galileo at Work (Chicago 1978), p. 193, 260.   «




Simon Stevin | Varia | Hugo Grotius (top) | Jan de Groot