Home | Varia | Goedaert | Bijwerk deel 3

Titel , opdracht , voorwoord , gedichten , index



Vertaling van bijwerk in de Latijnse uitgave van

Johannes Goedaert



Metamorphoseos et Historiae Naturalis

Insectorum

Pars tertia & ultima,

Autore Joanne Goedartio,

Aucta observationibus
Et appendice
D. Joannis de Mey,
Ecclesiaste Medioburgensis & Med. Doct..

Midd. [1669]*)

Ned. [1669]


*)  Ex. Artis-bibliotheek; op de titelpagina is geschreven: 1671; afb. Z staat bij N.
Ook beschikbaar: Leiden, UvA, Lyon, Lyon (bij deel 2; afb. Z bij N), Göttingen (afb. Z bij Q), Florence.

a 2
Nobilissimo, Illustrissimoque
WILHELMO  NASSOVIO,
Domino Odiki, &c.
Primo, & Repraesentanti
Nobiles in Nobiliss. & Po-
tentiss. Ordinibus

Z E L A N D I AE,
Eorumque deputatis Consiliariis.

Door allen wordt afgekeurd de haat van Domitianus jegens de vrije kunsten en de geletterden. Hij heeft immers filosofen en mathematici vervolgd, en de meeste omgebracht; de overigen heeft hij uit de stad en uit Italië verdreven; en zeer veel anderen heeft hij onder verschillende voorwendsels verbannen of vermoord. Geprezen wordt daarentegen

[a 2v]
welwillendheid en mildheid van grote mannen jegens geleerden; en vooral van Alexander de Grote, die altijd als het ware omringd door zeer geleerde mannen oprukte. En van wie verteld wordt dat hij aan Aristoteles achthonderd talenten heeft gegeven voor zijn beschrijving van de Natuur der dieren. En ofschoon in deze eeuw van ons de overvloed aan boeken groot is, en allerminst de schrijfwoede is goed te keuren van degenen die nutteloze dingen schrijven, of duizendmaal herhaalde dingen behandelen. Toch moeten daarom niet zonder onderscheid allen worden afgewezen die wegens de overvloed van dingen, en de onbekendheid van de geheimen der Natuur, met een buitengewone zorg en ijver enige dingen te voorschijn trachten te brengen die niet alleen nuttig zijn, maar tevoren ook nauwelijks of niet bekend. Onder wie niet ten onrechte onze Gaedaert te rekenen is, die

a 3
in zijn boekjes niet wat van elders is gehaald uit onzeker gepraat, of geplunderd uit boeken van anderen, aan de wereld heeft gegeven, maar alleen wat is bewezen door lange, moeizame, eigen en dagelijkse ondervinding. En het is ook niet zo, dat iemand kan tegenwerpen dat er op de hele aarde nieuws gezegd of gedaan kan worden. Want ofschoon dit waar is met betrekking tot de vaste orde der natuurlijke dingen, die voortdurend terugkeert, en ook met betrekking tot wat gedaan en gezegd wordt door gewone mensen in het algemeen, zoals Salomo zelf dat gezegde uitlegt in Prediker 1, vers 4, 5, 6, 7. En Vivianus*) drukt het in de volgende woorden uit:
Een bestendige aaneenschakeling van alle
dingen is het enige dat geweest is,
en nog altijd zal zijn. Zodanig dat
de Natuur niets nieuws teweegbrengt,

*)  Ecclesiastes Solomonis Auctore Joan. Viviano (Cant. 1662), cap. 1, vers 9.

[a 3v]
onder deze wijde rondgang van de Zon.
En dezelfde loop der dingen zal nog
al het menselijke heen en weer slingeren.
  Toch moet dit niet zo worden begrepen, dat niet in de loop van vele eeuwen door de tand des tijds, overstromingen, branden, oorlogen enz. sommige dingen vergaan, die later of als nieuw verschijnen, of ook in het geheel niet hersteld worden maar op de een of andere manier verdwijnen, zoals te zien is bij Pancirollus in de Verhandeling over gedenkwaardige zaken die verloren zijn gegaan*), waaronder purper, levend vlas of asbest, byssus [fijn linnen] en veel andere. En ook die bijzondere kunst die men Actie noemt, waarmee redenaars allerlei gebaren heel passend met de woorden konden verbinden, zodat ze niet alleen met de mond, maar ook

*)  Guido Panciroli, Memorabilium sive Deperditarum Pars Prior (Francof. 1660), 1. De Purpura (p. 6); 4. De Lino vivo, aut Asbestino (p. 16), "leevend Vlasch" in Mikroskoopische vermaaklykheden, deel 4 (1776); 5. De Bysso (p. 17); 41. De Actione (p. 136).
1e editie: Ambergae 1599, 1602.  Fr.: Antiquitez perdues, Lyon 1617.  Engl.: The history of many memorable things lost, London 1715.

a 4
met het hele lichaam leken te spreken*). Deze kunst is zo verloren gegaan dat niemand die tegenwoordig beheerst, uit de nog bestaande geschriften heeft men zich die namelijk niet eigen kunnen maken, zoals ook niet de voordracht zelf.
Evenzo kunnen door de voortdurende studies van mensen enige nieuwe kunsten en wetenschappen worden uitgevonden, of althans zo worden ontwikkeld en vernieuwd, dat ze op de een of andere manier lijken nooit eerder bekend te zijn geweest. Zoals dezelfde Pancirollus laat zien in de Verhandeling over gedenkwaardige zaken, kort geleden uitgevonden en aan de ouden geheel onbekend°), waaronder hij vermeldt de drukpers, het kompas, de ontdekking van het Amerikaanse werelddeel, de Alchemie, klokken, uurwerken, de kaart, kijkers, de

*)  Belangrijk voor een predikant als Joh. de Mey.
°)  Panciroli, deel 2, (Ff. 1660): 1. Nieuwe wereld (p. 1); 7. Alchemie (134); 9. Klokken (158); 10. Uurwerken (167); 11. Kompas (232); 12. Drukpers (244); 13. Kaart (250); 15. Kijkers (268); 17. Kwadratuur van de cirkel (278); 18. Kanonnen (281). Appendix bij Drukpers (p. 311).

[a 4v]
kwadratuur van de cirkel, kanonnen, en verschillende andere. En dit zal minder vreemd gevonden worden door wie het heel grote verlies van oude boeken beschouwt; dat gemakkelijk is op te maken uit onder andere de Geschiedenis van Josephus. Hij vertelt namelijk in boek 2*) van Antiquitates Judaicae, cap. 2, dat Demetrius Phalereus, opzichter van de koninklijke bibliotheken, zijn best heeft gedaan zo mogelijk alle boeken van de hele wereld te verzamelen, en dat hij tenslotte alle heeft opgekocht waarvan hij had gehoord dat ze kennisneming waard waren, of begerenswaardig voor de koning, die een bijzondere voorliefde had voor het bijeenbrengen van geschriften. Toen hem eens door de koning werd gevraagd, hoeveel duizenden hij er zich al had verschaft, antwoordde hij dat hij er toen ongeveer tweehonderd duizend had, maar dat hij er weldra vijfhonderd duizend zou hebben.

*)  Boek 12, zie Antiquities of the Jews, 12.11 (transl. W. Whiston); zie ook 'Letter of Aristeas to Philocrates', sect. 9.

a 5
  En aangezien onder de nieuwe vondsten met recht ook kunnen worden genoemd de voortreffelijke natuurkundige ondervindingen van onze Schrijver over de natuurlijke en wonderlijke Metamorfose van Insecten, heb ik niet kunnen betwijfelen of ze welkom zouden zijn, als ze tot voortdurende herinnering ervan zouden worden opgedragen aan Uwe Hoogheid.
  Ofschoon namelijk dit derde en laatste deel van het gehele werk klein is, toch is dit niet te wijten aan luiheid van de schrijver, maar aan zijn onverwachte dood. Om dit verlies tenminste enigszins te herstellen, heb ik er zelf andere dingen bijgedaan, die dit gemis deels zouden kunnen aanvullen, of tenminste het werk zelf vermeerderen, en glans verlenen met wetenswaardige waarnemingen. Toegevoegd is bovendien aan het eind van dit boekje mijn Verhandeling over de aard van kometen,

[a 5v]
en de ongegronde voorspellingen daaruit. Dit kleine geschenk aan Uwe Hoogheid te zenden bij de aanvang van het nieuwe jaar is goed gevonden door degene die voor u bidt om een gelukkig begin van dit jaar, een gelukkiger vervolg, en de gelukkigste afloop.

De aan Uwe Hoogheid zeer toegewijde      
      Johannes de Mey.      



[a 6]
Voorwoord tot de Lezer.

Als je insecten vergelijkt met dieren die bloed hebben, kunnen ze onvolmaakt worden genoemd; ze zijn immers niet volgepakt met een zo grote toerusting van delen. Als ze op zichzelf worden beschouwd zou je terecht zeggen dat ze heel volmaakt zijn, omdat ze niets missen dat betrekking heeft op hun aard. De ogen staan open bij alle, en ze zijn hard, zodat ze zien door een doorzichtig membraan bijna zoals glas; ze zijn eveneens beweeglijk zodat ze, hoewel ze wegens de hardheid minder scherp zien, door het opvangen van glans duidelijker zien. Insecten die springen hebben de achterpoten langer, of steunen op een soort roeren die aan de sprong zijn aangepast, naar achter gebogen. De oorzaak wordt duidelijk uitgesproken door Aristoteles, in boek 4 over de delen van dieren, hij zegt*):
Sommige uit dese hebben de voor-voeten lang, op dat wijl sy om de hardigheid der ogen niet scherp sien, met die lange schenkels, alle overvallende moeylijkheidt afvegen en beletten.
Jonston zegt°):
Datse alle met meerderley beweging geroert werden als de bloetrijke dieren, om dat die in stukken verdeelt zijn, en met haar geknotte lichamen heel lang konnen leven. Of sy asem halen oft niet, is onder de Schrijvers niet seker. ...
Datse sonder long zijn, en geen verkoeling, wijl sy kout zijn, nodig hebben, is seker: Waar toe dan nodig de asem-haling? 't Gehommel dat de Byen en Vliegen maken, geschiet door beweging van de innerlijke geest: die schijnen te singen, rommelen met een vliesch onder 't midden-rif#) gelegen, tegen welke de ingestoten geest anstoot. Vele sterven onder 't water, in de assche worden sy weder levendig:

*)  Zie On the parts of animals (transl. William Ogle), book IV, part 6 (hier uit Jonston).
°)  Hoewel ook al het vorige van Jonston is, wordt hij pas genoemd bij "Waar toe dan nodig de asem-haling?". Zie: Jan Jonston, Historiae naturalis de insectis libri 3 ... (Amst. 1657), Praefatio en Beschrijving van de natuur der gekerfde of kronkel-dieren (Amst. 1660, vert. M. Grausius), Voor-reden.
#)  Joh. de Mey noemt dit "membrana septo transverso subdita" ook in deel 1, als hij Aldrovandi citeert, p. 19, waaraan hij toevoegt dat het ook anders kan zijn, zoals in 'Eenige Aenteyckeningen' in het Nederlandse deel 1 (d 3r): "dat sodanigen geluydt niet veroirsaeckt en wert door de tocht van eenighen adem of longher, maer door het ghedruys dat dese dieren maecken met het schudden van haer lichaem ende vlercken.".
Aristoteles, The history of animals, book IV, part 9: "cicada ... membrane that is underneath the 'hypozoma' ... Flies and bees ... by opening and shutting their wings in the act of flying".

[a 6v]
niet om datse niet konden asem halen, maar om dat de innerlijke geest van de vogtigheit versmoort is, welk vogt door de warmte uitgejaagt zijnde, worden sy weder herstelt.
[Eind van de alinea bij Jonston:] 
Sy raken schierlijk om den hals, alleenlijk door het besproeijen van oly, om dat door de vetheit van den oly, de enge tochtgaatjes verstopt zijnde, de geest uitgeblust werdt.
[Even eerder bij Jonston:] 
Daar is niet an te twijffelen datse tayer leven als de bloetrijke bekomen hebben; voornamentlijk die een lang lijf en veel benen hebben, gelijk in de hondert-voet te sien is. Het is sonderling 't geen Augustinus in 't lant van Liguria heeft angemerkt: dat de deelen van een dwars doorsneden worm met sulken snelheit van malkander af haar beweegden, of sy twee verscheide dieren geweest waren*). Aristoteles schijnt de oorsaak tot het veelderley gedeelte van haar beginsel te betrekken°).
  Overal en in allerlei dingen worden talloze verschillen van insecten gevonden. In sneeuw, zeewater, zoet water, aarde, vaak ook bij opgravingen. Vooral planten brengen verschillende soorten insecten voort. Ook in vruchten ontstaan bijzondere insecten. En dieren zijn ook niet vrij van insecten. Inwoners van Egypte en India worden lastiggevallen door de dracunculus, in benen en armspieren. In handen en voeten ontstaan onder de huid luizen. Motten worden voortgebracht bij wolbewerking; boekwormen in boeken; houtwormen in bomen, en zo voorts.
Zodat er nooit een gelegenheid ontbreekt om insecten te leren kennen of hun aard te onderzoeken.#)

*)  Augustinus, Opera, T. 1 (Antv. 1576), p. 261. Het ging om een 'multipes', hij vertelt erbij: toen het ene deel werd aangeraakt met het mes krulde het zich, het andere deel voelde niets.
°)  Aristoteles, The history of animals, book IV, cap. 7 en On the parts of animals, book IV, cap. 5.
#)  Alleen deze laatste zin is van Joh. de Mey, al het overige komt uit Jonston.

[a 7]
Aan  de   L E Z E R.

Aanvaard voor de laatste maal geschenken van Goedaert, Lezer,
  O smart! Ach, in triomf zei hij hiermee de Wijsheid vaarwel.
Aanvaard ze voor de laatste maal van Goedaert, maar voltooid
  door de geleerde helpende hand van zijn vriend De Mey.
Waarmee hij wil zeggen dat vormen veranderd zijn in nieuwe
  lichamen? Waarbij nieuwe levens geleid worden?
Wie zal de grootste wonderen van de kleinste worm openbaren?
  Het werk gaat over het kleine, maar niet klein is de Roem!
Wie kan het wisselend ontstaan van de Rups met een passend gedicht,
  bezingen, het Leven, en de betreurenswaardige Dood?
Wie kan met pen ons de diepste geheimen ontsluiten,
  en, vindingrijke Natuur, jouw intimiteiten?
De ene is Aristoteles voor de Zeeuwen, de ander Apelles,
  buitengewoon en zijn Roem past de Lage Landen!
Mooier maar nu met een grafsteen zal hij met de Rups weer verrijzen;
  in grote triomf wordt hij gevoerd door de hoge lucht.
Gegroet Goedaert, geef ook de Mey een plaats aan de hemel;
  De een zal zijn Pollux, en Castor zal de ander zijn.

I. v. H.        
V. S. L. M.*)    

*)  Misschien: "Verborum Sacrarum Literarum Minister", dienaar van de woorden van de Heilige schrift. Of misschien: "Votum Solvit Libens Merito", gaarne en terecht heeft hij de wens vervuld. Dit stond op votiefstenen, in 1647 bij Domburg gevonden, zie: M. Z. van Boxhorn, Bediedinge van de tot noch toe onbekende afgodinne Nehalennia (Leiden 1647), p. 6-7; afbeelding.

[a 7v]
Op het derde deel van
J O H.   G O E D A E R T's
Nagelaten werk, door de geleerde
J O H.  de  M E Y   Med. D.
Met Commentaren op al diens Boeken
in het Licht gegeven.

Niet slechts het wonderbaarlijk bestuur van de Leider in grote
Olympische zaken verbaast; maar wie nietige Insecten grondig
bekijkt moet met verstand overwegen dat die door het wijze gezicht
en ook de machtige hand van de godheid behouden blijven.

Hun soorten, bewegingen, en ook de kleuren verkennend,
en van hun delen de ringen; en wie dan het wonderlijkste ziet met
licht van 't verstand: op andere tijden verschillende vormen,
en het verborgene aan de geleerde wereld gegeven
in dit boek te doorzoeken, wie dan naar het enkele kijkt,

Ja, die staat stomverbaasd. Laat Taurellus daar boven geloven
dat de rechterhand Gods nooit zorgt voor het allerkleinste.
Laat Aristoteles domweg geloven dat hij ook de hemel
snel in de hoogste kringloop beweegt, die als eerste beweger
aan hem verscheen en wanordelijk geschapen leek hij op aarde.

Wie dan niet God in het kleinste wil zien, bevangen door dolle
duizeling, die moet ook tegen zijn zin toch dit wel bekennen,
ach, had je maar al die heel kleine kunstjes gekend, die de beestjes
aan jou verraden, en dat de wijze en machtige hoogste
leider zich hierin ook zelf aan jou wil openbaren.

Niet dus ten onrechte is het dat heel veel verstandige mensen
nu het vernuft van de schrandere Goedaert blij bewonderen,

[a 8]
een krans moest hij krijgen, als niet het noodlot der goden, als niet
de wrede dood die geleerden niet spaart, al de grens van 's mans leven
kort had beperkt; en het leven naar hogere sferen ontboden.

Heel het verborgen binnenste dat hij toegankelijk maakt
van de gesloten natuur; met harde en stevige arbeid,
met nachtelijke wakkere hand geheimen ontsluitend;
stug heeft hij kleintjes, geheel bedekt met een donker waas
door de tijd die aan dingen knaagt, uit hun hol gehaald.

Evenzo een lauwerkrans krijgen moet nog een Apollo
en het vernuft van De Mey is te eren in 'n plechtig gedicht,
die ons de almachtige toont in het kleine, het magnifieke
in het gewone, het versmade wordt mooi en verbluffend.

Mensen die weinig actief zijn en traag in hemelse zaken
wekt hij op, en ons verbaasden voert hij omhoog;
hij toont het heilige over insecten dat het geschrift ons
levert; zodat de vlotheid van taal de zegepalm haalt
en terecht, al is ze geknakt door de wrede dood.

Dus aan de wereld heeft Goedaert gegeven wat hij in vele
jaren en in een lange tijd van zijn leven volbracht heeft.
Even nog en dan kunt u alleen mediteren vriend lezer;
met De Mey die de voetsporen volgt van de voortreffelijke man
volgens de rijke opborreling uit de bron van zijn geest,

Over al wat de rups ons leert; wat ook de weerloze worm
aan wonderlijks heeft; hoe de spin behendig zijn web weeft,
welke deugden voorbeeldig zijn van versmade beestjes,
met een geleerde pen wilde hij dit alles beschrijven.

Met verouderde Muze opgesteld door S. S. T. F. A. L. H. C.

[a 8v]
I N D E X.

Vierentwintig nieuwe ondervindingen van de Schrijver Pag. 1 tot 46.
Opmerkingen van de heer Johannes de Mey bij de
Metamorphosis Naturalis van Johannes Goedaert.
Pag. 47. tot 69.
Over wormen die uit levende mensen voortkomen. Pag. 69.
Over de tarantula. Pag. 71.
Over sprinkhanen. Pag. 81.
Over bijen. Pag. 100.
Over de mug en de luis. Pag. 106.
Over mieren. Pag. 115.
Over schorpioenen. Pag. 123.
Over het onderscheid tussen reine en onreine dieren. Pag. 126.
Over spinnen. Pag. 130.
Over dieren die als voorbeeld worden gebruikt in de
Heilige schrift om de mensen te overtuigen en onderwijzen.
Pag. 136.


Vergelijk de Blad-wyser in de Nederlandse editie. Daar staan ook apart: 'Amerikaensche kleene Dierkens' (pag. 87, onder de Wormen; Lat. p. 57) en 'Van het vliegen der Bloedt-loose Dierkens' (pag. 91; Lat. p. 66).
De inhoudsopgave bij dbnl vermeldt nog: 'Tweede Byvoeghsel, ... in de Heylighe Schriften vermelt' (na Tarantula, niet apart in Lat. ed.), de 'Tooveraers van Egypten' (Lat. p. 109), de 'Behemoth' (Lat. p. 153-159) en de 'innerlijcke zinnen' (Lat. p. 151-152, met nog de voorbeelden: olifanten leren talen, versierde paarden zijn trots).





Home | Varia | Goedaert | Vertaling van bijwerk, deel 3