Beeckman | < Journaal > | Woordenlijst

Maatgever , versuft , aandoening , hersenen , klok , geruchten , patient , persoon , O-W , kijker


Isack Beeckman - 1631

C. de Waard, Journal tenu par Isaac Beeckman de 1604 à 1634

Tome III: 1627 - 1634 (1635)



[ 183 ]     5 jan. - 10 febr. 1631

Maatgever

Musicos pulsus dirigens instrumentum a me factum.

    De musicynen, die tot mynent, door order van de Heeren, een camer hebben om te synghen, versochten op my dat ick haer yet maken soude, dat de mate van selfs slaen konde, omdat de handt so seker niet en is ende oock moede wort, ende dan dickwils d'een, dan d'ander de mate slaet, sodat men niet altyt de ooghen na één plaetse en mach keeren, hetwelck wat ongemackelick valt. Ende alser vele de mate slaen, so gaen de handen dickwils teghen een.

samengestelde slinger     So hebbe ick dan een touken door de solder gesteken met een hout daeraen, synde ab, het houtken b raeckende het midden van de tafel, eenen halven voet hoogher; de solder is fg. Aen a is een katrolleken, daer het touken bad over loopt opdat het teghen het gat in de solder niet te seer schueren en soude. hi is noch eenen hoogheren solder, daer een dicke touwe deur kompt, datter een gewichte van 30 lb aen hanghen kan, want b is qualick een half pont swaer. Het gewichte e beweeght synde, gaet altyt eenparich (gelyck vooren door occasie van Sanctorij pulsilogium bewesen is [<]). Nu gelyck e, so gaet oock d; ende gelyck d, gaet a ende b op ende neer.

    Ist dat men begeert dat b hoogher op ende neer gaet, men hoeft d maer hooger of leegher te knoopen, want hoe leegher d, ofte naerder by e geknoopt wort, hoe hoogher ende leegher b op ende neer gaet, want e maeckt int wagghelen een grooter circumferentie dan d. Wilt ghy dattet wat rasser op ende neer gaet, so sult ghy het gewichte e wat hoogher hanghen nae d toe; dan sal de heele touwe ce rasscher over ende tweer gaen. e en mach de solder niet raken.

[ 184 ]
    Men kan oock maken dat b int neer of opgaen eenich geluyt geeft dat kleyn is, opdat men niet en behoeve de ooghen van de boeck te slaen om na de mate te sien, maer slechs luysteren naer het klopken van b.
    Mersenne noemt een slinger om de maat aan te geven in Harmonie universelle (1636, I, Livre III [des Instr. à chordes], Prop. 18, Coroll. 3), en Lipstorp een 'tactum' musicum' in Spec. phil. cart. (1653, 206). [ Beeckman verdient een plaats in de geschiedenis van de metronoom.]   [>]
[ Lat. ]

[ 191 ]     10 - 22 febr. 1631

Genezen

Mercurij et praecipitati differentia in curando.

    Hetgene ick vooren [<] geschreven hebbe vant genesen van de herpes, hoeveel dynghen uytgetrocken worden door quicsilver, en mach van der praecipitaet niet verstaen worden, want daer blyven soveel souten in van het sterckwater, daert mede gemaeckt is, datter rooven of korsten op de seeren kommen, als men se daermede stryckt, welcke het uytdoornen van de quade materie beletten.

Ulcerum crustae unde fiant.

    Nu rooven of korsten worden op de seeren gemaeckt van het serum, dat uyt de aderen in de seeren leeckt, in welck serum soudt is, waerin de vochticheyt door de warmte des huydts uytgedoomt synde, so blyft het soudt by de fuligines ligghen ende maeckter samen een roove ofte korste op de seere. Dat de rooven soudt in hebben, blyckt daeruyt dat se op een kole viers geleyt synde, kraken. So worden dan rooven gemaeckt van alle souten, tsy in sterckwater etc., die door de warmte des huyts met het water niet uytdoomen en konnen.

    So doen oock de pulveres, die in de salven gemeynght worden, want die kommende by de sales in fuigines, maken korsten, voornementlyck als de kracht van de pulveres al wech gevloghen is ende datter maer haer tartarus over en blyft, sodat het schyndt dat men int genesen van ulceratien wel aldermeest op sulcke uytdoominghe ende aenklevinghen behoort te letten.


Versuft

Caput meum gravissimo ligno laesum ejusque cura et symptomata.

    Den 14en Febr. 1631 vielder een groot houdt op myn hooft, meest aen de slyncker syde, waerdoor ick wat versuft synde, sonder nochtans te vallen, ginck te bedde, also het ontrent ses ueren was savons, ende liet my een ader openen. Ende daer wert op de plaetse des hoofts, die wat root sach, doch gans niet gequetst, gestreken oly van roosen ende een defensif plaester. Hadde 's anderdaechs, noch daeghs daerna, gansch geen gewach van koortse.
[ 192 ]
Sanguinis mei gravitas et seri multitudo.

    Myn bloet voorseyt, van den doctoor voor geheel goet geceurt synde, woech vyf onsen ende deselfde quantiteyt van reghenwater woech omtrent een roosennobel min. Het serum, boven op het dicke staende, was omtrent het derde deel van de heele gewoghende quantiteyt des bloets.

    Hadde ick gelegentheyt gehadt, so soude ick dit alles net gedaen hebben, ende daerenboven gesien wat het serum alleen woegh. Soude oock het bloet met warm water al afgespoelt hebben totdat de fibren wit wierden, ende die dan oock gewoghen.


Onderzoek

Sanguinis, urinae, sputi, etc. examinandi modus.

    Om niet alleen het bloet, maer oock het water van de blaese (pisse dicunt) ende van de fluymen, ja van de excrementen intestinorum, self wel te examineeren, behoorde men glasen te hebben een duym wyt ende een voet hoogh, want de humeuren, daerin gedaen synde, so soude men merckelick de proportie van de heterogenea konnen sien, boven of onder dryvende. Ende de excrementa ende fluymen, te dick synde, mocht men met sulcken liqueur menghen dat sommighe heterogenea daerop dreven, sommighe daerin soncken, ende sommighe daermede gemeynght werden. So doende soude men veel beschelicker van de quantiteyt van sieckten, oock van de qualiteyt etc., konnen oordeelen, want de heterogenea, die in den ordinael ende in de pot etc. gespreyt ligghen, soude men in deze lanckworpighe glasen byeen dryven, ende bequamelick konnen gemeten worden wat proportie datse hadden tegen malcanderen, de glasen onder ende boven even wyt synde.
[ Lat. ]

[ 194 ]

Aandoening

Capitis mei affectio per lignum quod inciderat descripta.

    Also den 14en dat houdt op myn hooft gevallen was [<], so seght myn broeder*), dat ick den 16en dito savons niet heel wel en was, doch so niet dat ick eenich quaet achterdyncken hadde, of dochte dat het niet heel gedaen en was soveel 't geheel lichaem aenginck, want het hooft docht my noch al doof ende dede my wee als ick niesde, hoeste, myn gevoech dede, etc.; ende en scheen wat doof te wesen van de mondt tot aen de slyncker oore van binnen, gelyck te vooren, so oock nu. Doch savons docht my dat de spyse, die ick adt, synde een gebraden hoen, so wel niet en smaeckte alse plach.

    Den 17en dede myn slyncker arm, aen de plaetse daer de cephalica geopent was, heel seer, sodat het weerseer in de glandule onder myn slyncker oxel quam; ende den arm was seerachtich geinflammeert.

Urina mea ex casu hoc quando fuerit sanguinea.

    Ditselvighe continueerde oock den geheelen 18en dach, op welcken dach, ontrent den elf ueren, voelde ick wat huyveringhe; ende bevroedende dat het een voorbode was van de koortse, so en adt ick dien middach niet. Na den middach wert het een koortsken ende duerde tot savonts; doen docht my dat se byna wech was ende ick adt met honger ende smaeck. Evenwel wast dien nacht so heel wel niet, want ick was sweetachtich. Myn water, dat ick dien dach maeckte, was dick ende onder so roodt als bloet, twelck op de grondt scheen te ligghen.

    So wast oock sanderdaeghs, den 19en, op welcken ick so wel te passe was, dat ick smiddachs ende savons hertelick adt.


    *)  Abraham Beeckman (geb. 1607) [<], sinds 1 dec. 1629 derde meester in Dordrecht (eerder in Rotterdam onder broer Jacob, die overleed in aug. 1629).
[ 195 ]
    Ende begon doen eerst te bedencken of de voorgaende accidenten niet wel tot judicia critica souden konnen gerekent worden (om welcke reden oock ick dit hier beschryve), volgens de order, die ick verstaen hebbe dat Fracastorius*) volcht. Dierhalven verwachte ick wat bysonders op den 20en dach, twelck na syn rekeninghe is den sevenden; ende seyde teghen myn broeder dat ick wel mochte crisin kryghen. Myn water bleef even dick ende het sedimentum even swart ende bloetachtich. [...]°)
    *)  Girolamo Fracastoro, de Causis criticorum dierum (1538) [>].
    *)  Nu volgen 14 regels tekst die zijn weggelaten.

Bloedneus

Sanguis e naso meo missus.

    Dit voorschreven water was op desen 20en, dat is den 7en van den tyt af te rekenen dat het houdt op myn hooft viel incluys — was, segh ick, even dick als te vooren ende even swart op de grondt. Desen dach was Donderdach, also ick Vrydach te vooren het ongeluck kreegh. Rechs voor den middach bloede ick uyt myn neuse een druppel vyf of ses. Ende gheen achterduncken hebbende dat dit een beginsel soude syn van crisis, omdat ick wel gewent was te bloeden (doch nu en hadde ickt in langhen tyt, in een maendt of twee, niet gedaen), so ginck ick smiddachs wel eten; maer rechs na den eten, by het vier kommende, begon ick wederom te bloeden ende al uyt het slyncker neusgadt, aen welcke syde des hoofts den val was. Daerna, een uere of twee of meer, bloede ick wederom, oock uyt het slyncker neusgadt, sodat het, na gissinghe, ontrent 3 of 4 oncen mocht wesen. De chyrurgyn, te naganck kommende, giste meer, ende seyde dat het quader was dan dat hy den 14en uyt myn arm gelaten hadde, daert nochtans uyt de neuse altyt rooder is; doch nu, seyde hy, ist swarter.

Kritieke dagen

Dies critici in capitis mei affectione observati.

Doctoor Someren*), myn water siende, oordeelde dat ick moest gepurgeert worden ende ordineerde cremoris tartari et speci: diacarthami ana 3j [1 drachme] om sanderdaechs smorgens in te nemen. Maer dien nacht myn water oock bewaert hebbende, was so geluw met sulcken hypostasis (niet heel op de grondt sittende, maer wat hangende) dat den chirurgyn, te naganck kommende, seyde dat het geheel goet was. Siet of dit niet een exempel en is (al ist het eerste, dat ick geobserveert hebbe) van de dies critici.

    Evenwel nam ick den 21en Feb. 1631 de voorseyde ordinantie in ende hadde ontrent 5 of 6 sedes; doch eerste begonnen, walchde ick wat ende stack myn vingher in den keel, doch quam niet dan slym uyt, ende wert te bloeden. Ende bloede desen dach 2 of 3 mael, dan uyt d'een, dan uyt d'ander neusgadt, ontrent 2 of 3 oncen, eer meer als min by gissinghe. [...]°)


    *)  Cornelis van Someren (1593 - 1649), studie geneeskunde in Leiden vanaf 1611, promotie te Caen (1615, 'Disputatio prognosi sive praecognitione acutorum morborum'), werd in 1617 geneesheer te Dordrecht, en later lid van de magistraat. Enkele medische geschriften werden gepubliceerd, andere in handschrift nagelaten. [>]
    °)  Vijf regels weggelaten (hierna ook enkele).
[ 196 ]

Gewicht

Perspiratio mea quanta 12 horis, post purgationem.         Pondus meum 20 annis 125 lb.

    Sanderdaeghs, dat was Saterdach, den 22en, eer ick op het secreet geweest hadde, ten 9 ueren opstaende, woech ick 124 lb. Myn urina dien nacht was een half pondt, geen sputa. Sodat ick in die 12 ueren maer 1/2 lb geperspireert en hebbe, omdat het lichaem ende aeren so ledich waren. [...]
Nota dat ick dese voorleden 20 jaren altyt gewoghen hebbe 125 lb, want so dickwils als ick in de schole geseten hebbe, so heught my dat ick altyt 125 lb of daerontrent woegh, ja selfs doen ich noch te Leyden was, twelck meer dan twintich jaer geleden is. [...]
Het voorseyde water (urina) was seer dick ende troebel tot boven toe; ende onder swart, bloedich sedimentum, gelyck vooren.

Muriam ingredientium pondus. Etiam urinae meae pondus cum aqua collatae.

    Den 23en was myn urina wederom heel klaer. Desen dach woegh ick een glaesken met pekel, so sterck als ick se maken konde sonder op de gront te sitten terwylen dat se heet was; doch dese pekel koudt geworden synde, satter soudt op de grondt,
ende woegh 4 1/8 van een once Dorts gewicht, sonder het glasken.
Het soudt onderin 1/8 van een once.
Soveel reghenwater woech 3 3/8 van een once.
Soveel van myn urina deses daeghs woegh 3 7/16 van een once.
Soveel van pekel, koudt geworen niet op den gront   3 15/16 van een once.
Dits al het glasken afgetrocken synde, twelck woech 7/8 van een once.

    Soo is dan de proportie tusschen regenwater ende myn urine desen dach gelyck 54 tot 55.   [>]
[ Lat. ]

[ 199 ]

Netvlies

Radij hominis quî oculis inhaereant exemplo demonstratum.

    D. Colvius [<] heeft my geseydt dat hy een man gekendt heeft, dewelcke op een glase veynster in de kercke sterck gesien hebbende sonder de ruyten te tellen ende sich daerna omkeerende, sach de gehele glase veynster so bescheelick voor hem staen dat hy al de ruyten, dieder in waren, perfect konde tellen.

    Konde men op die manniere een subtyl pampier maken, daer al tgene dat van buyten door een convex gelas schyndt, op bleve staen, dat ware een schilderye nergens by te vergelycken*). Myne ende anderer tunicae retinae syn wel so subtyl dat de stercke couleuren daerin eenighen tyt blyven staen; ja oock alsmen de ooghen styf toenypt, dan kommender wel eenighe formen ende figueren voor ons ooghen staen, maer niet in sulcken order dat men die tot yet, dat men onlanx gesien heeft, pertinentelyck kan refereren.


    *)  Van de schilder Torrentius [<] is wel gezegd dat hij een of ander fotografisch procédé toepaste. Const. Huygens dacht aan een donkere kamer.


Hersenen

Membranae cerebri in quibus cogitationes imprimuntur cum retina collatae.

    Maer dese sake kan een mensche te bedencken geven of deur ons geheele hersenen niet en strecken noch fynder ende subtylder vellekens dan de retina van de ooghen is, in welcke vellekens geprendt worden al dat men hoort, siet, ruyckt, smaeckt ende gevoelt, elck op syn manniere: hetgene dat men siet met figueren, coleuren etc., hetgene dat men hoort, met vouwen of plicae, die door het kloppen des geluydts op het tympanum gemaeckt worden op de nervus latus, ende so voorts in de fyne vellekens der hersenen, ende so oock met den reuck.
Sodat de substantie der hersenen, na Hippocratis segghen, Lib. de glandulis [<], anders niet en soude syn dan een glandule sonder gevoelen of beweginghe, nergens anders toe dienende dan om het hooft te suyveren ende de voorseyde subtyle vellekens, die met menichte daer allom dweers deur loopen, te ondersteunen. Maer die vellekens synt, daer al dat <waer> de mensche op dencken kan, van spreken kan, etc. op geschildert, geprendt ende geformeert staet, doch niet so bescheelick als in de retina van de ooghe, omdat hetgene dat aan de ooghen in de hersenen kompt, maer secundario ende als door handtreyckinge op de vellekens der hersenen en geraeckt. Evenwel overtreft het geprente in de hersenen, omdat de figueren daeruyt niet strax en verdwynen, gelyck ordinaris in de ooghen geschiet, maer blyven, om de teericheyt van de vellekens der hersenen wille, daer so diep ingedruckt, dat se al langhen tyt daerin blyven, voornementlick somptyts door gedachten ofte sien ververscht synde.

Figurae in cerebri membranis sunt omnis scientiae materies.

    Ende dit drucksel in de hersenen is al de geleertheyt ende wysheyt, die de menschen hebben, sodat, indien die figueren deur siekte of medicamenten etc. konden uytgevaecht werden, so soude men alle wetenschap quyt syn ende soveel alser aen d'een of d'ander syde uytgewist was.
[ 200 ]
Sodat de imaginatie anders niet en schyndt te wesen dan datmen de spiritus animales druckende, perst teghen de voorseyde figuren aen, waerdoor se noch dieper gegroeft worden, de spiritus animales lanckx de groefkens door het pranghen moetende loopen, twelck de mensche dan op een nieuws gevoelt. Ende dat gevoelen hem aengenaem synde, so continueert hy het pranghen derwaerts ende herwaerts, ende druckt also dat hy wilt. Het vermaeck dat de mensche hierin schept, is gelyck eenen boom sich verheught als de Sonne op hem schyndt, omdat hetgene dat oneffen was of te dicht aeneen, etc., daerdoor gladt ende geopent wort; maer de menichte van de concurrentien des vermaecks in den mensche maeckt de aengenaemheyt merckelicker. Dits voor soveel als de menschen de beesten gelyck syn.   [>]


Aandoening, vervolg

Capitis mei affectio ob lignum quod inciderat continuata.

    Also den 14en Februari dat houdt op myn hooft gevallen was, hebbe ick vooren [<] verhaelt wat gebeurt is tot den 23en dito toe.

    Maer nu den 5en Meerte snachs daerna en konde ick niet slapen van de middernacht af totdat het dach was. Ende in den dach, dats den 6en Meerte, was myn water rooder alst plach, ende scherp gelyck alsmen de koude pisse heeft, te weten dat en steeckt als men syn water gemaeckt heeft.

    Den 7en Meerte kreegh ick de coortse. Die begonst ontrent de vier ueren namiddach ende savons ten 9 ueren was ick heetst, ende bleef warm tot smergens ten 7 uere, ende was wat klam van de sweet, noghtans weynich of niet gesweet hebbende.

[ Lat. (vervolg) ]

[ 202 ]     [8] - 16 maart 1631
Capitis mei affecti historiae reliquum.

    De daghen die te noteren staen sins dien val op myn hooft, syn in Feb. 1631: 14, 17, 18, 20, voorts 5, 7, 9 Martij, want den 5en Meerte en konde ick, gelyck geseydt is, snachts daeraen niet slapen, sodat ick achte dat doen het humeur, dat door den slach los geschud was (want het gaet daermede gelyck met de lavuerwassers, die doort schudden de metallen van gelycke nature byeen kryghen, gelyck dickwils vooren geseydt is [<], ende int bloet syn verscheyden substantien van ongelycke swaerte, als melancholia is dichter ende swaerder dan bilis etc.) dat humeur los, of ten naestenby los synde, waer het oock int lichaem soude moghen syn (maer apparentelick in de aderen des hoofts, dat is van de nature) op den vyfden voorseyt, synde secundum Hippocraten criticus, gemoveert was om ergens uyt te stooten. Doch door den ordinaren wech (in dese sieckte synde, na myn gevoelen, de blase, welcken wech ontrent de nieren of in de dickte des bloets etc. ofte eenich ander inconvenient, niet open genoech en was) niet uytgejoghen synde, so isse geexpelleert daer se een tertiane intermittens maecken moeste. Waer dat sy, is my noch onbekent.

    Den 7en was myn urina wat vóór ende in de koortse heel klaar, ende hoe langhe ick het liet staen, ten wert niet dick. Maer dat ick den 8en Meerte maecte, was so dick dat een doeckxken, daerin gedoopt synde, heel roodt wert, voornementlick droogh geworden synde. So wast oock nadat ick den 9en Meerte de coortse gehadt hadde; op den 10en, ende volgens dien, vóór desen, oock, daer de wateren gelyck waren.

    Den 10en Meerte purgeerde ick wederom met het voorseyde van diacarth. et crem. tart. Den 11en creegh ick de coortse een weynich voor den middach, doch dese soseer niet als te vooren, al hoewel dat te vooren de coortse oock maer redelicken was. Myn pols sloegh in de coortse ontrent 65 of 66 mael in 36 secunden van een uere, ende in de tusschendaghen, als ick de koortse niet en hadde, sloegh myn pols ontrent 55 of 56 mael in de 36 secunden.

    Martij den 14en, smorgens tusschen 7 ende 8 uere, bloedet uyt myn slyncker neusgadt met wel een once, by gissinghe.*)


    *)  Negen regels tekst hierna zijn weggelaten: lichaamslengte (uitkomst: 159 cm) en -breedte.
[ 203 ]

Klok

Clockstelders onderwesen.

    Als de klockstelders willen weten hoeveel gewicht dat sy aen haer touwen hanghen moeten sonder te wachten d'een uere voor ende d'ander naer, om te sien oft met de Sonne overeenkompt, so en hoeven sy haer maer slechs na de voorsz. gevondene secunde te reguleren [<], eens wetende wat proportie datter is tusschen een secunde ende het cloppen van haer horologie, meer of min gewichts daeraen hanghende, totdat sy de proportien hooren ende sien. In myn horologie isse byna van 42 cloppen tot 36 secunden.


Bezinksel

Urinae sedimentum examinare.

    Die perfect wil sien wat sedimentum syn water of urina heeft, die mach syn water maken in eenen urinael, ende alst geseten is, gieten dan het claerste boven af. Daerna moet hy syn water in eenen anderen urinael maken, ende geseten synde het claere oock afgieten, ende dit sedimentum by het eerste gieten. Daerna in den ledighen urinael wederom syn water maken ende doen alsvooren. Ende dat so dickwil totdat hy genoech byeen heeft.


Nierstenen

Urinae sanae nitrum valet contra renum calculos.

    Dewyle dat gesonde lieden haer water so goet is dat het de nieren suyvert ende niet toe en laet dat daer eenich graveel aen en blyft, maer scheydt ende met sich neempt; dat oock eenen vervuylde urinael, daer een ongesondt mensche, die graveelich is, syn water dickwils in gemaeckt heeft, also datter veel tartarus aen het glas van binnen vastcleeft, indien een gesont mensche daer dickwils syn water inmaeckt, so sal het glas geheel schoon ende claer worden — so duncke my dat in de urina van een gesondt mensche yet te vinden is dat het graveel doet scheyden.

    So ick dit D. Nuyssenborgh [<,>] seyde, andwoorde hy datter hyer een vrouwe is, die teghen het graveel pisse in geeft; bevinde oock dat het sal prunelle (niet anders synde als nitrum) van de doctoren teghen het graveel met goet succes gebesicht wort. Daerom soude wel best moghen wesen dat men het nitrum, datter in de urina veel is, van een gesondt mensche, die gansch niet graveeliche en is, uyttrock ende een graveelich mensche dickwils ende in groote quantiteyt ingaf (want pisse en kan in geen groote menichte gedroncken worden). Also is te hopen dat hetgene den gesonden mensche van het graveel bewaert, den ongesonden daervan verlossen sal; want het kan wel syn dat het nitrum, dat uyt de urine van een mensche gemaeckt wort, al wat verscheelt van 'tgene dat uyt de aerde etc. getrocken wort. Geneest het nitrum niet, so soeckt in de urine yet anders.

[ 204 ]

Eeuwige klok

Horologium perpetuum construere.

    Gisteren, synde den 15en Meerte 1631, hebbe ick eenen brief van Cornelis Drebbel [<] aen den Coninck van Engelandt geschreven, hiervóór op een ledich bladt gecopieert*). In denwelcken hy onder anderen schryft, dat hy een horologie maken kan dat altyt loopen sal; ende alst een weynich verloopen is, dat het dan als de Sonne schynt, wederom terecht kommen sal.

    Dit kan gedaen worden met eenen hollen back, also gestelt dat de Sonne winter ende somer om eenselve uere op eenselve plaetse schynt, twelck op de manniere van de sonnewysers moet geordineert worden, also dat de Sonne op een gegeven minute van een uere, tsy middach of op een ander tyt, altyt schynen moet op deselfde linie, welcke so lanck moet syn datse van den eenen tropicus tot den anderen reyckt. Nu van binnen moetender interstitia gemaeckt worden dat elck quartier van de uere een caviteyt appart heeft, wiens locht de Sonne schynende op de superficie, door syn warmte verdunnen sal; dewelcke, meerder plaetse soeckende, moet gedirigeert werden, daerse het wyserken effen op die uere ende quartiere dryven kan. Twelck op verscheyden wyse geschieden mach, de verwarmde locht teghen d'een of d'ander veerken vliegende, dat so gestelt is dat het wyserken anders niet staen en kan dant van dit veerken gedreven wort. Welck veerken of plaetken kan gehecht syn aen een koper rondt stocxken, daer het wyserken met syn centrum vast aen is, also dat het drayen moet gelyck het koperken draeyt. Dit stockxken lanck synde, kan veel veerkens draghen, elck responderende op syn uere etc.


    *)  De brief (uit 1613) is afgedrukt als Appendix II, met een tekening van Beeckman: Instrumenta Drebbeliana.
    [ < , > ]
[ Lat. ]

[ 208 ]     12 april - 22 juli 1631

Zon beweegt

Solis motus secundum quendam.

    Balthasar van de Vinne [<,>] tot Gorcum is van opinie dat de Sonne, boven haren loop, die sy alle maende doet in sichselven oock loopt ronsom eenen center buyten haer, welcke center van de Sonne soude staen ick en weet niet hoe dickwils de distantie tusschen ons ende Saturnus; ende gaet eens om, ick en weet niet in hoeveel duysent jaer*). Evenwel houden haer plaetsen [planeten] ronsom haer altyt haren loop, op die manniere gelyck Tycho Brahe syn hypotheses maeckt, oft gelyck Jupiter met syn planeten ronsom de Sonne loopt.

    Also meynt hy oock, dat alle de vaste sterren doen met al hetgene dat ronsom elcke vaste sterre draeyt, waermede hy seght al de phaenomena te konnen solveren.°)


    [ *)  De zon draait om het centrum van ons melkwegstelsel, 200 miljoen maal zo ver als Saturnus, in 200 miljoen jaar.]
    °)  Later noteert Beeckman dat Giordano Bruno dit al geschreven had [>].
[ Lat. ]

[ 210 ]

Verlies

Consolandi se modus ob mortem amicorum.

    Over het verlies van syne vrienden kan men sich troosten als men overdenckt dat men nu so is gelyck ymant die sonder sulcke vrienden geboren is. Want is die niet droeve omdat hy se niet gehadt en heeft, waerom sal ick droevich syn dat ic se niet meer en hebbe? dewyle ick deselvighe gelegentheyt van vermaeck nu hebbe, die ick soude gehadt hebben, waert dat ick die vrienden noyt gekent en hadde.

    Het verlies van vader, moeder, ooms, moyen, broeders ende susters wort ordinaris gerecompenseert ende derhalven vergeten door occupatien ende tvermaeck tgene men met syn kinders heeft. Die dan na het aflyden van haer ouders of geen kinders en kryghen of die verliesen, syn nootsaekelick alderdroefst.*)


    *)  Gedacht kan worden aan de vriendschap met Descartes (gestopt okt. 1629, hersteld aug. 1631, zie brieven [>]).
Zeker is het verlies van zoontje Jacob (14 aug. 1629 - 4 juli 1631), genoemd in de volgende notitie tussen Latijnse zinnen: "Dit soude myn soontjen misschien geholpen hebben". [Het vierde verlies, en later nog een (>).]
[ Lat. ]

[ 215 ]     begin aug. - 10 okt. 1631

Geruchten

Rumores falsi cur de me divinationes abhorrente, sparsi tamen fuerint.

    Den 1en Augusti 1631 seyde men de heele stadt door dat ick uyt de sterren gesien hadde dat de stadt Dortrech voor Woensdach aen vier hoecken in brandt staen soude.*)

    Nu dewyle myn schriften uytwysen, datter niemant en is die min vertrout op voorsegginghen als ick doe, door de onwetentheyt der menschen [<], so mach men hieraen sien hoe lieden die wat meer schynen te weten als gemeene lieden, sonder order befaempt worden ende also beloghen, twelck van vele andere, die men na haer doot voor waersegghers of tooveraers houdt, oock wel te gelooven is, die dickwils beter ende min superstitieus geweest syn, dan diegene, die sulckx van hen segghen. Sulck segghen kompt dickwils in den mondt van de menschen door eenen kachelachsman die op de bierbanck niet anders dan so een leughentjen en weet te versieren om eens te lacchen; welcke leughen, alse valt op een persoon daer wat apparentie van schynt te wesen, so wort se hier ende daer gelooft.

    So seyde men oock, dat ick te Dortrecht op myn toorentjen [<] door een verrekycker gesien hadde dat het schip den Orangeboom (twelck men seght dat verdroncken is) te Farnabock in Brasilien gelost heeft; daer niemant van al hier so seker en is dan ick, dat sulckx door de bocht der crompte van de aerde onmoghelick is.   [>]


    *)  Dordrecht had 18 270 inwoners in 1622.


Opstanding

Resurrectionis testimonium a me sumptum.

    Ick hebbe dien aerdt, dat ick wel soude willen bespreken datmen na myn doot my niet begraven en soude, maer ergens in huys laten ligghen verrotten.

    De reden daervan is een swackheyt in my, dat my altyt in den sin licht dat ick niet doot syn en sal, als ick doot schynen sal te syn; jae ten dunckt my niet dat ick oyt sterven sal, maer wel voor een tyt slaepen ende vreese int graf wacker te worden.

    De vraghe is of dat een goet of quaet teecken is. Myn ongeloovicheyt is so groot dat ick vreese dat ick de alderswackste int geloove ben van alle ware Christenen; maer dit gevoelen ende afgrysen dat ick hebbe van begraven te worden doet my altemet hopen, dat myn kleyn geloove noch geloove is, ende dat de opstandinghe der dooden door insprake des Heyligen geests niet teenemael uyt myn herte geweest en is.

    Myn dochterken Catelyntje*) seght oock dickwils: "en begraeft my niet als myn broerken begraven is [<], want ick vreese dat ick noch sal schreuwen ende dat moeder my niet hooren en sal, gelyck myn broerken nu meugelick wel doet".

    Sodat dit een instinctus van de nature schyndt te wesen, die Godt gegeven heeft tot bewys van het eeuwigh leven hierna. Elckeen mach sien of hy dit oock so gevoeldt.

    Dit is oock de reden dat ick op myn vrienden versoecke dat sy my willen anatomiseren eer sy my begraven°).


    *)  Derde kind, geboeren te Rotterdam, 29 maart 1624 [<,>].
    °)  Beeckman had de autopsie bevolen van zijn op 27 aug. 1629 overleden broer Jacob.
[ 216 ]

Evenstaltwichtig

    Het heeft syn gebruyck soomen maken kan dat een gewicht naer advenant leegher ghinck dan het swaer was. Maeckt een lanckworpich yserken dat int water syncken kan; so ghy kont wat hol, dat het met het water evenstaltwichtich*) is.
    *)  Een woord van Simon Stevin: met gelijk gewichtseffect.


Gerucht waar?

Rumor falsus de me fortuito verus videbatur.

    Hetgene de lieden hiervooren seyden [<] dat ick gepropheteert hadde dat het voor Woensdach hier in de stadt aen vier hoecken brandt soude wesen, dat is juyst gebeurt s'nachs voor Woensdach voorseyt doch den brandt was maer aen één plaetse ende haest geblust, doch geschiedde met sulcken schrick ende geloop alsoffer eenen bysonderen brandt geweest was. De lieden liepen langs de straten ende riepen: "Nu geschiet het, dat den rector voorseydt heeft". Ende al wert het strax geblust, evenwel en hielt de sprake niet op, maer seyden: "Het soude so geweest hebben, hadde men daer so haest niet bygeweest". Also siet men hoe de menschen yte segghen konnen van t'gene daer niet met allen aen en is.
[ Lat. ]

[ 218 ]     10 - 30 okt. 1631

Patient

Vasculum per quod mediante folle pus extrahi posset.

    Gelyck ick voor desen [<] een tonne gepractiseert hebbe om den brandt uyt smenschen lichaem te trecken, so door occasie van een die jaer ende dach een geulcereerde voet hadde ende niet lyden en mocht dat men de etter uyt doude, hebbe ick goet gevonden dat men diergelyck tonneken maken soude,
[ 219 ]
tonnetje daer syn voet gemackelick in konde ende dat dicht aent gesonde been sluyten, ende also met een suyghblaesbalckxken de locht int tonneken uyt trecken. So sal nootsakelick al het etter dat los is in de ulceratien ende fistulen, moeten volgen ende uyt de gaten op het vel kommen. Ende indien het vel ronsom de gaten door dit suyghen te veel opgetooghen wort dat het den patient seer doet etc., so mach ment eerst so met doecken bewinden dat de gaten alleen bloodt blyven.

    Op deselfde manniere kan men een instrumentgen maken gelyck daer men mede kopt, ende setten dat op andere gaten int lichaem ende suyghen daer de etter uyt, want sy en sal in de mondt niet kommen, maer slechs op het vel des patients. Twelck oock een koppe sal syn om te gebruycken sonder vier ende seer bequaem, indien het clapken slechs wel dicht is, gelyck in de orgels.


Penis

Penis meatur quomodo dilatemus.

    Ad penis meatum dilatandum:   [Om de penisdoorgang te verwijden:]

buisje met klepje     Maeckt een cleyn dun buysken, dat gemackelick daerin kan, ende stroopt daer een aderken over, ofte yet anders, dat het laet recken als leer, ende bindt het onder het buysken wel dicht toe ende boven dicht aen het buysken vast ende dicht geknoopt ende gebonden, het buysken langer synde dan de meatus voorseyt. Aent oppereynde van het buysken een goet klapken in forme van een steeckpompe. Blaest dan int buysken, so sal de wint, tusschen het leder of ader ende het buysken, geweldich swellen.

Urinam fistula ex vesica sugere.

    Men kan oock met dit treckpompken de blase, die door den steen verswackt is, met syn eygen mondt uyt suyghen, als het buysken so lanck is dat het aen de mondt kan kommen, twelck geschieden kan als men het een buysken op het ander schroeft met leder tusschen beyden om dicht aeneen te sluyten. Ende die haer eygen water in de mondt niet nemen en willen, konnen onderweghen in het buysken een groote caviteyt ofte hollicheyt maken; daer sal dan al de pisse in getrocken worden.

    De clapkens ordinere ick allom opdat men soude moghen syn asem verhalen ende behouden dat men heeft.

[ Lat. v ]

[ 220 ]

Papier

Aquae gutta cur chartam tumefaciat.

    Alser een droppel waters op pampier valt van een boeck, so kompt daer gelyck een geswel, twelck geschiet omdat het water, tusschen de blaren door de wermte des weers doomende ende het pampier aldaer sacht synde, opheft, omdat den doom anders niet wel uytvliegen en kan.
[ Lat. v ]

Magneet

Magnes mirandae potentiae a me visus.

    Ick hebbe te Rotterdam int laetste van Septemb. 1631 gesien eenen seylsteen, wegende 3/4 lb, gewapent met twee ysere boutkens aen twee silvere plaetkens geheght. Aen welcke boutkens eynde hinc een ander ysere boutken alleen door de kracht van de seylsteen; ende aen dat boutken een stuck ysers van seven pondt swaer, dats meer dan 1 tegen 9.


Onderaards

Subterranea duriora.

    In de dadelpruymen syn de steenen seer hart, ende de dadels ende pruymen syn socht. Wie en sal niet dencken dat het so oock toegaet in de berghen, ende misschien in de heele aerdrycke, alwaer door de veranderinghe des weers boven sachte aerde is, diep onder backenharde keyen, loot, silver etc. door de stilte ende warmte, oock vant sulpher aldaer.


Persoon

Animi mei natura multis explicata.

    Natura ego sum timidus. Soleo enim optare sub fratre meo Jacobo*) militare, si militandum esset, nam ille, etiam in rebus adversis, animum non solebat amittere. Facile etiam alijs credo, ideoque solebam saepius falli, ac sententiam mutare.

    [ Van nature ben ik verlegen [<]. Want ik kies er gewoonlijk voor onder mijn broer Jacob*) te strijden, als er gestreden moest worden, want die gaf, ook bij tegenslag, gewoonlijk de moed niet op. Gemakkelijk ook geloof ik anderen, en daarom was het dat ik me gewoonlijk nogal vaak vergiste, en van mening veranderde.]


    *)  Jacob Beeckman, eerst rector in Veere, toen in Rotterdam, overleden in 1629.
[ 221 ]
Ben niet wel ter talen. Plach beter te loopen ende verder te springhen dan een van myn medescholieren. Etiam urinam, cum puer essem, longissime ejaculabam e longinquo. Cum puer essem optime videbam, nunc vero myops sum, ita tamen ut ex distantia magni pedis commode et solito more legam.
[ Ook spoot ik de urine, toen ik een jongen was, verreweg het verst. Toen ik een jongen was zag ik heel goed, maar nu ben ik bijziend, zo toch dat ik op een afstand van ruim een voet gemakkelijk en op de gewone manier lees.]
Ick ete veel, jae meer als my duncke dat behoordt, ende evenwel ben ick selden of noyt sieck, ende ben dese 20 jaeren ende langher al van eenselfde swaerheyt geweest, te weten 125 lb met myn kleeren. Ick dryncke seer weynich. Myn stemme om te synghen is so quaet dat myn meester*) seyde noyt geen slechter gesien te hebben; evenwel hebbe ick soveel geleert, dat ick mede partye singhen kan, maer niet seer wel; kan oock het discorderen niet wel hooren.

    Ick en ben noyt myn leven soo verloopen geweest van sinnen, hoe jonck ick oock was, dat ick yet dede sonder achterdyncken, altyt my bedenckende oft so wel soude syn. Int eten niet vys, int kleeden niet curieus. Ick en hebbe noydt yet in myn slaep gedaen, als van roepen, opstaen, smyten of diergelycke. Ick en hebbe noydt myn leven droncken geweest, ende als ick wat te veel wyns of bier gedroncken hadde, so dede myn hooft somtyts wel wat seer. Als ick over tafel sitte ende neffens andere dryncke, d'andere moeten dickwils opstaen om haer water te maken, doch ick noyt, al duerde de maeltyt 7 of 8 ueren, of so langhe als bruyloften gewoon syn te dueren.

    Dit teyckene ick hier al by malcanderen om in tyt van sieckte, hieruyt myn natuere kennende, de rechte medicine over myselven te doen.

    Ick worde hier gehouden best met schaeckbort te spelen, al en hebbe ickt in 10 jaer niet gedaen, doch na den eten dunckt my dat ick best spele.   [>]


    *)  Evert Verhaer te Utrecht [<].



    Aristotelis opera necdum legi, 25 Dec. 1631*), ac existimo me nunc majori cum fructu ea lecturum ac de ijs judicaturum quam si antehac ea legissem.
    [ De werken van Aristoteles heb ik nog niet gelezen, 25 dec. 1631*), en ik schat dat ik die nu met meer vrucht zal lezen en erover oordelen dan als ik die hiervoor gelezen had.]

    In de groote kercke hier te Dort, recht over de stoel daer ick sitte, syn vyf quadraten geschilderde glasen in de veynsters blyven staen, welcke vyf glasen aen één kant staen sonder order, als die by gevalle noch niet gebroken syn. Deze doen my menichmael myn attentie verliesen, altyt besich synde om die op bequame plaetsen in de veynster te ordineren, terwylen men preeckt.

    Den iris in myn ooghe [<] en is noch niet weer gekomen ronsom de keerse, sodat de winter daer gheen oorsake van en was, maer een gebreck in myn ooghe.


    *)  Later ingevoegd.


[ Lat. ]

[ 229 ]     30 okt. 1631 - [15] maart 1632

Lengte op zee

Oost ende West te vinden door Jupiters maentjens.

    Om het Oost ende West te vinden, waervoor de Staten Generael, ofte na myn best onthouwen, de Staten van Hollandt, vyfthien duysent gulden belooft hebben*). sal dit dienen:

    Men sal vooreerst een tafel maken ofte ephemerides van de loop van de vier maentjens ronsom Jupiter. Ten anderen maken eenen goeden verrekycker te hebben, daerdoor men op see die maentjens bescheelick kan sien. Wetende dan op wat uere van den dach te Dortrecht dese sterrekens van Jupiter sus of so staen moeten;

[ 230 ]
welcke gestaltenisse in see gesien hebbende ende daerneffens wat uere van den dach het is op de plaetse daer het schip is, so weet men uyt het verschil des tyts het verschil der lenghde tusschen de plaetse van het schip ende Dort, twelcke is wat longitudine men daer heeft, dat is hoeveel oostelicker of westelicker het schip is van Dortrecht, twelck men noempt Oost ende West°).

    Het fondament hiervan is de groote veranderinghe van dese maentjens, die telcken een nieuwe gestaltenisse kryghen ondereen, ende voornementlick de naeste by Jupter, dewelcke alle daghe daer eens ronsom loopt. Waert dat onse Mane so dede, dan en hoefde men niet veel moeyte te doen. Maer bovenal uyt de eclipsen van dese maentjens, dewelcke dyckwils gebeuren, omdatter viere syn ende snel ronsom loopen, also datse niet langhe in den eclips en blyven. Waert dat onse Mane alle daghe, jae alle weke, ja alle maende eens eclipseerde, elckeen weet wel hoe gemackelick het Oost ende West soude gevonden worden, dewyle selfs nu alle de sekerste longitudines daerdoor gevonden ende bekent syn.


    [ *)  Zie resoluties m.b.t. de lengtebepaling op zee (in IV: brieven 25 okt. 1627 en 26 juni 1634).]
    °)  Peiresc en Galileï hadden de methode ook bedacht. De tijdmeting was het grote probleem.


Van ver lezen

Litteras e longinquo legere.

    Om eenen brief van heel verde te lesen, also dat vrienden malkanderen konnen van alles adverteren daer tusschen haer beyden niet met allen in de wech en is, so oock in de belegerde steden; jae selfs warender van ons vrienden in de Mane die deselfde konste konden ende op ons ende wy op haer konden passen, men soude daerdoor met haer lieden konnen communiceren, doch dan moesten de glasen extraordinaris groot syn ende extraordinaris wel geslepen.

    Om dit te doen salmen een convexum ofte bol glas bc also stellen ontrent A, twelck men sien wilt, dat al de stralen van A op het glas bc vallende ende daerdeur gaende, buyten al paralleel loopen;

telescoop, en lens bij voorwerp
[ 231 ]
ende om datter te meer stralen syn souden ende te dichter by ende op één, so sal men maken dat de Sonne ofte eenich klaer licht (ende snachs veel ende klare keersen) op de syde van A die sich na bc streckt, schyne. Laet dan de distantie van A, te weten den brief, die men lesen wilt, so groot syn als ghy begeert, dat is te segghen dat het glas bc so verde sy van den verrekycker de, fg als men wilt, ick segghe dat men A sal konnen lesen.

    Waervan de reden ex opticis klaer is; ende die het proeft, sal bevinden dat gy den brief A oneyndelick beter sal sien als het glas bc daervoor staet dan door den verrekycker alleen.
    [<]


Betere verrekijker

Telescopium ex vitris vulgaribus non vulgare conficere.

    Om eenen verrekycker te maken, die beter is dan ordinaris, met ordinare glasen, so sy ba een bol glas, op welcke de stralen paralleel vallen; ende daerdoor gaende, snyden malkanderen in d, ende daerna vallen sy op het bol glas ef ; ende daerdoor gaende, vallen sy paralleel opt bol glas gh, omdat het glas ef van passe af staet van d, te weten, dat d is het punctum concursus vant glas fe. Dese parallele stralen op gh vallende, vergaderen weer byeen aen het hol glas ik, waerdoor gaende, scheyden se weer een weynich vaneen, sooveel datse, door de ooghe c gaende, in tunica aragnoide vergaderen, dats te segghen, datse van het oogh c konnen gesien worden.
telescoop, 4 lenzen
[ 232 ]
    Het fondament hiervan is dat al de stralen, die op het groot glas ab vallen, kommen opt glas ef, dat kleynder is; ende daerom syn de stralen daerin dicht opeen gedronghen, sodat op den ordinaren verrekycker ghikc de stralen dichter vallen dan of de glasen ab ende ef daer niet en waren. Ende de quade coleuren, irides genoempt synde, die kommen door de groote refractie als deur een al te grooten bol glas de stralen op het hol glas vallen, die en syn hier niet, omdat de refractie op ef niet so groot en is*). So mach dan het bol glas so groot syn als men wilt, ende daerdoor soveel te meer stralen ontfanghen, daer in de ordinare verrekyckers dat glas altyt enghe gemaeckt moet worden, omdat men anders van de irides gequelt wort. Ende daerenboven het hol glas in de ordinare verrekyckers sendt al te veel stralen, die de pupille niet en raken door de ongelycke divergentie of afwyckinghe.

    Men soude oock van de twee glasen ef ende gh maer ééne konnen maken ende soveel bolder of soveel verder van d ende groot naer advenant, waert dat de kleynste het werck niet meest al en dede. Daerom moet men sien hoe groot of hoe kleyn best is. Alles schynt hier verkeert.


    *)  Rheita, Oculus Enoch et Eliae (Antw. 1645) noemt pas weer een kijker met vier lenzen (alle bol). Campani gebruikte in 1666 drie bolle lenzen om minder kleurafwijking te hebben.


Slijpbekken

Beckens te maecken die net sphaerice syn.

    Om een becken te slypen, dat heel recht spheryck is, sonder oneffenheden, ende dan daerop een glas te slypen, dat sphaerice bol is*): stok met slijpsteen, bekken

    Uyt het punt a sal een stock hanghen ab, ende aent eynde een slypsteen ofte vyle. Daermede sal men over ende weer wryven ofte vylen; so sal het becken cd nootsakelick recht sphaerice rondt syn, omdat de stock ende alle punten van de slypsteen ofte vyle allen even lanck syn als ab, ac, ad, etc. Ende het glas, dat daerna aen de stock gedaen wort, moet nootsakelick, al slypende, recht ende effen sphaerice bol worden.

    Also kan men de concaviteyt vant becken ende de convexiteyt vant glas so groot maken als men begeert, verlenghende ab soveel als men wilt.


    *)  Beeckman had waarschijnlijk al een verrekijker, gekocht in Delft [>]. In elk geval begon hij zelf te slijpen, zoals hierna nog vaak te lezen is (samenvatting: III* - XIV*). Meer over de stok: 408-0. Vgl, 264.
[ 233 ]

Ellips

Ellipses te slypen.
ellips, brandpunten A en B
    So sal men oock een ellipsis ofte lanckront slypen, doende een touwe acb aen de punten a, b ende aen c een slypsteen ofte vyle, in dewelcke een gat is, door hetwelcke de touwe acb spelen kan. So sal dan de vyle kommen somptyts aen f, g, h, e, c, d, de touwe afb, acb, agb, ahb altyt even lanck blyvende. So sal dan het becken dfcghe een ellipsis worden, ende het glas, dat daerop op deselfde manniere geslepen wort, sal bol lanckrontformich syn.

    Hetselvighe mach men oock practiseren met een parabole ende hyperbole, volgens hetgene Keplerus schryft in Paralipomenis [95-6].   [>]


Groot bekken

Becken hoe grooter van diameter, hoe beter.

    Int slypen van glasen op een spherael becken moet men so groot een glas nemen alst moghelick is, want hoe grooter het glas ende het becken syn, hoe perfecter dat het glas spherael wort.

    De reden hiervan is omdat het becken noyt so perfect spherael gevylt ende geschuert kan worden of daer en blyven hier of daer noch wel eenighe onkenbare leeghten ende hooghten. Als dan het glas, dat men slypt, kleyn is, so wort het so afgeslepen dat het met syn midden die leeghten hier of daer raeckt. Al is dan die leeghte heel onsichtbaer, so isse nochtans in sulcken kleynen spatie, als het gelas bedeckt, sodanich dat se haren diameter merckelick korter maeckt ende op ander plaetsen langher, twelck int glas oneffentheyt veroorsaeckt. Maer als het glas thienmael grooter is, al ist dat de hooghten, daer het overloopt, so wat ongelyck syn, so is de oneffenheyt maer het thiende deel so groot; gelyck als men op 3 punten een cirkel beschryven wilt van thien voet diameters ende dat die punten maer eenen duym ineen en staen: indien het een puntjen maer, of haertjen, uytwaerts of inwaerts en staet, so sal den cirkel veel grooter of kleynder getrocken worden, maer indien die punten elck een voet van malkandern staen, so en kan dat haerken op verre na so veel verschil niet maken, ende den cirkel en is daerom niet merckelick grooter of kleynder.

Telescopia infinite meliora facere.

    Dits dan een middel om glasen te slypen so perfect als men wilt, indien men noch kost, noch moyte en ontsiet, twelck wel de pyne waert is om sulcken perfecten verrekycker te maken. Dewelcke op hoe grooter becken, met hoe grooter glas ende hoe grooter den diameter van de spheraliteyt des beckens is, hoe perfecter des verrekyckers glas wort, ende hoe verder ende perfecter men alles daerdoor sal konnen kycken.   [>]


IJzer

Yser dat quaet is, goet voor beckens.

    De smidths segghen dat quaet yser (sy noemen dat, welck lichtelick breeckt) niet en schelfert, ende kan so effen geslepen worden als spiegel, doch is harder om te vylen. Dats dan goed om beckens te maken om glas op te slypen.   [>]
[ Lat. ]




Beeckman | Journaal - 1631 (top) | vervolg