Home | Varia | Goedaert | Bijwerk deel 2 | deel 3

Titel, opdracht , voorwoord , beeltenis , noten.



Vertaling van bijwerk in de Latijnse uitgave van

Johannes Goedaert



Metamorphoseos et Historiae Naturalis
Pars secunda,

De Insectis,

Autore Joanne Goedartio,

Latinitate donata, commentariis, & notis, textui insertis, illustrata,
& Auctuario Notarum sive Appendice locupletata,
De Insectorum Origine, Utilitate & usu
a Paulo Veezaerdt*),
Ecclesiaste in Insula Wolphardi Zelandorum.

Midd. [1667]°)

Ned. [1667]


*)  Zie over Paulus Veezaerdt: P. de la Rue, Geletterd Zeeland (1742, 2e druk), p. 570-571;  F. Nagtglas, Levensberichten van Zeeuwen, deel 2 (1893), p. 813-815.  Disputatie van Paulus Vesardus onder Joh. Hoornbeeck: De Messiae passione, & satisfactione pro peccatis, Utr. 1645 (Over het lijden van de Messias, en voldoening voor de zonden).
°)  Ex. Artis-bibliotheek. Ook beschikbaar: Leiden, Göttingen, Wenen, Florence, Lyon (met deel 3), Lyon, Lausanne (de laatste twee met de tweede staat van afb. 2, zie Beaart 2016, p. 113).



a 2 [Epistola Nuncupatoria.]

Magnificis, Nobilissim. Consultissim. Prudentissimisque Dominis
D. GERARDO van der NISSE, Domino Cruiningae, Nissae, Swaan-slag, Philips-land, &c. ut & Toparchae, in Insulâ Wolphaards-dijk, & contentis eâ pagis, &c. Illustr. ac Praepotentum D. D. Ordd. Zeelandiae Consiliario, nomine urbis Goezanae Deputato ordinario.
D. HIERONYMO de TUIL de SEROOSKERKE, Mono-Toparchae Staafnissae, &c. Reipublicae Vereanae Praetori.
D. CORNELIO WATER-VLIET, Mono-Toparchae in Ellewouds-dijk, Everinge, Kou-dorp, &c. Domino in 'sHeer-Arents-Kerke, Heinjenszand, &c. Archi-Toparchae in Wolphaards-dijk, &c. Civitatis Goezanae Consuli gravissimo.
D. FREDERICO WATER-VLIET, D. EMMERICO WATER-VLIET, Dominis & Toparchis haereditariis, in Wolphaards-dijk, Sabbinge, Ooster-lands-dijk, Heeren-polder, Wester-land, &c.
D. ABRAHAMO HAPPART, Domino etiam, & Toparchae, haereditario in Wolphaards-dijk, dictisq; pagis & aggeribus Goezanae Reip. a Secretis.
Dominis, Fautoribusque meis, bonorumque
studiorum omnium Maecenatibus.
Salutem, & Perennaturam felicitatem Interpres.

Herhaaldelijk, illustere, edele en kundige Heren,

[a 2v]
wanneer ik door de weiden of langs de kust wandel en bij andere gelegenheden, de werken van de Goddelijke voorzienigheid met de geest beschouw, valt me van hem te binnen wat de Leraar der volken [Paulus] in Rom. 1, v. 20, 21 getuigt over Gods onzienlijke dingen, ook aan de heidenen duidelijk getoond, namelijk:
al vanaf de schepping der wereld, blijkt uit de dingen die God heeft gemaakt, als ze met het verstand overwogen worden, zijn eeuwige macht en goddelijkheid; opdat zij niet te verontschuldigen zouden zijn, omdat ze, God kennende, hem toch niet als God hebben verheerlijkt en gedankt.
Hierdoor denk ik er weer aan, dat God ons de hele natuur der dingen, zowel van de hemel als van de aarde, als het ware met de vinger aanwijst, en zijn almacht en goddelijkheid; en dat alle schepselen van God, hoeveel er ook zijn, ons tot kennis van hem leiden, opdat we hem verheerlijken.

a 3
Dit licht is ook gezien, met het onzekere licht van de rede, en met de ogen van het verstand in donkere duisternis, door Hermes Trismegistus, hij zegt namelijk het volgende, in het boek 'peri eudaimonias, kai philosoph.' [over geluk en filosofen]:
'ho mathôn, hoia esti ta onta, kai pôs diatetaktai, kai hupo tinon, kai eneka tinon, charin tôi Dèmiourgôi, hôs patri agathôi, kai chrèstôi, kai epitropôi pistôi homologèsei: ho de charin homologèsei eusebèsei.*)
Wie weet hoedanig het wezen van de dingen is, en hoe ze zijn ingericht, en door wie en dankzij wie, zal met dankbetuigingen eer bewijzen aan de Schepper, als een goede Vader, en deugdelijke opvoeder en trouwe verzorger; en wie hem met dankbetuigingen eer bewijst, zal vroom zijn.
Vandaar dat hij meent:
'chôris philosophias akrôs eusebèsai adunaton einai'
zonder filosofie is het onmogelijk in hoge mate vroom te zijn.
Maar niet alleen uit de grootste schepselen komt de wijsheid, macht en goddelijkheid van de Schepper naar voren; maar ook uit de kleinste en de insecten,

*)  Daniel Sennert, Epitome naturalis scientiae (Witt. 1633), p. 16 noemt als titel 'peri eusebeias kai philosophias'; de Griekse tekst staat er met enige variatie ('ta onta' ontbreekt, 'trophei' voor 'chrèstôi', 'charin homologôn' i.p.v. 'charin homologèsei') en uitbreiding, de Latijnse letterlijk. Griekse tekst ook in ed. 1618, p. 15.

[a 3v]
hoewel ze heel onbeduidend zijn. Ja zelfs zijn er in de heel kleine schepselen even heldere, talrijke en betrouwbare bewijzen van de goddelijke roem en majesteit, als in de grote; en de grootste wonderen van de natuur zijn het meest zichtbaar in de kleinste diertjes; en die geven ons aanleiding God te verheerlijken. Er zijn veel opgeblazen beoordelaars van grote dieren te vinden; maar zoals zij, en wel terecht, God herkennen in de omvang, zo behoort men God meer te zien in de zeer kleine dieren. Hierin is namelijk meer aanwezig van de wijsheid, kunst, scherpzinnigheid, en vooruitziende blik, die bekend zijn van de onbetwijfelbare macht van een godheid, en van goddelijke wijsheid, die zich erin openbaart. Maar als ik de Natuur, de gewone hand van God, waarmee God alle natuurlijke dingen bewerkt in alles

a 4
wat in de natuur voorhanden is, in een lofdicht zou willen gaan beschrijven, of als ik het zou moeten doen, zou ik denken dat ik het makkelijk zou kunnen weven uit de Insecten, beginnend bij een hypothese, en eindigend met een stelling. En Plinius was niet een andere mening toegedaan, die naar het oordeel van Lipsius:
toen hij zijn boeken allesomvattend heeft genoemd, zich niet heeft vergist; die man heeft namelijk alles gelezen en geweten; en in één boekwerk heeft hij Griekenland en Latium samengevat.
Met wie ik het echter niet eens ben; Plinius geeft namelijk heel veel onzekere en verzonnen dingen alsof ze zeker en waar zijn, misleid door voorgangers of tijdgenoten die al te lichtgelovig waren, zoals hij hen ook zelf te licht geloofde, het nageslacht misleidend; en toch misleidt hij niet hier, en het is niet onwaar. Zie Hist. Nat. boek 11, cap. 2,°) over de subtiliteit van de Natuur bij insecten, of van deze Metamorphosis deel 1,

*)  Justus Lipsius, Epistolicarum quaestionum libri V (Antw. 1585), II.13. Citaat ook in Jonston, Thaumatographia naturalis (Amst. 1632), p. [A 4].
°)  Ned. gedeeltelijk in Eric Jorink, Het Boeck der Natuere (2006), p. 192. Geheel in R. Duthoy, 'Een Romeinse encyclopedist met een uitgesproken mening', De Natuur als kunstenares (archive):
Nergens anders manifesteert de kunstvaardigheid van de natuur zich indrukwekkender. ... wat een inzicht, wat een macht, wat een ondoorgrondelijke volmaaktheid bij deze zo kleine, zo nietige wezens! Waar heeft ze bij een mug al die zintuigen een plaats gegeven? En er zijn nog wel andere, nog kleinere dieren te noemen! ...

[a 4v]
pag. 11 [Ned.], waar veel van zijn woorden staan geciteerd als bewijs hiervan, waaraan is toe te voegen wat volgt.
... terwijl de natuur zich nergens vollediger manifesteert dan in de kleinste dieren. Daarom verzoek ik mijn lezers om, ondanks hun afkeer van veel insecten, wat ik erover vertel niet uit verveling af te wijzen, omdat bij het beschouwen van de natuur niets overbodig mag lijken.*)
Ofschoon dus deze insecten gewoonlijk veronachtzaamd worden, omdat ze heel alledaags zijn, en onze Zaligmaker zichzelf vergelijkt met een worm, of zoals anderen vertalen een kever, Psalm 22, v. 7, aangezien hij aan het kruis hangend zeer veracht zou worden, zoals een worm voor het onaanzienlijkste diertje wordt gehouden; desalniettemin verlangen deze levende wezens op grond van het oordeel van Plinius zelf een zorgvuldige overweging. Zo ook Tertullianus,

*)  Plinius, De wereld, vertaald door Joost van Gelder, Mark Nieuwenhuis en Ton Peters (Amst. 2005), p. 274.  Vgl. Plinius, The Natural History, vert. J. Bostock & H. T. Riley (Lond. 1855), XI, Chap. 1 (2).

a 5
in adversus Marcionem, boek 1, c. 14*), waarbij Pamelius de titel heeft gemaakt 'Dat ook kleinere dieren niet moeten worden ondergewaardeerd'; hij zegt, niet minder mooi dan waar:
Maar daar u ook de kleinere dieren belachelijk maakt, die de grootste Bouwmeester heeft toegerust met ijver en verstandelijke vermogens, en krachten, ons zo lerend dat grootheid kan blijken in geringheid, zoals goede eigenschappen in zwakte, volgens de Apostel;
maak ze maar eens na, als u kunt, het bouwsel van de bij, het nest van de mier, het web van de spin, de draad van de zijderups; houd het maar eens uit met die beesten van je bed en deken, het gif van de Spaanse vlieg, de angel van de steekvlieg, en van de mug de buis en de spies. Hoe zal het grotere zijn, wanneer u door het kleine zo geholpen wordt, of gekwetst, dat u ook in het kleine niet de blik afwendt van de Schepper?
Er is zo'n groot vermogen in de schepselen van God, ook de kleinste, dat niemand van de mensen dit zelf zou kunnen leveren, of te voorschijn brengen. In wiens macht is het immers, de subtiliteit

*)  Tertulliani ... Opera quae adhuc reperiri potuerunt omnia, Franeker 1597, T. III, p. 356. De titel van h. 14 staat op p. 349, met "contestari" (getuigen het) i.p.v. "depreciari non debere" (in de tekst: "aut virtutibus" i.p.v. "ac virtutibus" en "secundum" i.p.v. "juxta").

[a 5v]
na te bootsen van de spin, de beet te verdragen van de giftige spin, de vuiligheid van luizen te vermijden, de mug die in de keel blijft hangen te verwijderen, te slapen bij het bijten van de bedwants en de driftiger vlo, bomen tegen rupsen te beschermen, de korenworm, de mot, houtwormen en klopkevers weg te houden? Dus in de kunstvaardigheid van deze insecten, en in de schadelijkheid, vertoont zich een grotere goddelijke macht. Ook is daarin de buitengewone goedgunstigheid van God te zien, omdat hij ze heeft bestemd voor het genezen van niet alleen sommige lichamen, maar ook gebreken van de geest. Het binnenste van insecten verstrekt immers een medicijn voor allerlei ziekten; en ze zijn nuttig niet slechts om heel wat levende wezens te voeden en vet te mesten, maar ook om andere te verzorgen, als we de getuigenissen van de ouden en van nieuweren mogen geloven. Ook zijn het geschikte wezens om zielen te onderwijzen en te beschaven met verschillende

[a 6]
voorbeelden van het bereiken van deugden, en het vermijden van fouten. Salomo verwijst daarom degene die niets uitvoert naar de mier, Spreuken, c. 6, v. 6:
Ga naar de mier, gij luiaard, zie haar wegen en word wijs.
orakelt hij als het ware. Als je laks bent zijn er thuis en buitenshuis leermeesters voor je, sommigen zijn gewoon burger, en zij leren je deugden door middel van de rede, anderen zijn predikant, en zij maken je vertrouwd met voorschriften van de Geest. Veel mensen zijn er wel als voorbeeld voor je, wier ijver jou aan het werk kan zetten; maar toch maakt zelfs de mier je erop opmerkzaam, een heel klein en verachtelijk diertje, en bedrijvig leert het je je plicht om te werken, en het verklaart je terecht schuldig als je die kennis verwerpt. Hieraan is te zien dat de Insecten, en de verachtelijkse schepselen zodanig zijn, dat er voor

[a 6v]
deugd en vroomheid hulpmiddelen aan ontleend kunnen worden, en dat vooral die moeten worden waargenomen, die de Heilige Schrift als het ware op de preekstoel heeft geplaatst, en uitgekozen om met hun werkzaamheid de mensen op een bijzondere manier te onderwijzen. Hier zet God inderdaad de mieren apart van de gewone beschouwing van filosofen, om ze aandachtiger en nauwkeuriger waar te nemen; deze maakt hij tot ware boeken en beelden voor leken, opdat de mensen daaruit en daarvan leren goed te zijn. Want Salomo zet een nietig wormpje op de preekstoel, om onwetenden tot plichtsbetrachting en ijver op te voeden, en hij heeft dit niet alleen tot doctor benoemd, om hen te onderwijzen, maar ook tot rechter, om over hen een vonnis te vellen. Niet het geringste, maar zelfs het voornaamste voordeel, dat mensen van insecten kunnen krijgen, is daarin gelegen,

[a 7]
dat ze, hun aard en aanleg onderzoekend, tot deugd kunnen komen; zowel omdat de deugden van God erin aan de dag komen, als omdat ze hun eigen bederf kunnen leren, vergeleken met de prijzenswaardige manieren en gewoonten van insecten. En misschien kan het sommigen toeschijnen dat mieren geen enkel nut hebben, en geen enkel voordeel geven, maar dat het daarentegen veel meer past bij de Goddelijke voorzienigheid en wijsheid, als God ze hetzij niet had geschapen, hetzij na hun schepping terstond had vernietigd, vooral omdat deze gulzige dieren een zo grote hoeveelheid koren plegen te verslinden, dat voor mensen is gezaaid en besteed. Maar werkelijk, ook al zouden ze tot geen enkel ander nut dienen, toch zouden ze wel op grond van deze tarwe, ja zelfs van koninklijke delicatessen, het waard zijn gevoed te worden, opdat de mensen ze altijd voor ogen zouden hebben;

[a 7v]
die bij een werk dat naarstig gedaan zal moeten worden, zich aan hun plicht zouden houden, en hun zorgvuldigheid door hun voorbeelden zouden aanscherpen; luie mensen, opdat ze zich zouden verbeteren en dit ook zouden doen; achtelozen, en onverschilligen, en degenen met een weinig vooruitziende blik, zouden van de insecten als leermeesters voorzorg leren, en hoe met hun zaken genoeg te doen te hebben; en ze zouden de ijver ervan navolgen bij het tijdig verzorgen en overbrengen van hemelse zaken, waarbij luiheid en onverschilligheid het schandelijkst en verderfelijkst zijn. Ook Agur stelt ons voor evenzo na te denken over de aanleg van mieren, zoals ook van sprinkhanen en spinnen, in Spreuken 30, 24 e.v., opdat hun bedrevenheid en ijver ons opwekt de plicht die op ons rust te vervullen. En wanneer de genoemde levende wezens, zoals ook de bergmuizen van vers 26,

[a 8]
die gewoon zijn hun nest in een rots te plaatsen (want dat het Hebreeuwse woord zo moet worden weergegeven, en niet met konijnen, menen niet weinigen, en niet de onbekendsten, van de vertalers, omdat konijnen hun holen niet in rotsen maken; en die zijn ook niet zo klein, en nietig, dat het juist is ze te rekenen bij de overige drie soorten diertjes die Agur hier bespreekt) door hem de kleine van de aarde worden genoemd, onderwijst hij daarmee dat geen van schepselen die een geringe omvang hebben, en nietig zijn, geminacht moet worden; aangezien wat ontbreekt aan de lichaamsomvang gecompenseerd wordt met amdere eigenschappen die God in hen heeft aangebracht. En zelfs wordt hier aanleiding gegeven, en niet de minste, om God en zijn wijsheid ten zeerste te bewonderen. Evenals die kunstenaars, die in de nauwste ruimte heel veel kunst laten zien, gehouden worden

[a 8v]
voor de kundigste*), zoals Galenus getuigt dat er voor een beeldhouwer in zijn tijd terecht de hoogste lof is gekomen, omdat hij de in een vierspan rijdende Phaëton verbazend kunstig op een klein ring zo had vorm gegeven, dat monden, teugels, tanden, zestien voeten en alle delen stuk voor stuk afgebeeld te zien waren°); op dezelfde manier heeft ook God, al heeft hij niet zo'n grote macht getoond in de kleinste diertjes, als in de grote, grotere en grootste, toch bij het vormgeven van die eerste een groter voorbeeld van wijsheid gegeven. En zoals God in dat boek van de kleinste levende wezens ons als doel heeft voorgesteld, dat we daarvan leren zijn roem en lof te bezingen, zo wil hij ook dat we dat boek bekijken en lezen, met de bedoeling dat we met hun voorbeelden onszelf aanvuren tot

*)  Vergelijk Goedaert, deel 1, Eenighe aenteyckeninghen (eind): "een gouden langachtige keten, die rontom den hals van een vloo wiert vast gemaeckt" en in de Latijnse vertaling p. 21: "catenulam, cujus annuli vix instar punctuli mediam concavitatem habent" (een kettinkje waarvan de ringetjes in het middem nauwelijks een holte van een puntje hebben).
°)  Ook bij Thomas Moffett (Muffet/Mouffet), Insectorum sive minimorum animalium theatrum, London 1634 (txt), Praefatio, [a 2]: "Galenus 17. de us. partium" ... "in exiguo annulo Phaetonta quadrigis invectum ita formaret ..."; hetzelfde lange citaat hierna op p. 218.

 b 
plichtsbetrachting, en beschaven tot nederigheid. Waartoe zouden we ons immers beroemen op krachten en verstand van onszelf en de onzen? Want zoals voor ons de grotere dieren in kracht uitmunten, zo doen de kleinste het in ijver. Één spin overtreft immers in de kunst van het weven van dunne draden alle vrouwen, en in de kunst van het bouwen alle mannen, die er zijn, geweest zijn, of zullen zijn. Ook de mieren en spinnen, hoewel ze weinig of geen voordeel voor het menselijk leven brengen, veeleer zelfs schade, heeft God ons voorgesteld, om ons te leren dat we niet alleen moeite moeten doen, de aard van die dieren te onderzoeken die voor ons leven tot voordeel en behoud dienen, maar ook ons erop moeten toeleggen

[bv]
de dieren te leren kennen, die aan voordeel, verzorging, of voeding van de onzen in het geheel niets bijdragen, ja zelfs die welke ons vaak het meest schaden. Wanneer Agur in genoemd cap. [30], vers 27 zegt dat er bij de sprinkhanen geen koning is, en dat ze toch allemaal dicht opeengedrongen wegvliegen, wijst hij erop dat hun geordend voortgaan zonder leider, en het omkeren, zowel tot schande is, als tot schaamte moet zijn voor die mensen, die onder een heerschappij levend, en meestal in kleiner aantal dan sprinkhanen, zich in één maatschappij verzamelend, wanorde veroorzaken, tot oproer aanzetten en branden van wederzijdse haat en onenigheid. Op deze manier zorgen ze ook voor hun eigen ondergang; terwijl sprinkhanen hier meer verstand van hebben en, wetend dat ze elk apart zwak zijn, in een zwerm

b 2
echter huiveringwekkend, zodat ze van de velden die ze bezet hebben nauwelijks te verdrijven zijn, hun krachten verenigen en in gesloten gelederen voortgaan. Tenslotte wanneer hij erop wijst dat de spin in de paleizen der koningen, hoe goed ook schoongehouden, en dagelijks door een grote toeloop van mensen betreden, zijn verblijfplaats bouwt, vers 28, maakt hij ons kenbaar hoe groot de waarde is van kunst, bedrevenheid en ijver; wij kunnen immers datgene bereiken waarnaar we streven en waarvoor we ons inspannen, ook al staan ons veel hindernissen in de weg. Hiermee staat duidelijk vast dat ook in de school van de insekten kennis van God de schepper en deugd te leren zijn, en daaruit op te maken, dat God zelf ons aanspoort hen niet alleen te beschouwen, maar ook na te volgen. Daarom heb ik gemeend dat ik geenszins iets zou doen dat onverenigbaar is met mijn studies en roeping,

[b 2v]
als ik deze Natuurlijke historiën over de oorsprong, gewoonten, manieren en verandering van insecten, door degene die ondervinding ermee had opgedaan op papier gezet en aan mij gegeven, op zijn verzoek en dat van enkele vrienden, in het Nederlands zou opschrijven, in het Latijn vertalen en uitgeven, tot meerder eer van God, en tot genoegen en voordeel van de lezers. Deze kleinigheden brengen namelijk ernstige dingen mee, en heel veel andere zaken; en het zijn toch geen kleinigheden, maar onbetwijfelbare en waar bevonden ondervindingen, het waarnemen ten zeerste waard, roemvol voor de allerhoogste God en schepper en bewaarder van alle dingen; door mensen te bewonderen, en strekkend tot algemeen voordeel. En wat voor werkje dit ook is en hoe klein ook,

b 3
ik wilde in de opdracht uw heerlijke en illustere namen zetten, weledele Heren. Het is maar een klein geschenkje dat ik aanbied, ik ontken het niet; het is ook vreemd, en toch is het niet van een vreemde, maar van mij; en de titel vermeldt ook dat het een vertaling is, maar toch niet alleen dit. En als naar zijn omvang wordt gekeken, of naar uw waardigheid en verhevenheid, dan is het klein, ja zelfs heel klein; gezien mijn krachten, hoewel gering zoals ik die voel, is het middelmatig; gezien de gezindheid van de aanbieder, heel toegewijd met eerbied en verering voor u, en naar de uitnemendheid van het onderwerp, is het groot, en mij leek dat het de naam van de grootste waard is, en niet onverdiend uw grote en heerlijke namen zou dragen in de aanhef. Toen iemand aan keizer Augustus een boekje aanbood (het lijkt mij dat hij als een smekeling werd

[b 3v]
gezien, of althans ik vermoed het) met bevende hand, die nu eens uitstekend en dan weer terugtrekkend, vroeg hij geestig aan hem, volgens wat een zekere Avienus vertelt bij Aurel. Macrobius, Saturnalia lib. II, uitgegeven te Parijs in 1585, p. 282, of hij dacht een muntje te geven aan een olifant? De keizer vond het immers ongepast en onjuist dat iemand naar de keizer toekwam als naar wilde dieren, of naar een Empousa, vervuld van angst en dat hij weinig vertrouwen had in diens welwillendheid, of in zijn eigen zaak. Van mening dat u dezelfde opvatting hebt kom ik met meer vertrouwen naar u toe om u dit boekje aan te bieden, maar allerminst als smekeling; want overeenkomstig die vrijgevigheid, die mij zo weinig is aangeboren, en grootmoedigheid, heb ik altijd gevonden dat het opdringen van boeken als smekelingen, en het aanbieden van de Muzen als koopwaren aan anderen, die ze

b 4
vaak tegen wil en dank kopen, bij de grootste schandalen en smetten van deze minder goede eeuw behoren. En dit vertrouwen waarmee ik naar uw huizen ga, wordt mij des te meer gegeven door uw afkomst en aangeboren wellevendheid, en de aanspreek­baarheid en welwillendheid als van een metgezel, mij door veel voorbeelden duidelijk gebleken; en die verschaffen ook hulp en bescherming aan het onderwerp dat wordt aangeboden en aan mijn plan. Dus niet steunend op vertrouwen in mijzelf maar op dat van u kom ik tot u. Ik ben er namelijk van overtuigd, dat dit werkje dat een Natuurlijke historie omvat, waarvan het onderzoek en de kennis zelfs niet misstaat bij vorsten, zoals Salomo, Alexander de Grote, Mithridates*), Diocletianus, Frans I, koning der Fransen, en anderen vroeger met hun voorbeelden hebben laten zien, u niet onwelkom

*)  Mithridates VI van Pontus, de Poison King, zie Mary Harrsch, 'Poison Honey and the Importance of the Classics', 2012.  Zie ook Plinius, XXV (1855), Chap. 3.

[b 4v]
zal zijn. Bij grote mensen passen grote dingen. Groot zijn ook Gods werken, dit boekje laat ze in ogenschouw nemen; en het verdient dus dat het wordt opgedragen aan u, grote heren. En zoals ik van het onderwerp en de inhoud, die goddelijk is, vertrouw dat het door zijn verdienste niet moeilijk door u zal worden ontvangen als iets dat welkom is; zo hoop ik van datgene dat erin van mij is, dat het niet anders dan met genegenheid en gunst door u verkregen zal worden. U, als studenten in goddelijke zaken, en zaken van de natuur, houdt zoveel van de goede letteren; en voor de beoefenaars ervan is er die wijd uitgebreide gunst van u, die voorkomendheid van gewoonte, die billijkheid van oordeel, en die vriendelijke aanspreek­baarheid, zodat u allen verleidt tot bewondering en verering van u. Trotsheid, die meestal een onafscheidelijke metgezel is van zeer rijke en illustere waardigheids­bekleders,

[b 5]
is bij u geheel verbannen. Terwijl velen zich dan pas groot vinden, wanneer ze anderen vanuit de hoogte bekijken, is voor u de waardigheid des te groter, naarmate de vriendelijkheid groter is, waarmee u ook mij welwillend hebt omarmd, en bejegend, al was ik nog niet eerder aan u bekend. Daar ik niet weinige, en niet geringe weldaden van uw zeer bereidvaardige welwillendheid dikwijls heb ondervonden, moest ik uitspreken dat ik er heel veel aan te danken heb, en hoezeer ik me gelukwens met uw genegenheid en gunst. Bovendien, mijne Heren Bestuurders van ons eiland, aangezien uw gebied voor mij als bewoner nu als het ware een andere geboortegrond is, en ik mijn naam vermeld bij degenen die het meest gebonden zijn aan gedienstigheid en gehoorzaamheid aan u, daar ik niet alleen aan niemand een enkel deel van de dienstvaardigheid

[b 5v]
jegens u wil overlaten, maar graag in alles wil voorgaan en voorlichten, ja zelfs overtreffen, zoals de rede het van mijn ambt vereist, en opdraagt, opdat niet gezegd of gemeend wordt dat ik als een ondankbare burger van uw district erin verblijf, moest ik en wilde ik in het openbaar getuigen, met dit als onderpand om zo te zeggen, dat ik aan verering van u zeer toegewijd en gebonden ben, en voor altijd zal zijn. Ook is dat, wat van mij is in dit werkje, op uw grond ontstaan, dus daar het als het uwe te zien is, werd het voor u bestemd, met de plichtsbetrachting en het getuigenis van een heel dankbaar hart. En toen de gelegenheid zich voor mij niet voordeed dit vollediger te doen, heb ik besloten dit nachtwerkje op te dragen aan uw zeer aanzienlijke namen als een blijvend gedenkstuk van mijn dankbaarheid, verering en dienstvaardigheid,

[b 6]
en ook voor het nageslacht na te laten. Neemt u het in ontvangst, al was het alleen om deze reden dat het van iemand is met de meest uitbundige geestdrift en verering voor u; en ziet u mij als iemand die u met de dienstvaardigheid die u toekomt bejegent, vereert en aanbidt, en die in overeenstemming daarmee niets anders wenst, dan dat hem vergund wordt u met elke soort dienst op eervolle wijze ter wille te zijn.
De Allerhoogste God moge u voor de kerk en de republiek lang bewaken, behouden, en beschermen in goede gezondheid, tot eer van zijn naam, tot voordeel van de kerk en van het vaderland, tot redding van uw zielen. En met deze wens eindig ik.
In Oosterlands-dijk op het Zeeuwse eiland Wolphaartsdijk, 2 december*) van het jaar Onzes Heren 1667.
Illustr. Nobilitat. & Dignit. VV.
Cultor Devotissimus
    Paulus Veezaerdt. V. D. M.

*)  "IV. Non. Decembr.", zie Paul Eber, Calendarium historicum, Witt. 1579, p. 384.

[b 6v]

Voorwoord

van de vertaler

Aan de welwillende Lezers.


Niets in de gehele natuur der dingen, die onder de hemel zijn, is goddelijker dan de mens. Toch zijn ook de insecten goddelijk. God heeft ze immers geschapen, houdt ze in stand, en bewaart ze, zoals alles. Bewonderenswaardig zijn de wonderen der natuur, onbetwijfelbare getuigenissen van de oneindige wijsheid en macht van een oneindige godheid. Gezien het uiterlijk lijken ze weliswaar lelijk en onaanzienlijk te zijn, als we ze echter van dichterbij bekijken, zullen ze heel anders verschijnen, dan ze met de opperhuid hadden beloofd te zullen zijn. Niet tevergeefs dus heeft onze auteur onlangs hun oorsprong en gedaante­verwisseling beschreven, maar met een zeer lofwaardig doel, ook met toejuiching uit het buitenland.
En zeker zijn de ondervindingen die hij vermeldt, zowel in dit deel als in het vorige van Metamorphosis Naturalis, niet alledaags, of weinig belangwekkend, en ze geven geen valse beloften van bruikbaarheid, maar zijn roemrijk voor God, als zijnde diens grote daden heel waardig, de katheders van filosofen niet onwaardig geacht, aan de ouden onbekend, door hen met luie slaperigheid veronachtzaamd, of niet waargenomen, en heel zeker, en ze strekken tot algemeen voordeel. Vandaar dat ik, toen mij vriendelijk werd gevraagd door de schrijver, de drukker en anderen, of ik het geraamte of concept van deze Historiën, kaal en ongekleed aan mij overhandigd,

[b 7]
met zowel een Nederlands als een Latijns kleed wilde bekleden, heb ik dit gedaan, om Gods lof te verbreiden, en de bruikbaarheid voor de menselijke samenleving naar voren te brengen; en ik wilde niet dat buitenlanders, die onze taal niet machtig zijn, of zij die deze ondervindingen in de Latijnse taal gedrukt willen hebben, deze heel nuttige en aangename dingen zouden moeten missen. Toen ik dus met dit werkje begon, heb ik het eerst in het Nederlands opgeschreven, vervolgens in het Latijn opgesteld, en ik heb eraan toegevoegd een paar moralisaties, ter lering, en nu en dan gelijke en afwijkende zaken, zoals de dialectici ze noemen*), ter illustratie en vermaak, vooral in het Nederlandse werkje, en enige glans en versiering van de woorden, zowel in het Nederlands als in het Latijn.
De door de schrijver samengestelde verhalen, beknopt opgeschreven, heb ik volgens zijn bedoeling uitgelegd en uiteengetrokken, na eerst de waarheid ervan te hebben begrepen en doorzien. Ik heb ook Griekse namen ingevoerd voor alle afzonderlijke rupsen, wormen, stammen van vlindertjes en poppen, als ze mij niet verschaft werden door de Latijnse taal, die immers in het samenstellen en afleiden veel ongelukkiger is dan de Griekse of onze Nederlandse. Wat de stijl van spreken betreft heb ik geprobeerd de aard, gewoonten, manieren en veranderingen van de insecten niet zo mooi en elegant mogelijk uit te drukken, maar zo deugdelijk en nauwkeurig mogelijk, zoals u, niet al te strenge beoordelaars van zaken, zult onderscheiden. En hoe licht van gewicht en gering deze moeite van mij ook lijkt, ze kan heus niet beschouwd worden als geen enkele moeite; zij die in dit soort zaken en dergelijke de proef hebben genomen ze in het Latijn uit te drukken, zullen mijn nachtwerk op de juiste manier afwegen.

*)  Zie b.v. Arend Fokke, 'Redenkunde' in Catechismus der weetenschappen ... (1786), p. 38.  Cicero, 'De partitione oratio', [7]: "aut similia aut dissimilia aut consentanea aut dissentanea" (of gelijke of ongelijke of overeenstemmende of afwijkende).

[b 7v]
Ook heb ik het ondernomen deze ondervindingen toe te lichten met een Commentaar en noten, zie van deze Metamorphosis dit deel, p. 211, caput 1, Over de oorsprong, het nut, en de bruikbaarheid van insecten (want zo moest de titel ervan luiden); het is maar een begin, en het is afgebroken. Toen ik dit afmaakte had ik beslist, dat men het als juist beschouwt dat ook mensen oorspronkelijk niet van demonen afkomstig kunnen zijn, zoals ook niet van een incubus of succubus. Verder ook dat niet een ziel van de aardbol, die sommigen daarin aannemen, deze insecten voortbrengt. Ook de mening uit de eerbiedwaardige Oudheid die in omloop is, en die algemeen wordt toegeschreven aan Aristoteles als eerste schrijver, dat het leven van insecten voortkomt uit een werking van de materie*), had ik in het genoemde hoofdstuk willen weerleggen, en ervan bewijzen dat die bij Aristoteles nooit is opgekomen. Na weerlegging van de meeste, zo niet alle meningen over de werkende oorzaak van die welke spontaan ontstaan heten te zijn, de echte werkende oorzaak bevestigen en dan pas, na het nut en de bruikbaarheid van de insecten te hebben vastgesteld, een eind te maken aan het eerste hoofdstuk.
In hoofdstuk 2, 3, 4 e.v. had ik me voorgenomen te laten zien welk afzonderlijk nut en voordeel vliegen, vlinders, sprinkhanen, spinnen en dit soort insecten hebben, volgens de bedoeling van God, en in overeenstemming daarmee en met de rede. Hoeveel gedaanten zijn er niet van, hoe onuitputtelijk is de schat van de natuur? Hoeveel kan eruit opgediept worden door inspanningen van schrandere mensen? En welk voordeel zou er voor de mensen kunnen komen, en komt er, van afzonderlijke rupsen en hun veranderingen? Tenslotte, in het

*)  Lat. "e potentia materiae", vgl. Jan Swammerdam, die een passage uit Harvey's Exercitationes de generatione animalium (1651) citeert, vertaalt en afwijst, in Historia insectorum generalis, ofte algemeene verhandeling van de Bloedeloose Dierkens (Utr. 1669), p. 39: "uyt kragt van de voorwesende stoffe".  Goedaert laat hij niet ongenoemd, zie p. 44 e.v.  (Ook niet in Ephemeri vita of afbeeldingh van 's menschen leven, 1675: p. 7, 204.)

[b 8]
hoofdstuk Noten, het laatste, te onderzoeken welk vooropgesteld doel de schrijver heeft bij elke ondervinding? En wat daaruit duidelijk blijkt aan filosofische waarheid ten aanzien van de oorsprong van elk insect?
Maar aangezien buitenlanders, Fransen enz. dit werkje al dringend lijken te verlangen, zoals ook hier verblijvende mensen, die het eerste deel in het Latijn hebben, dit graag zien komen, en aangezien dit deel al tot een zodanige omvang is uitgegroeid, dat het makkelijk gepubliceerd kan worden, is aan de drukker aangeraden, de behandeling van alles wat erin gezegd is uit te stellen tot de tijd dat het derde deel van deze Metamorphosis ter perse zal gaan, zo God wil; hiermee wordt misschien binnenkort begonnen, en tegelijk zullen de ondervindingen worden gedrukt en van het nodige voorzien.
De voortgezette Noten met hun nummers in deze Historiën, zijn dus tegelijk met het derde deel te verwachten, zoals ook een heel rijke index van alle vermeldens­waardige zaken in alle delen van de Metamorphosis. U wordt gevraagd ondertussen gebruik te maken van deze ondervindingen en ervan te genieten, en de vergissingen die in de noten van het aangevangen hoofdstuk 1, vooral in de katernen O en P, zijn binnengeslopen voor lief te nemen en te verbeteren.
Hiermee naar behoren gewaarschuwd kunt u dus het werkje ingaan, ik zal u verder niet ophouden.

[b 8v]

Op de beeltenis

[Vertaling H. P. Snelleman*)]

Met hetzelfde genie, waarmede de natuur de gaven van haar gemoed tentoonspreidt
door middel van de zaden, die in andere vormen overgebracht worden,
met datzelfde genie heeft Goedaert het eerst en met bijval aan de wereld verkondigd,
op hoevele duizende wijzen de hernieuwster, de liefelijke kracht, hier ronddartelt,
op hoevele manieren de insekten, de wonderen der kleinere schepping, van gedaante verwisselen:
Zie hier de beeltenis van den man, die, getroffen door een straal van den Olympus,
een ongewonen weg heeft betreden en eeuwigen roem heeft gevonden
bij de kleinste bloedelooze monsters [monsters die zonder bloed geboren worden].
De Natuur, de voedende moeder, staat verbaasd over het gevondene en brengt
haren dank aan de studiën van haren tot nu toe onbekenden voedsterling.

F. v. Kuyl.    

Johannes Goedaert


*)  H. P. Snelleman Cz. 'Johannes Goedaert', Album der Natuur, 1877, p. 209. In dezelfde jaargang, p. 307-318: S. C. Snellen van Vollenhoven, 'Determinatie der platen in het werk van Joannes Goedaert'.

 1 
METAMORPHOSIS NATURALIS,
Tweede Deel.

Ned.




211
PAULUS VEEZAERDT

Vermeerdering van noten

bij het tweede deel van

METAMORPHOSIS NATURALIS
of
Aanhangsel over nut en gebruik van insecten

Cap. 1.   Noten bij de ondervindingen over  RUPSEN en WORMEN

Bij theologen en orthodoxe filosofen wordt algemeen erkend dat de driemaal allerhoogste God zich bij het scheppen van alle dingen en het behoud van de schepselen een tweeledig doel heeft gesteld*); een eerste of hoogste, en een tweede dat ondergeschikt is. Het eerste is roem voor zichzelf, en erkenning en verering. Want de Heere heeft alles gewrocht om wille van zichzelf, Spreuken 16.4°). Uit hem, en door hem, en tot hem zijn alle dingen; hem zij de heerlijkheid in der eeuwigheid, Rom. 11.36. Want zijn onzienlijke dingen

*)  B.v.: Matthias Hafenreffer, Loci theologici (Tub. 1603), p. 91.  En: Johann Gerhard, Loci theologici, T. 2 (Ff & Hamb. 1657, p. 13; 1e ed. Jena 1611), hieronder meermaals aangehaald zonder bronvermelding (p. 214, 224).
°)  Hier naar de Statenvertaling, in het Latijn uit de vertaling van François Vatable.

212
worden vanaf de schepping der wereld, uit de schepselen verstaan en doorzien, zowel zijn eeuwige kracht als zijn Goddelijkheid, Rom. 1.20. Daarom zegt de Psalmist in Ps. 103.22: Looft den Heere al zijn werken, aan alle plaatsen van zijn heerschappij. Immers, uit de schepping en het behoud, dat niets anders is dan een voortdurende en voortgezette schepping, komt de onmetelijke macht van God naar voren, omdat hij ze uit het niets heeft samengevoegd, en als het ware met zijn hand behoudt in wezen en bestaan, of in het blijven van hun toestand, opvolging, enz. Vervolgens ook zijn wijsheid, omdat hij alles met een bepaalde orde, graad en maat heeft geschapen, en ook nu nog in stand houdt, en daarin voorbeelden van goede en slechte eigenschappen aan de mensen voor ogen heeft gesteld; bovendien ook van zijn goedheid, die al wat hij verspreidt en waarin hij laat delen, als al het goede, uit zijn onuitputtelijke bron als beekjes naar zoveel mogelijk schepselen heeft willen leiden; zodat uit de kennis van Gods macht geloof ontstaat, en vertrouwen, uit de kennis van zijn wijsheid vrees, en eerbied, uit de erkenning van zijn goedheid liefde, en gehoorzaamheid.
Dit is gezien, niet slechts voor zichzelf maar ook voor de heidenen, door Tertullianus, in Apologeticus adversus Gentes, cxvii*), waar hij hen vanuit het scheppingswerk zal overtuigen van de verhevenheid van de goddelijke macht:
die brengt uit het midden van de theologische schat over God de dingen aan het licht, die bij het waarnemen van de verhevenheid van een zo grote godheid, toch door het menselijk verstand zo worden begrepen, dat ze ook aanvaard moeten worden

*)  Tertulliani ... Opera, ed. J. Pamelius, Franeker 1597, T. 3 [<], c. xvii, p. 42, r. 3-7 dan p. 41, r. 48-50, en p. 42, r. 8-10.

213
(de woorden zijn van Jac. Pamelius die commentaar geeft op de genoemde plaats), en dat het ons niet berouwt Christenen te zijn. Wat wij dus vereren, zegt hij, opdat u niet denkt dat u zonder religie Christenen zonder God bent, is één God, niet die ongeordende menigte goden die er bij u is. En hij is er niet zo een, die de geboortegoden en het ontstaan van een of ander eiland heeft gehaald, maar
[p. 41]  die deze hele massa met de hele uitrusting van elementen, lichamen, geesten uit het niets heeft gevormd, met het woord waarmee hij het beval, op de manier waarmee hij het indeelde, met de kracht die hem ertoe in staat stelde; zodat de Grieken de naam Kosmos aan de wereld hebben gegeven.
[p. 42]  Als u immers in deze massa de structuur, de orde en de oorzaak bewondert, is zijn kracht, inzicht en woord zodanig, dat hij alles gemakkelijk uit zichzelf heeft kunnen voortbrengen, opdat zijn verhevenheid met het zo grote werk van de natuur gesierd zou worden en bekend zou worden.
En deze drievoudige roem van goedheid, wijsheid en macht heeft God zelf met de schepping geopenbaard, toen hij zijn kenmerken in de schepselen heeft ingeprent, zodat ze ons als een spiegel dienen om die van hem te beschouwen en te verkondigen; zo zegt David immers in Psalm 8.4:
4. Als ik uw hemel aanschouw, het werk uwer vingeren, de maan, en de sterren, die gij bereid hebt,
en dan word ik ertoe gebracht uit te roepen:
5. Wat is de mens, dat gij zijner gedenkt? en de zoon des mensen, dat gij hem bezoekt?
6. En hebt hem weinig minder gemaakt dan de engelen, en hebt hem met eer en heerlijkheid gekroond.
7. Gij doet hem heersen over de werken uwer handen; gij hebt alles onder zijn voeten gezet.

214
8. Schapen en ossen, die alle; ook mede de dieren des velds.
9. 'T gevogelte des hemels, en de vissen der zee; 'tgene de paden der zeeën doorwandelt.
10. O Heere, onze Heere, hoe heerlijk is uw naam op de ganse aarde!
Vergelijk zo u wilt Ps. 19.2-4, Jes. 40.26 en Ps. 148.10, waar hij alle wilde dieren en lastdieren, kruipende dieren en gevleugeld gevogelte oproept tot Gods lof; daar ze immers tot zijn roem geschapen zijn; en deze wordt niet alleen verteld door de hemelen, maar ook de aarde verkondigt die, en alles wat daarin is spreekt die uit! Vandaar dat Augustinus vroeger over wonderen heeft gezegd, en ook wij kunnen over alle schepselen zeggen, dat ze hun eigen talen hebben*). Gezegend is degene die luistert naar de stem van een aanmanend schepsel, waarmee het zegt: Zie, mens, hoe hij u heeft liefgehad, die mij heeft gemaakt wegens u, opdat u hem zou dienen die mij en u gemaakt heeft°), om niet bij het laatste oordeel te moeten luisteren naar de dreigende stem, waarmee het vuur over de goddeloze zegt: door mij zal hij verbrand worden, het water: in mij zal hij verdrinken, de aarde en de hel: door ons zal hij opgeslokt worden.
God ziet dus dat zijn goedheid gedeeld kan worden, niet verminderd, en dat hij "uit zijn opperste goedheid", zoals Damascenus spreekt, de beekjes van zijn goedheid naar de schepselen heeft laten stromen, terwijl de bron ondertussen voortdurend onuitgeput blijft, en volstrekt niet verminderd wordt#).
Want door geen noodzaak gedwongen, door geen behoefte aan enig nut voor zichzelf gedreven,

*)  De eerder genoemde Joh. Gerhard, Loci theologici, T. 2 (1657, p. 13, 85) geeft als bron: "tract. 24 in Johann.", te vinden in Augustinus, Opera, T. 9, p. 86, C: "Interrogemus ipsa miracula ... habent enim si intelligantur, linguam suam" (laten we die wonderen ondervragen ... ze hebben immers, als ze begrepen worden, hun eigen taal).
Aansluitend in Loci theologici, nr. 85 staat ook het volgende t/m "opgeslokt worden".

°)  Dit "Vide homo, quomodo amavit te, qui propter te fecit me" wordt gezegd door de wereld; het komt voor in de 'Gesta Romanorum' (13e/14e eeuw), zie ed. Hermann Oesterley (1872), p. 316, maar ook al in: Hugo de S. Victore, De arca Noe morali, lib. 2, cap. IV bij 'Corpus corporum'.
#)  Dit bij Gerhard in nr. 84, evenals wat volgt t/m het citaat van Thomas ("... het doel van alle dingen."), met de bronnen: Damascenus, lib. 2. orth. fid. cap. 2; Augustinus, 11. de civ. Dei cap. 24 (Opera, T. 5, p. 131); Theodoretus, q. 3. in Gen. (Opera 1567, T. 1, p. 2); Eucherius, lib. 1 in Gen. (Comm. in Genesim, Rome 1564, p. 2); Thomas, p. 1. q. 46. art. 1 (T. 10, 1594, f. 162v, G).

215
maar alleen uit goedheid en heel vrije wil heeft God alles gemaakt wat hij gemaakt heeft, en ook nu nog behoudt. [Augustinus]
God had geen verheerlijkers nodig, hij heeft immers niemand nodig en is zich zelf genoeg, maar alleen door goedheid geleid heeft hij aan [de engelen, aartsengelen en] het schepsel van de wereld het bestaan geschonken. [Theodoretus]
Dus niet wegens een gebrek heeft hij de werken gemaakt, maar wegens zijn goedheid, en almacht, niet om met lof van mensen verheerlijkt te worden, maar om zich met zijn werken duidelijk te tonen. [Eucherius]
Mooi en heel waar dus verzekert Thomas dat God de oorzaak van de wereld is, en dientengevolge van echt alle daarin bevatte dingen en levende wezens de doel-oorzaak om zijn goedheid, voorbeeld-oorzaak om zijn wijsheid, en werk-oorzaak ten aanzien van zijn macht; en met dit argument, dat althans volgens mij boven alle verdenking staat, in Sum. Theol. p. i. q. xliv. A. 4.*) in de conclusie: Daar God het eerste werkende [agens] is, is hij ook het eerste doel van alles, dat wil zeggen (van alle andere dingen dan God, zoals Cajetanus in de aantekeningen terecht zegt, en bewijst, aangezien deze verhandeling over de oorzakelijkheid van God gaat over dingen buiten hem), hij is het ook noodzakelijker­wijze.
Elk werkende werkt wegens een doel (dit is onwrikbaar); nu zijn er sommige die tegelijk werken, en het uithouden, en dat zijn onvolmaakte werkenden, en hiermee komt overeen, dat ze bij het werken ook ernaar streven iets gedaan te krijgen. Maar met de eerste Werkende (namelijk God), die slechts een werkende is, komt niet overeen dit te doen wegens het verkrijgen van een of ander doel, maar hij streeft er alleen naar zijn volmaaktheid mee te delen, dat is zijn goedheid; en elk schepsel streeft ernaar

*)  Divi Thomae Aquinatis ... Tomus decimum (Ven. 1594), 'Summa theologiae' 1 (ed. Cajetanus), quaestio 44, articulus 4, f. 156v, I.

216
zijn volmaaktheid te bereiken, dat is gelijkheid aan de goddelijke volmaaktheid en goedheid; zo is dus de goddelijke goedheid het doel van alle dingen.
Verder brengt hij ter sprake, bij de conclusie van Quaest. lxv. art. 2. dat alle zichtbare en lichamelijke dingen daadwerkelijk door God zijn voortgebracht, op grond van dit streven van God de goddelijke goedheid voor ogen te stellen; en hij bewijst het met het feit dat er inderdaad afzonderlijke schepselen zijn wegens de volmaaktheid van het universum;
maar dat het universum met de afzonderlijke delen wordt ingericht naar God, als naar het doel, voorzover daarin door enige nabootsing de goddelijke goedheid voor ogen wordt gesteld tot eer van God*).
Cajetanus leert op de genoemde plaats dat dit kenbaar gemaakt wordt door te laten zien en te verdelen wat de doelen zijn van een of ander geheel en de delen ervan, volgens een viervoudige gesteldheid en rang: ten eerste van de delen naar hun werkzaamheid, ten tweede van de delen onderling, ten derde van de delen naar het geheel, en ten vierde van het geheel naar het uitwendige doel. En het wordt bewezen
omdat het universum er is voor het nabootsen en voor ogen stellen van de goddelijke goedheid, wat wil zeggen tot zijn roem te worden ingericht; en wat volgt wordt daardoor bewezen, dat uit alle schepselen het universum wordt samengesteld, zoals uit delen een geheel; maar hierdoor is het doel van het geheel hetzelfde als dat van de delen.
En daar dit zo is, kan er voor niemand twijfel zijn: zoals hij al het onzichtbare en het zichtbare heeft geschapen om zijn wijsheid en macht en goedheid mee te delen, zo ook de Rupsen en al dit soort insecten; en met deze doeleinden heeft hij ze voortgebracht, of ingericht. Het zijn immers getuigen

*)  Divi Thomae ... (Ven. 1594), 'Summa theologiae' 1, quaestio 65, articulus 2, f. 221v, F.

217
van de onbetwijfelbare macht van de Schepper, en ze geven ons aanleiding deze altijd te prediken en bekend te maken, omdat de soorten ervan niet alleen zeer afwisselend zijn, om niet te zeggen oneindig, maar ook bewonderenswaardig, ja zelfs de hoogste bewondering waard. Wie is immers een zo achteloze beoordelaar van goddelijke zaken, dat hij niet benieuwd is naar de oorsprong van deze diertjes, de schitterende bekoorlijkheid erin, de verschillende kleuren ervan, aangenaam om te zien, de rijkdom aan schakeringen, de gedaanteverwisseling, en de overvloedigheid, en ook de verbijsterende wonderen van de natuur, of liever van de goddelijke voorzienigheid, die er in te zien zijn?
Ja zelfs is het zeker dat in alle vuile en onaanzienlijke Insecten, zoals rupsen, wormen, motjes, en dit soort beestjes, hoe kleiner ze zijn, des te groter de godheid is die zich laat zien, des te groter de goddelijke kracht en macht die zich openbaart. Door Plinius is dat goed doorzien. Hij heeft immers vastgesteld dat nergens anders de natuur meer geheel is dan in het kleinste, en in die nietige, verachte, en er zijn er geen waaraan hij niet alleen de rede, en een heel grote kracht toekent, maar ook een ondoorgrondelijke volmaaktheid, of zoals anderen lezen onzegbare, Hist. Nat. boek 11, c. 2 [<].
Zo ook Galenus, in boek 17 van De usu partium [<]; waar hij de bewonderens­waardige voortbrenging van haren en het nut ervan had uiteengezet, en in deze woorden uitbarstte die ik zal overschrijven, al zijn het er nogal veel, aangezien ze bewijskracht met zich meebrengen.

218
Hij zegt:
Als in zulke nederige en onbetekenende delen zoveel goddelijke kracht zit, hoe groot moet dan de uitstekendheid geschat worden die heerst in het hart en de hersenen? Inderdaad, wanneer iemand die niet gebonden is aan een filosofische school, maar met vrije mening de dingen begint te beschouwen, gezien heeft dat in de gewoonste deeltjes zoveel verstand huist, en eveneens de bouw van een of ander heel klein diertje heeft gezien, begrijpt hij de uitstekendheid en zal hij uit de beginselen van de geneeskunst een theologie opmaken, die veel groter en uitnemender is dan de hele geneeskunst. Ik meen dat geen volk of samenleving, waar een of andere vorm van godsdienst is, iets dergelijks heeft als de heilige feesten van Eleusis, of van Samothrace; toch leren die, hoe duister ook [God of een godheid zou erbij nodig zijn], het verstand in alle dingen, dat in de bouw van alle dieren voldoende tot uiting komt.
Je moet namelijk niet denken dat er alleen in de mens zoveel kunst van de bouwmeester is, als hierboven is uitgelegd, maar welk ander dier je ook wilt ontleden, je zult er evenveel kunst en wijsheid in vinden. Ja zelfs die welke je helemaal niet kunt ontleden, zullen des te meer bewondering bij je opwekken, naarmate ze kleiner zijn. Want al is er onlangs voor een of andere beeldhouwer terecht de hoogste lof gekomen, omdat hij op een klein ring de in een vierspan rijdende Phaëton zo heeft vorm gegeven, dat hij de monden, teugels, tanden, zestien voeten en alle delen op een verbazende manier stuk voor stuk heeft afgebeeld; inderdaad, aangezien dit werk niets voortreffelijkers had dan de poot van een vlo [ik voeg eraan toe: van een Rups, een vlinder, een vlieg], zal blijken dat er een nog grotere kunst en voortreffelijkheid is bij de schepper van de vlo [rups, vlieg, enz.],

219
die deze niet slechts heeft vorm gegeven, maar ook zonder moeite, en het gevormde daarna voedt en vermeerdert.
Hier blijkt dus duidelijk dat de heidenen, alleen verlicht door licht van de natuur, en daarbij verblind, gezien en vereerd hebben dat de bewonderenswaardige macht van de godheid zich het meest openbaart in het kunstig vormen van de kleinste dieren, die ze niet hadden kunnen ontleden. Daarom is het aan ons, die door het licht van de Heilige Schrift worden verlicht, in alle Insecten, naarmate ze kleiner zijn, des te meer de hoogste kunst, wijsheid en macht van de Schepper te bewonderen en te verkondigen, tot zijn roem. Niets is immers goddelijker in de gehele natuur, behalve de mens, dan de insectjes.
Hoewel ze namelijk heel verachtelijk en onbetekenend lijken, toch, als we ze tot in het binnenste onderzoeken, zullen ze heel anders verschijnen, dan ze aan de buitenkant beloofden, en gevonden zal worden dat er veel meer wonder in zit, dan wat de gewone man verbluft bewondert, of afkeurt, van de theaters. Als iemand ten tijde van een inwijding of markt een dromedaris, kameel, leeuw, panter, olifant of krokodil, uit vreemde en heel ver van ons wijderde streken aangevoerd, en met goud gekocht, naar onze steden brengt, en aanbiedt om te bekijken, om hen die dit hevig verlangen geld uit de zak te kloppen, stroomt terstond al het volk daarheen,*)

*)  Olifant, theater, en zinnen van het volgende staan ook in Muffet 1634 [<], p. [av].

220
Overal vandaan met de begeerte om te zien —— *)
die trage torendragers, Lybische leeuwen, neushoornige ondieren, en
—— wilde lichamen van gevlekte panters°)
en in de ruimte van een theater kopen ze met geld zitplaatsen, ieder voor zich, om nieuwe ongewone en verbazende dieren te zien, en als er gelegenheid gegeven is te kijken naar de omvang en grootte ervan, zoals ook de kleuren en wat onder de zintuigen valt, verwonderen ze zich over de karakteristieken, ja zijn ze stomverbaasd. Maar
—— niemand werkelijk, niemand
of twee, of niemand #)
kijkt naar rupsen en hun nakomelingen, en de overige insecten, omdat ze helemaal niet zeldzaam zijn, en buitengewoon klein, en het is alsof ze een speling van de dartele of dronken natuur zijn, en alsof ze alleen nuchter die geweldige ondieren had kunnen verzinnen. Terwijl toch niet minder, ja zelfs meer in de kleinste, dan in grote dieren het vormend en ook behoudend vermogen van de Almachtige naar voren komt, tot roem van zijn naam. Er is dus geen reden waarom iemand zich meer zou verbazen over wilde dieren van een verbijstende omvang, dan over diertjes van de minste grootte, ja zelfs integendeel, omdat een bewonderaar meer neerkijkt op de laatste dan een stomverbaasde gewoonlijk opziet tegen de eerste; aangezien in de laatste de goddelijke kracht

*)  Vergilius, 'Aeneis' 2.63.
°)  Ovidius, 'Metamorphoses', 3.669.  Conrad Gesner, Historiae animalium, I (Tig. 1551), p. 946.
#Persius, 'Saturae', 1.2.

221
zich als machtiger kenbaar maakt dan in de eerste. Hieronder zijn er immers enige te vinden, zo klein en nietig, wat betreft delen en organen van het lichaampje, dat ze zoals de lijnen van Callicrates*) alleen door enkele ogen, zelfs als die van een Lynceus, en bij heel helder zonlicht duidelijk kunnen worden gezien en onderscheiden. En die toch door de Almachtige met verbazingwekkende eigenschappen van inzicht, speurzin, zorgvuldigheid, vaardigheid in het bouwen van hun verblijfplaatsen, in het strijden, spelen en werken zijn begiftigd. Met welk doel, vraag ik, anders dan tot zijn roem, en omwille van zichzelf.
Vermeldenswaard is wat Heraclides naar verteld wordt°) tegen zijn vrienden heeft gezegd toen ze waren uitgenodigd naar zijn huisje te komen en zij, afgeschrikt door de kleinheid en beperkte ruimte van het hutje of door vuil, niet naar binnen wilden gaan en voor de deur bleven staan: kom binnen, hier zijn immers ook goden in huis, aanduidend dat God het meest aanwezig is in alles wat heel onaanzienlijk en klein is. Dit kan namelijk werkelijk worden gezegd over deze alledaagse en vuile insectjes, en terecht; want er staat geschreven: die alles in allen bewerkt#), daarom ook in deze heel kleine, door hem geschapen tot roem van zijn naam. Dit is immers het hoogste doel dat hij voor ogen had bij het scheppen en in stand houden van alle dingen.

[ Tweede scheppingsdoel ]
  Daaraan ondergeschikt, en onderworpen, is het doel voor ons, en het nut voor de mens. En zo is alles ter wille van de mens geschapen, en tot zijn gebruik, wat door God is gemaakt, opdat namelijk alles zijn gebruik zou dienen,

*)  Plinius, Hist. Nat. 7.85: "Callicrates sneed uit ivoor mieren en andere diertjes zo klein dat niemand anders dan hij hun lichaamsdelen kon onderscheiden" (De wereld, p. 158).
°)  Ook door Muffet (1634), 'Praefatio', p. [a2] (citaat Grieks i.p.v. Latijn).
#)  Eerste zendbrief van Paulus aan de Corinthen, 12.6.

222
gezamenlijk en afzonderlijk, de hemelen zelf zijn van de Heere; en de Aarde, die hij aan de mensen-kinderen heeft gegeven, Psalm 115.16. Evenzo ook alles daarop. Daarom schiep hij hem en wel als laatste. Toen God immers volgens Mozes het wild gedierte der aarde en het vee had gemaakt naar hun aard, en al het kruipend gedierte des aardbodems, en gezien had dat het goed was, heeft hij gezegd, laat ons mensen maken naar ons beeld, naar onze gelijkenis, die heerschappij hebben over de vissen der zee, en over het gevogelte des hemels, en over het vee, en over de gehele aarde, en over al het kruipende gedierte, dat op de aarde kruipt, en zo schiep hij hen, man en vrouw schiep hij ze, en hij zei: hebt ook heerschappij over al het gedierte dat op de aarde kruipt, Genesis 1.25-28.
Zo hebben de vromen gemeend, en de orthodoxe kerkvaders. Justinus, Apol. 1. pro Christ.*) We hebben geleerd dat de wereld door God niet zomaar (of zonder reden) is gemaakt, maar wegens het menselijk geslacht, zoals ook Irenaeus, boek 4, c. 10, God heeft het tijdelijke gemaakt wegens de mens, opdat hij, daarin tot rijpheid komend, de onsterfelijkheid als vrucht zou dragen°). Dat alles geschapen is wegens de mens is hebben ook de heidenen gezien, zoals vaststaat uit Cicero, De natura deorum, boek 2#), en onder hen de Stoïci. Zie Laërtius in 'Leven van Zeno' [VII.1]. En de christelijke Cicero, Lactantius, De ira Dei, c. 13+), waar hij zeer uitstekend aantoont hoe alles wat in de wereld is, ook het kleinste, enkelvoudig of samengesteld, de mens dient; daar het immers door God gemaakt is voor zijn gebruik; en welk nut er is

*)  Justinus, Opera (Bas. 1555), 'Apologia pro Christianis ad Senatum Romanum', p. 145 (Ned. 1684).
°)  Irenaeus, Adversus Valentini et similium Gnosticorum haereses (Col. Agr. 1625), p. 327.
#133: "... de rede is immers wat alles overtreft. Zo wordt geloofwaardig dat de wereld gemaakt is omwille van de goden en de mensen ...", 154: "In het begin is de wereld zelf gemaakt omwille van goden en mensen ...".
+)  Lactantius, Opera omnia quae extant (Leiden 1660), p. 799.

223
in muizen, in motten, in slangen, al zijn ze voor hem lastig en gevaarlijk; dat er bij de voortbrengers en bij het aantal dieren wel veel zijn, waarvan het nut verborgen is, maar na verloop van tijd wordt het gevonden; zoals nu veel dat in vorige eeuwen onbekend was noodzaak en nut heeft gevonden; dat daarin vooral een geneesmiddel schuilt dat eens gevonden moet worden, zoals de Stoïci vermelden dat de as van een verbrande adder een beet van hetzelfde beest geneest. Lees hem, als u wilt, u zult geen spijt hebben van de moeite, dat beloof ik u. Terecht schrijft ook Damascenus in De orthod. fid., boek 2, c. 10: Er is geen dier of plant, waarin de Schepper en bouwmeester der dingen niet een of andere werking heeft aangebracht die tot nut van de mensen leidt*).
De Manicheërs in de tijd van Augustinus (ze zijn zo genoemd naar een of andere Pers die Mani heette, omdat hij is begonnen met zijn onzinnige leer te prediken, terwijl hij tevoren Urbicus heette, zie daarover Augustinus, de Haeresibus°), c. 46) hebben onder de afschuwelijke stank van fouten die uit de heel vieze mond van Mani wasemde, deze laster uitgebraakt, dat God veel heeft gemaakt wat niet nodig is voor de mensen, en ook enkele dingen die gevaarlijk zijn. Maar de bisschop van Hippo heeft terecht het volgende ertegen ingebracht:
Wanneer ze dit zeggen begrijpen ze niet, dat alles mooi moet zijn voor de Schepper en bouwmeester ervan, die alles gebruikt voor het besturen van de wereld, waarover hij met zijn hoogste wet heerst. Maar als een ondeskundige

*)  Joh. Damascenus, De orthodoxa fide (Marp. 1602), p. 113-114.
°)  Augustinus, De haeresibus, ad Quodvultdeum (Genève 1576), f. 125-129 en noten f. 129-134; de afkeurende termen die volgen zijn van Lambert Daneau, zie noot 1, f. 129r; f. 131r: Cubricus, niet Urbicus.

224
de werkplaats van een handwerksman betreedt, ziet hij daar veel instrumenten waarvan hij niet weet waarvoor ze dienen, en als hij heel onverstandig is denkt hij dat ze overbodig zijn. En als hij nu op een onbewaakt ogenblik in de oven zou vallen, of met een scherp ijzeren werktuig, als hij het verkeerd hanteert, zichzelf zou verwonden, vindt hij ook dat daar veel gevaarlijke en schadelijke dingen zijn; de vakman echter lacht om zijn onverstand, omdat hij het gebruik ervan kent, en zonder te letten op dwaze woorden is hij voortdurend in zijn werkplaats bezig.
En toch zijn er mensen zo dwaas, dat ze bij een vakman niet durven afgeven op dingen die ze niet kennen, maar als ze die gezien hebben wel geloven dat ze noodzakelijk zijn en voor een of ander gebruik ingericht; daarentegen durven ze in deze wereld, waarvan de Schepper en bestuurder God genoemd wordt, veel af te keuren waarvan ze de redenen niet zien en in de werken en instrumenten van de Almachtige bouwmeester willen ze lijken te weten, wat ze niet weten.
l. 1. de Gen. c. Manich.*)
En Lombardus de 'Magister Sententiarum' [meester van de meningen] l. II. dist. XV.°) met de titel Of giftige dieren schadelijk zijn geweest na de zondeval, of begonnen zijn te schaden wegens de zondeval, en daarvoor gemaakt als onschadelijke dieren?  Hij antwoordt als volgt:
Over giftige en gevaarlijke levende wezens wordt vaak gevraagd, of ze na de zondeval van de mens als straf zijn geschapen, of veeleer, na als onschadelijk te zijn geschapen, begonnen zijn zondaren te schaden? Gezegd kan zeker worden dat schepselen de mens helemaal niet zouden hebben geschaad, als hij niet had gezondigd.

*)  Augustinus, Opera, T. 1 (Antv. 1576), 'De Genesi contra Manichaeos', boek 1, c. 16, p. 350, A, B. Evenals het vorige citaat van Damascenus staat dit in: Joh. Gerhard, Locorum theologicorum ... Tomus secundus (Jena 1611), p. 52 (zonder de voorafgaande afkeurende termen van Daneau).
°)  Zie Scriptum D. Thomae Aquinatis ... in secundum librum Sententiarum magistri Petri Lombardi (Rome 1570), 'Distinctio XV', f. 48r.

225
Want ze zijn begonnen te schaden om fouten af te straffen en af te schrikken, of om deugdzaamheid aan te bevelen en tot stand te brengen. Ze zijn dus onschadelijk geschapen, maar wegens de zondeval zijn ze schadelijk gemaakt.
Waar in de marge als getuigenis wordt aangehaald Aug. lib. de Gen. ad lit. III. c.15*).
Bij dit antwoord zeggen de Scholastici: dieren zijn op de ene wijze verordend voor het nut van de mens volgens de toestand van onschuld, op de andere wijze volgens de toestand na de zondeval. Volgens de toestand van onschuld met een viervoudige reden; ten eerste om de heerschappij van de mens duidelijk te maken; ten tweede om de woonplaats van de mens te sieren; ten derde om bezinning bij de mens op te wekken, zodat hij de wijsheid van de schepper zou leren kennen; ten vierde om zijn gevoel te beroeren, zodat hij zou worden opgewekt God lief te hebben. Volgens de toestand na de zondeval menen ze dat de onschadelijke dieren zijn verordend voor voedsel, kleding, gedienstigheid en troost; de schadelijke om voor straf te kwetsen, of gezond bezig te houden, of nuttig op de proef te stellen, of onwetenden te leren.
Op innemende wijze zegt Bernardus het, in Sermo V. super Cantica fol. cxviii. vers. a. Edit. Paris.°)
Wat als sommige levende wezens lastig bevonden worden, voorzover hun gebruik betreft, en in het geheel niet geschikt voor de praktijk van menselijke behoeften? Ze zijn zeker goed om te zien, als ze niet te gebruiken zijn, ze zouden nuttiger kunnen zijn voor de harten van hen die ernaar kijken dan voor de lichamen van hen die ze gebruiken. Al staat vast dat ze schadelijk zijn, en ook gevaarlijk voor het tijdelijk welzijn van mensen, toch hebben ze lichamen, waardoor ze meewerken tot voordeel van degenen, die volgens

*)  Augustinus, Opera, T. 3 (Antv. 1576), 'De Genesi ad literam', p. 213.
°)  Zie: Sancti Bernardi ... Opera omnia. (Par. 1640), p. 571; ook in Gerhard, Loci theologici, T. 2 (1657, p. 14, 88). In het Frans: 1686, p. 40 (1e ed. 1663).

226
het voorgestelde heilig genoemd zijn. En al lenen ze zich niet tot voeding, of het verrichten van diensten, door het verstand aan het werk te zetten zoals dat in elk geval aanwezig is bij ieder die de rede gebruikt, is er zeker een resultaat van de gemeenschappelijke kennis waardoor onzichtbare dingen [van God] worden gezien door middel van die welke waarneembaar gemaakt zijn.
Dus alle schepselen, zoveel als er zijn in het geheel der dingen, zijn goed, ook al zijn ze noch voor alles geschikt, noch voor sommige dingen. En alle dieren, ook alle kleinste en verachtelijkste, zoals Rupsen, wormen enz. zijn van zichzelf en naar hun aard goed, ja zelfs verordend tot welzijn en voordeel van de mens. De goddelijke goedkeuring van alle dingen, gegeven in het begin na het scheppingswerk, bewijst dit, zie Gen. 1.31: En God zag al wat hij gemaakt had, en zie, het was zeer goed. Met deze woorden voerde Mozes een personificatie in, waarmee hij veronderstelde dat God op een menselijke wijze, die hij begrepen wil hebben als bij God passend, nauwkeurig heeft gezien en overwogen, en als slotsom heeft bevonden, dat zowel zijn afzonderlijke werken als het gehele werkstuk van deze wereld, zeer goed waren, dat wil zeggen in alle opzichten voltooid en zo volmaakt, dat er niets aan ontbrak, of verlangd zou kunnen worden, voorzover het een werk was om zijn roem te openbaren, en het voordeel en belang van de schepselen te bevorderen, en vooral van de mens, en dat derhalve ook alle levende wezens naar hun aard zó goed waren, dat ze ook goed konden zijn voor andere, en voordelig voor de mens. Over de afzonderlijke werken vóór de schepping van de mens

227
had Mozes eerder gezegd, dat ze door God als goed waren beschouwd. Maar nu de mens geschapen was, en alles ingericht wat betrekking had op zowel zijn behoud, als op de verbreiding van nageslacht, zegt hij dat God gezien heeft dat het hele werkstuk van de wereld heel goed was; dat wil zeggen in elk opzicht en geheel en al goed, niet het goede van het ene en het kwade van het andere, maar zo goed, dat ook de afzonderlijke delen van de wereld, en daaronder alle levende wezens, ook de kleinste, naar hun aard goed waren, en dat daarin eenvoudig niets slecht was, dat wil zeggen misvormd of nutteloos. Maar als iemand anders durft te oordelen, is zijn oordeel heel verschillend van dat van God; want God heeft heel zeker gezien dat elk van zijn werken heel goed was; in aanmerking genomen dat niemand beter dan hij over de dingen kan oordelen, en zijn oordeel is even integer, als volstrekt onfeilbaar. Daarom, al lijken veel dingen in de wereld ons herhaaldelijk slecht of nutteloos, of niet noodzakelijk, wij behoren in gedachten te houden dat God het heel anders heeft gezien.
Maar misschien werpt iemand tegen, dat insecten bij de eerste schepping van de dingen niet zijn gemaakt door God, maar dat ze dagelijks door verrotting ontstaan; en dat ze dus door Mozes niet bij het aantal schepselen worden inbegrepen. Maar laat hij toch als antwoord krijgen dat die, welke nu uit ontbindend materiaal van de aarde, van water, hetzij van planten of vruchten, of uit bedorven cadavers van dieren ontstaan, in het begin door

228
God zijn voortgebracht in potentie en in materie, of in hun oorzaken om met de Scholastici te spreken, evenals mensen en lastdieren, en al het levende dat ontstaat door directe generatie uit leven van de soort die ermee overeenkomt. God, de ontwerper van de natuur, heeft namelijk bij de schepping van alle dingen aan wat leeft twee manieren vergund om zich op hun beurt voort te planten, en hij heeft bij hen allen het vermogen en de geschiktheid om zich te verbreiden ingeplant, hetzij direct, hetzij indirect*), die hij zich met praktische voorzienigheid heeft veroorloofd, en in werking gesteld.
De ene manier is, wanneer een levend wezen door middel van zaad zijns gelijke voortbrengt, zoals de mens een mens, de hond een hond verwekt. De andere is, wanneer levende wezens worden voortgebracht door levende wezens, of cadavers, of bedorven en verrotte dingen, die verschillend van soort zijn, en van deze wordt gezegd dat ze spontaan zijn ontstaan. Zo worden uit paardenmest kevers geboren, uit kaas en vlees wormen, uit vuil en excrementen vlooien, volgens de filosofen, en heel veel andere uit andere dingen, zoals de schrijver van de Metamorphoses met zeer duidelijke ondervindingen bewijst.
Het ontstaan hiervan, de oorzaak van het ontstaan, en het doel, wil ik nu onderzoeken, en wel ten eerste of van de levende wezens en die insecten,
Die zich vanzelf in het daglicht verheffen,°)
gezegd moet worden dat ze bij toeval ontstaan? Ik antwoord dat ze van nature niet

*)  Latijn: "generatio ... univoce, vel aequivoce", zie Algemeen kunstwoordenboek der wetenschappen (1734), p. 326.
°)  Vergilius, Georgica, 2.47/

229
bij toeval, en niet onvoorzien, maar uit zichzelf worden voortgebracht, en dat het doel ervan hetzelfde is, als van die welke uit zaad worden geboren door directe generatie, namelijk zoals soorten in individuën worden verbreid en behouden; en dat de natuur bij het voortbrengen ervan niet een afwijking vertoont, maar evenzeer een voorgenomen doel bereikt als wanneer ze uit zaad een ander compleet levend wezen voortbrengt. Het is namelijk niet zo dat een willekeurig insect zonder onderscheid uit iets willekeurigs voortkomt, maar bepaalde worden voortgebracht uit een bepaalde en vastgestelde materie, zoals de korenworm uit koren, kevers uit paardenmest enz. En op dezelfde manier, als al het benodigde voor het doen uitkomen is opgesteld, is het ook bijna op dezelfde tijd dat ze geboren worden, en sterven, en in andere soorten overgaan, zoals onze ervaren schrijver hier en daar en overal laat zien.
Herhaaldelijk wordt wel materie van het vanzelf ontstaande toevallig bijeengebracht en wordt ze, op deze of gene plaats opgesteld, geschikt voor generatie en verandering, tegen de bedoeling van degene, die de materie daarheen heeft gebracht. Maar ten aanzien van de natuur, en de oorzaken die deze insecten voortbrengen, kan de voortbrenging of verandering daarom toch niet voor toevallig gehouden worden. Als namelijk dat toevallig samentreffen van materie die generatie van levende wezens, daaruit voortgebracht, toevallig zou doen, dan zou ook gezegd worden dat toevallig, en niet vanzelf, die gegenereerd worden, die met generatie uit zaad worden voortgebracht uit eieren, naar vreemde plaatsen gebracht door iemand die op generatie niet

230
bedacht was; want in beide gevallen is de reden dezelfde. Al lijkt het dus toevallig te gebeuren, uit het feit dat materie hier of daar geplaatst geschikt wordt voor generatie kan toch niet worden opgemaakt, dat generatie uit zulke materie toevallig is; ja zelfs veeleer dat deze in beide gevallen vanzelf gebeurt, en op natuurlijke wijze. En ook blijkt niet dat er toevallig gegenereerd wordt uit het feit dat de eerste op meer plaatsen gevonden worden; want dit komt doordat op veel plaatsen makkelijk voor generatie en verandering geschikte materie te vinden is, en al het overige voor uitvoering vereiste aanwezig is. Hier geldt dus hetzelfde als wat dikwijls bij de andere levende wezens gebeurt, die uit zaad worden geboren, dat ze worden voortgebracht op verschillende plaatsen, als er maar geschikte en werkzame materie is, en het andere wat voor generatie vereist is, zoals aanhoudende ondervinding dit leert bij het ontstaan van planten. Wanneer dus het ontstaan van planten daarom niet toevallig kan worden genoemd, omdat ze op meer plaatsen ontstaan, kan ook niet uit het feit dat het vanzelf ontstane op meer plaatsen wordt voortgebracht, worden opgemaakt dat hun generatie toevallig gebeurt.
Verder heb ik besloten ook te onderzoeken: Wat de werkzame oorzaak is van het spontaan ontstaan van deze Insecten? Verschillenden stellen deze verschillend. Sommigen menen dat hun naaste werkzame oorzaak de Almachtige God is. Maar wij denken ons hierbij niet te moeten neerleggen; want het is wel ontwijfelbaar, dat God van alle dingen de oorzaak is

231
die schept en behoudt, maar toch niet de onmiddellijke en enige; want al heeft hij in de levende wezens de geschiktheid aangebracht om hun gelijken te verwekken, ze ontstaan toch niet door hem alleen, en niet onmiddellijk, maar ook door natuurlijke oorzaken. En aangezien volmaaktere levende wezens hun ontstaan niet alleen aan God, maar ook aan tussenliggende natuurlijke oorzaken te danken hebben, komt het met de rede overeen, dat deze insecten, die onvolmaakter lijken dan veel andere, hun ontstaan niet onmiddellijk van God alleen, maar ook door natuurlijke oorzaken krijgen. Bovendien, daar bepaalde insecten en vanzelf ontstaan leven van nature voortkomen uit een bepaalde en vastgestelde materie, moet niet worden stilgestaan bij de eerste, bovennatuurlijke en bovenfysische oorzaak, maar moet verder gezocht worden naar hun natuurlijke oorzaak.
Sommigen, onder wie Avicenna, en filosofen uit de Peripatetische school, hebben vroeger gesteld dat die door een of andere intelligentie onder God worden voortgebracht; maar zonder reden en zonder bewijs, het is zelfs onzinnig. We zien immers dat het natuurlijke voortgebracht wordt door natuurlijke oorzaken, het bepaalde door bepaalde, het vastgestelde door vastgestelde; dan is het ook zeker dat geschapen intelligenties hier niets voortbrengen, behalve door iets actiefs toe te passen op iets passiefs, of iets passiefs op iets actiefs; zodat van nature werkende dingen in eigenlijke zin de werkende oorzaken zijn van wat Engelen in zaken van het lichaam bewerken; daarom zou door degenen met deze mening bewezen moeten worden, dat de Engelen ter

232
voortbrenging van Insecten en van alles wat vanzelf ontstaat, iets actiefs toepassen op iets passiefs, en verder zou verklaard moeten worden welke hulp van natuurlijke oorzaken ze zouden gebruiken bij het verwekken ervan.
Er zijn ook anderen die hun toevlucht nemen tot de hemel, van mening dat die de oorzaak is van spontane generatie. Maar dezen splitsen zich in zeer verschillende meningen. Want sommigen van hen denken dat de hemel niet op eigen kracht de zielen ervan kan voortbrengen, en de levende wezens zelf doen ontstaan, maar deze tot stand brengt met de kracht van God, die met zijn bijstand aanvult wat onbreekt aan naaste en volgende oorzaken. Maar deze mening staat onder druk van dezelfde moeilijkheden die de eerste in het nauw brengen, die God alleen als onmiddellijk werkende oorzaak heeft, en tevergeefs zonder reden, ja zelfs buiten de rede, aan deze onderste sfeer dit gebrek toeschrijft, dat wat erin bevat is deze onvolmaaktere en onaanzienlijkere levende wezens niet kan voortbrengen, terwijl hiervan toch op natuurlijke wijze veel volmaaktere en aanzienlijkere dingen voortkomen.
Anderen beweren dat de hemel deze diertjes voortbrengt, als instrument van aandrijvende intelligenties. Maar deze listige mening heeft het daglicht niet kunnen verdragen; ze veronderstelt namelijk dat de hemel door intelligenties wordt rondgedraaid, wat niet de minste schijn van waarschijnlijkheid meebrengt, omdat het meer dan het Platonisch-poëtische verzinsel, zuiver en alleen bij gissing is, en heel ver verwijderd van elke neiging tot een meer gezonde filosofie,

233
al is het sinds vele eeuwen terug zonder voldoende onderzoek door de meeste Joodse, Arabische en Christelijke filosofen goedgekeurd en verdedigd. Verder, ook al zou de hemel door ronddraaiende intelligenties worden bewogen, dan zou het toch nog niet zo kunnen zijn dat hun instrument deze levende wezens voortbrengt; aangezien de Engelen die volgens deze dwaze en onzinnige gedachte de hemel draaien, er behalve aandrijving geen kracht aan geven waardoor hoe dan ook levende wezens kunnen worden voortgebracht; tenzij we willen verzinnen, waarover de Scholastici onbekommerd vragen stellen en redeneren, dat de hemelen voor de engelen ombuigen alleen door middel van verstand en wil, en dat ze daarvan als instrument gebruik maken bij het voortbrengen van deze levende wezens. Bovendien staat deze mening onder druk van dezelfde moeilijkheden als die, welke de engelen voorstelt als boetseerders van de spontaan ontstane wezens.
Er zijn anderen die verzekeren dat de hemel de voornaamste werk-oorzaak is van deze levende wezens, en ze op eigen kracht voortbrengt. En zij gaan weer in verschillende richtingen uiteen. Sommigen namelijk, van mening dat elk levend wezen voortreffelijker is dan iets dat niet leeft, en overwegend dat de voornaamste oorzaak door zijn werking niet onaanzienlijker kan zijn, hebben gesteld dat de hemel bezield is, en leeft. Enigen, die in de hemel het leven niet toelaten, en eveneens overwegend dat de oorzaak door zijn werking niet onaanzienlijker kan zijn, hebben staande gehouden dat het volmaaktste onder niet levende dingen, zoals de hemel is,

234
aanzienlijker is dan onvolmaaktere levende wezens, zoals ze zullen oordelen dat spontaan ontstane wezens zijn. Maar elk van deze beide meningen moet verworpen worden, de eerste omdat ze steunt op de foute hypothese, die de oude mening was van de Pythagoreeërs, Platonici, Egyptenaren, Grieken en Priscillianisten; dezen, te weten de laatsten, zijn zo genoemd
naar Priscillianus, een man*), zoals velen getuigen, en in de eerste plaats Isidorus, ook zelf een Spanjaard, en Spaans bisschop, aan een Spanjaard. En deze is door de redenaar Helpidius tot het geloof gebracht en opgeleid; en Helpidius zelf door Marcus, een of andere monnik die, voortvluchtig uit Memphis in Egypte, wegens een edict van Valens°) over het terugroepen van de monniken naar hun curies en het betalen van belasting ..., naar Spanje kwam; maar hij was al bezoedeld met de smet en het gif van Gnostici en Manicheeërs. ...
Dus op deze wijze betoverd heeft Priscillianus zijn dwalingen over Spanje verspreid, onder keizer Gratianus en bisschop Damasus van Rome, omstreeks het jaar 348 na Christus' lijden ... En met vreugde en gretig is hij door de meesten in Spanje ontvangen, vooral door de bisschoppen Instantius en Salvianus, en door hen is hij ook tot bisschop benoemd en gegeven aan de Laletaanse volken, aan de kant van Spanje dichter bij Rome ..., terwijl echter de bisschop van Córdoba Adyginus#) protesteerde. Toch heeft deze pest overwonnen, zodat ze niet alleen Spanje, maar ook Frankrijk en zeer velen in Italië kon bederven. Ze is ook tot in de Afrikaanse kerken doorgedrongen, na de zee te zijn overgestoken, waar

*)  Dit en het volgende is van Lambert Daneau [<], die even eerder zegt: ze zijn niet genoemd naar een Priscilla (vrouw). Zie Augustinus, De haeresibus, ad Quodvultdeum (Gen. 1576), f. 197v-199v, noot 1 bij cap. 70.
°)  Een edict van Valens wordt genoemd in W. Bright, History of the church ... (London 1881), p. 136 en in E. Gibbons, The history of the decline and fall ... (London 1837), p. 377, n.74, dat is van ca. 367 A.D (het genoemde jaar 384 is ca. 381 A.D.).  Zie ook P. Rabus, Kerkelyke historie van Sulpicius Severus (Rott. 1702), p. 425 (in 'Vervolg', uit Sleidanus; over 'Priscilliaan': p. 405 e.v.; tijdtekening: p. 344-346).
#)  Volgens Rabus 1702, p. 407: Hyginus i.p.v. Adyginus.

235
deze secte van Priscillianisten door sommigen ontvangen en behouden is. ...
[Dan uit n.2 van Daneau:]
Waarvan de vuilheden verschillend waren, alle echter uit de modder van anderen gehaald en vooral afgeleid van de poelen van Gnostici en Manicheeërs. ... En onder andere deze:
- dat de wereld niet door een goede God is geschapen, maar door een kwaadaardige en een Engel ...;
- dat Vader, Zoon en Heilige Geest dezelfde zijn, die voor verschillende functies en werken verschillende namen krijgt ...;
- dat sterren en planeten ... een ziel en de rede hebben, dat door hen de mensen geregeerd worden, de handelingen van het leven gestuurd worden en geleid, zodat deze gelukkig of ongelukkig zijn, en goed of kwaad ...;
- dat de zielen van mensen die naar deze lichamen gezonden moeten worden uit een of andere opslagplaats genomen worden, waar ze bewaard worden na te zijn geschapen ..., en dat ze, wanneer ze naar de aarde gestuurd worden, door verscheidene rijken van de voornaamste hemelen gaan, de sferen namelijk, en langs de hemelbollen, van elk waarvan ze een gift ontvangen ...;
- ook dat de mensen tegen hun zin slecht worden en zondigen, niet uit zichzelf, en niet door eigen keuze, maar gedwongen door de kracht van de sterren ...
Anderen hebben bovendien aan de hemel een ziel toegekend, sommigen een inteligente; zoals de Academici, over wie men kan raadplegen, als men wil, Piccolomini, zijn woorden zijn als volgt in het boek de Coelo c. xxiv.*)
De Academici hebben beweerd dat bij de hemel zintuigen passen zonder gemoedsaandoening, en vooral de meer uitstekende en meer geestelijke, [zoals het gezicht en het gehoor, want ze hebben bij de zintuigen vier rangen onderscheiden,] het eerste en uitstekendste hebben ze toegekend aan de wereldziel, zonder instrumenten, zonder moeite en zonder naar de dingen erbuiten te gaan, als

*)  Francesco Piccolomini, niet in: In libros Aristotelis De coelo (Ven. 1607), maar in:
Librorum ad scientiam de natura attinentium, pars 2 (Ven. 1596), f. 60v en in:
Naturae totius universi scientia perfecta atque philosophica (Ff. 1628), p. 732.

236
een of ander beeldend vermogen. Het tweede aan de zielen van de sferen en sterren, zonder instrumenten en moeite, maar met toegang tot wat erbuiten is.
En sommigen hebben daaraan gevoel toegekend zoals wilde dieren hebben, en ook voorstellings­vermogen, zoals Avicenna. Deze meende namelijk (de woorden zijn van dezelfde Piccolomini)
dat bij de hemel geen uitwendige zintuigen passen, maar een inwendig zintuig, en wel voorstellings­vermogen; daar de hemelziel immers de afzonderlijke omwentelingen moet kennen die erdoor worden veroorzaakt, en daar kennis ervan geen betrekking heeft op verstand vond hij dat het erbij past met voorstellings­vermogen. Plutarchus Lydus*) heeft volgens ... Philoponus ... ook op grond van de mening van Aristoteles volgehouden dat bij de hemel gevoel past, en ... Simplicius zegt [in secundo de Coelo 35]°):
misschien moeten de in materie uitgedrukte gevoelens wegehouden worden van de hemel, zoals smaak en reuk; maar de overige moeten er aan toegekend worden; daar de sferen elkaar onderling raken, raken ze elkaar niet zonder gevoel, evenzo zien ze alles en horen ze alles ...
Aangezien immers iets dat voelt te verkiezen is boven iets dat niet voelt, en een oordeel van de zintuigen volmaaktheid aanduidt, lijkt het niet te moeten worden weggehouden van de hemel, het voortreffelijkste van de lichamen. Daarentegen kennen de Peripatetici echter hogere zielniveau's toe aan de hemel, en wel verstand en wil, zonder de lagere.
Ook de Stoïci, getuige Lactantius de orig. error. lib. II. c. vi#), hebben beweerd dat de wereld bezield en wijs is, hij zegt:

*)  Bedoeld zal zijn Plutarchus van Athene (c.350-430).
°)  Simplicii ... Commentaria in quatuor libros De coelo Aristotelis (Ven. 1563), p. 163
#)  Lactantius, Opera (Leiden 1660), niet c. 6 maar c. 5, p. 166.

237
Ze redeneren immers als volgt: dat het niet kan zijn dat ze gevoel mist, omdat ze gevoelige wezens uit zich doet ontstaan; en de wereld doet de mens ontstaan, die gevoel heeft, dus moet ze zelf ook gevoelig zijn; evenzo dat iets waarvan een deel gevoel heeft niet zonder gevoel kan zijn, dus omdat de mens gevoelig is moet ook de wereld, waarvan de mens een deel is, gevoel hebben.
  Onder de Joden worden ook enigen genoemd die aan de hemel een ziel, inzicht en streven hebben toegekend, zoals ook onder de Mohammedaanse Arabieren; en dit is geen wonder, aangezien hun profeet Mohammed aan zon en maan geloof heeft toegekend. Maar verbazingwekkend is dat onder de Christenen Origenes gesteld heeft dat sterren goede en slechte eigenschappen kunnen hebben, en dat ze vroom God aanbidden. Want zo klinken zijn woorden, in lib. 5 c. Cels.*), waar hij betoogt dat de sterren niet door de mensen moeten worden aanbeden, maar veeleer de mensen door de sterren. Hij zegt:
aangezien ook de sterren aan de hemel rationele wezens zijn, met goede eigenschappen. ... En inderdaad is hun waarneembare licht het werk van de Schepper, doch hun met het verstand te begrijpen licht is misschien afkomstig van de vrije wil, die ze hebben.
En even verder:
En heel goed wetend dat Zon, Maan en sterren zelf God aanbidden, de Heer van alle dingen ..., zijn we van mening dat het niet nodig is onze gebeden te richten tot hen die zelf bidden, daar het immers ook voor hen aangenamer is, als we met ons gebed liever naar God gaan, dan naar hen, en laten we onze gebeden niet verdelen.
Verbazingwekkend is ook dat zelfs Augustinus zich weleens heeft afgevraagd, of de zon, maan en alle sterren tot de gemeenschap der Engelen behoren, hoewel voor sommigen lichtgevende

*)  Origenis contra Celsum libri octo, ed. W. Spencer (Cant. 1658), p. 237-238 (niet letterlijk geciteerd, b.v.: "a voluntate propria" i.p.v "a libero arbitrio"). Tegen de Griekse filosoof Celsus.

238
lichamen geen gevoel en inzicht lijken te hebben. Hij heeft met deze woorden immers een niet onduidelijke aanwijzing gegeven, dat voor hem zon, maan en sterren lijken te zijn begiftigd met gevoel en inzicht; want, zoals Scotus terecht zegt, ad Lomb. l. ii. d. xiv. q. i. v. 5.*) Augustinus spreekt twijfelend in Enchir. cap. 42, en voor hem Thomas Summ. i. q. lxx. a. iii.°): Augustinus liet het te betwijfelen over en zei dat, als hemellichamen bezield zijn, hun zielen behoren tot de gemeenschap der Engelen. l. ii. sup. Gen. c. xv. & Enchr. c. lviii. ad fin. t. iii.
Dat Hiëronymus ook dezelfde mening lijkt te hebben schrijft Thomas op de genoemde plaats, en Scotus zegt dat Hieronymus met dat bovenstaande hoort hemelen#), spreekt tot bezielde wezens. Ja zelfs, wat verbazingwekkender is, Thomas zelf en Cajetanus neigen naar deze mening van Augustinus en Hiëronymus; niet alleen verklaart Pereira dat in Gen. l. ii. q. vii. maar ze geven ook aanwijzingen met woorden in de tekst en het commentaar.
Ja zelfs Scotus is van mening dat dit gezegde van Augustinus dat de hemel een ziel heeft, door hem niet als verkeerd herroepen is, en al heeft hij naar hij zegt niet met een autoriteit en niet met de rede kunnen opsporen dat de wereld een levend wezen is+), volgens Scotus ontkent hij het daarom toch niet, maar lijkt wel duidelijk, dat hij in geen enkel geschreven boek vóór het 'liber Retractationum' had beweerd wat hij in dit boek herroept. Bovendien meent hij dat die uitspraak, die wordt aangevoerd over het boek van Augustinus 'de agnitione Verae Vitae', waar hij zegt: degenen die zeggen dat de hemelen

*)  R.P.F. Ioannis Duns Scoti ... Quaestiones in lib. II. sententiarum (Opera, Lugd. 1639), T. 6-2, p. 725, tegen Lombardus [<], distinctio 14.  Ook aangehaald in: Fr. Joh. Duns Scotus ... defensus ... amplificatus, ed. B. Baro, T. 3 (Col. Agr. 1664), p. 1.
Augustinus, 'Enchiridion ad Laurentium', c. 58 [niet 42] (Opera 1576, T. 3, p. 75): Of de zon, maan en alle sterren tot de gemeenschap der Engelen behoren ....

°)  Divi Thomae Aquinatis ... Tomus decimum (Ven. 1594), 'Summa theologiae' 1, quaestio 70, art. 3, f. 231v; zijn andere vermelding, boek 2 'De Genesi ad literam', cap. 15 (T. 3, p. 208-209): is de Maan wel perfect? Ja, altijd vol, ook al zien aardbewoners meestal een kleiner stuk. Elders(1867, p. 547): cap. 18 (p. 210): Of de hemellichten alleen lichamen zijn, of geesten als bestuurders hebben.
#)  Scotus noemt (p. 725, eerste noot) Deuteronomium, 32.1: "Neigt de oren, gij hemel, en ik zal spreken"; de bewerker noemt: Jesaja 1 [vers 2] en 45 [vers 8], ep. ad Pammachium [61, tegen Origenes "Astra animata esse" (dat sterren bezield zijn), zie Historia ecclesiastica, T. 3 (1699), p. 599, 9]. ,br.   +)  Augustinus Opera (Antv. 1576), T. 1, Retractationum lib. 2, p. 9, A (rechts).

239
met rede begaafd zijn, zijn zelf echt niet met rede begaafd, niets waard is, omdat dit boek niet van Augustinus is, of hij heeft het gemaakt na het 'liber Retractationum'. Daarenboven voegt hij eraan toe: als de hemelen niet bezield zijn, is dit een geloof, en niet met de rede geconcludeerd, wat volgens een verklaring van de scholiast Cavellus betekent, dat met de rede niet te concluderen is dat de hemelen niet bezield zijn.
Maar deze dingen zijn toe te schrijven aan de onbeschaafdheid van die eeuwen, de onwetendheid en een te gemakkelijke lichtgelovigheid ten opzichte van Aristoteles, en ze zijn te vergeven. Zoals immers in de eeuw, waarin Karel de Grote voor het eerst scholen openstelde en Aristoteles daarin invoerde, een zo grote onbekwaamheid heerste, dat geestelijken nog nauwelijks konden lezen; en kardinalen zelfs weigerden een paus [Sylvester II] in heilige grond te begraven, omdat ze in zijn kamer een boek hadden gevonden waarin wiskundige figuren waren getekend, en meenden dat het necromantisch was; zo waren ook in enige voorafgaande en volgende eeuwen onbeschaafde onwetendheid in ware filosofie en onverschillige veronachtzaming van het opsporen van waarheid, en slappe verwaarlozing van ziekte epidemisch, zoals ook de lichtgelovigheid waarmee uitspraken van Aristoteles, dikwijls niet gelezen, niet of slecht begrepen, of naar een andere betekenis verdraaid, gehouden werden voor principes van onomstotelijk bewijs. Want alleen op gezag van Aristoteles stond iets vast, de mensjes dachten dat ze de filosofie met blinde instemming uit hem moesten putten; en verder niets met eigen werkzaamheid onderzoeken;

240
maar ze deden moeite alles met de ogen van een ander bekijken, en alles te geloven met het geloof van een ander. En hieruit zijn allerlei fouten ontstaan die beschamend zijn, niet te verontschuldigen, niet te tolereren, zoals die van intelligenties die de sferen bewegen, een hemelziel enz. Die aan het licht te hebben gebracht betekent al ze te hebben weerlegd.
Deze ranzige mening over een bezielde hemel is verworpen en doorgeprikt door Sennert, zie Epitom. Nat. scient. l. II. cap. II*). Daarom, aangezien het onwaarschijnlijk is, en volstrekt niet te bewijzen, dat de hemel bezield is of leeft, kan de eerste mening over de werk-oorzaak van deze diertjes, een levende hemel, geen stand houden; zoals ook de andere van hen die wel ontkennen dat de hemel leeft, maar toch van mening zijn, overwegend dat de oorzaak niet onaanzienlijker kan zijn door de werking ervan, dat het volmaaktste van de niet levende dingen, te weten de hemel, de naaste werk-oorzaak is van de onvolmaaktste levende wezens, zoals voor hen deze vanzelf ontstane insecten zijn. Aangezien het zeer twijfelachtig is of op grond van aard en wezen iets dat niet leeft wel aanzienlijker kan zijn dan iets levends. Verder zijn de hemel en de zon, door middel van warmte en de invloed van de sterren, wel gemeenschappelijke oorzaken die zorgen voor generatie van alle levende wezens, en evenzeer van die welke uit zaad, als die welke uit rottende materie hun ontstaan krijgen; maar de laatste wordt gezocht in een naaste en onmiddellijke oorzaak. Er kan ook geen enkele onwrikbare reden worden

*)  Daniel Sennert (al eerder geciteerd), Epitome naturalis scientiae (Witt. 1633), p. 175: "Er zijn geen acties van een soort bezield lichaam ... geen organen. De hemel voedt zich niet, omdat in de hemel niets bederft of vergaat ... geen zintuigen ...".

241
aangevoerd, waarom de hemel meer en veeleer de generatie van spontaan ontstane wezens moet bevorderen, dan van uit zaad geboren wezens. Bovendien is door de aanhangers van die mening niet uit te leggen, op welke manier de hemel, als voornaamste oorzaak, soorten kan voortbrengen die zo verschillend zijn. Anderen waren dus van mening dat de wereld bezield is, en dat de ziel van de wereld de werk-oorzaak is van de levende wezens die spontaan geboren worden; aangrenzend is de mening van hen, die beweren dat deze aardbol bestaande uit water en aarde bezield is, en een leven leeft, en dat dit de oorzaak is van de Insecten die vanzelf ontstaan.
Deze meningen zijn niet nieuw. Want vroeger waren heel velen die toegedaan: Timaeus Locrus, Anaxagoras, Plato en de Stoïci. Navolgers van hen zijn onder de oude secten de Priscillianisten, enigen onder de Joden, Arabische filosofen, Avicenna, Averroes; van de meer recenten Campanella, Bodin, een anonieme schrijver [Jean d'Espagnet] van een Enchiridion Physicae restitutae, uitgegeven te Parijs in 1623, Sebast. Basson, Philos. Nat. l. de Nat. & anima mundi [>]. Maar de laatsten dwalen, en de eersten hebben zeer gedwaald, volgens de huidige en gemeenschappelijke mening van het hele Christendom, ook van de kerkvaders, scholastici en orthodoxe theologen. Ja zelfs heeft de vijfde algemene synode van Constantinopel, door keizer Justinianus in het jaar van Christus 538*) bijeengeroepen en verzorgd, deze mening gerekend tot de

*)  Het vijfde oecumenisch concilie werd in 553 A.D. bijeengeroepen door keizer Justinianus I.  Anathema's in: Summa Conciliorum, T. 1 (1778), p. 686-701 (Engl.), met Arius, Eunomius, Macedonius ... Nestorius, Eutyches bij Cap. XI.
  Hetzelfde jaartal (maar als "an. 538" i.p.v. "Anno Christi 538") in Gisberti Voetii ... Selectarum disputationum theologicarum. Pars prima (Utr. 1648), p. 851, 'Appendix ad disputationes De creatione tertia. Resp. Cornelio Bruynvisch°) Zirizaea-Zelando' (9. dec. 1643), An mundo aut saltem coelo insit anima ..., Of de wereld een ziel heeft, of alleen de hemel.
  Uit dit stuk heeft Veezaerdt meer overgenomen: Nicephorus en Baronius, Lactantius ... Thomas, Lorin in Ps., Scaliger ... anonymus autor 1623 (hierboven) ... "een dubbele natuur ...", 'pratologia' ... Nollius ... Chaos ... Paracelsica ... Kepler ... Stobaeus.

°)  Cornelis Bruynvisch geeft ook App. 1 (11 juli 1641) op p. 808 en App. 2 (16 sept. 1643) op p. 831, bij 10 disputaties 'De creatione' van Lubertus Spruitius (begin: p. 552).
STCN noemt een medische disputatie 'de sanitate' van Corn. Bruynvisch, Utr. 1641. Hij was van 1649 tot zijn dood in 1652 predikant te Zierikzee, volgens Tweehonderd-jarig jubelfeest (Zier. 1777), p. 207.

242
goddeloosheden en ketterijen, en evenals voor Arius, Eunomius, Macedonius, Nestorius en Eutyches een ban [anathema] werd uitgesproken, werden met een ban geslagen degenen die met Origenes zeiden dat hemel, zon, maan, sterren en de wateren die boven de hemelen zijn, in zekere zin bezield zijn en materiële krachten; getuige Nicephorus, die zegt dat hij die bannen heeft overgeschreven uit de acten van de synode, waarvan Baronius getuigt dat ze omstreeks het jaar 535 zijn geschreven, uit manuscripten van Antonius Augustinus.
Aan deze synode hebben de orthodoxe theologen echter niet hun goedkeuring gegeven; ze beoordelen namelijk deze mening als tenminste ranzig, fout, en verwerpelijk, ze houden deze niet voor ketterij, tenzij bij de fout halsstarrigheid komt, zoals ook Pineda verzekert in Ecclesiastic. 1.v.i. dat de gewone opvatting wel niet een geloofsartikel is, maar een kerkelijk dogma heel dichtbij het geloof, heel vaak voorkomend onder de kerkvaders, heel geaccepteerd onder de scholastici, dat nu door niemand is te aanvaarden, behalve met een ernstige terechtwijzing van onbezonnenheid*).
Vergelijk zo u wilt Lactantius de Orig. error. l. ii. c. v. [<]  Thom. Aquin. p. i. q. lxx. a. iii. [<]  Lorin.°) in Ps. xix (ipsi xviii) v. 2.  J. C. Scaliger de subtilit. c. Card. Exerc.#) vi. n. 2.
En deze mening splijt zich in verschillende richtingen en wordt op uiteenlopende manieren uitgelegd. Ze neemt immers een dubbele natuur aan, de ene ongeschapen, te weten de geest van God, schepper van de wereld, die in het begin op de wateren zweefde; de andere geschapen, in dienst van de eerste; de geest namelijk

*)  Pineda elders geciteerd: "het staat vast dat hemel en sterren niet bezield zijn", zie Balthasar Sigismund von Stosch, Politischer Staats Garten von XIII. Staats Bluhmen repraesentiret (Jena 1676), Dedicatio, p. c7v: "... judicium accuratum Pinedae in Ecclesiasten, Lib. 1. vers. 1.  Si non certa fide, inquit, constat tamen coelum & astra non esse animata tanquam dogma Ecclesiasticum fidei proximum, frequentissimum inter Patres, receptissimum inter Scholasticos, jam a nemine, nisi cum gravi impietatis nota non suscipiendum."
°)  Jean de Lorin, Commentariorum in librum Psalmorum T. 1, (Lugd. 1623), p. 322.
#)  Julius Caesar Scaliger, Exotericarum exercitationum liber XV, de subtilitate, ad Hieronymum Cardanum (Par. 1557), f. 10.

243
van het heelal of van het licht, in het begin geschapen en samengetrokken in het lichaam van de zon, leven gevende kracht en met een verborgen vruchtbaarheid begiftigd. vurige geest en onzichtbaar vuur; of deze mening echter met deze geschapen geest bedoelt een ziel in eigenlijke zin, en bij het leven behorend, is mij niet duidelijk. Maar tenminste is het een zeer grote vergissing een geest, schepper van de wereld, te houden voor de ziel van de wereld. Een werk-oorzaak kan op geen enkele manier de vorm van iets genoemd worden. Dit zou bijna overeenkomen met de 'pratologia' van die Arabier bij Maimonides, die God maakte tot de geest van de hemel.*)
Anderen maken van de ziel van de wereld en de geest van het heelal hetzelfde als het oervuur en de Chaos [diepe duisternis] van het begin, en beweren dat die niet alleen het oerwater in de chaos tot leven heeft gebracht, maar ook al het andere dat uit de chaos is voortgebracht. Zij beweren dat dit [vuur] de geest is, fijn verdeeld over al het oerwater, om dit zo te ordenen dat het verschillende vormen van verschillende soorten kan aannemen°); dat deze buiten de wateren niet kan bestaan, en door meedeling van het oerwater in alles zit wat uit de elementen is gemaakt, en zonder hulp van buiten zijn werkingen niet had kunnen tonen, maar is begonnen te werken toen God met zijn woord de chaos in beweging zette. Dat die [geest] echter niet een lichaam is, maar dit van elders aanneemt, en het naar de aard en verscheidenheid van kleurschakeringen daarvan op verschillende wijze ordent; en Ideeën van alle dingen in zich heeft, en naar de kracht van zijn verbeelding, door het goddelijke woord erin geprent, volgens

*)  Moses Maimonides, Doctor perplexorum, ed. Joh. Buxtorf (Basel 1629), p. 422 (Engl.): "Abubachar Alsaig in Commentario super librum Aristot. de Auditu", dat zal zijn Ibn Tufail van Philosophus Autodidactus (Ned. 1701, zie p. 159 e.v.).
Het boek van Aristoteles is de 'Physica', zie Jourdain, Recherches critiques sur l'age et l'origine des traductions Latines d'Aristote (Par. 1819), p. 321-324: Willem van Auvergne (1190-1249) zegt ongeveer hetzelfde als Maimonides (1138-1204), zie Guilielmi Alverni ... Opera omnia (Par. 1674), T. 1, p. 713 (rechts onderaan).

°)  Bruynvisch (noot p. 241) citeert deze zin en meer uit Henr. Nollius, Physica Hermetica (Fr.f. 1619), lib. 1, cap. 3 (p. 97), hierna genoemd.

244
die ideeën verschillende toestanden van zaden in zich ontvangt. En ze zeggen dat dit oervuur niets anders is dan de natuur, die voor Aristoteles het beginsel van beweging en rust is, enz. Deze Paracelsische fabel over een Wereldziel vooronderstelt dus de andere van Ovidius over de chaos*), dat er een lichaam is bestaande uit water en leven gevend vuur dat in werking is gesteld, en met het doel, dat alles wat in de wereld bevat is daaruit zou worden voorgebracht door het woord van God; zo zegt namelijk Henr. Nollius het, in boek 1 van Physica Hermetica, c. 2.3.4
Anderen verstaan onder de wereldziel evenzo de geest van het heelal, zoals Sebast. Basson Philosophia naturalis adversus Aristotelem, boek 'de Natura', intent. III [De anima mundi], art. 1. ed. Amsterdam 1649, pag. 302, waarmee God de afzonderlijke elementen niet anders beweegt dan ze uit zichzelf zouden bewegen, als die bewegende kracht erin was ontstaan, p. 308.
Kepler echter, Epitome Astronomiae Copernicanae, boek 1, kent aan de wereld en haar delen, en in het bijzonder de aarde, een ziel toe, die zelf een eigen soort vormt; want "ze laat de aarde niet groeien, voelen of redeneren, zoals met taal, maar drijft de genoemde werken slechts aan, alles alleen instinctmatig uitvoerend",°) en van deze ziel, die zich in het lichaam van de aarde bevindt geeft hij de aanwijzingen:
Ten eerste: "de voortdurende en merkbare onderaardse warmte",
Ten tweede: "de eigenlijke werken van de ziel, zoals de voortbrenging van metalen, mineralen en fossielen; het uitzweten van vocht, waardoor nooit opdrogende

*)  Ovidius, Metamorphoseon lib. 1, begin. Vondel's vertaling 'Herscheppinge' (1671) heeft 'Baiert' als naam voor de 'Chaos'; zie ook Hendrik Wyermars, Den ingebeelde chaos, en gewaande werels-wording ... (Amst. 1710), p. 4.
°)  Ed. 1618 (txt), p. 126; daar: "sed tantum movet, & promovet dicta opera" (maar wekt de genoemde werken slechts op en drijft ze aan), i.p.v. "sed ipsi tantum promovet dicta opera" (maar voor hem bevordert ze de genoemde werken slechts). De genoemde werken zullen de volgende zes zijn, bij Kepler staan ze ervoor (p. 125-126, door Veezaerdt niet steeds letterlijk overgenomen).

245
rivieren van de bergen afstromen, het uitzweten van nevels, en voortdurende vochtige uitwasemingen, of droge, daarvan komen luchtverschijnselen" [meteora];
Ten derde: "die rijkdommen die uit de ingewanden van de aarde worden gedolven", die in werkzaamheid warm zijn, zodat ze makkelijk ontvlammen, en in licht worden omgezet, waaraan de ziel te herkennen is, zoals zwavel, die metalen die vonkjes geven als ertegen wordt geslagen, en onderaardse vuren.
De vierde aanwijzing van een ziel die in de aarde woont is voor hem het vormend vermogen in de lucht, waarvan sprinkhanen, vliegen, enz. komen, niet anders dan luizen en vlooien, die in het lichaam van de mens geboren worden, aanwijzingen zijn van een of ander vermogen van de ziel die zich in het lichaam bevindt. Bovendien het vormend vermogen in water, waarvan zeevissen en riviervissen komen; in het oppervlak van de aarde, waaruit zoveel soorten planten en insecten vanzelf voortkomen, en het vormend vermogen in meer naar binnen gelegen grotten van de aarde. Als namelijk in de meer naar buiten gelegen schors van de aarde zich zo verbazende dingen laten zien, hoeveel wonderlijker dingen denk je dan dat er verborgen zijn in het heel ruime binnenste ervan, tot duizend en zevenhonderd mijlen!*)
Ten vijfde is er de toepassing van Meetkunde, die niet kan worden geleverd zonder werking van een verstand, en een ziel; de vijf regelmatige lichamen zijn namelijk in steentjes dikwijls te zien, en zeshoekige vormen in kristallen en zouten; van bijtjes als cellenbouwers concluderen we uit de zeshoekige vorm ervan dat ze een ziel hebben en op hun manier aan meetkunde doen.

*)  De laatste zin staat bij Kepler onder het 3e punt. Zijn 1700 mijlen (Duitse, van 7,5 km) voor de middellijn van de aarde zijn berekend op p. 28 e.v.

246
Het zesde en laatste argument voor een ziel die duidelijk aanwezig het lichaam van de aarde bewoont lijkt voor Kepler te zijn de Meetkunde erbuiten, en van de hemel, die bestaat in het samenkomen en opnemen van stralen, en de daaropvolgende beweging van onderaardse materie. De aarde doet immers volgens het voorschrift van de aspecten door uitzweting luchtverschijnselen ontstaan, waarvan de redenen zuiver meetkundig zijn. Zo concluderen we ook terecht over dat dier dat op de maat van een liedje de voeten beweegt, dat het zowel het liedje waarneemt als de maat begrijpt, en dus door een ziel wordt bestuurd.
En aangezien dit alles in de aarde is, neemt de aarde het allemaal waar, niet met taal, redenering en uitwerking, zoals mensen doen, maar met een oeroud instinct. Vandaar dat hij meent dat er ook een ziel in is, en dat longen ervan de werkende oorzaak van winden zijn, getuige Burgersdijck, Collegium physicum, Disp. XV, th. XI*). Dat heeft hij echter slechts voor de grap gezegd, zoals meer dan twintig jaar geleden, naar ik me herinner en heb opgeschreven, is gezegd door de heer Jac. Ravensberg°) P. M., professor in de filosofie aan de Utrechtse Academie, en mijn leraar. Zoals ook enige hedendaagse filosofen moeite doen schrijvers met deze mening van een wereldziel te verontschuldigen, alsof ze hieronder niets anders verstaan dan die algemene kracht, in alle dingen ingeplant, die Natuur genoemd wordt, en waardoor het komt dat lichamen graag met elkaar in contact zijn, en wel eens tot eigen schade het behoud van het geheel nastreven, en zo oordelen ze dat niets in deze

*)  Libert Froidmont, Meteorologicorum libri sex (Lov. 1646), p. 236 bestrijdt de uitspraak van Kepler verwijzend naar Harmonices mundi (Linc. 1619), lib. 4. c. 7. Op p. 162 vinden we daar: "als er een aanwijzing bij zou komen van buigzame delen in de diepte van de Aarde, die dienst zouden doen als longen of kieuwen".
°)  Over Jacob Ravensberg (Ravensperger, 1615/6-1650) zie: Christoph Lüthy, David Gorlaeus (1591-1612): An enigmatic figure in the history of philosophy (Amst. 2012), p. 140-141, 148.

247
opvatting moet worden afgekeurd dan verspilling van woorden.
Anderen menen ook dat Plato en de Platonici met de werelziel hebben aangeduid de goddelijke voorzienigheid en wat de Christenen met de Geest aanduiden. Maar Stobaeus zegt in Eclogarum, boek 1, cap. xxv duidelijk dat Plato heeft gesteld dat de wereld een "bezield levend wezen, gebruik makend van de rede" is, dat door zichzelf wordt gevoed, en dat hij de hegemonie ervan in de hemel heeft gesteld. Zo voert Cicero in Natura Deorum boek 2 [20] Zeno aan,
die als volgt kort samenvatte wat anderen uitgebreider zeiden*):
Wat de rede gebruikt is beter dan wat de rede niet gebruikt; en niets is beter dan de wereld, dus de wereld gebruikt de rede.
... En eveneens op deze manier:
Geen enkel deel van iets dat geen gevoel heeft kan gevoelig zijn; en delen van de wereld zijn gevoelig; dus de wereld heeft gevoel.
Hij gaat door en hij drijft je verder in het nauw, hij zegt:
Niets dat zonder ziel is, en zonder de rede, kan iets uit zich verwekken dat levend is, en in het bezit van de rede; ...; dus de wereld is levend, en in het bezit van de rede.
En dezelfde redenering heeft hij afgesloten met een vergelijking, zoals hij gewoonlijk pleegt te doen:
Als uit een olijfboom zuiver spelende fluiten zouden groeien, zou je er dan aan twijfelen of er in de olijf enige kennis is van fluit spelen? En als platanen welluidend klinkende citers zouden geven? Je zou natuurlijk hetzelfde denken, dat er muziek zit in platanen. Waarom wordt dan niet geoordeeld dat de wereld levend is, en verstandig, daar ze levende en verstandige wezens uit zich doet ontstaan?

*)  Cicero: "wat door ons uitgebreider wordt gezegd". Zie ook The treatises of M. T. Cicero on the nature of the gods ..., ed. C. D. Yonge (Lond. 1853), p. p. 52 e.v.

248
En even later [32]:
Laten we Plato aanhoren, om zo te zeggen de god van de filosofen, die aanneemt dat er twee bewegingen zijn, de ene een eigen beweging, de andere een uitwendige; en dat iets dat zichzelf uit eigen kracht beweegt, goddelijker is dan wat door iets anders wordt aangedreven. Hij stelt dan dat deze beweging alleen bestaat in zielen, en hij meent dat hiervan het begin van beweging wordt verkregen. Daarom, aangezien alle beweging voortkomt uit de hitte van de wereld, en deze hitte niet bewogen wordt door aandrijving van buiten, maar door zichzelf, moet ze wel een ziel zijn; waaruit is op te maken dat [de wereld] bezield is.
En hiermee zal ook begrepen kunnen worden dat daarin intelligentie is, omdat de wereld zeker beter is dan enige natuur. Zoals er immers geen deel van ons lichaam is dat niet van minder belang is dan wij zelf zijn, zo moet de hele wereld wel van meer belang zijn dan een of ander deel van het heelal. En als dit zo is, moet de wereld wel verstandig zijn; want als het niet zo zou zijn zou de mens, die een deel van de wereld zou zijn, aangezien hij de rede zou hebben gekregen van meer belang behoren te zijn dan de hele wereld.
Het is ook op dezelfde manier dat Plutarchus de mening van Plato over een wereldziel uiteenzet in Opusc. t. 3. de Plac. & Dec. Philosoph.*) l. ii. c. iii. Edit. Henr. Steph. A. 1572. Graec. p. 1632. & Lat. pag. 214. Waar hij, na de meningen over de wereld te hebben uiteengezet van Pythagoras, Thales en leerlingen van Thales, Democritus, Epicurus, Metrodorus, Empedocles, Seleucus en de Stoïci,

*)  Opuscula varia (Par. 1572), T. 3, p. 214, 'De placitis & decretis philosophorum'.

249
vraagt of de wereld een levend wezen is, en antwoordt dat "Alle overigen", bijgevolg ook Plato en de Platonici en de Academici, hebben gesteld dat de wereld "levend en met voorzienigheid geregeld" is. En in Opusc. t. i. de Iside & Osir. exempl. Graec. p. 660. & Lat. p. 619. zegt hij:
Plato geeft op veel plaatsen als het ware verhullend en bemantelend zijn mening: het ene van de tegengestelde principes (namelijk van de wereld)*) noemt hij het Zelfde, het andere het Verschillende. Maar in de boeken over de Wetten verklaart hij, als hij al ouder is, niet met omhaal van woorden of slechts als aanwijzing maar in duidelijke woorden, dat de wereld niet door een enkele ziel, maar misschien door meer, en op zijn minst door twee zielen in beweging wordt gebracht. De ene daarvan bewerkt het goede, de andere is het tegengeselde ervan en maker van de tegengestelden.
Hetzelfde in Quaest. Platon. cap. 2. tom. iii. Opusc. Graec. p. 1841. & Lat. p. 631, waar hij te kennen had gegeven dat de ontwerper van de wereld door Plato genoemd is de vader ervan, zegt hij [Plutarchus]:
Of er enig verschil is tussen een vader en een maker, verwekking en ontstaan? Zoals immers wat verwekt is, zeker ook is ontstaan, en niet andersom, zo heeft degene die verwekt heeft, ook gemaakt; ontstaan van een levend wezen is immers verwekking. Verder, een werk dat is vervaardigd door een maker, zoals een bouwmeester, een wever, liermaker of beeldhouwer, verdwijnt uit het zicht van zijn ontwerper; daarentegen is een kracht en beginsel van de verwekker de afstammelingen aangeboren, en het bevat zijn aard, een of ander klein gedeelte dat aan de verwekker is onttrokken.

*)  Plutarchus noemde even eerder de principes van het ontstaan van de wereld volgens de Pythagoreeërs (goed en kwaad, eenheid en tweevoud, eindig en oneindig, rust en beweging, enz.), van Anaxagoras (geest en het oneindige) en van Aristoteles (vorm en het ontbreken ervan).

250
Aangezien dus de wereld niet gelijk is aan geboetseerde of samengestelde werken, maar een groot deel bevat aan leven en goddelijkheid, die God van zichzelf in de materie heeft ingevoegd en bijgemengd, wordt hij niet ten onrechte genoemd zowel de vader van de levend geworden wereld ('zôiou gegonotos')*), als de maker ervan. Daar dit zeer dicht bij de mening van Plato komt ('toutôn de malista tès Platônos haptomenôn doxès'), overweeg eens of niet ook het volgende overtuigend ('pithanôs') gezegd kan worden, dus niet alleen waarschijnlijk maar ook waar:
Terwijl de wereld bestaat uit twee delen, lichaam en ziel, heeft God het lichaam zeker niet verwekt, maar hij heeft het, toen het van materie gemaakt was, vorm gegeven en in orde gebracht, het in bedwang houdend met zijn grenzen em vormen, en het oneindige afgrenzend. Maar de ziel, deelnemend aan verstand, rede en harmonie of muziek, is niet slechts een werk, maar ook een deel van God, en is niet door hem gemaakt, maar geworden uit zichzelf en uit hem.
In heel duidelijke woorden wordt ook de hele wereld één levend wezen genoemd, dat op een muzikale manier danst, en als gevolg bij het dansen tegelijk met zichzelf alles doet veranderen, door Plotinus, En. 4. l. 4. c. 32. & 35. en ook En. 2. l. 3. c. 9.°) Hij zegt dat de hele wereld deels is samengesteld uit een of ander lichaam en tegelijk een ziel die is overgeleverd aan het lichaam, en deels die ziel van het geheel is. Zoals ook Alcinoüs zegt, c. 13#), dat de wereld gebouwd is met een lichaam en een ziel, het eerste zichtbaar en aan bederf onderhevig, de laatste onzichtbaar en onaantastbaar, en c. 14. Dat de wereld

*)  De Griekse woorden zijn te vinden bij Perseus Digital Library.
°)  Zie Plotinus, The Enneads (Lond. 1956), transl. Stephen MacKenna, p. 315, 318 en 98.
#)  Zie George Burges, Works of Plato (Lond. 1854), vol VI, 'The introduction of Alcinous to the doctrines of Plato', p. 270 en 273.

251
door God zelf tegelijk met een ziel en verstand begiftigd is, bewijst hij als volgt: want, zegt hij, daar hij heeft gewild dat deze het beste werk zou zijn, heeft hij hem terecht bezield en begrijpend gemaakt; want een levend werkstuk is voortreffelijker dan een dat niet leeft, en met verstand is het beter dan zonder verstand.
Bovendien getuigt Ficino, in Plat. de Legib. Dial. 4.*):
dat de Platonici vermoeden dat de wereld door een soort leven en door een ziel wordt beheerst en geleid, voornamelijk op grond van drie argumenten: de vaste koppeling van de verschillende delen van de wereld, de verbazingwekkende beweging van de hemel, de voortdurende generatie van dingen onder de hemel. ... en dat de wereld wordt geregeerd door een geest volgens een drievoudige orde, die gezien wordt in die koppeling van de wereld, in de beweging van de sferen, en in het bestuur van de dingen. ...
En dat de ziel en de geest gericht worden op het regeren door dat Goede en Ene, op grond van het feit dat ook de verbinding der delen, de beweging en de generatie, en de hele orde van deze drie streeft naar het ene, en zich richt naar het goede. Dat daarom onder dat goede een tweevoudig rijk heerst, van het intellect (d.w.z. van Saturnus), en van de ziel (d.w.z. van Jupiter).
Ja zelfs Plato zelf gaf in de Timaeus aan de wereld
de behoorlijke en geschikte figuur; want voor een levend wezen, dat alle levende wezens in zich moet opnemen, was die figuur passend, die in zichzelf alle figuren omvat.°)
Bovendien stelt Seb. Basso in het boek de Nat. Int. [<] 3. art. iii. in de verdediging van Plato, dat hij onder de wereldziel heeft verstaan die universele geest, die

*)  Marsilii Ficini ... Opera (Bas. 1576), T. 2, p. 1497-1498.
°)  "Bolvormig en rond" volgens het vervolg van dit stukje in: J.-B. Bernardi, Seminarium totius philosophiae (Ven. 1585) T. 3, f. 302:
"Mundi figura decens & conveniens est, nam animali ... debet ... ideo globosum, & rotundum ...".
"Sed & figuram ipsi convenientem ac cognatam dedit. Nam animali ... debebat ... Quapropter eam globosum & rotundum ..." in de bron die Bernardi noemt, de Latijnse vertaling van Janus Cornarius: Platonis Atheniensis ... Opera (Basel 1561), p. 735.  Andere vertalingen:
Divini Platonis Operum T. 4 (Lugd. 1550), p. 874 (Ficino); ook ed. Gen. 1592, T. 3. p. 536.
Divini Platonis Opera omnia (Lugd. 1590), Gr. & L., p. 527-528 (Ficino).
Platonis Opera (Gen. 1578), Gr. & L, T. 3., p. 33B (Jean de Serres).

252
hij vuur geeft genoemd, en in art. i.
de geest, gemeenschappelijk aan alle elementen en dingen; die in alle dingen hetzelfde zou zijn als wind, uit blaasbalgen in een orgel geleid, waardoor ze geluid geven; en (zegt hij) zo worden alle dingen gezamenlijk bewogen door die geest die er in gaat, voorzover hun geschiktheid het toelaat. Als namelijk in materie vuur komt, ik bedoel die heel kleine stekeltjes, laat het die met een heel snelle beweging verspreiden en bewegen, naar gelang de toestand van hun natuur vraagt. Als het op deze manier in materie van lucht gaat, van water en van aarde, geeft het aan elk de passende hoeveelheid, de deeltjes van elkaar verwijderend voorzover ze het vereisen, en het beweegt elk zoals het geregeld is.
Dus doet die geest hetzelfde als vuurmaterie die vuur tot stand brengt, en luchtmaterie lucht; en hij zit in alle dingen hetzij als vorm, hetzij als het dichtstbijzijnde en universele instrument dat die heel verstandige geest gebruikt voor de behoorlijke beweging van alle dingen.
Dat Plato deze geest heeft verstaan onder de werelziel is voor Basso hierom waarschijnlijk*), omdat hij in Timaeus zegt dat God in het begin het vuur heeft gemaakt en de aarde, in plaats van wat Mozes heeft gezegd: de hemel en de aarde. Zodat Plato hetzelfde bedoelde met vuur als Mozes met de hemel, deze geestelijke natuur die wegens zijn hoge snelheid en werkingskracht geen betere naam had kunnen krijgen dan die van hemel bij Mozes, en die van vuur bij Plato.
Uit deze getuigenissen van Plato en de Platonici blijkt duidelijk, dat het niet datgene is

*)  Zie Philosophiae naturalis adversus Aristotelem Libri XII (Amst. 1649), p. 302.

253
waarmee Modernen deze mening omkleden of verontschuldigen, alsof hij met de wereldziel de voorzienigheid van God had willen aanduiden, of God zelf als schepper en behouder van de wereld, of de Heilige Geest. Het is wel waar dat Plato en de Platonici soms met een zo onbehouwen Minerva te werk gaan en zo grof filosoferen, dat ze God met de wereld en de wereld met God verwarren en onverschillig beide of één op het oog hebben. Zo voert Cicero immers de argumenterende Zeno aan, in De natura deorum boek 2, edit. Francof. apud Wech. Haer. 1590 [T. 8], pag. 41.*):
Bewezen kan worden dat de wereld verstandig is, evenzo gelukkig, evenzo eeuwig. Al deze dingen zijn immers beter dan die welke ze missen; en er is niet iets dat beter is dan de wereld; waarmee bewezen wordt dat de wereld God is.
Zo ook Ficino over Plato, Convivium, oratio 1, c. 3.°):
Drie werelden zijn er bij de Platonici ..., eerst is er God, de grondvester van het heelal, die we het goede zelf noemen, deze schept ten eerste de geest van de Engelen, vervolgens de ziel van deze wereld ..., tenslotte het lichaam van de wereld, en hemzelf noemen we niet een wereld ..., maar de oorsprong van alle werelden en we kennen hem een doel toe.
En over Plato, Timaeus, c. 9.#):
Deze wereld is een steeds vervloeiende afbeelding van een altijd stabiel en eeuwig voorbeeld en verstand.
Dezelfde op dezelfde plaats:
De wereld is één levend wezen met gevoel, alle levende wezens met gevoel bevattend, tot stand gebracht naar gelijkenis van een levend wezen met verstand dat alle levende wezens met verstand bevat.

*)  Cicero zegt even eerder: "Want zoals een breed stromende rivier nauwelijks of niet, maar opgesloten water makkelijk bederft; zo worden door een woordenvloed de fouten van de berisper weggespoeld, maar de beperktheid van een gesloten redenering beschermt zichzelf niet gemakkelijk."
°)  Marsilii Ficini ... Opera (Bas. 1576), T. 2, 'In Convivium Platonis de Amore, Commentarium', Cap. III, p. 1321.
#)  Ibid., 'Appendix Commentariorum in Timaeum ...', p. 1466, Cap. VII, IX.

254
Zo ook Plutarchus met de opvatting van Plato in Quaest. Plat. edit. Henr. Steph. in 8. p. 841.*):
De wereldziel die deelneemt aan de rede en de harmonie van de geest is niet slechts een werk maar ook een deel ('meros') van God, dat door hem en uit hem is ontstaan ('gegonen'), of gevormd of gemaakt.
Maar toch stemmen ze hierin niet overeen, ja ze spreken elkaar botweg tegen; en ze kunnen er niet aan ontsnappen veroordeeld te worden om deze absurde en ranzige mening over een wereldziel los van God de maker, zowel volgens hun eigen woorden als volgens overeenkomstige getuigenissen van oude en modernere Platonici. En dat sommigen van hen de Platonische wereldziel hebben uitgelegd als de Heilige Geest, ook getuige Theodoretus in de curat. Graecan. affect.°) Serm. 2., draagt geen zier bij aan deze mening of kwestie, die Plato vreemd is (als hij nog zou leven zou hij er ook tegen zijn), en het steunt die volstrekt niet.
Het toont zelfs heel duidelijk aan dat deze schrijvers de onschendbare leer over de Heilige Geest, door hen helemaal niet begrepen, erbarmelijk verdraaid hebben; aangezien ze, terwijl ze leefden na Christus de Verlosser, veel mysteriën van de Christelijke religie uit het Evangelie en andere boeken van de Heilige schrift, door hen gelezen of gehoord en heel slecht begrepen, volgestopt hebben met hun Filosofische verzinsels, zoals dit door Theodoretus en andere, hedendaagse theologen in acht is genomen; en het is zichtbaar voor iedereen die hun geschriften inziet.

*)  Plutarchus, Opuscula varia (Par. 1572), T. 3, p. 632, Grieks p. 1841 (zie bij Perseus[<].
°)  Graecarum affectionum curatio; seu, Evangelicae veritatis ex Graeca philosophia agnitio (Heid. 1592), p. 33: Plotinus noemt Bonum (het goede) waarvoor wij de Vader zeggen; Mentem of Intellectum wat wij noemen Zoon en Woord; en Animam wat de heilige schrift noemt Heilige Geest (vgl. p. 37).

255
En wat sommigen ook denken, op welke manier niet weinigen zich ook inspannen om deze mening over een gemeenschappelijke wereldziel te verontschuldigen, ik althans zie niet hoe en met welk voorstelling ze kan worden verontschuldigd of omkleed; maar ik zeg dat ze filosofen onwaardig is, tegengesteld aan de Heilige schrift en de natuurlijke rede; in den beginne is de wereld immers niet één lichaam op zich, maar iets dat er is door samenstelling. Ze kan dus niet één vorm hebben, oftewel er kan niet door één ziel vorm aan gegeven worden. Want ze bestaat uit ontelbare soorten dingen, die van nature elk van elkaar verschillen in hun bijzondere vormen, zoals daar zijn de Hemel, de aarde, water, mineralen, plantaardige en bezielde wezens, enz. En als deze alle door één gemeenschappelijke ziel, of inwendige vorm, zouden worden gemaakt, en daardoor zouden zijn wat ze zijn, zouden ze helemaal niet verschillen in soort maar in wezen één geheel zijn; elk bijzonder onderscheid komt immers van de vorm.
Dit is echter niet alleen absurd, maar het is ook in strijd met de Heilige schrift; deze leert immers dat alle complete naturen afzonderlijk verschillend zijn, en bewijst met de verbazingwekkende verscheidenheid van in de wereld bevatte dingen, en hun afzonderlijk verschil, de verbazingwekkende wijsheid en macht van God de Schepper. Een leerzaam voorbeeld hiervan is de hele Psalm 104; en alle plaatsen van de Schrift waarin melding wordt gemaakt van de verschillende soorten,

256
zoals Genesis 1: 11, 12. Er wordt gezegd dat God heeft gezegd:
Dat de aerde uytschiete gras-scheutkens, kruyt zaet-zaeyende, vruchtbaer geboomte, dragende vrucht nae sijnen aert ...
Ende de aerde bracht voort gras-scheutkens, cruyt ... ende geboomte nae sijnen aert ...
evenzo dat God [v. 21]
schiep de groote Walvisschen: ende alle levende wremelende ziele, welcke de wateren overvloedichlick voortbrachten, nae haren aert;
v. 24 [25]:
Ende Godt maeckte het wilt gedierte der aerde, nae sijnen aert, ende het vee na sijnen aert, ende al het kruypende gedierte des aerdbodems nae sijnen aert: ...
Zo wordt ook in Leviticus 11, 14 gezegd dat de Heere wilde dat voor de Israelieten een gruwel*) zouden zijn de arend, de beenbreker, de visarend, de wouw, de ekster, naar hun aard, elke raaf naar zijn aard, en de steenuil, het visdiefje, de valk en de havik naar hun aard.
Waaruit duidelijk blijkt, zoals ook uit andere plaatsen waar verschillende dieren vermeld worden naar hun soort, dat ze, zoals ook alle andere die er zijn op de hele wereld, onderling verschillen van soort; wat daarover echt niet gezegd zou worden, als ze in wezen één zouden zijn, zoals alles wat door een gemeenschappelijke wereldziel is gevormd, en met een vorm bezield. Verder ontkent en vernietigt deze mening over een gemeenschappelijke wereldziel alle mogelijke bijzondere naturen en oorzaken, en hun afzonderlijke actieve principes en specifieke gedrags­mogelijkheden, afhangend van de afzonderlijke vormen. Want wat er ook maar aan specifieke verrichtingen gewoonlijk eerst en vanzelf daaraan wordt toegekend,

*)  Lev. 11, vers 13: "Ende van het gevogelte sult ghy dese verfoeyen, sy en sullen niet gegeten worden ...". De namen zijn kennelijk onzeker:
13. ... sy sullen een verfoeysel zijn: den Arent, ende den Havick, ende den Zeearent,
14. Ende de Gier, ende de Kraeye nae haeren aert,
15. Alle Rave nae haeren aert,
16. Ende de Struys, ende de Nachtuyl, ende de Koeckoeck, ende de Sperwer nae sijnen aert,
17. Ende den Steen-uyl, ende het Duyckerken, ende de Schuyfuyt,
18. Ende de Kaeuwe, ende de Roerdomp, ende de Pellicaen,
19. Ende den Oyvaer, de Reyger nae sijnen aert, ende de Hoppe, ende de Vledermuys.
Meer informatie in: Matthew Henry, Letterlyke en prakticale verklaring over Moses derde boek, Eerste deel (Delft 1753), p. 385.

257
dit alles wordt door deze mening geheel naar de wereldziel verwezen. Ja zelfs voor absurd gehouden, en ze werpt ons tegen dat, aangezien er geen algemene wereldvorm is, eruit volgt dat God volgens zijn gewone en geregelde voorzienigheid alles teweegbrengt met de naaste en afzonderlijke naturen der dingen. Maar op een absurde manier. Want dat God volgens de wet en de onderscheiding, ingesteld bij de eerste schepping van de natuur, niet alles teweeg zou brengen met alle afzonderlijke naturen, dat zou absurd zijn.
Als die naturen immers niet hun specifieke werkingen zouden hebben, en niet volgens deze te werk zouden gaan, zouden ze vergeefs zijn. En als dit wordt toegegeven, dat God niet alles bewerkt in alle dingen met de afzonderlijke en naaste naturen der dingen, dan zullen God en de Natuur hetzelfde zijn, of gezegd zal moeten worden dat God als vorm over alle dingen de leiding heeft, wat een verzinsel van de Stoïci was. Want God is van alle dingen de uitwendige oorsprong; een of andere Natuur is van alle mogelijke dingen de inwendige en formele oorsprong; en God heeft als bewerker, niet als deel of vorm, de leiding van de dingen, en is krachtig en tegenwoordig en zijnde [enter], zoals de filosofen graag zeggen, aanwezig in alle dingen. Ja zelfs bewerkt hij met zijn bijzondere voorzienigheid onmiddellijk met de onmiddellijkheid van kracht en van iets dat verondersteld wordt*) alles in alle dingen, niet alleen bij het behouden, door voortdurende invloed, maar door te bewegen, vooraf te bewerken, te bepalen en alle tweede oorzaken toe te passen voor bijzondere

*)  Zie L. Novák (ed.), Suárez's metaphysics in its historical and systematic context (Berlin/Boston 2014), p. 210, in Saverio Di Liso, 'The efficient cause in Domingo de Soto' (voorbeeld: bij hout zagen de werkman en de zaag); over Francisco Suárez, Metaphysicarum disputationum ... tomi duo (Mog. 1600), Disp. XII, 'De causa entis in communi', XVII, 'De causa efficienti in communi'.

258
handelingen, wanner hij zijn invloed daarop laat gelden; en daarmee op elke werking. Dit alles is verstandige filosofie, zoals ook de theologie het goedkeurt, die met Augustinus van mening is dat God alle dingen die hij geschapen heeft zo in stand houdt en regelt, dat hij ze ook zelf hun bewegingen laat, en zelfs doet uitvoeren, maar niet dan nadat ze door hem, namelijk God, in beweging zijn gebracht; en bijgevolg verwerpt hij deze mening als dwaas, onrechtvaardig ten opzichte van de Gods voorzienigheid, en onmogelijk, die dit met deze universele vorm van de gehele natuur, onttrekt aan de goddelijke voorzienigheid. Zelfs ook Campanella laat zich duidelijk tot zoiets absurds brengen, onrechtvaardig ten opzichte van God, in boek ii. cap. 32.*) waar hij zegt:
Anderen kennen deze verborgen handelingen aan God toe; maar ik zeg dat God oneindig is, en dat geen enkele geschapen natuur, vooral hier beneden, zijn oneindige invloed kan opnemen; ze is immers niet geschikt om die te verdragen.
Weg met die dwaasheden, zo niet godslasteringen! Aangezien deze mening de zorg voor de wereld laat neerkomen op de ziel ervan, verzwakt ze dus ook, of ze stoot zelfs om, dat gewoonlijk aangevoerde argument voor de voorzienigheid van God, tegen de Atheïsten, ontleend aan de dingen die in de wereld zijn, onderling van elkaar onderscheiden, en elkaar weerstand biedend, en veranderlijke dingen in een geregelde en onveranderlijke orde, met hun wederzijdse afhankelijkheid, nevenschikking, onderschikking, aanpassing aan elkaar en opeenvolging, waarmee ze elkaar wederzijds nevengeschikt, ondergeschikt, en

*)  Tommaso Campanella, De sensu rerum et magia (Francof. 1620), p. 195.

259
aangepast opvolgen, zodat het ook door de wederkerige invloed en verdeelde eendracht bij alle werkingen die ze uitvoeren, zowel goed is voor het belang van elk apart, als voor het gemeenschappelijk belang van het gehele heelal. En als immers dit alles, hetzij in het geheel, hetzij voor een deel, herleid wordt tot een wereldziel als eigen en inwendig principe, is er een vrij wijde kier, ja wordt de deur opengezet, voor tegenwerpingen tegen dit bewijs van de goddelijke voorzienigheid.
Maar de hedendaagse theologen en filosofen hebben meer dan genoeg als bewezen verklaard, dat de wereld niet bezield is, noch door een vegetatieve, noch door een voelende, noch door een intelligente ziel, zoals ook niet de hemel, op zichzelf bezien, en ook niet deze aardbol die bestaat uit lucht, water en aarde; daarom is het niet nodig langer stil te staan bij het weerleggen van deze meningen.


Einde.


Dit stuk is nog maar een begin, zie het Voorwoord, b 7v; het vervolg zou in deel 3 verschijnen.




Home | Varia | Goedaert | Vertaling van bijwerk, deel 2 | deel 3