Home

Martinus Hortensius

in het Nederlands






Inleiding

Maarten van den Hove (1605-1639) was leerling van Isack Beeckman, met wie hij een zonsverduistering waarnam (1630), en wiens 'Journal' hij mocht inzien (1634). Hij vertaalde werk van de copernicanen Lansbergen en Blaeu in het Latijn en was de eerste die als professor het stelsel van Copernicus verdedigde, aan het Athenaeum Illustre te Amsterdam.

Dirk van Miert zegt over hem, in Illuster onderwijs (Amst. 2005), p. 51:

  De reputatie die Hortensius zich heeft verworven in de geschiedens van de wetenschap is niet benijdenswaardig. ... het negatieve oordeel van Descartes ... Hortensius' frontale aanval op de Deense astronoom Tycho Brahe ... Ook de grote Kepler en de Franse astronoom Beaugrand lieten zich laatdunkend uit over Hortensius. ... het Athenaeum haalde zich met Hortensius een wiskundige in huis die internationaal naam had gemaakt, eerder dan faam verworven. Hoe schril stak zijn reputatie af tegen die van de grote Vossius en Barlaeus!
  Toch was Hortensius een moderner geleerde dan zijn twee gerespecteerde ambtgenoten. ...
Echt modern was Hortensius niet: in de twee oraties komen heel veel namen uit de Oudheid voor, maar niet die van Galilei en Kepler. Wel wilde hij graag Galilei's boek van 1632 zien dat in Italië zoveel stof deed opwaaien en hier moeilijk verkrijgbaar was, de Dialogo (Ned. vertaling 2012). Hij schreef o.a. aan Galilei zelf, en zo had hij medio 1634 twee exemplaren.
Vossius schreef op 28 mei 1634 lovend over Hortensius aan Hugo de Groot in Parijs. Deze briefwisseling leidde tot het plan Galilei naar Amsterdam te halen, zodat zijn methode voor lengtebepaling op zee (met de manen van Jupiter) misschien toegepast zou kunnen worden. De bejaarde Galilei wilde Italië niet meer verlaten, maar bood wel zijn methode aan. De Staten-Generaal besloten op 5 dec. 1635
te versoecken ende autoriseren doctorem Hortensium praesidem Mathematicum tot Amsterdam, Willem Jansz. Blau mede tot Amsterdam, Isaacq Beeckmans*) Rector tot Dordrecht om de opening van des Suppliants voorsz inventie schriftelick te ontfangen ende examineren
*)  Beeckman had de methode al eerder beschreven, eind 1631 of begin 1632.
Maar helaas, Hortensius overleed in 1639, voor faam werd hem de tijd niet gegeven, hij is niet ouder geworden dan 34 jaar.
Hortensius heeft – ook in zijn eigen ogen – gefaald, maar door zijn goede contacten in de wereld van de wetenschap is zijn falen redelijk goed gedocumenteerd en laat zijn levensloop iets zien van de onderkant van het wetenschapsbedrijf in de Nederlandse Republiek van de zeventiende eeuw.
Aldus K. van Berkel in 'De illusies van Martinus Hortensius', p. 63.




De telescoop

Pierre Gassendi had op 7 november 1631 de planeet Mercurius voor de Zon langs zien gaan en het jaar daarop Mercurius in Sole gepubliceerd. Hortensius herkende de waarneming als een belangrijke gebeurtenis en begon met zijn Dissertatio van 1633 een briefwisseling met Gassendi.
Hortensius bespreekt vijf eigenschappen van de telescoop, die in het kort neerkomen op:
  1. zelfde uitschuiving van de kijkerbuis voor scherp zien van maan, zon, planeten en sterren
  2. zelfde hoek (voor maan en Plejaden B-D) in de telescoop als gemeten met een Jakobsstaf
  3. zelfde hoek bij de horizon als hoog aan de hemel (geen 'maanillusie')
  4. de telescoop lijkt soms een te kleine vergroting te hebben, soms een te grote
  5. bij weinig licht een groter beeldveld dan bij veel licht
Eigenschap IV wordt verklaard met de vorige; eigenschap V met de verwijding van de pupil (zie p. 47). Over de gebruikte telescoop (p. 59: ook een andere) wordt niets anders meegedeeld dan dat het beeldveld overdag door de maan werd gevuld (p. 44), dus ongeveer een halve graad was, terwijl de hoek 's nachts wel 42' was (p. 51).

Mercurius bleek voor de Zon veel kleiner te zijn dan gedacht, en dit zette Hortensius ertoe aan zelf diameters van planeten te gaan bepalen. Een overzicht staat op p. 61, waarbij 'grootte' betekent: volume. De afmetingen van de planeten werden veel te klein geschat (b.v. Jupiter iets kleiner dan Aarde), doordat de Zon 15× zo ver staat als toen werd aangenomen. Maar hoe de 'grootten' zijn berekend wordt niet duidelijk.
Ph. Lansbergen, Uranometria (Midd. 1631) geeft in 'Aan de lezer' een tabel met grotere planeten en grotere sterren (b.v. Jupiter 3× Aarde).

Beeckman, "die vriend van u en van mij", wordt genoemd op p. 64, om zijn idee: bekijk een kaarsvlam op een afstand van 1 of 2 mijl. Daardoor werd Hortensius ervan overtuigd dat sterren kunnen worden gezien onder een hoek van 1".




Wiskundige wetenschappen

De inaugurele oratie van 1634 was voor Hortensius de gelegenheid bij uitstek om zijn indrukwekkende kennis van de klassieken te etaleren. Maar ook om, zich richtend tot de Burgemeesters en Vroedschapsleden, een Alexandrië aan de Amstel te propageren (p. 19):
Alexandrië had altijd een overvloed zowel aan kooplieden, als ook aan zeer voortreffelijke Mathematici; en het was om zo te zeggen hun gemeenschappelijke school. ...
Wat nu als U, zoals u de handel van de Alexandrijnen naar Amsterdam hebt overgebracht, dit ook zou doen met de beoefening van de Wiskundige wetenschappen? en als u na werktuigen te hebben opgericht in ruil voor parels en edelstenen, een schat met vergankelijke broosheid, de opdracht geeft dat zo vele 's nachts lichtende juwelen, zo oud als de wereld, aan het nageslacht worden toegeteld; en als u uw namen de eeuwen door laat gaan, zoals grote helden van vroeger, Orion ...
De stadsbestuurders zullen wel vreemd hebben opgekeken van deze laatste gedachte; maar de schatkist werd niet geopend voor Hortensius om instrumenten aan te schaffen.




Het oog

De oratie over het oog doet de vraag rijzen of Hortensius wel enig didactisch inzicht had; het hoogdravende betoog zal voor de meeste leerlingen teveel van het goede zijn geweest, Geen wonder dat hij nog geen twee weken later aan Gassendi schreef (Van Miert p. 203, n.104, 15 juli 1635): "Ik ben er niets mee opgeschoten. Ze namen nauwelijks de moeite om te komen luisteren."

Als natuurkundeleraar denk je dan: had hij maar in de eerste les zijn leerlingen enkele simpele proefjes met het oog laten doen, zoals: breng je vinger naar je neus, wat voel je en wat zie je, wanneer scherp); duw tegen één oog, ga na hoe ver de 2 beelden uiteengaan (zie de noten bij p. 12); bekijk elkaars pupilvernauwing in feller licht (p. 13) — eigenlijk is het vreemd dat de blinde vlek pas later werd beschreven (Mariotte, 1668), het kan gewoon met de vinger op leesafstand schuin voor je neus: zoek de goede hoek met de kijkrichting (ca. 20°).
Over breking zijn er klassieke voorbeelden: een stok schuin in water lijkt gebroken, een munt op de bodem van een beker lijkt te worden opgetild door water.
En als er brillen in de zaal waren had hij vragen kunnen stellen als: heb jij een hol of een bol glas? wat zie je niet scherp zonder bril? kun je een afbeelding van de zon maken op de tafel of op de grond?

Op p. 19 lijkt het een practicum aan de orde te komen:

Veel bewonderenswaarige dingen zijn er te vinden in de lichaampjes van insecten, waarmee kan worden ingezien, dat de oneindige macht van God niet minder zichtbaar is in de onaanzienlijkste diertjes, dan in de opmerkelijkste delen van de wereld. Maar die willen liever worden opgespoord door ondervinding, dan verteld in woorden. Daarom zal ik niet langer rustig verder gaan, tenslotte zal ik mij omkeren, en de koers van de oratie dichter naar u toe richten, Toehoorders.
Haalt hij nu een microscoop te voorschijn? Nee, weer komt er een hoogdravend verhaal.
Ook voor volgende lessen kon hij het kijken door een microscoop of telescoop waarschijnlijk niet beloven, helaas. Maar met aandacht voor de belevingswereld van zijn leerlingen had Hortensius als docent ongetwijfeld meer succes kunnen hebben. Zijn meesters hierin hadden kunnen zijn Simon Stevin en Willem Jansz. Blaeu.




Hortensius schreef verder:

'Praefatio' in Ph. Lansbergen, Commentationes in motum terrae, Midd. 1630.
Met de genoemde aanval op Tycho Brahe. Weerwoord van Petrus Bartholinus:
Apologia pro observationibus et hypothesibus astronomicis ... Tychonis Brahe ... contra vanas cujusdam Martini Hortensii Delfensis criminationes & calumnias, Hafniae 1632.

Responsio ad Additiunculam D. Ioannis Kepleri ... praefixam Ephemeridi eius in annum 1624, Lugd. Bat. 1631.
Met de tekst van Kepler (uit Ephemerides novae, 1630, Additiuncula bij 1624), waarin deze hem beschrijft als:

Iemand die, naar het schijnt vertrouwend op het spreekwoord "Ook een groenteboer zegt wel eens iets goeds", met op astronomisch vernuft gebaseerde spotternij (over kleinigheden die onder deskundigen betwist worden) stoot tegen de fundamenten van de wetenschap, en van voortreffelijke werken daarin.
Dit kan inderdaad laatdunkend worden genoemd, met die woordspeling op de naam Hortensius, tuinman.
Het ging verder om de excentriciteit van de aardbaan om de zon. Hortensius had met de telescoop een 2× zo grote waarde gevonden als Kepler met afbeeldingen via een gat (methode van de 'camera obscura'). De diameter van de zon varieerde volgens Hortensius als 125 : 133 en volgens Kepler als 125 : 129 (Praefatio, p. ***4), dat geeft resp. e = 0,031 en e = 0,016. Nu vinden we e = 0,0167, dus Hortensius had het mis.

'Carmen quo ortus & progressus Astronomiae ad nostra usque tempora ostenditur', in Ph. Lansbergen, Tabulae motuum coelestium perpetuae, Midd. 1632, p. 18-24.
Zo te zien beheerste Hortensius de klassieke hexametervorm goed.

'Candido ac benevoli Lectori M. Hortensius S. D.' in W. J. Blaeu, Institutio astronomica De usu globorum & sphaerarum Coelestium ac terrestrium, Amst. 1634 [txt].
Met veel enthousiasme voor Blaeu's modellen van het stelsel van Copernicus.

'Dissertatio de studio mathematico recte instituendo', p. 111-133 in Hugonis Grotii et aliorum de omni genere studiorum recte instituendo dissertationes, Lugd. Bat. 1637.

Epithalamium scriptum felici copulae D. Michaelis Pompe ... nec non D. Adrianae de Beveren, Amst 1637.


Briefwisseling met Pierre Gassendi, in diens Opera, 1658, T. 6:

H.  26 apr. 1633
p. 409
5 dec.'33
p. 417
2 jun.'34 
p. 422
15 sep.'34 
p. 424
15 jul.'35 
p. 429
16 mei '36 
p. 431
12 okt.'36
p. 432
G.  13 aug. 1633 
p. 62
29 jan.'34 
p. 67
1 mrt.'36
p. 83
4 aug.'36
p. 91
13 feb.'37
p. 92

Van Constantijn Huygens ontving Hortensius twee brieven, zie Briefwisseling van Constantijn Huygens (ed. J.A. Worp):
-  p. 119, van 29 okt. 1635, over de bouw van een telescoop, genoemd op dezelfde blz in de brief van de dag ervoor aan Descartes (die in zijn antwoord Hortensius een 'hermite' noemt, p. 123),
-  p. 342, van 25 jan. 1638, lichte kritiek op Hortensius' Dissertatie (teveel onnodigs); aansporing om Galilei te gaan bezoeken.
Twee brieven van Hortensius aan Constantijn Huygens zijn verloren gegaan.




Literatuur:

C. Barlaeus, Mercator Sapiens. Oratie gehouden by de inwijding van de Illustere School te Amsterdam op 9 januari 1632 (ed. Sape van der Woude), Amst. 1967.
Met Nederlandse vertaling 'De wijze koopman' en inleiding. (Vgl. Ned. 1689.)

toegangspoort Olfert Dapper, Historische beschryving der stadt Amsterdam, Amst. 1663, p. 439.
Met afbeelding 'De doorluchtige school'; zie ook de prent in TU Delft Beeldbank.

  In den Iare zestien-hondert twee-en-dertigh, wiert ook by de Majesttraet besloten, om een Gymnasium of doorluchtige schole op te rechten. Hier toe wiert het klooster van Sinte Agneta bequaem gemaekt, en terstont tot het voor-lezen en leren der historien, van Leiden beroepen D. Gerard Vossius ... Ten zelven tijde wiert ook van Leiden beroepen, de Heer Kasper van Baerle ...
Daer na is ook Martinus Hortensius, om de Mathesis of wiskunst te leeren en uit te leggen, beroepen.
E. W. Moes, 'Martinus Hortensius', in Oud-Holland, 1885, p. 209-216.

C. de Waard, 'Hortensius (Martinus)', in NNBW, Leiden 1911, kol. 1160-1164.

K. van Berkel, 'De illusies van Martinus Hortensius', in Citaten uit het boek der natuur (1998).

Rienk Vermij, Calvinist Copernicans, Amst. 2002, p. 126-129.

Dirk van Miert, Illuster onderwijs, Amst. 2005, p. 50-55, 201-205.

Auteurspagina bij DBNL.

Annette Imhausen & Volker R. Remmert, 'The Oration on the Dignity and the Usefulness of the Mathematical Sciences of Martinus Hortensius (Amsterdam, 1634): Text, Translation and Commentary', in: History of Universities, XXI/1 (2006), 71-150.



Home | Martinus Hortensius in het Nederlands (top)