Hortensius | Dissertatio 1633 | Gassendi 1632

[ 1 ]

Mercurius

Gezien voor de Zon,

en Venus niet gezien

te Parijs, in 1631.

Volgens de wens, en de Aansporing van Kepler.

Door Pierre Gassendi,

Dit zijn van hem hierover

Twee brieven

Met enkele amdere waarnemingen.

Parijs, ... Cramoisy ...
M. DC. XXXII.




 3 
Eerste brief, over het zien van Mercurius.

Aan de zeergeleerde en bevriende heer Wilhelm Schickard,
hoogleraar Hebreeuws aan de universiteit van Tübingen
groeten van Pierre Gassendi.

ZIehier, mijn beste Schickard, een Franse Mercurius*), en nog wel één aan de hemel. U had gewenst dat deze voor u, en voor mij, niet onzichtbaar zou zijn. Hoe het bij u was zult u te kennen geven als er tijd voor is°); zelf heb ik het niet lang kunnen uitstellen, u op de hoogte te stellen van het geluk dat ik hoe dan ook had. Als er iets geholpen heeft, was het de nauwgezetheid waarmee ik, op mijn hoede voor het gevaar dat Argus liep, mijn ogen heb beschermd
[ *)  Er was een tijdschrift Mercure François.]
[ °)  W. Schickard, Pars Responsi Ad Epistolas P. Gassendi ... De Mercurio Sub Sole Viso ..., Tub. 1632 Mense Augusto, p. 4: het was bewolkt.]

 4 
tegen betovering. Die listige Cylleniër*) leek er al in te hebben voorzien, dat hij ons geheel ongezien zou voorbijgaan, of zonder herkend te worden. Hij had namelijk de aarde wijd en zijd verborgen door het optrekken van een dichte nevel; en toen is hij vroeger gekomen dan hij ons heeft doen hopen, en hij die zelf de schaduwen heeft verdreven, vertoonde zich kleiner dan een schim. Maar Apollo, eraan gewend diens streken te openbaren, al vanaf diens kindertijd, begunstigde ons en maakte, dat degene die zich verborgen had kunnen houden bij het aankomen, niet geheel ongemerkt wegging. Inderdaad was het zelfs mogelijk onderwijl de voetsporen [Talaria] van de vluchtende te volgen, en intussen te onderzoeken, wat hij overeenkomstig de waardigheid van zo'n grote bode van de Goden, zo'n grote kleinzoon van Atlas, helemaal vanuit de hemel te melden had.
Om kort te gaan, ik had meer geluk dan zoveel Hermetici, die tevergeefs Mercurius op de Zon zoeken. Ik heb hem gevonden, en ik heb hem gezien, terwijl tot dusver niemand dit had gezien. Ik heb hem gezien, niet op witte banken, bruiloft vierend met de Filologen°); maar nu naar de macht grijpend en als het ware zich erop beroemend
Op de met heldere Smaragden lichtende troon van Phoebus.
Wat fantaseer ik echter, terwijl u verlangt dat de zaak serieus wordt uiteengezet? Hier komt het dan, terwijl ik de pen, als een caduceus in de hand heb, schrijf ik voor u uit, naar de betekenis, wat ik heel kort geleden aan mijn Aantekeningen toevoegde. Dit is als volgt.
Bij het jaar 1631, 7 november, Nieuwe stijl, te Parijs.
DE uitgave vorig jaar van Johannes Kepler, keizerlijk Mathematicus, Admonitio ad Astronomos#), een "Aansporing voor Astronomen, en hen die de dingen aan de hemel bestuderen, over zeldzame Verschijnselen van het jaar 1631, namelijk de overgang van Venus en Mercurius over de Zon",
[ *)  Cyllene, berg, geboorteplaats van Hermes/Mercurius.]
[ °)  Martianus Capella, lib. II, 'De nuptiis Philologiae et Mercurii', 209.]
[ #)  Francofurti 1630; eerder: Lipsiae 1629.]

[4]  5 
heeft ook mij opmerkzaam gemaakt. Daarom, toen het tijdstip naderde waarop de vooropgaande*) Mercurius voor de Zon moest komen, heb ik me in een donkere kamer opgesteld, op de manier waarop ik gewoon ben zowel Vlekken als Eclipsen van de Zon waar te nemen.
De witte cirkel, waarin ik de Zonnestralen beneden de telescoop opving, was in diameter gelijk aan driekwart Parijse voet. De diameter had ik verdeeld in 60 deeltjes, zodat, aangezien de diameter van de Zon het dichtst bij 30 minuten was, elk van die deeltjes van een halve minuut zou zijn, of 30 seconden. De omtrek had ik vanaf elk uiteinde van de diameter aan beide kanten onderverdeeld met hele graden.
Bovendien had ik iemand aangesteld om in de kamer eronder de hoogte van de Zon bij te houden. Hij hanteerde een Kwadrant met een straal van ongeveer twee voet, en de boog was verdeeld met dwarslijnen; op aanwijzing van mij, zodra ik een teken zou geven door met de voet te stampen, zou hij de dan voorkomende Zonshoogte vaststellen.
Verder had ik vanaf 5 november daar willen zijn om te gaan waarnemen; het was echter die hele dag regenachtig. Op de 6e was het 's morgens bewolkt; en terwijl het vanaf ongeveer het achtste uur tot het eerste na de middag afwisselend was geweest, was het daarna tot de avond toch weer donker en bij vlagen regenachtig.
  Op de 7e dag zelf was de hemel vanaf de dageraad wisselvallig; maar grotendeels bewolkt. Even voor 8 uur was de Zon te zien tussen dichtere wolken die uiteengingen; maar door minder dichte nog te bedekt, dan dat er iets te onderscheiden was, hetzij op de schijf zelf, hetzij op de cirkel er omheen. Toen verscheen bovenaan een spoor van de rand, met nogal onduidelijke kleurschakeringen. Dit duurde bijna
[ *)  Mercurius heeft een grotere baansnelheid om de Zon dan de Aarde.]

 6 
een uur. Er waaide een koudere wind uit het Zuidwesten, die 's avonds ook aanhield. Doch tegen het 9e uur, terwijl de Zon wat helderder werd, en als cirkel werd afgetekend, heb ik iets gevonden dat vrij zwart was. Dit was op een zodanige plaats, dat het wat Oostelijk was van de bovengenoemde diameter die het vertikale vlak weergaf, niet veel meer dan een vierde deel van de genoemde diameter van het onderste uiteinde af. Ik heb dit echter maar grof opgemerkt, aangezien ik helemaal niet vermoedde dat Mercurius een zo kleine schaduw zou werpen. Het was namelijk zo gering, dat het in diameter nauwelijks de helft van één van de getekende deeltjes leek te overtreffen. Ik meende dat het veeleer een Zonnevlek was, ook al was die de vorige dag op de Zon niet opgemerkt; niettemin had hij sinds die tijd evenzo kunnen aangroeien, als ik een andere keer had bevonden.
  Toen de Zon kort na 9 uur terugkeerde, heb ik de diameter van de cirkel gericht volgens wat ik dacht dat een Vlek was, om namelijk de afstand hiervan tot het middelpunt van de cirkel na te gaan, en hopend, als Mercurius later misschien te voorschijn zou komen, die vlek op verschillende manieren ermee te vergelijken. Aangezien ik blij was met de gelegenheid die zich voordeed, als de zaak ergens anders op dezelfde manier zou zijn waargenomen, dat er iets gezegd zou kunnen worden over een heel kleine, of ook geen parallax van beide. Die afstand dan bevond ik van zestien deeltjes. Na een aanmerkelijke tussentijd, en met de Zon weer hersteld, heb ik de diameter gericht, zoals eerst, en waargenomen dat de genoemde afstand vier deeltjes groter was geworden. Toen begon ik ongerust te denken dat de Vlek niet een gewone was, aangezien die nauwelijks in een hele dag meer afstand zou afleggen.

 7 
En ik twijfelde wel een beetje; maar ik kon me er nauwelijks van overtuigen dat het Mercurius zelf was; zozeer was ik in beslag genomen door de verwachting van een grotere omvang. Vandaar dat ik me er niet van kon losmaken, of ik niet op enige manier kon zijn misleid bij het aannemen van de eerdere afstand. Maar toen de Zon weer meer licht gaf, en ik de betreffende afstand twee deeltjes verder vond (nu waren het er namelijk tweeëntwintig), toen pas kwam ik gelukkig tot de conclusie dat het Mercurius was. Dus terstond heb ik op de grond gestampt, denkend op verschillende momenten de verhouding van de beweging op te sporen, maar die man van mij, die was weggegaan, ik weet niet hoe of wat hij ging doen. Ik heb hem aangeroepen, en gelukkig is hij tijdig voor het eind teruggekeerd; ik heb hem ernstig vermaand zich gereed te maken zijn uiterste best te doen.
  Terwijl hij terugging, heb ik zelf intussen de grootte van Mercurius aandachtiger onderzocht, zolang de zich openende wolken de Zon twee- of driemaal goed lieten zien. De buitenkant van de schaduw was vager, en enigszins rood wordend (zoals gewoon is bij de vlekken) terwijl het binnenste deel zwarter was; maar dat schreef ik toe aan de aard van de tussenliggende dampen, en aan die van het glas. Het midden zette ik, voorzover het mogelijk was, verschillende malen op die eerder genoemde deeltjes, opdat de diameter ervan samen met die van de Zon de verhouding tot elkaar zou geven. Overigens met inachtneming van ook de meest vage rand, zou deze diameter van Mercurius nauwelijks iets meer kunnen zijn dan twee derde van één deeltje, dat is een derde minuut, of zo u wilt 20 seconden. Daarom ook is de diameter van Mercurius niet groter gezien dan een negentigste deel van de diameter van de Zon. Als er iets van de omtrek is weggenomen door de dichtheid

 8 
van de lucht, dan was die diameter driekwart van één deeltje; zeker was dit de bovengrens van de grootte ervan, zodat deze een tachtigste deel zou zijn van de diameter van de Zon. Ik bespreek niet een enkel donker openingetje, op de Zon zelf gezien (wel te verstaan met de telescoop), waarvan ik tevergeefs een vergelijking met de Zonsdiameter heb geprobeerd.
  Als er iets is dat ik uitstekend genoteerd heb, is dat het Tijdstip, waarop het midden van Mercurius van de rand van de Zon afging. Toen was de Zon namelijk in hoge mate helder (al was hij niet lang helder) en zelf was ik er in het bijzonder op gespitst. De genoemde uittrede dus gebeurde bij een Zonshoogte van 21° 44'. Als je daarvan 5 minuten aftrekt wegens de breking (in elk geval is de Zon daarna ook op de meridiaan met 24° 58' ongeveer 4 minuten hoger gezien dan de juiste waarde, als rekening wordt gehouden met waarnemingen in de zomer) en er weer 3 minuten bijdoet wegens de parallax volgens Tycho, levert dat een gecorrigeerde Zonshoogte op van 21° 42'. En als je dan daarmee wilt rekenen, en met een zuidelijke declinatie van de Zon van 16° 19' (daar immers de Zon stond op 14° 42 3/4' in Scorpio, Schorpioen) en ook met de Poolshoogte te Parijs, 48° 52', wordt duidelijk dat Mercurius van de rand van de Zon is uitgetreden op de genoemde 7e dag [van november], 's morgens, 10 h. 28 min.
  De richting van de uittrede was op de cirkel tussen het Zuiden en het Oosten, en daarom aan de hemel zelf tussen het Noorden en het Westen*). Hoeveel precies dat deel van de rand was verwijderd van de diameter die de vertikaal voorstelde, zou ik echt niet durven zweren. Daar de Zon zich zo kort voor deze uittrede vertoonde, en ik zelf zo in beslag was genomen door het geven van genoemd teken,
[ *)  Zie hierna: tekening in Opera en computersimulatie.]

 9 
zo bereid om er naar toe te lopen, om zelf te zien of hij de Zonshoogte goed had, dat ik niet voldoende nauwkeurig het punt heb genoteerd, waar de uittrede plaatsvond. Maar als ik me niet vergis, was het tussen 32 en 33 graden. Ik herinner me namelijk dat het niet ver van 35 graden was, of het echter minder was, of meer, dat is wat tot mijn spijt niet is aangetekend. Hoe het dan ook geweest is, er zal daarbij verdenking blijven hangen. Als het waar is dan moet, omdat de hoek van de Ecliptica met de vertikaal toen 56° 47' was, en dus de boog van de Zonsrand tussen Mercurius en de Ecliptica 24° 17', de uittredende Mercurius een noordelijke Breedte krijgen van 6' 20", terwijl hij ondertussen was op 14° 28 2/3' van Scorpio (Schorpioen). En ik veronderstel volgens de voorschriften van Kepler*) dat de halve diameter van de Zon 15' 25" was.
  Maar als we bovendien de dagelijkse beweging erbij nemen, namelijk van de Zon 1° 0' 29", en van Mercurius teruggaand in lengte met 1° 20', in breedte 20', volgt daaruit dat de Knoop is gezien op 14° 52' in Scorpio en dat Mercurius daar langs ging om 2 h. 31 min. na middernacht; terwijl de Zon was op 14° 21 1/2' in Scorpio, zodat Mercurius vanaf de rand ervan 17 1/4' verwijderd was volgens het eigen pad. Er volgt ook, door samenstellen van de beweging van de elkaar ontmoetende Planeten, dat deze afstand doorlopen moet zijn in 2 uur 57 min., en opgeteld bij de genoemde tijd die na middernacht is verstreken, geeft dit 5 h. 5 min., te weten het tijdstip waarop Mercurius op de Zon heeft moeten intreden; toen de breedte 2' 30" was (zoals namelijk het geval is
[ *)  Tabulae Rudolphinae, p. 98, Praeceptum 142.]

10
als hij op de rand van de Zon 9° 20' vanaf de Ecliptica was), bij een lengte van 14° 44' in zod/Scorpio, en de Zon was toen op 14° 28 4/5' van hetzelfde sterrenbeeld. Tenslotte volgt, als je van de tijd van uittrede 10 h. 28 min. aftrekt de tijd van intrede 5 h. 28 min., dat overblijft de duur van de overgang van Mercurius over de Zon, precies 5 uren (deze tijdsduur komt ook uit het pad van Mercurius, herleid tot dat langs de Ecliptica, min 29 1/4) zodat, daar de helft van de overgang 2 h. 30 min. duurde, de ware Conjunctie heeft plaats gevonden iets voorbij het midden van het pad om 7 h. 58 min., toen beide hemellichamen op 14° 36' van Scorpio waren, en de breedte van Mercurius 4' 30" was.
  Verder, daar volgens de Admonitio [p. 8], de Ephemeride, Tabellen [Tab. Rud., 2, 72], deze ware Conjunctie op de Meridiaan van Uraniborg heeft moeten plaatsvinden om 1 h. 17 1/2 min. middelbare tijd, dat is 1 h. 27 1/2 min. ware tijd na de middag; en daarom ook daarvan afgetrokken 40 min. wegens het door Kepler zelf [Tab. 1, X] aangegeven verschil van de Meridianen, heeft het te Parijs moeten zijn 47 1/2 min. na de middag; er komt een rekenfout te voorschijn van 4 uren en 49 1/2 min. en het blijkt dat Mercurius is waargenomen bij de uittrede van de Zon, toen hij volgens berekening nog maar enkele minuten op de Zon was ingetreden.
Bovendien, daar deze Conjunctie volgens de voorspelling zou plaatsvinden op 14° 49' in Scorpio, wordt een rekenfout van 13 minuten in de Lengtebeweging aan het licht gebracht. Wat de Breedte betreft, die was toegekend op de tijd van dezelfde ware Conjunctie als 5' 35". Terwijl de door ons genoemde breedte 1' 5" kleiner was; is dit verschil ook voor een rekenfout

11
te houden? Of heeft dit kunnen gebeuren door de dagelijkse parallax? Of is het tenslotte gekomen doordat wij niet goed genoeg hebben opgelet? Ik zou het vermoeden, als ik niet bijna kon verzekeren, dat door datgene waarin een fout gemaakt kan zijn door ons, de breedte nog meer verkort moet worden. Hoe het ook zij, het is nog heel verbazend, dat de beweging van Mercurius bij een zo grote moeilijkheid van, en gebrek aan waarnemingen, zodanig in getallen kon worden uitgedrukt, dat de plaats met zo weinig minuten, en de tijd met zo weinig uren van de waarheid af was.
  De hemel begon daarna meer en meer op te klaren. De Meridiaan-hoogte van de Zon is waargenomen, zoals eerder is gezegd. De lucht begon weer onrustig te worden tegen 3 uur in de middag. Om 5 uur bliksemde en donderde het, en het regende vrij hevig. Dit hadden Astrologen voorspeld (en wel de Judiciaire) als de conjunctie had plaatsgevonden in een lucht-teken, niet in een water-teken, zoals waarvoor Schorpioen wordt gehouden.
TOt hiertoe beschrijf ik, voortreffelijke Schickard, wat ik in mijn Aantekeningen heb gezet, na de waarneming te hebben gedaan. Zo is mijn gewoonte, en betrouwbaarheid vereist het, zo dikwijls als ik u iets meedeel. Wat ik daar heb beredeneerd, gaat verder dan de waarneming; maar mijn gezindheid ten opzichte van u is zodanig, dat ik vind dat ik u niet moet onthouden wat ik met haastige pen heb opgeschreven, en uit groot verlangen de zaak te leren kennen. U zult alles nauwkeuriger onderzoeken, en volgens uw bedrevenheid vergelijken met uw Waarneming (als de Zon u tenminste gunstig gezind is geweest). Het zal zeker iets zijn dat uw onderwijs in de Geografie*) kan dienen, als het moment van de uittrede of daar door u, of op andere plaatsen, kundig is opgenomen. Daar immers
[ *)  Wikipedia: "als Schulaufseher für die Lateinschulen ... schrieb er im Jahr 1629 eine Anweisung, wie künstliche Landtafeln zu machen seien".]

12
de afstanden tussen plaatsen óf geen parallax veroorzaakt moeten hebben, of een zo kleine, dat verwaarlozing ervan de zaak weinig zal verstoren. Geen, of een heel kleine, zeg ik, aangezien nu vaststaat dat Mercurius in die stand verder verwijderd is dan Venus, en ook rondgaat om de Zon zelf; en een zo nabije afstand van deze Hemellichamen als door onze voorgangers werd geloofd, terecht in twijfel wordt getrokken. Als hierover eens overeenstemming zal bestaan, zal die heel kleine parallax verbeterd worden, evenzo als die van de Maan, wanneer de Zon een verduistering ondergaat.
  Aan het overige ga ik voorbij, maar over de grootte van Mercurius, of liever de kleinheid van 'de Hermetische' planeet, kan ik niet zwijgen; aangezien ik me daarin zozeer heb vergist. En wie had zich ervan kunnen overtuigen dat Mercurius op aarde 'Trismegistos', de driemaal grootste, kon worden genoemd, en dat deze nu aan de hemel verschijnt als de 'Triselachistos', de driemaal kleinste? Ook al is nu bekend dat er meestal iets moet worden afgetrokken van de schijnbare omvang van hemellichamen, wegens zich uitbreidende stralen (u hebt immers elders gelezen in enige van mijn brieven aan Kepler, op welke manier ik gevonden had dat de diameter van Jupiter, ook als hij opkwam bij zonsondergang, niet groter was dan een minuut), niettemin had ik me dit niet voldoende ingeprent, dat het zo zijn dat Mercurius in het Perigeum zo klein zou verschijnen.
Gunstig was de vooringenomenheid, dat ik in Uranometria, het nieuwe boek van Lansbergen dat mij daags tevoren was gebracht, had opgemerkt dat de bekende man, na de telescoop te hebben vermeld, aan Mercurius op een gemiddelde afstand van de aarde nog maar een diameter van twee minuten overliet. En hij maakt deze wel een zesde minuut kleiner dan Tycho; die van een ander eraan had toegevoegd, dat Mercurius de voornaamste Sterren zou overtreffen,

13
als hij vrij van de helderheid van de schemering bekeken zou worden. Zelfs zat ook nog in het geheugen, dat ik zelf een andere keer Mercurius als hemellichaam vergeleek met Arcturus, namelijk in 1621 op 10 oktober, toen ze kort voor de dageraad bijna op hetzelfde moment boven de horizon van Aix opkwamen, en dat ik nauwelijks enig verschil in grootte had kunnen opmerken, zoals ook niet in de rossige kleur (behalve dat Mercurius als wat geler werd beoordeeld), waardoor bij me opkwam te denken, hoe terecht deze door de Ouden 'de blinkende' is genoemd.
  Maar nu is er niets meer om te aarzelen, het komt ons voor dat er nog veel meer van de schijnbare grootte van hemellichamen afgenomen moet worden, dan te geloven was. Want zelfs die methode van mij door vergelijking met de diameter van de Maan, had iets bijgedragen, ofschoon die toch werd uitgevoerd door alleen op het oog te schatten, en niet toegankelijk was voor de passer, en dus niets nauwkeurigs gaf. Doch ik ga eraan voorbij dat de lichaampjes van Dwaalsterren of Vaste sterren, hoe goed ze ook met de telescoop te zien zijn, de behaalde grootte niet geheel lijken af te leggen; aangezien ze ook dan, zoals duidelijk is, door wat licht worden omringd.
Aangezien Mercurius (evenzo ook de Maan wanneer ze de Zon verduistert) nu zijn diameter ook aan de passer heeft prijsgegeven, en met zijn licht niet vals heeft kunnen spelen, staat inderdaad duidelijker vast hoe zowel aan hem, als aan de overige, een al te grote omvang wordt toegedicht wegens omringend licht. De Ouden hadden dit ook kunnen vermoeden met de Maan, die ook bij een verduistering beroofd van de schittering, kleiner verschijnt dan met de volle schijf; en terwijl ze half is, een grotere omtrek toont met de boog van het schitterende gedeelte, dan ze aanwijst met de boog

14
van het donkere gedeelte. *)  Maar omdat zij zelfs niet de oorzaak hiervan onderzochten, waren ze er ver vanaf, te kunnen geloven dat ieder hemellichaam afzonderlijk met zijn eigen lucht zou zijn bedekt die, na de schittering te hebben geabsorbeerd, zelf mee zou schijnen; daar ze dit zelfs niet hebben durven vermoeden bij de Maan.
  En laat ze nu Epicurus maar uitlachen, omdat hij heeft gemeend dat het kan zijn dat de Hemellichamen kleiner zijn, dan ze verschijnen°). Het is in elk geval wat er van ze verschijnt, bijna de hele omvang is onecht; en wat er ook door hem als gevolg uit opgemaakt is, op zijn minst is het toegevoegde argument met vanuit de verte bekeken lichtgevende dingen nu heel aannemelijk. #)  Zoals immers van nachtelijke vuren het beeld groter wordt met de afstand, omdat de nabij schitterende lucht niet wordt onderscheiden, zelfs niet door een Lynceus, van de vlam waar hij omheen ligt; zo kun je zeggen dat niets passender is, dan dat Sterren nog veel meer groeien, omdat die wat dichtere omgevende lucht zo terugstraalt, dat het oog hem niet onderscheidt van de ingesloten lichaampjes.
Laat ook Aristoteles maar lachen, en diegenen eenvoudigen noemen, die denken dat sterren daarom piepklein zijn, omdat ze van hieruit als piepklein worden gezien. Althans, omdat ze met die valse schijn verwijderd als heel klein worden gezien, zal dat waarvoor hij ze houdt onvergelijkelijk veel kleiner zijn, dan wat de Mathematici hebben verklaard. Kepler komt als enige te hulp, wanneer hij de Planeten des te verder van de Aarde wegvoert, naarmate ze meer afnemen. Het is toch ontzaglijk, hoe hoog Mercurius nu gezet moet worden; aangezien zelfs niet voldoende is de onlangs aangenomen afstand, twaalf maal groter gesteld, dan Ptolemaeus het interval tussen de Zon en de aarde had vastgesteld.
[ *)  In Opera (Lugd. 1658), T. IV, p. 502 is hier ingevoegd; "(later leek ons een andere oorzaak juister)". Institutio astronomica (Hagae-Comitum 1656), p. 192 heeft zoiets in de marge.]
[ °)  Epicurus, Letter to Pythocles, 7e alinea.]
[ #Opera, IV, p. 502 heeft hier de invoeging:
(Voor ons is een juistere oorzaak toch de in het donker wijdere pupil, en het daardoor grotere beeld van de lichtbron op het Netvlies, de afleiding is te vinden in de Brieven De apparente magnitudine Solis humilis, & sublimis; en De Proportione, qua gravia decidentia accelerantur; en evenzo in de Physica waar we het hadden over de grootte van Hemellichamen)
[ Brieven: T. 3, p. 424 en 643;  Physica: T. 1, p. 577 (Hortensius) en 581 (vlam).]

15
  Degenen die niet zo zullen worden beïnvloed door harmonische verhoudingen die eenmaal zijn onderzocht, als zij de intervallen van de Planeten niet willen vergroten, goede Goden, hoe noodzakelijk is het dat ze hun grootte verkleinen! Ik heb het over die ene Mercurius van ons. Tycho maakte hem negentien maal zo klein als de Aarde, Lansbergen twaalfmaal*); laat ze hem nu maar verder verkleinen, de laatste wel meer dan tweeduizend-vijf maal, de eerste meer dan duizend-zeshonderd maal°). Dit geeft de misschien minder te verwerpen mening van Arabieren, die volgens de opvatting van Ptolemaeus berekenden dat Mercurius ongeveer drieduizend maal zo klein is als de aarde; maar daarentegen is het voor hen bij zo'n grote nabijheid nodig dat Mercurius kleiner wordt, zodat hij weer komt op meer dan vijftig maal honderdduizend maal kleiner dan de Aarde. Tycho verzekert namelijk dat de diameter van Mercurius, wanneer hij op een gemiddelde afstand van de Aarde staat, 1150 halve diameters van de aarde, verschijnt als een veertiende deel van de diameter van de Zon; Lansbergen, wanneer hij op zo goed als 1500 halve diameters van de aarde staat, dat hij verschijnt als een vijftiende deel ervan; Al-Farabi en Al-Farghani, dat hij ook zo klein verschijnt wanneer hij op 115 halve diameters van de aarde staat. Maar nu staat toch vast dat de diameter van Mercurius, althans bij een gemiddelde afstand, niet groter gerekend moet worden dan een negentigste deel van dezelfde diameter van de Zon.
  Hieruit is op te maken of het van onze voorgangers wel een goede vraag was, waarom Venus em Mercurius niet evenals de Maan de oorzaak waren van een Zonsverduistering. Maar zij gaven zelf een reden, zowel dat deze hemellichamen doorzichtig waren, en daarom de doorgang
[ *)  Astronomiae instauratae progymnasmata I (1603), p. 475: diameters als 3 tot 8, volumes als 1 tot 19. Uranometria (1631), p. 126-7: stralen als 435 tot 1000, volumes als 1 tot 12.]
[ °)  Lat. "quinquies millies sexcenties" (5600, ook in Opera) lijkt een vergissing, zie de volgende zin.]

16
van het zonlicht niet zouden versperren; als dat ze geheel lichtgevend waren, en als zodanig niet helderder dan de Zon zelf zouden worden gezien; alsook vooral dat Venus wel tenminste een honderdste, en Mercurius een tweehonderdste deel ongeveer van de zonneschijf was, en dat zo de Zon met zo'n klein gedeelte niet donkerder zou worden. Maar toch, om maar niets te zeggen over de eerste twee, waarvan de schaduw van Mercurius, en de zwartheid ervan, al duidelijk heeft gemaakt dat ze fout zijn; nu vraag ik met betrekking tot de laatste, wat zouden ze nu niet gezegd hebben, nu Mercurius nauwelijks een zeven- of achtduizendste deel is te rekenen van de schijf van de Zon? Over Venus vermoed ik hetzelfde. Kepler heeft verwacht dat deze zou verschijnen met een diameter van zeven minuten, dat is als ongeveer 4¼ keer zo weinig als de diameter van de Zon; waaruit zou volgen dat Venus door ons voor de Zon gezien zou gaan worden met een zeventiende deel van de hele schijf bedekt. Maar ik durf nauwelijks te verwachten dat de diameter van Venus een hele minuut is; en zo ben ik van mening dat Venus nauwelijks een negenhonderdste, of zelfs een duizendste deel van de schijf zal bedekken.
  Vandaar dat Kepler nu heel terecht herroept dat Mercurius al eens voor de Zon is gezien, hetzij door hem, of door anderen*). We kunnen wel zeggen dat dit voor het eerst aan ons is gegund; aangezien steeds wanneer Mercurius tot nu toe lichamelijk met de Zon was aaneengevoegd (ik weet hoe zeldzaam het gebeurt) de Telescoop van Galilei nog geen opgang had gemaakt, zonder welke dit geheel onzichtbaar was. Inderdaad heb ik het zelf deze keer ondernomen, te proberen of ik Mercurius met het blote oog zou kunnen zien; maar geheel tevergeefs, ook al waren
[ *)  Admonitio, p. 13: Kepler had in 1607 te Praag een zonnevlek voor Mercurius gehouden, zie Phaenomenon singulare, seu Mercurius in sole, Lipsiae 1609. En in Ad Vitellionem Paralipomena (Francof. 1604), p. 306: Mercurius op de Zon genoemd in de levensbeschrijving van Karel de Grote (zie Vita & gesta Karoli Magni, Lipsiae 1616, p. 108), bij het jaar 807; met "acht keer gezien" i.p.v "acht dagen gezien".]

17
die meer zeldzame wolken gunstig, die de schittering van de Zon verzwakken. En hoe had Mercurius zichtbaar kunnen worden, niet groter dan een derde minuut, terwijl zelfs een dichte vlek van een hele minuut, en een derde groter, niet met het blote oog kan worden gezien? Zoals mij zeker is overkomen zowel in andere gevallen, als vooral in het jaar 1621 omstreeks 10 september; hoe ik ook mijn blik er met inspanning op richtte, en terwijl de vlek naar de rand ging, en de helderheid van de Zon werd getemperd door dampen in het westen.
En Averroes moet ons niet van ons stuk brengen, wanneer hij vertelt dat door hem op de Zon twee zwartachtige vlekken zijn gezien, in de tijd dat Mercurius voor de Zon had moeten zijn. Aangezien geen van beide vlekken het lichaam van Mercurius had kunnen zijn, maar weer een andere grotere van die soort, die nu al gewoon is geworden. Want ook Galilei zelf vertelt dat hij zonder telescoop een dergelijke heeft gezien, en aan anderen heeft laten zien; en Kepler heeft toen de zaak bekend was, zowel in plaats van Mercurius de vlek gesteld die aan onze Annalen is ontsnapt, als erkend dat die, waarvan hij met eenzelfde redenering meende Mercurius te hebben gezien, slechts een vlek was geweest.
  Ik kan hieraan vastknopen wat me inviel tijdens het waarnemen; toen kwam het namelijk bij me op erover na te denken, hoe het kan zijn dat de Astrologen van mening zijn dat een zo klein lichaam van Mercurius het waard is, bijna gelijkgesteld te worden met de zo grote verhevenheid van de Zon. Zeker als ze zouden horen dat het me nu lijkt dat niet een Pygmee, maar zelfs een vlo wedijvert met een Gigant, zowel in het regelen van overige zaken, als in het verdelen van menselijke lotsbestemmingen. Verder, dat het bedrog van de Trutina Hermetis [Balans van Hermes] op deze manier nog wel

18
toegepast kon worden bij elk ongewoon onderzoek; omdat geoordeeld zou worden dat de lichtste schaal van Hermes zou opwegen tegen de zwaarste van Apollo. Ik dacht, als Mercurius dan iets van een werking zou hebben, op welke manier zou dat dan niet evenzeer overstelpt worden door de zo grote, en zo machtige kracht van de Zon, als de werking van een druppeltje water, wanneer het in een emmer wijn gedaan zou worden. Ik verwonderde me er niet over, dat men gewoonlijk denkt dat Mercurius geen invloed heeft op goedheid en slechtheid; ik was verbijsterd dat het gezegd wordt over de Zon, waarvan niemand de weldadige werking niet waardeert, behalve een ondankbaar iemand. Ik moest erom lachen dat het lot van de mens uit zulke dunne draden wordt gesponnen; en ik schaamde me een beetje voor de lichtzinnigheid, waarmee zo veel mensen serieus de aandacht richten op het leren kennen ervan.
Ik overwoog, als toen een kindje geboren werd, hoe het een minder goed gestel zou kunnen hebben vanwege Mercurius, of liever het Mercuriusje midden op de Zon. ik had die Retrograad, onlangs uit de richting van Saturnus komend, in het Kwadrant en het huis van Mars, bijna in oppositie met de Maan, en dergelijke dingen. Maar ik fluisterde me toch in, hoe ongerijmd volgens die dingen het kind dan als ongelukkig zou worden aangeduid, en hoe de Parcen dan verschillende soorten ongelukken met dat kind zouden verbinden, op het gebied van de letteren, de handel, waarzeggerij, enzovoorts. Ik voegde eraan toe, hoe gemakkelijk al deze voortekenen zijn af te wenden, misschien:
Als dan een grootmoeder, of een godvruchtige tante de jongen
Haalt uit de wieg, en het voorhoofd en ook de vochtige lippen
Met middelvinger, en vóór het zoenoffer, zalvend met speeksel,
Reinigt, deskundig in 't afweren van boosaardige ogen.
*)
Maar weg met deze beuzelingen.
[ *)  Persius, Satyra II, 31; zie ook Daniël Knecht, De literatuur van de Romeinen (Gent 2010), p. 153.]

19
  Veeleer zou men zich er om moeten bekommeren, dat de Astronomen in verwarring gebracht moeten worden wegens deze onverwachte kleinheid. Bekend is immers hoeveel werk er al verzet moet worden, opdat een Harmonisch Systeem van planetaire bollen vaststaat. Mercurius is zelf de uitvinder van de Muziek, die de valsheid van geloofwaardige samenklanken heeft geleverd. De waarheid overwint dus zelfs als ze naakt is, en dingen waarvan ontdekt wordt dat ze niet met de verschijnselen overeenkomen, die moeten nog als wanklank gelden. En laat degenen die zich inspannen een ontwricht toestel te verstevigen, niet dat wat gezien is naar redeneringen slepen, maar te goeder trouw de redeneringen naar wat gezien is.
Dit is immers de enige behoorlijke methode van filosoferen, als iemand zijn talent ondergeschikt maakt aan de natuur, niet de natuur aan zijn talent, met gepaste eerlijkheid. Zo vele en zo onnatuurlijke opvattingen immers die zich verbreiden, ontstaan uit eigenliefde; zolang iedereen zichzelf feliciteert met zijn vondsten, of eerder met zijn dromen, en liever wil dat de hele natuur in dwaling is, dan zijn verzinsels. Vandaar ook die onbestendigheid, die noodzakelijk is volgens degenen die zuiverder te werk willen gaan, zolang het nodig is, als de natuur steeds weer ontkomt aan de voetboeien die we aanslaan, heel vaak te verwerpen wat leek te voldoen.
Dus laten we eenvoudiger te werk gaan, en als voor ons niet vaststaat hoe, of hoedanig er een symmetrie bestaat onder de hemelbollen, laten we dan tevreden zijn met wat we kunnen gebruiken, en aan het nageslacht overlaten wat zij eraan kunnen toevoegen. We hebben veel dat onze voorgangers niet hadden; waarom zouden we onze opvolgers benijden, als ze veel zullen hebben wat wij niet hebben? Laten we hen liever helpen met de hulpmiddelen die we ter beschikking hebben; wanneer immers vaker herhaalde

20
waarnemingen zijn gedaan, dan pas zullen ze misschien begrijpen wat ons niet kan ontgaan door gebrek aan waarnemingen. Wilt u dat ik het met de woorden van Seneca zeg?
Er zal een tijd komen waarin een dag, en de zorgvuldigheid van een langere tijd, die dingen aan het licht zal brengen die nu verborgen zijn. Er zal een tijd komen, waarin onze nakomelingen zich erover zullen verwonderen dat wij dingen niet geweten hebben die zo gemakkelijk zijn te begrijpen.*)
  Maar hoor eens, waarom verspil ik zulke rijke woorden aan iets dat zo klein is? Heeft die God van welbespraaktheid gewild dat ik bij dat piepkleine beeld bezield was door een of andere kracht van breedsprakigheid? Het was bij u niet nodig bij het bespreken ervan in vuur en vlam te raken; maar ik kon mijn enthousiasme niet bedwingen. U neemt het alles voor lief; wees mij voor altijd genegen, zoals u bent; en groet vriend Lanzius°).
Te Parijs, 10 november 1631.
[ *)  Seneca, Naturales quaestiones, lib. VII, 25.4 en 25.5.]
[ °)  Johann Lantz (1564-1638), Institutionum Arithmeticarum libri quatuor ... Cum Appendice fractionum astronomicarum, Monachi 1616 ... 1667.]




...

Inhoud:

Epistola prior, De viso Mercurio, p. 3.
  Postscriptum: Eclipsis Lunae diei sequentis, p. 20.
Epistola posterior De invisa Venere, p. 23.
  Monitum 1. de Marte, p. 29.   Monitum 2, p. 31.
Excerptum ex epistola, ... ad Kepplerum scripta, Parisijs, vj. Kal. Septemb. An. M. DC. XXX, p. 33.
  Eclipsis Solis, p. 33.   Occultatio Saturni à Luna, p. 34.
  Transitus Lunae prope stellam Ophiuchi, ac aestimata Diameter Iovis, p. 36.
Auctarium ad eundem Schickardum, p. 38.
  Occultatio Martis à Luna, p. 38.
  Monitum de Marte.   Monitum aliud, p. 45-47.





Het verhaal van de eerste waarneming van een Mercurius-overgang werd spannend verteld in 1882, zie 'Gassendi's Transit; er staat ook een afbeelding bij (hier ook verkleind en rechtop gezet):
 
Mercurius voor de Zon, Gassendi Discus Solis cum trajiciente Mercurio, prout intra obscuram Scenam se inverse in Circulo citra Telescopium objecto exhibuit. / Eclyptica / Mercurii Semita

Schijf van de Zon met Mercurius die erover gaat, zoals ondersteboven vertoond op een onder de Telescoop geplaatste Cirkel. / Ecliptica / Pad van Mercurius.

Mercurius voor de Zon, Gassendi, rechtop gezet
De tekening komt uit Opera omnia (1658), deel 4, p. 500 en stond ook in Institutio astronomica (1656), p. 284. Het verhaal is van W. Harkness, 'On the transits of Venus', Nature, vol. 27, p. 114-115. Zie ook Jean-Pierre Luminet, Les passages de Mercure, 2016.

Met een programma als Sky View Café*) kun je Mercurius op 7 november 1631 over de Zon zien lopen, zoals Gassendi het zag te Parijs, maar nu zonder wolken. Drie afbeeldingen daarvan, een uur na elkaar:

Mercurius voor de Zon, 8:00 h
8:00 h
Mercurius voor de Zon, 9:00 h
9:00 h
Mercurius voor de Zon, 10:00 h
10:00 h

De tijd is die van Parijs (48 52 N, 2 20 O), dat is 9 minuten vroeger dan UT (Universal Time) of GMT (Greenwich Mean Time).
De onderkant van elk beeld is evenwijdig aan de horizon. De schuine lijn is de Ecliptica en de helling hiervan moet dus veranderen. In de tekening van Gassendi is deze helling nog wat minder dan bij de uittrede — die was 10:20 h, terwijl Gassendi had 10:28 h.
De diameter van Mercurius was inderdaad kleiner dan 20" zoals Gassendi zei, en zelfs iets kleiner dan 10".
*)  Geef tijd en plaats, kies onder 'Rising' de "Inferior conjunction', vraag onder 'Options' 'Sun - 1° Span'.
Klik op het cijfer voor 10 minuten en verhoog dit met het pijltje ernaast.
Met de cursor op Mercurius zijn onderaan gegevens te zien:

RA = 14h 48m 52s, Decl. = −16° 14' 09".   Az. = 303° 36' 05", Alt. = 4° 09' 59".
Mag. = 6.8.   Illum. frac. = 0,0%.   Ang diam. = 9.94".




Hoe moeilijk het was Mercurius voor de Zon te zien blijkt uit het feit dat anderen er niet in slaagden, ondanks zonnig weer. Josph Gaultier (leermeester van Gassendi) heeft
de Zon waargenomen vanaf 3 november tot 8 november ... en hem steeds heel helder en zuiver bevonden, zonder zelfs enige schijn van een vlek
en denkt dat niemand in Europa er iets van heeft kunnen waarnemen*).
Gaultier had de afstand van de Zon tot de Aarde berekend, met behulp van de kegelvorm van de aardschaduw. Maansverduisteringen geven daarover informatie, want dan loopt de Maan door die schaduw.
De in de oudheid gevonden waarde van de afstand, ongeveer 1200 aardstralen, was volgens de berekening van Gaultier nauwelijks anders°). Evenals Gassendi veronderstelde hij daarom dat Mercurius voor de Zon heel duidelijk te zien zou zijn. Hij wilde aanvankelijk niet geloven dat Gassendi's waarneming juist was; maar hij liet zich overtuigen door diens brief aan Peiresc, voordat hij in april 1632 Mercurius in Sole las.
Martinus Hortensius heeft ook zijn best gedaan: op 5 november was het bewolkt, op de 6e zag hij de Zon wel even, maar op de 7e zelfs niet één keer#). Het zou een mooie test zijn geweest voor zijn kundigheid in het waarnemen, als het op 7 november 1631 te Leiden stralend weer was geweest.

*)  In een brief van Peiresc aan Gassendi. Zie p. 319 van: Pierre Humbert, 'Joseph Gaultier de La Valette, astronome provençal (1564-1647)' in Revue d'histoire des sciences, T. 1, no. 4 (1948), p. 314-322. Zie ook van hem: 'A propos du passage de Mercure 1631', ibidem, T. 3, no. 1 (1950), p. 27-31, met een gedeelte uit de brief van Peiresc aan Gassendi, 22 dec. 1631.
Peiresc had het verschijnsel ook willen zien, en al vanaf 5 november met een telescoop de Zon waargenomen, maar op 7 november zat hij op het moment van de Mercurius-overgang bij de mis (Kepler's voorspelling van het tijdstip was niet heel nauwkeurig).

°)  Bijna 20 keer te klein. Wendelinus (Godfried Wendelen) vond een 12 maal grotere waarde.
Gaultier kende Wendelinus, die omstreeks 1600 in Digne (Provence) leraar wiskunde was geweest; zie Gassendi, Opera (1658) T. 6, p. 15: eerste brief van Gassendi aan Wendelinus (zij kenden elkaar nog niet), 21 mei 1629, "Galterius, quem nosti".
Wendelinus aan Gassendi, 1 mei 1635 (Opera 6, p. 428): de Zon is in diameter 64 keer zo groot als de Aarde, de afstand is 14720 aardstralen.
In Wendelinus, Eclipses lunares ab anno 1573 ad 1643 observatae, 1644, p. **3 wordt Joh. Ciermans geciteerd, die zegt dat Wendelinus 3460 aardstralen had gevonden (Disciplinae mathematicae, 1640, 'Augusti hebdomas tertia', p. [204]); even ervoor zegt Malapert iets dergelijks; de Zon is 4096 keer zo groot als de Aarde, d.w.z. 16 keer in diameter.
Wendelinus, Luminarcani arcanorum caelestium Sphinx & Oedipus seu Lampas 'dôdekaluchnos', 1658, XII, 12: de straal van de Zon is even groot als die van de maanbaan, 64 aardstralen.

#Dissertatio (1633), p. 6, 7.




Home | Hortensius | Dissertatio 1633 | Gassendi, Mercurius voor de Zon (1632)