Home | Stevin | < Eertclootschrift >

Cortbegryp , Bepalingen : Aarde , as , middelrond , lengtegraad , geografische dag


[   ]

T VV E E D E

D E E L   D E S

W E E R E L T S C H R I F T S,

{Cosmographiæ.}

V A N T

E E R T C L O O T-

S C H R I F T.

{Geographiæ.}



[   ]

C O R T B E G R Y P

{Argumentum.}

deses Eertclootschrifts.

{Geographiæ.}


TI S   wel soo dat de beschrijving des Eertcloots ofte het Eertclootschrift, nae de ghemeene manier van velen, voornamelick inhoudt de form en verscheydenheden der Landen, Zeen, Rivieren, Bergen, Bosschen, Steden, Dorpen, met yders vruchten, Dieren, Berghwercken, coopmanschappen, en dierghelijcke: Doch want sijn V O R S T E L I C K E   G H E N A D E  hier af deurlesen heeft verscheyden schrijvers, soo verstrecken hem de selve tot ghedachtenis dier stof: Inder voughen dat wy sulcken handel in dese Wisconstige ghedachtnissen onbeschreven laten, en alleenelick stellen dat of onbeschreven is, of dat wy, beschreven sijnde, na onsen stijl anders veroirdent hebben, alles begrijpen in 6 boucken.

  Het eerste van des Eertclootschrifts bepalinghen int ghemeen.

  Het tweede van sijn Stofroersel.


  Het derde vande Damphooghde.
    {Altitudine vaporum.}

De volghende boucken sijn het Zeeschrift {Hydrographiam.} angaende, te weten,

  Het vierde vande Zeylstreken.

  Het vijfde vande Havenvinding.


  Het seste   Spiegheling van Ebbenvloet.
    {Theoria accessus & recessus maris.}



[   ]

E E R S T E

B O V C K   D E S

E E R T C L O O T S C H R I F T S,

{Geographiæ.}


V A N

S Y N   B E P A L I N G H E N

I N T   G H E M E E N




[   ]

C O R T B E G R Y P

{Argumentum.}

deses eersten boucx.


A Nghesien ons gevoelen vande ghedaente des Eertcloots, oock des Middelronts {AEquatoris.} , begin der Eertclootlangde, en des Eertclootschriftdachs, wat eyghentlicx in heeft dat verclaring behouft, so sullen wy daer af in dit eerste deel de volghende vijf bepalinghen schrijven, midtsgaders een seste des wijsentijts, om dat die somwijlen sal ghenoemt worden. Daer na sal volgen een verclaring, hoet schijnt dat men de saeck mocht anlegghen, om metter tijt weerom te gheraken an sulcke wetenschappen alsser inden Wijsentijt gheweest sijn.




[ 5 ]

B E P A L I N G H E N.


I   B E P A L I N G.

{Definitio.}

  Eertcloot {Globus terrestris.}  is het roerende weereltlicht dat wy bewoonen, ende den achtsten Dwaelder {Planeta.}  beneven d'ander seven.

H O E  wel an yghelick bekent ghenouch schijnt wat Eertcloot is, nochtans na dien t'ghemeen ghevoelen der meeste menichte deses tijts verschilt mettet gemeen ghevoelen van een minder, die wy nochtans achten de saeck beter te verstaen, soo heb ick vande Eertcloot een bepaling ghedaen als boven: Om vande welcke breeder verclaring te doen, en ten eersten dattet een hemels licht is, soo neemt door t'ghedacht dat yemant op de Maen staende na den Eertcloot sage, gelijck wy op den Eertcloot staende na de Maen sien: T'welck soo sijnde, de ghedaenten des Eertcloots hem verschijnende, sullen groote ghemeenschap hebben mette ghedaente der Maen door ons ghesien: Want ghelijck ontrent den helft der Maen die vande Son beschenen wort voor ons blinckende is, alsoo moet ontrent den helft des Eertcloots die vande Son beschenen wort voor hem blinckende sijn, en dat noch claerder dan de Maen, voornamelick op die plaetsen des Eertcloots daert water is, om dat de weerschijn der Son opt water bycans so claer is als de Son self.
Ten anderen ghelijck de Maen in ons ansien plecken heeft duysterder als de rest, also soude den Eertcloot in sijn ansien ter plaetsen daert landt is eenige plecken hebben, onclaerder dan de rest daert water is.
Ten derden sulcke veranderinghen als wy sien van nieu Maen, volle Maen, eerste en laetste vierendeel Maens, soodanighe veranderinghen sal hy sien van (op dat wy de Maen namen volghen) nieu Eertcloot, volle Eertcloot, eerste en laetste vierendeel Eertcloots.
Ten vierden ghelijck wy sien Maenduysteringhen {Eclipses lunares.} en Sonduysteringhen, alsoo sal hy sien Eertclootduysteringhen, en Sonduysteringhen, want alst met ons Sonduystering is, sal hy Eertclootduystering sien, en met ons Maenduystering wesende, hy sal Sonduystering hebben. Doch valter dit verschil: De Maen wort uyt den Eertcloot altijt ghesien op een selve sijde, ghelijck haer verduysterde plecken betuyghen: Maer den Eertcloot verthoont heur voor den siender op de Maen alle uyr met ander plecken, om dat alle uyr ander lantschappen en zeen voor hem verschijnen. Sulcx dat hy van dies soodanighe veranderingen soude sien inden Eertcloot, ghelijck yemant op de Son staende sien soude inde Maen, welcke voor hem alle maende een keer soude doen, daghelijcx ander plecken toonende, t'welck wy dadelick sien, om dat daghelicx een ander claer deel der Maen hem na de Son keert. Merckt noch dat dese vertooning des Eertcloots voor een op de Maen staende, niet alle 24 uyren de selve en is, maer daer vallen ongheregelde veranderinghen, om twee verscheyden oirsaken, d'eene dat den siender vande Maen den Eertcloot somwijlen sal sien op de Noortsijde, andermael op de Zuytsijde: D'ander de wolcken, die somwijlen de zee bedecken, somwijlen t'lant alleen, ettelicke mael d'een en d'ander, by wijlen geen van beyden, alle welcke dinghen de verwe des Eertcloots voor sulcken siender verandering moeten gheven.

[ 6 ]
  Angaende ymant mocht invallen, dattet opperste vant zeewater een clootvlack sijnde, dat daerom de schaeu der Son haer voor den siender op de Maen verthoonen soude als een seer cleen puntken, sonder t'gheheel water blinckende te maken; Seker dat soude so gebeuren als t'water heel stil stonde, gelijckmen deur voorbeelt sien mach in clootspiegels daer de Son op schijnt, waer af oock de redenen inde spiegelschaeuwen {Catoptricis.} hier na geleert sullen worden: Maer t'water niet heel stil staende, dan deur de wint beweeghnis en baren crijgende, groot of cleen, soo heeft elcke baer of baerken sijn besonder schaeu op eenighe sijde, welcke al t'samen blincking over al maken, gelijckmen daer af voorbeelt mach sien in baren of baerkens daer de Son op schijnt.
  Tot hier toe is verclaert de bepaling inhoudende den Eertcloot een wereltlicht te wesen: Maer d'oirsaeck waerom sy roerlick gheseyt is, en den achtsten dwaelder benevens d'ander seven, die sal inde volghende beschrijving der dwaelderloop blijcken.


2   B E P A L I N G.

  Eertcloots as {Axis.}  is het deel van den as des vaste steercloots {Sphæræ stellarum fixarum.},  dat wy door stelling nemen inden Eertcloot begrepen te sijn.

  Vanden as des vaste steercloots, die wy hier door stelling van een vast eertrijck om de redenen verclaert voor d'eerste bepaling des 4 boucx vanden driehouckhandel, nemen te strecken deur des Eertcloots middelpunt {Centrum.}, moet een deel inden Eertcloot begrepen sijn, t'selve noemen wy sijn as. Waer uyt wijder volght, dat de twee uytersten des selfden as, sijn des Eertcloots aspunten {Poli.}.


3   B E P A L I N G.

  Eertcloots middelront is een grootste rondt beschreven opt middel tusschen beyde de aspunten.

  Als ghetrocken sijnde halfmiddachronden {Semimeridiani.} van d'een aspunt tot d'ander, het rondt streckende deur t'middel der selve, t'welck oock is deur t'middel tusschen beyde de aspunten, noemen wy middelrondt.
  D'oirsaeck dat wy dit niet nae de ghemeene manier evenaer {AEquator vel AEquinoctialis.} en heeten, is om dat evenaer als blijct in des driehouckhandels 4 boucx I bepaling, teenemael een ander is, diens begin te 24 uyren maer eens en overcomt mettet begin des middelrondts. Men mach t'gene opt middelront is segghen onder den evenaer te wesen, maer om over al vaste redenen sonder twijfeling te spreken, soo vereysschen die verscheyden ronden verscheyden namen.


4   B E P A L I N G.

  Voor begin der Eertclootlangde {Longitudinis terrestris.}  nemen wy het halfmiddachront deur Pico de Teide in Teneriffa.

  De Eertclootschrijvers {Geographi.} deses tijts en overcomen niet angaende het stellen van t'begin der langde: Eenige volgen Ptolemeus,  diese stelt op de Eylanden van Canarien. Ander letten op de recht Noortwijsing der seylnaelde diemen eerst

[ 7 ]
ontmoet van Canarien Westwaert, waer in sy niet overcommende, so stelt d'een sijn begin verre van d'ander: Sulcx dat ymant sprekende of schrijvende van een plaetsens langde, sonder daer by te voughen wat Eertclootschrijvers begin hy hem voorstelt, soo volght daer dickwils ongheschicktheyt uyt. Dit anghesien tis openbaer de natuerlicke reden te vereysschen, om d'een d'ander wel te verstaen en dwaling te schuwen, datmen een alghemeen vast begin neemt: T'selve en can niet bequamelick ghegront sijn opde anwijsing der seylnaelde, want nadiense gheen selve middachrondt en volght, soo worden deur gaslagingen {Observationes.} op verscheyden breeden ghedaen, verscheyden halfmiddachronden voor begin ghestelt. Ten anderen en is de gaslaging der naelde op een selve plaets deur verscheyden gaslagers {Observatores.} soo nau met sekerheyt niet doenlick, dattet niet I (1) en schilt, bedraghende ontrent 3000 ghemeen stappen.
Nu dan de anwijsing der naelde tot desen eynde gheen ghenouchsaem sekerheyt hebbende, soo wil de reden datmender vast lant toe verkies. En nademael Ptolemeus daer toe ghenomen heeft een der seven Eylanden van Canarien t'welck hy Iuno noemt en datter hem veel in ghevolcht hebben, soo en ist niet buyten reden by sulcx te blijven. Doch angesien het een eynde eens eylants van t'ander in langde verschilt, soo ist billich een seker eylant te verkiesen, en daer in een ghewisse langduerighe merckelicke onbeweeghlicke cleene plaets, die ons gheen I (1) en doe missen, want nadien de rekeningen der Eertclootlangden van steden en plaetsen tot op (1) toe nauwe en sorchvuldelick ghedaen worden, seker tis reden dat de stelling van t'begin gheen (1) onsekerheyts en hebbe. Hier toe is vooren ghestelt de boveschreven Pico de Teide,  wesende een hooghe vermaerde rootse van form als een suyckerbroot, en dat in Teneriffa,  t'grootste, rijckste en beste eylant der seven van Canarie, also my mondelick geseyt heeft Heer Melchior van de Kerckhove aldaer geboren en opghevoet: Soo ymant ander bequamer vaste plaets op den Eertcloot wiste, t'waer reden die te verkiesen, maer de boveschreven onsekerheyt dunckt my datmen behoort te schuwen.


5   B E P A L I N G.

  Eertclootschriftdach noemen wy die haer begin neemt opt begin der Eertclootlangde. {Dies Geographicus.}

  Wanneer de Eertclootschrijvers {Geographi.} niet en overcommen in een ghemeen bestemt begin des dachs, gelijck sy tot noch toe datmen weet niet overcommen en hebben, soo en isser op plaetsen die veel in langde verschillen gheen sekerheyt des dachs. Om t'welck by voorbeelt te verclaren, ghenomen of ymant op d'een der twee plaetsen veel in langde verschillende, als neem ick Hollandt en China,  gheschreven hadde seker gaslagingen {Observationes.} der Hemelsche lichten, of ander dinghen ghedaen te hebben op den 12 Mey int jaer 1602: Ick segh dattet voor de menschen op de ander plaets woonende, en t'selve daer lesende, onseker te sijn oft was hemlien 12 Meye of 13 Meye. En want de groote zeevaerden rontom den Eertcloot by Hollanders en Zeelanders jaerlicx seer toenemen, so ist kennelick hier uyt nu ter tijt veel ongeriefs te connen volghen, voornamelick in Eertclootschriftsche en Hemelloopsche stof {Materia Geographica & Astrologica.}, alwaer d'onsekerheyt eens dachs veel ander onseeckerheden soude connen mebrenghen, als in gaslaging vande plaetsen der Dwaelders ghedaen op verscheyden plaetsen veel in langde verschillende, waer uyt het nochtans meughelick is die consten grootelicx te vermeeren, en vasticheyt te gheven, gelijck t'sijnder plaets breeder geseyt sal worden.

[ 8 ]
Maer om de ghedaente van de voorschreven onsekerheyt des dachs te verclaren, soo laet ABCD een rondt des Eertcloots sijn evewijdich {Parallelus.} mettet middelrondt, doende elcke booch AB, BC, CD, DA, een vierendeelronts: Hier op sijt ghy by voorbeelt ter plaets van A: Dit soo ghenomen, alst by u an A sijnde is middach den 12 Mey, soo sult ghy segghen dattet voor de ghene die van u Oostelicker als an B woonen, op dien selven tijt 6 uren later is, te weten 6 uyren des avonts den 12 Mey. cirkelomtrek met 4 punten En om de selve reden sullen de ghene die an B woonen segghen dattet voor de ghene die noch Oostelicker als an C woonen, op dien selven tijt noch ander 6 uyren later is, te weten midnacht als begin des I3 van Mey: T'welck ghy an A sijnde oock sult toestaen. Aldus dan over d'een sijde gecommen sijnde van A Oostwaert over B tot C, wy sullen nu also commen van A Westwaert over D, tot C in deser voughen: Alst by u an A sijnde is middach den 12 Mey, soo sult ghy segghen dattet voor de gene die van u Westelicker als an D woonen, op dien selven tijt 6 uyren vroeger is, te weten 6 uyren des morgens den 12 Mey. En om de selve reden sullen de ghene die an D woonen, segghen dattet voor hemlien die noch Westelicker als an C woonen op dien selven tijt noch ander 6 uyren vrougher is, te weten midnacht als begin des 12 Meye, T'welck ghy an A sijnde oock sult toestaen. Maer ghy hebt te voren toeghestaen en bevesticht dattet an C is midnacht als begin des 13 Mey: Daerom ghy u selven teghensprekende, ten is gheen wonder dat ghy met anderen niet en overcomt, oock dat Portuguisen en Spaengiaerden d'een Oostwaert d'ander Westwaert na Indien seylende, met malcander twisten en een dach verschillen.
  Dit ongeval connen de Eertclootschrijvers voorcommen, met den dach een bepaelt begin te setten, t'welck met reden gelijck in dese bepaling opt begin des Eertclootlangde ghenomen wort.
  Angaende ymant nu dencken mocht sulcx sijn ongeval te sullen hebben, om dat twee plaetsen gheen uyr gaens van malcander en over d'een en d'ander sijde van t'begin der langde gheleghen, altijt een dach sullen verschillen, t'welck in burgherlick ansien {Consideratione polytica.} swaricheyt soude hebben: Hier op wort gheantwoort dat ghelijck de Hemelmeters {Astrologi.} onder hun bestemt hebben een ghemeen oirden der 24 even uyren, anvanghende op den middach, latende daer benevens yder gheslacht van volck de uyren noemen en setten soot hun ghevalt, d'een even, d'ander oneven, sommighe anvanghende des midnachts, ettelicke met Sonnen opganck, eenighe metten onderganck, en soo voorts, waer me de Hemelmeters in stof des Hemelloops hun niet en becommeren: Even eens en sullen de Eertclootschrijvers in stof des Eertclootschrifts hun niet behouven te moeyen mettet begin des dachs van verscheyden volcken, maer hun bepaelt eyghen begin int ghemeen ghebruycken: En ghelijck de Hemelmeters haer uyren tot onderscheyt van d'ander noemen Hemelloopuyren {Horas Astronomicas.}, alsoo sullen de Eertclootschrijvers dese daghen tot onderscheyt van ander, meughen heeten ghelijck de bepaling mebrengt Eertclootschriftdaghen {Dies Geographicos.}.
[ 9 ]

6   B E P A L I N G.

  W Y S E N T Y T  noemen wy die, waer in by de menschen een seltsaem wetenschap gheweest heeft, t'welck wy deur seker teyckens ghewisselick mercken, doch sonder te weten by wie, waer, of wanneer.


  Anghesien het int volghende dickwils te pas sal commen, t'onghewoonlick woort Wysentijt te noemen, en dat mijn voornemen is t'sijnder plaets te weten inde navolghende vernieuwing des Wysentijts,  verclaring te doen, hoemen mijns bedunckens de saeck an soude meughen legghen, om weerom te gheraken tot alsulcken groote wetenschappen soo in Hemelloop als ander stoffen, ghelijck wy mercken by de menschen eertijts gheweest te hebben, so heeft my noodich ghedocht den selven tijt te bepalen alsvooren.

[...]




Home | Simon Stevin | Eertclootschrift | Bepalingen (top) | Wijzentijd