Chr. Huygens | Oeuvres I | Brontekst

[ 471 ]

No 322.

Christiaan Huygens aan R. Paget.

juli 1656.   [ > ]

Aan de weleerwaarde en zeer geleerde heer R. Pagetius
een groet van Christianus Hugenius

    Al lang had ik u dank behoren te betuigen, weledele heer, voor die zeer elegante verzen*) waarmee u mij lof toegezongen hebt voor het vinden van het nieuwe hemellichaam; als ik niet van mening was geweest dat woorden weinig zouden zeggen, wanneer de mogelijkheid gegeven werd op een of andere manier met de zaak zelf van een dankbaar gemoed te getuigen. Ik schrijf het toe aan de zeergeleerde Colvius [<], dat uw wens mij bekend geworden is, ja dat de herinnering aan het beloofde weer bij ons opkwam, die al bijna geheel ontsnapt was. Aanvaard dus deze lenzen, met onze hand bewerkt, en helemaal gelijk aan die met behulp waarvan we de maan van Saturnus het eerst gezien hebben. cirkels Wanneer u een buis laat maken, denkt u er dan aan dat deze op zijn minst tot twaalf voet uitgetrokken moet kunnen worden. Eveneens dat hij geheel recht is, en van binnen zwart en donker, wat u bereikt met wat dikker papier doortrokken met inkt, waarmee hij van binnen volledig bekleed moet worden, tegelijk met het vastzetten van elk onderdeel met lijm. Maar hier kunt u toch Calthof goed raadplegen, vooral als hij zich nog herinnert hoe die buis was die hij van ons gekregen heeft.
Laat voor de grootste lens een opening zo groot als we hiernaast hebben weergegeven, en volgens dezelfde maat moeten de overige tussenstukken open zijn, die binnen de buis geplaatst worden in verband met het verduisteren, en daarvan zijn er tenminste twee of drie nodig. De kleinste lens moet helemaal niet afgedekt worden, en met het midden twee duim ongeveer van het oog af staan. Hoeveel deze van de grootste lens verwijderd moet zijn staat niet vast; want het hangt af van de veranderlijke afstand van wat er bekeken wordt. Ja zelfs ook van de glans. Aangezien u zult ondervinden dat voor het scherp bekijken van Saturnus een wat kortere buis nodig is dan van de Maan, terwijl dit toch volgens berekening van de afstand heel weinig uitmaakt; maar bij dingen die niet heel ver verwijderd zijn varieert de lengte nogal wat.
Een ding is er nog waarop ik u opmerkzaam wil maken, namelijk dat deze grotere telescopen alleen voor de hemel bestemd zijn, en daarom is er geen bezwaar dat ze wat gezien wordt omkeren; maar overdag hebben ze bijna geen nut, behalve om zonnevlekken waar te nemen; al zullen ze ook niet als ze alles rechtop zouden weergeven voortreffelijker zijn dan die, welke 5 of 6 voet niet te boven gaan, wat u naar ik meen niet onbekend is.
*)   Robert Paget was predikant van de Engelse kerk te Dordrecht van 1638 tot 1685 ['84 (^)]. Hij schreef een epigram ter ere van Huygens ontdekking van de maan bij Saturnus (p. 394), was zeer geleerd, en bevriend met de gebr. de Witt.

[ 472 ]

Dus afhankelijk van wat het is dat u in ogenschouw wilt nemen, is het nodig de buis geleidelijk te verlengen en te verkorten met het oog tegelijk erbij gebracht, zodat hij tenslotte in de meest geschikte stand gehouden kan worden; hiervan de oorzaak te vinden is niet zeer gemakkelijk. Wanneer u naar de zon wilt kijken, moet u een vlak glas — bijvoorbeeld een stukje voor een spiegel — beroeten door het enige tijd in een kaarsvlam te houden, en daarop vervolgens een ander (eraan gelijk maar schoon) stukje erop zetten, en zo vastmaken dat 't het beroete oppervlak niet raakt; op deze manier zal dit onbeschadigd blijven. Maar het zo toebereide glas moet zo dicht mogelijk bij het oog gehouden worden.
Zodra dit alles voor u naar wens gelukt is, vraag ik u er geen bezwaar tegen te hebben het de heer Colvius op zijn beurt te leren; aan hem zenden we een ander paar glazen als gift [<]. Het ga u goed.




[ 484 ]

No 328.

Christiaan Huygens aan A. Colvius.

28 augustus 1656.   [<]

Aan Colvius.

28 Aug. 1656.

    Een maand is bijna verstreken sinds ik aan u twee paar glazen zond, ingesloten in een doosje, waarvan ik het ene aan u gegeven had en bij het andere gevraagd of u het samen met een brief wilde overhandigen aan de heer Paget. Als u die ontvangen hebt vraag ik u me ook te bevrijden van een ongerustheid; ik begin namelijk te vrezen dat ze niet overgebracht zijn, daar ik niets ten antwoord van u ontvang. Het zal stellig een groot verlies zijn als ze verdwenen zijn, en voor mij des te ondraaglijker omdat ik bij u al die tijd voor onbeleefd gehouden zal zijn, en dat buiten mijn schuld. Och, had ik maar niet zo lang gezwegen. Want als ze verloren gegaan zijn zullen ze denk ik moeilijk teruggekregen kunnen worden, en toch zullen we niets onbeproefd laten. Maar ik hoop dat het er beter voor staat. Het ga u goed, en (als het niet ongelegen is) schrijft u zo spoedig mogelijk terug.




[ 486 ]

No 330.

A. Colvius aan Christiaan Huygens.

2 september 1656.

        Weledele Heer,

    De twee paar lenzen, bestemd voor de heer Paget en mij, hebben we allang ontvangen. Wij hebben beiden enkele dagen in Amsterdam vertoefd, ik vanwege de inwijding van mijn zoon [<], die gebeurde op 20 augustus in de Waalse kerk te Amsterdam. Meteen na mijn terugkeer hebben we gezorgd dat er een buis gemaakt wordt, met hulp van Kalthof. Pas de komende maandag of dinsdag zal de gelegenheid gegeven worden deze te beproeven.

[ 487 ]

Dit is er de oorzaak van dat we u zó laat dank betuigen, en we zullen nog meer betuigen na de proefnemingen, voor een zó schitterend geschenk, waarmee we de voorhoven van de hemel zullen kunnen bekijken. En als er wellicht iets te kort schiet door onzorgvuldigheid van de buismaker, zullen we onze toevlucht moeten nemen bij u en uw welwillendheid. En dit was ook de oorzaak van ons zwijgen. Te Amsterdam heb ik gekocht een 'Geschiedenis van de telescoop' geschreven door P. Borel, waaraan toegevoegd zijn uw Saturnische waarnemingen [II, 62-3]. Wie deze schrijver is weet ik niet. Er zijn verscheidene uittreksels uit andere schrijvers. Van u zal ongetwijfeld nog iets groters verschijnen. God beware u gedurende lange jaren, tot sieraad voor onze eeuw en ons volk.

    Het ga u goed, voortreffelijke Heer, en wees mj genegen.

        Dordrecht   2 Sept. 1656.

Met alle gehoorzaamheid de uwe

A. Colvius.    

    De heer Paget groet u, en te zijner tijd zal hij dank betuigen.

Mijn Heer Mijn Heer Christiaen Huijgens, van Zulichem.
S' Graven-Haghe.        




[ 527 ]

No 359.

Christiaan Huygens aan Calthof.

18 december 1656.

18 Dec. 1656.

        Mijnheer Calthof

    UE. heeft my soo seer hier te vooren geobligeert [<] dat ick blyde ben UE. wederom ergens in te connen dienen. Ick sende UE. dan volgens syn begeerte dit paer glasen, waer van het groote (daer het al aen is gelegen) een vande twee besten is die wij oyt van dese soorte gemaeckt hebben, ende heeft over lang alle proeven uytgestaen waer van de seeckerste is dat se de planeten van Jupiter en Saturnus distinctelijck sonder eenige schemering representeren.
De glasen die ick te vooren aen Myn Heer Paget en Colvius [<] gesonden hebbe hadde ick bij daegh beproeft en oock in de maene en waeren hier in perfect goet, doch in de planeten konde ick die niet proeven om datter doenmaels geen konden gesien werden. Indien myn Heer Paget daer niet mede kan te recht geraecken wilde ick wel dat hy my nu die oversondt, op dat ickse in de planeten mochte versoecken, en weten of er iets aen de glasen schort, in welcken gevalle ick die verslypen sal ofte andere maecken. Het gheene my doet twyffelen is dat hy mij niet en laet weten hoe het gaet met het observeren.
Tot mijn observatien gebruijck ick anders geen verkycker als die van 23 voet, die seer goet is, en noch eens soo veel vergroot als die van 12. Bij daech vind ick de beste te sijn van 4½ voet of daer ontrent, want die van 6 voet alreede te groot sijn, vertoonende alle dingen nevelachtigh. Het welck ick om dies wille segghe, op dat UE. niet en meijne dese glasen bij daghe met goet succes te gebruycken, maer alleen in de sterren en maene.
De buyse sal UE. konnen doen maecken volgens het gheen ick lestmael aen myn Heer Paget dien aengaende geschreven hebbe [<], en wesen altijt verseeckert dat aen de glasen geen faute sal sijn. Ick sal een woort tot antwoort verwachten hoe het UE. sal gesuccedeert hebben en blyven altyt




[ II, 17 ]

No 379.

R. Paget aan Christiaan Huygens.

16 maart 1657.   [ < ]

Aan de zeer edele & zeer geleerde en eveneens zeer vriendelijke
Heer Huygens,

    Als aan een langdurige en wel schandelijke stilte de waardering van een bewezen dienst afgemeten moet worden, kan ik niet de blaam afwenden een zeer ondankbaar man te zijn: na een uitnemend bewijs van uw vrijgevigheid te hebben ondervonden, heb ik daarvoor tot nu toe geen enkele dank betuigd. Het zou lang duren alle omwegen van het talmen na te lopen, en ik beken dat ik met het verhalen ervan mezelf niet geheel en al van schuld vrij kan pleiten;

[ II, 18 ]

zodat het beter is met een oprechte erkenning van de fout vergiffenis af te smeken bij iemand die welwillend en vriendelijk oordeelt, dan onschuld voor te wenden door verdediging met onbeduidende verontschuldigingen. Wat al lang gedaan behoorde te zijn, daar kom ik nu aan toe: rekenschap te geven van wat er bereikt is met de lenzen die mij met ongewone welwillendheid gegeven zijn.
Nadat ik een vakman gevonden had die in eigen handwerk niet onverstandig is, maar in de optica al te zeer een dilettant, heb ik met moeite door vaak hernieuwde instructies en herhaaldelijk met veranderingen van wat hij gemaakt had, gedaan kunnen krijgen dat hij mij een buis vervaardigde naar de voorgeschreven regels. Die is gebouwd van ijzeren platen, met tin bedekt, en we hebben hem zo verdeeld, dat het langste deel (dat de grootste lens heeft) ongeveer elf Rijnlandse voet lang is; het andere is van een voet, en uitneembaar, en dient om met vrij weinig moeite de buis te verlengen of te verkorten.
De langste heb ik, om te zorgen voor de rechtheid, en om hem meer te beveiligen tegen kneuzingen, vastgemaakt aan een houten balkje van ongeveer dezelfde lengte, maar van een dikte van bijna twee vingers, zodat hij zonder problemen gehanteerd en verplaatst kan worden. Het onderstel heeft een ijzerwerker volgens het voorschrift van Calthof gemaakt, zodat hij niet moeilijk in een willekeurige stand is op te stellen. Voorzien van deze hulpmiddelen krijgt u nu wat ik waargenomen heb, deels meer, deels minder dan wat ik gehoopt had.
De maanfasen worden zeer scherp en duidelijk voor ogen gesteld, met verlichte stukjes in het donkere gebied, inderdaad een aangenaam schouwspel. Het lijkt me dat ik alles wat Hevelius in zijn Selenographia op zijn kaarten heeft getekend vrij nauwkeurig in het oog gekregen heb, uitgezonderd enkele kleinere dingen, zoals het eiland 'Alopecia' in het 'Palus Moeotis'*), &c.
Jupiter, opkomend bij zonsondergang°), met de satellieten: de eerste zag ik met een zo wijde en afgebakende diameter, en de laatste enige malen alle, zo duidelijk, dat ik gedacht zou hebben dat ik overvloedig en meer dan naar wens tevreden gesteld was. En er was niets van deze aard dat ik meer wenste, dan dat de gelegenheid geboden werd door dezelfde buis de aan Saturnus gehechte overige planeten te zien. Hem heb ik in de ochtenduren met mijn telescoop tamelijk dikwijls opgevangen. Wat echter mijn 'blindheid' was: ook al was hij van tijd tot tijd met een wat langwerpige vorm te zien, en ook al vermoedde ik dat er een of ander sterretje bij was, toch zou ik niet iets zekers durven uitspreken volgens wat ik gezien heb, noch over nevenstaande armen of hengsel, noch over de satelliet die door u voor het eerst is waargenomen.
Hierop nam de brandende begeerte om waar te nemen af, en werd, om niet mijn onbekwaamheid of tegenspoed bekend te maken, het voornemen om terug te schrijven verder uitgesteld, totdat ik bereikt zou hebben wat ik het meest verlangde (want de hoop om het te vinden had ik nog niet geheel opgegeven). Ondertussen hebben gewichtiger bezigheden, en het grotere aantal preken dan gewoonlijk (rondom het feest van de Geboorte en wat volgt), enige weken ongesteldheid daarna, en een onmiddellijk er op volgende huiselijke zorg en last tengevolge van ziekte en dood van een dienstmeisje, tussen mij en mijn telescoop een scheiding van bijna twee maanden veroorzaakt.
Nu ben ik weer tot mezelf gekomen en tot die beschouwingen teruggebracht, en ik heb de Avondster onmiddellijk bezocht, met een niet geringe hoop dat hij ons verschijnt met zijn middellijn toenemend, en bij de grootste verwijdering van de zon in tweeën gedeeld, en daarna sikkelvormig en gehoornd (^). Ook van Saturnus, die nabij de stand komt van opkomst bij zonsondergang, hoop ik dat hij, en wat hij bij zich heeft, weer goed te zien zal zijn. Of tenminste wanneer we, door uw nieuwe en nauwkeuriger 'Saturnische Astronomie' geholpen en gestimuleerd, ons met een vuriger en zekerder streven zullen toeleggen op die waarnemingen. Ondertussen, terwijl ik wacht op zowel een helderder hemel bij geschikte waarnemingstijd, als op de benodigdheden die ik noemde, heb ik het niet zover willen laten komen dat dit getuigenis, hoe het ook is,
[ *)   Zie Selenographia, kaart; te herkennen (^) als de krater Picard in Mare Crisium.]
[ °)   Standen van hemellichamen in het verleden zijn te vinden met 'Sky view café'.]

[ II, 19 ]

van onze niet geheel en al te gronde gegane dankbaarheid langer op zich zou laten wachten. En dat u dit welwillend en vriendelijk aanvaardt vraag ik u nadrukkelijk,

Zeer edele en zeergeleerde Heer Huygens,
de aan u met recht zeer verplichte    
Robert Paget.        

Dordr. Mart. 16. 1657.

    A Monsieur Monsieur Christiaen Huyghens, ten huyse
van Syn E. Vader, Myn Heer van Zuylichem
in        
S'Graven-Haghe.





Home | Christiaan Huygens aan Paget, Colvius, Calthof (top)