Beeckman | < Journaal > | Woordenlijst

Psalmen , slijpen , brandpunt , weer , molen , pomp , deeltjes , geluidssnelheid , bloedsomloop


Isack Beeckman - 1633

C. de Waard, Journal tenu par Isaac Beeckman de 1604 à 1634

Tome III: 1627 - 1634 (1635)



[ 255 ]     1 jan. - [4] april 1633

Psalmen

Psalmos multos populus cur non correxerit.

    Psal. 16 singht men te Dort in den 1en regel pro sol sol fa fa, sol sol re fa. Ende weet op dese occasie, als ghy wilt sien wat noten in desen of dien psalm eyghen syn, dat gy niet en moet meynen dat se al goet syn die tot noch toe vant gemeyne volck niet verbetert en syn, want veel psalmen worden selden gesonghen. Ende gy soudt voor goet, ende als eenen regel van de reste aennemen, dat quaet is, ende in familiaer gesangen wel verbetert sou werden.


Psalm 36

Psalmus 36 cur a plebe corrigatur.

    Psalmo 36, versu nono, pro mi fa la sol mi fa mi canit vulgus in templis mi la la sol mi fa mi, natura illi suggerente consonantiam fa la huic modo, quo totus hic psalmus canitur, non convenire. fa la enim pars est modi, cujus finalis est re qui etiam est sol; psalmus vero est modi cujus finalis est ut qui etiam potest esse fa.

    [ Psalm 36, regel negen, voor mi fa la sol mi fa mi zingt het volk in de kerken mi la la sol mi fa mi, daar de natuur hun ingeeft dat de consonant fa la voor deze toonaard, waarin deze hele psalm gezongen wordt, niet passend is. fa la maakt immers deel uit van een toonaard, waarvan de eindnoot is re die ook is sol; de psalm is echter van een toonaard waarvan de eindnoot is ut die ook kan zijn fa.]


Windstil

Phaenomena aeris te Dort 23 Dec. 1632.

    8 of 9 daghen lanck voor den 23en Decemb. 1632 ist te Dort so stille geweest dat niet eenen meulen en heeft konnen malen, ende by mans gedencken en ist voor desen so niet geweest, seght de kneght van den meulenaer. Ten regende doen oock niet.


Glas slijpen

    Als men wilt dat het glas van twee verscheyden spheraciteyt sy*), so slypt eerst het gansche glas op het becken sonder het glas aent houdt (capulum vocant) [<,>] vast te maken, want dan salt effen syn gelyck het becken. Ende daerna, capulo affixum, slypt parvo manus ambitu totdat de kanten tot halfwege afgegeten syn, ende polyst het so samen; dan sal de midden wat holder syn dan de reste ende also sullen de radij best in één punt vergaderen. Men mach oock maken door instrumenten; ofte, gelyck vooren geseydt is [<], dat manus ambitus exacte semper idem fit. So sullen de stralen van de kanten seker gaen.

    Doch dit al is sulcken abuys gelyck of men docht dat een glas eerst op een vlack becken ende daerna op een holder geslepen, tot de vergaringhe der stralen in één punt wat goets doen soude. Doch beyde is contrarie. So ist oock al dat my dieshalven in den sin kompt. — 10en Jan. 1633.

    Want als het glas int slypen eerst aen de kanten afneempt, so wort het bolder alst van te vooren was; ende alst eerst in de midden afneempt, so wort het daer holder dant van te vooren was. Ibi radij, per loca a centro remotiora, citius quam ante concurrunt; hic per loca circa centrum concursus longius protenditur. Quaerebatur autem ut per haec citius, per illa tardius concurrerent, ut ita omnes radij in unum omnino punctum convenirent.
[ In het eerste geval komen de stralen, via plaatsen verder van het middelpunt, sneller samen dan te voren; in het laatste geval, via plaatsen rondom het middelpunt, is het punt van samenkomst verder weg. De vraag was nu hoe ze via de laatste sneller, en via de eerste langzamer zouden samenkomen, zodat zo alle stralen in precies één punt zouden samenkomen.]


    [ *)  Met andere bolling in het midden dan aan de rand. — Hier onder een notitie met datum 8 jan. Zie noot (>).]
[ 256 ]

[ Lat. v ]

Zeer bol

    Int slypen van seer bolle glaeskens ist goet dat men het glas so groot neemt als men kan, gelyck vooren [<] oock bewesen is van allerhande bolle glasen, omdat dan de oneffenheyt op so grooten gedeelte der sphere te niete gaet. Maer dan valt het glasken al te dicke. Om dan oock dunne te krygen, sal ment setten met cement int midden van een ander groot glas ende die beyde so samen slypen, tsy dat het grooter glas in centro een gat heeft, daer het kleyn glasken in past ('twelck men meer of min uytwaert of inwaert setten mach), tsy dat men het kleyn glasken boven op het groot glas plackt, doch dan en sullen de kanten van het groot glas maer het becken raken. Aldus maeckt men het bol glasken so bol als men wilt, ende oock so dunne.


Midden boller

    Men kan wel eerst een glas slypen dat niet seer bol en is, ende hetselfde in een ander becken, dat holder is, slypen; halfweghe of so verde als men begeert. Dan sal het glas bestaen van twee soorten van convexiteyt, den randt bolder synde dan de midden. Doch dewyle men soeckt al de parallele stralen achter tglas in één punt te vergaderen, so is deze inventie effen contrary, want de kanten brengen de stralen al te vroegh byeen ende hierdoor vergaderen sy noch vroeger. Derhalven behoort men te maken dat het midden bolder is dan de kanten, twelck so wel niet te doen en is, want een bolder glas op een vlacker becken brengende, so raeckt het midden meest teghen het becken. Daerom moet men het midden met dun bleck of yet diergelycke besetten, so verre alst van noode is, ende het glas een weynich kanten, also by beurte ronsom slypen, want het becken en kan telckens maer van een linie des glas gerocht worden, twelck langh werck sal syn.
[ 257 ]
    Men kan oock het glas, voornementlick als het groot ende vlack is, int midden wat ingeboghen setten; dan salt de hyperbole naerder kommen [<,>]. Maeckt het glas so geboghen vast dat het so blyft staen.

    Ofte slypt u glas eerst op een holder becken, ende neempt dan een vlacker becken met een gat in de midden, ende set het op eenen drayenden as*), ende houdt u glas daer so teghen dat het midden altyt in het gat kompt. So sal het midden so bol blyven alst was, ende de randen so vlack alst twede becken. Also kont ghy een groot glas op meer als twee beckens slypen dat de delen naest het centrum altyt bolst syn.

    Ofte neempt een tin becken [>], ende laet het op den as al drayende slypen. So sullen de kanten altyt meest afnemen [>] omdatse meest raken, ende so wort het becken ende glas een hyperbole gelyck. Doch alst te veel aen de kanten door veel slypen afgenomen is, maecket dan wederom spherael, ende proeft elck geslepen glas. — 8en Jan. 1632.°)


    *)  Hierna genoemd 'drille' [>].
    °)  Later toegevoegd, het zal 1633 zijn; en vreemd is dat 10 jan. hier boven staat [<].
[ Een andere volgorde lijkt mogelijk, met eerst 256: "Int slypen van seer bolle glaeskens ..." (begin fol. 402r), en daarna 255: "Als men wilt dat het glas van twee verscheyden spheraciteyt sy ...".]


Half slijpen

    Nadien datter drymael meer stralen gaen door de kanten vant glas dan door gelycke breette ontrent het midden [<], so waert goet een groot glas maer halfweghe te slypen. Alsoo behoudt het best syn dickte ende tis eer gedaen dan of ment heel sleep ende het midden stopte. Ende omdat dese kanten niet te schielick en souden veranderen, dat is te segghen dat de kanten te breeder mochten syn sonder verscheyden vergaerpunt te maken, so sal men een vlacker becken daertoe gebruycken.

    Ende omdat het kleyn ooghglasken in dese gelegentheyt heel dicht by het vergaerpunt staen moet (anders en souden die stralen daer niet invallen omdattet deel daerse door gaen moeten, maer so groot mach syn als de pupilla oculi), so moet men dat ooghglaesken geheel hol of (wil ment achter het vergaerpunt stellen) geheel bol maken.


Geslepen en nat

    Als men een geslepen glas, eer het gepolyst is, in schoon water nat maeckt, so siet men daer heel bequamelick deur. Ende soudent oock konnen gebruycken in een verrekycker sonder polysten, ware die klare vochticheyt soodanich dat se niet strax uyt en drooghde, als daer is deurschynende oly. [>]

    Dits een teecken dat het polysten niet en geschiet om de vuylicheyt, die in poris vast sit, uyt te wisschen, maer om de puntjens, die door het slypen alom scherp uytsteken, af te wryven [<], want de stralen teghen de syden van die puntjens kommende, steuten af, ende verspreyden haer ongelyckelick, sonder deur het glas te gaen.

[ 258 ]

Vlakkere lens

    Een glas, even groot met een ander, dat op een vlacker becken geslepen is, en sal de species rerum exterarum in een doncker kamer [>] so perfect niet doen konnen als het ander voorss. Want al ist datter evenveel stralen van elck punt van buyten kommende, in één punt opt pampier vergaderen, so ist evenwel dat die punten op het pampier so dicht byeen staen dat het ooghe daerin gheen onderscheydt en kan mercken, want al dat buyten een duym groot is, moet opt pampier maer een spellenhooftken beslaen. Daerom staen de deelkens daervan opt pampier te dicht byeen, maer door een vlacker glas staen sy opt pampier verder vaneen. Daerom en ist niet vrempt dat de langhe verrekyckers de beste syn.


Gepolijst

    Een gepolyst glas en kan op een becken, daer anders niet op en is dan tripoly nat gemaeckt, niet voortgaen gelyck een glas dat maer rechs geslepen en is, omdat het gepolyst, sonder puntjes synde, al te dicht aen het becken kleeft, waerdoor het kompt dat het int voortsteecken sleept. Ende het ongepolyste rolt daerover, hoe fyn dat den amaril of tripoli oock sy. Oft ten ware dat men docht dat de puttekens, vol vette vuylicheyt synde, te lichter voort slyeren; welcke vetticheyt met doorpolysten, als met seepe, uytwast.


Ongepolijst

    Als men een glas met sulcke vochticheyt bestryckt die klaer ende deurschynich is ende niet haest op en drooght, ofte die so blyvende styf wort, so soude men sulcken glas konnen besighen eer het gepolyst is [<], ende daerdoor sien oft beter so is dan gepolyst, dewyle men vermoeyt dat door het polysten het glas die forme niet juyst en houdt diet opt becken gekreghen heeft. Ende so sal men sien wattet scheelt ende hoeveel het vergaerpunt door het polysten verder kompt. Ende of het vergaerpunt dan sulcken breette niet en heeft alst gepolyst, dat is te segghen, of men het pampier dan niet juyster op een seker plaetse houden en moet etc.


Strepen

    Als men 't glas, sonder aen een houtjen ofte hanthaefken (capulum vocant [<,>]) vast te maken, slypt, so en kanment niet opheffen om op het sandt of amaril [>] telkens te stellen, daer hier of daer een hoopken byeen is om die te beter te breken ende fyn te kryghen. Waerdoor kompt dattet hier ende daer onder het glas, dat byna geslepen is, gerakende, streepkens maeckt. Want al stoot het glas met syn kanten de groote sandekens meest altyt wech, so gebeuret evenwel, als het sandeken so heel groot niet en is, dat het onder het glas geraeckt [>].
[ 259 ]
    Daerom machmen het glas, eer men het begint te slypen op syn vlack becken, eerst een weynich slypen op een geheel hol becken, dat de kanten een strobreet af geslepen syn; so sullen dan als men opt vlack becken kompt, al de sandekens onder het glas gemaeckelick geraken [>], al en heft men het niet op, omdat de kanten van het glas het becken niet en raken. Ende so sal al het sandt gerocht wordende, fyn werden sonder eenighe over te schieten. Dus sal een gepolyst glas oock wel slyeren.


Vergaarpunt

    Nadien dat het vergaerpunt is achter het glas de lenghte van den <anderhalven> diameter van de spheraciteyt, als de stralen, door het glas gaende, strax wederom in de locht kommen*), ende, als sy, int glas ofte water, so dick synde blyven vergaderen achter het begin vant glas de lenghte van den halven diameter°), so moet volghen dat een dicker glas op hetselfde becken geslepen, eer vergaderen sal als een dunder.

    Dit kan dienen om het vergaerpunt beter byeen te brenghen, te weten als men op het midden vant geslepen glas aen een ander, aen beyde syden plat, plackt, omdat andersins de stralen doort midden verder vant glas byeen vergaderen. lens met plat stuk glas

db ende ca syn twee stralen.
ab de bollicheyt vant glas.
fh ende eg is de dickte.
l daerse willen byeen kommen.
n daerse souden byeen kommen.
m daerse ymmers byeen kommen.
fi ende ek gaen so door de dickte.
bn ende an sooder geen dickte en waer.


    *)  Beeckman schijnt zich hier te vergissen: 'anderhalven' ontbrak (zie 260n).
    °)  Dit geldt voor een dubbelbolle lens met gelijke kromtestralen.

[ 260 ]
    Radij ergo db et ca, si nulla esset vitri <bhga> densitas, concurrant in n, quod quidem Keplerus totâ convexitatis <sesqui>diametro distare asserit*). At si totum spatium usque ad l vitro plenum foret, concursus fieret in l; radij igitur, dum sunt in vitro, eodem modo se habent ac si totum iter tali corpore esset; exeunt ergo ad k et i. Inde vero sese ita habere videntur ac si primum ex convexitate exirent, atque procedunt paralleli cum bn et an, unde fit ut necessario concurrant in m.

    [ Laat dus de stralen db en ca, als het glas <bhga> in het geheel geen dichtheid had, samenkomen in n, waarvan althans Kepler beweert dat het op een afstand ligt van de hele <anderhalve> diameter van de bolling*). Maar als de hele ruimte tot aan l vol met glas was, zou de samenkomst in l zijn; de stralen gedragen zich dan, terwijl ze in het glas zijn, evenzo als wanneer de hele weg van zo'n lichaam zou zijn; ze gaan er dus uit bij k en i. Vandaar echter lijken ze zich zo te gedragen als toen ze de eerste maal uit de bolling kwamen, en ze gaan voort evenwijdig met bn en an, waaruit volgt dat ze moeten samenlopen in m.]

    Hinc patet magni referre ut crassities vitri sit aequalis. Si enim ag brevius sit quam bh, radius ca inter m, n et radius db inter m, l conveniet, si, inquam, bh longius sit quam ante positum erat.

    [ Hier blijkt het van belang dat de dikte van het glas gelijkmatig is. Want als ag korter is dan bh, zal de straal ca tussen m en n, en de straal db tussen m en l samenkomen, als, zeg ik, bh langer is dan eerder gesteld was.]


    *)  Kepler had het brandpunt voor een platbolle lens bepaald op anderhalf maal de kromtemiddellijn. Beeckman had Dioptrice gelezen [<], maar dit kennelijk verkeerd onthouden: 'sesqui' ontbreekt. Wel stond er: "at experientia testatur longius a vitro distare", maar het is doorgestreept.


Dubbel beeld

    Als men een bol geslepen glas in den midden stopt, also dat de stralen maer door den rant ronsom gaen en konnen, so siet men dat opt pampier alle dynghen dobbel syn.

    Dit en kan niet kommen uyt de gelegentheyt van de convexiteyt, want elcken cirkel moet juyst in één punt vergaderen, welcke punten alle commen in den as waerdoor kompt dat men het pampier voorwaerts of achterwaerts doen mach, ende men houdt evenwel opt pampier deselfde gedaente, want als ment naderby doet, dan heeft men de vergaderinghe van stralen des randts, ende als ment verder af houdt, heeft men die van de midden. Daerom acht ick dat dit geschiet als de platte syde niet wel geslepen en is, maer datse wat scheef staet. Let hier oock op de ongelyckheyt van dickte ende merckt wat se veroorsaeckt.

    Die dan niet feylen en wilt, moet het glas op beyde seyden bol slypen ende dat solanghe totdat den uytersten kant allom afgeslepen is.   [>]

[ Lat. ]

[ 261 ]

Holle lens

Slypen.

    Alsmen een concavum slypen wilt, so salmen in het midden van het becken een gat maken ende daerin het glasken met cement vast maken, sodat syn kanten met de superficie concava des beckens net overeenkommen, ende dan so voorts slypen gelyck vooren [<] geseydt is dat men het becken schueren moet met een hanghende gewicht aen eenen stock. Ende so doende salmen ten laetsten onder aen het gewicht wat laken ofte leer spannen, ende so met tripoli of potey polijsten.


Dubbel - 2

    Dat de dynghen op het pampier door den randt van het glas meer dobbel schynen dan door de midden [<], is omdat de refractie meer benaerdert verre van het centrum dan daer dichtby, in evenveel spatie.   [>]


Reflecties

    Een geslepen glas, daer aen de kant of in de midden noch wat foilje aen is, alsmen dat gepolyst heeft, so bevinde ick dat men een keerse of de veynsters daerin perfecter siet aen de syde daer geen foli in en is dan aen de syde daer de foilje is, daer nochtans de folie aen de spiegels gedaen wort omdat mer beter in soude konnen spieghelen dan of mer peck achteraen streeck.

    De reden hiervan is omdat men in de plaetse, daer de folie is, twee keersen siet, waervan de eene is een reflectie van de opperbolle syde des glas, ende de andere van den binnenkant, te weten van daer de folie aen kleeft. Doch aen de kant, daer peck achter is, en is maer reflectie van de bovenkant, omdat de peck so niet en reflecteert ende dierhlve en isser geen confusie van twee dynghen seffens so dicht byeen. Want de vlamme van d'een keerse ontsteeckt de ooghe soseer, dat d'ander vlamme niet wel gesien en kan worden: de vlamme, die naest is, schynt donckerder dan die daerchter schynt te staen. Doch als men de keerse siet sonder vlamme, so schynt de naeste klaerst, want dan en isser die flickeringhe in de ooghen niet. Daerom, als men syn aensight spiegelt, so siet men verre wel beter daer de folie is, dan daer het peck is.

    Merckt oock dat de naeste keerse dat schynsel is dat opt peck niet ghesien en wort.

[ 262 ]

Ongelijke dikte

    Nadien dat het glas somtyts ongelyck dick is ofte oock ongelick dicht, so salmen tot remedie daervan noch een ander glas daer oplegghen ende so langhe keeren ende wenden totdat men de plaetsen treft daer men se tegen aen legghen moet om daerdoor best te sien. Ende dan mach mense so teeckenen of so vast aeneen maken.


Gaatjes in bekken

    Als men een glas op een becken so nageslepen heeft dat den amaril heet is, dan kleeft het so dicht daerteghen, dat ment qualick aftrecken kan. So oock, al ist dat ment onderaen den hangenden stockx gewichte plackt ende so slypt, waerdoor kompt dat het glas sich formeert juyst gelyck het becken is ende en kryght geen verbeteringhe door dat hanghen.

    Daerom, als ment al hanghende slypen wil, so moet men het becken in voos hout of kurck maken, dat vol gaetjens [>] is, want de openheyt van die gaetjens maeckt, dat het teghen het becken aen niet suyghen en kan. Meyne oock, dat men het ysere becken vol kleyne gaetjens maecke, die heel deur quamen, datter dan gheen suyghinghe en soude syn, want dan drynght de locht vanonder deur die gaetjens genoegh tusschen het becken ende t'glas, sodat het sonder kleven altyt rollen sal, hoe fyn den amaril oock is. Twelck oock dienen soude om het glas syn rechte forme te doen hebben, door dat aen den hangenden stock te kleven, al en ware het becken juyst niet net; want so synde en sal t'glas maer die plaetsen vant becken raken, die met het waggelende gewicht in één spheraciteyt syn.


Dubbel - 3

    Als men een bol glas in de midden met een rondt bleck stopt, also dat door den randt maer de radij in kommen konnen, so siet men op het pampier alles dobbel [<], voornementlick als ment pampier wat dichter aen het glas houdt dan het vergaerpunt soude syn. Maer waerom schyndt alles juyst dobbel ende niet dry, vier, etc.?

    De reden is omdat de dynghen, die recht overende staen, haer stralen alderdichts byeen werpen door de syden vant glas; want men snydt also van boven nederwaerts meer glas van de syden als van boven ende beneden, te weten, als de snydende linien evenverre vaneen staen. Confer cum his quae de circuli segmentis scribuntur. Daerenteghen de dynghen, die buyten horisontael syn, snyden meer van boven ende beneden dan van de syden. Nu ist reden dat dat, daer de stralen dights staen, best gesien wort; ende dat tusschen beyden is, soude oock wel gesien worden, waere dat deel van het glas, daer de meeste stralen byeen kommen, gestopt.

[ 263 ]

Rand- en middelglas

    Men moet oock weten als men een randtglas ende een middelglas byeen voeght [<], beyde op hetselfde becken geslepen, dat het middelglas de dynghen opt pampier grooter sal schilderen, omdat het verder af staet, ende so en konnen de stralen niet net overeen kommen.

    Daerom moet het middelglas in een holder becken geslepen worden, so dat alle de glasen neffen aenstaen moghen in eodem plano: dan sullen aller randen stralen juyst met de middelstralen overeen kommen, ende hoe meer glasen hoe beter. Ofte men mach op hetselfde becken het middelglas alio manus ambitu slypen, ofte op eenen hoogheren dop [<] placken als ment slypt, ofte een dicker glas daertoe nemen, ofte een ander glas daerop placken. Doch dit aeneen placken en kan geen veranderinghe geven als er noch eenighe locht tusschen hen is, want dan is de refractie al gegaen. Daerom soude men het een platte teghen het ander moeten placken met eenighe vochticheyt tusschen beyden, die deurschynich ware ende van deselfde consistentie, ofte dichter, daer het glas van is ofte ten naestenby, nadat het dienstich mochte syn. Also kan men water, etc., tusschen beyden gieten als de kanten ronsom dicht aent glas syn, of men macht op een vlacker hout polysten.   [>]


Grootste lenzen

    Dewyle dat de grootste geslepen glasen de perfectste syn, ende onder dese die de kanten geheel dun hebben, ende dat die niet wel gepolyst en konnen worden omdat die dunne kanten altyt teghen het laken [>] steken (ende daer en is geen dickte om de kanten op een holder becken af te slypen), so mach men die groote glasen met de handt sonder dop [>] geheel op slypen tot het polysten toe, ende dan de kanten ronsom afsnyden so verre alst van noode is om bequamelick te polysten. Want dan kan men se op den dop stellen, de kanten afslypen ende voorts doen gelyck met alle andere; ende so polysten datter niet of weynich afgae, ende also gheen of weynighe veranderinghe in de forme en geschiede. Dewelcke niet bysonders syn en kan als men het laken so leght dat de midden ende de reste tegelyck klaer worden, ende de dop ordentelick keert ronsom ende ten naesten by elcke reyse even veel streken geeft.


Bolvorm

    Willem Janss. Blauw*) braght my in den sin hoemen een bol, perfect ront soude drayen. Hy deelt op den drayboom de middellini, dat is den equinoctial, in vieren ende treckt met de passer, een vierendeel geopent, op den bol twee cirkels wiens polen in eenen selvighen axis door desen aequinoctiael gaen staen. So die circkels juyst in één kommen, ist recht globeus; daer afwycken ist te dick, ende daer over malcanderen loopen, ist te dun.
    *)  W. J. Blaeu [<,>], op 3 jan. 1633 door de V. O. C. benoemd tot hydrograaf en kartograaf, werkte aan zijn Tweevoudigh onderwys van de hemelsche en aerdsche globen (Amsterdam 1634; en door Hortensius in het Latijn vertaald).
[ 264 ]

Tinpoeder

    Op het binnenste van droogh leer potey gestroyt, sal het glas, seght men, seer wel polysten.


Lange stok

    De spiegels worden geslepen ende gepolyst met eenen langhen geboghen stock [>], teghen de solder steunende ende op het hout, dat op de leye of schaelje licht, daer het glas met plaester aen vast is. Ende so treckt men het glas gins ende weer aen alle canten, ende den gebogen stock geeft allom toe ende perst. Daerom, hoe langer stock, hoe beter. Willem Janss. Blau [<,>].

    Men polyst de spiegels op laken.

slijpwiel

Slijpwiel

    Men soude moghen een wiel van houdt maken gelyck de mesmakers hebben, ende daerop fyn amaril met oly kloppen, ende het glas, aen eenen stock hanghende, daeraen houden, als het drayt. So sal het glas altyt maer met één punt het wiel raken ende de bollicheyt kryghen volgens de langhte des hanghenden stockx, ende wacker gedaen syn met slypen ende polysten [>]. Men soude oock dit wiel met leer of laken konnen overtrecken.
    [ > ]
[ Lat. ]

[ 265 ]

Maag

Cibum ex stomacho egredientem ego sensi; quomodo id fiat et quid inde oriatur.

    Den 3en April 1633, also ick smiddachs ende savons wat meer als ordinaris gegeten hadde, snachs daeraen also ick mynen eersten slaep uythadde (ende na gissinghe mocht het omtrent 2 ueren syn in den morgenstondt, want ick worde meest altyt dan wacker) so docht my dat ick bescheelick voelde dat de spyse uyt myn maghe ginck na het gedermte, want het scheen alsof het onderste van de maghe opwierp ende het bovenste so gesloten bleef, dat ick weynich of geen geur in de mondt en voelde, maer voelde het nederwaerts schuyven van de chilus.

    Waeruyt ick besluyte dat om het uyttrecken van de spyse uyt de maghe veel menschen in den nacht wacker worden; want daer is meer of min alteratie in die actie, ende blyven een uertjen of so wacker.


Weersverandering

Aeris subita mutatio, a me visa, examinatur.

    Also ick den 2en dito reedt tusschen Leyden ende den Haghe ende daeghs te vooren tusschen Amsterdam ende Haerlem voer, sagh ick dat het d'een uere schoon weder was ende d'ander uere hageldet of sneeuwdet. So oock daeghs te vooren binnen Amsterdam synde, sodat ick tegen Willem Janss. [<] seyde: "het gaet haghelen ende sneuwen ende den windt is Suydwest". Doch den wint hadde te vooren langhe Noortoost geweest ende is nu desen 4en dito Westelick, doch seer kout ende met fraye sonneschyn.

Nubes ex Occidente cur hic grandinem peperit.

    Ick sagh den voorsz 2en dito dat de witte wolcken stille waren ende de swarte van het Westen kommen, daeronder rasch aenkommende; so besloot ick dat de voorgaende daghen door den Noortoosten wint al de siltighe warmten uyt onse locht na de see toe gewaeyt waren. Ende alser een wolcke uyt de see tot ons quam, die regen brenghen soude, so veranderde se in onse locht tot hagel of sneeuw, want sy en konde soveel warmte niet mede brenghen om de gansche locht warm te maken.

    Ick giste dat de witte wolcken noch al van de Noortooste waren ende veel hoogher dan de swarte; want gelyck ick gistermorghen sach dat de Sonne den rym tot damp dede optrecken (ende dat omdat de locht, koudt synde, te beter het water, met de stralen der Sonne gemeynght synde, draghen konde) so achte ick dat die dynghen also ordinaris gebeuren. De locht is boven alderwarmst om reden voor desen verhaelt [<], daerna omtrent de aerde, ende int midden alderkoudst, doch also dat het midden sy soveel leegher dan het opperste, als het opperste warmer is dan het onderste, sodat de swarte wolcken misschien maer 1000 voet hoogh waren ende de witte wel 10 000 voet.

[ 266 ]
Aeris vapores ascendentes vel descendentes cur usque ad certum locum moveantur.

    Als den damp begint op te trecken, so moet se voortgaen, omdat de locht daer hoe hoogher hoe kouder wort, tot datse so verre voorby het koudste is daer de locht wederom niet kouder en is dan ontrent de aerde. Daer blyft den damp dan hanghen ende vergadert daer byeen. Ende isser yet onder, dat noch warmer is, dat ryst noch hoogher, ende hetgene dat kouder wort, sackt neder tot aen het koudste; maer daer voorby synde, moet het tot op de aerde toe vallen in forme van hagel, of reghen, ofte van sneuw, of mist. Alst dan langhe Oostenwint gewaeyt heeft, so en kan den Westenwint niet eer warm weder maken dan alse soveel siltichheyt ingebracht heeft, dat de heele locht daervan na behooren vervult is.
[ Lat. ]

[ 267 ]     4 - [8] april 1633

Stoofbad

Drooghstoofbadt.

    De meester te Vyanen [>] gebruyckte een droogh stoofbat om in te sitten tot genesinghe van de gebreken in de neuse.


Steenstof

Pulveris subtilitas mira.

    Het stof van witte steen, daer men de beelden afmaeckt, gelyck hier te Dordrecht aen het Groot Hooft staen, is so subtyl (hoorde ick in de schuyte segghen) dat het in een gesloten blase aen de solder hangende, treckt so vol dat se berst, ende so veel menschens leven verkort. Ende daerom en willen vele sulcken steen niet wercken.


Dik

Obstructi mesenterio cur multum comedere debeant.

    Een mensche die eenen dicken buyck heeft propter venarum, mesenterij, aut si vis, lactearum obstructionem, moet nootsakelick veel eten ende drincken, want den meesten deel gaet voorby deur de dermen, sonder in de lever te konnen geraken door de verstoppinghe van den wech, die daertoe leydt. Ende de lever ende de reste gesont synde, trecken even staegh.


Oksels

Axillae et femorum suprema cur male recipiant.

    Dat de swarichheden, die aent herte kommen, na de oxelen trecken ende die aen de lever kommen na de liessen, geschiet om datter geen ander deelen des lichaems en syn, die so seer ende so dickwils beweeght worden dan de armen ende de beenen ende op die plaetsen. Ende dat alle andere swaricheyt dan daertoe niet altyt en loopt, acht ick te syn omdatter misschien sulken wech daernae toe niet en is als van het herte ende de lever.


Rijden

Achterwaerts rydende met toe-ooghen schynt voorwaerts te ryden.

    Die op een waghen, met syn ooghen toe, achterwaerts rydt, die schynt voorwaerts te ryden, omdat de peerden met horten treckende, ons hooft geduerich voorwaerts, dat is buckende, valt, doordien dat het onderlyf altyt eerst den waghen volcht. Dan die so voorwaerts rydt, schint achterwaerts te ryden, gelyck oock voor desen geseydt is [<,>].


Mos

    Het mos aen de boomen hebbe ick eergisteren int ryden gemerckt altyt int Noorden te groyen, omdat de warmte van de Sonne de vochticheyt aldaer so niet opdrooghen en kan.


Pit

Ferrum tenue ellychnio insertum.

    In Engelant steken de keersmakers een fyn yserken in de cathoen, omdat de cattoen rechtop, sonder te hanghen, soude blyven staen. So kan weynich cattoen sonder drayen styf staen ende de nachtkeersen branden langhe.


Tering

Phtisis cur emaciatos reddat.

    Mynheer van Berckel [<], borghmr binnen Rotterdam, na der doctoren segghen de teeringhe hebbende (ende in der waerheyt syn fluymen, hoest, ende magheren deselvighe genoeghsaem betuygende), so hebbe ick den 8en April 1633 bevonden dat syn pols 19 mael sloegh teghen mynen 20. Ende eenighe daghen te vooren dat het wel 3 of 4 polsen scheelde dat de syne tragher was.
[ Lat. (vervolg) ]

[ 271 ]

Volmolen

Volmeulen gepractiseert van Houben ende van my geexamineert.

    Gerrit Houben [<] ende Monsr Saumon hebben desen 23en April 1633 eenen volmeulen gepractiseert, met denwelcken sy voorgeven door één peert soveel te sullen doen als met de ordinare volmeulens door 3 peerden*). volmolen

    Van haren volmeulen is het groot kamradt, daer het peert onder gaet, gelyck desen bygestelden circkel, ronsom met rollen, uytstekende ontrent eenen voet lanck ende eenen halven voet dick, op de manniere gelycker hier 3 geteeckent staen. D'een rolle staet na gissinghe wel 2 voet van d'ander.


    *)  Louis Saulmon had octrooi verkregen (Stat. Gen. 10 sept. 1632) op molens om koren te malen en laken te vollen "bestaende in een kamrat staende aen een asse in diametre 12 voeten, den staert ofte omganck ven het peert 48 voeten in doametre ...". Hij was bevriend met Jacques Canioncle [<].
[ 272 ]
    Ick meynde dat haer intentie is door dese rollen het slepen ende wryven der tanden ende staven teghen een te verhinderen. Daer staet te observeren als een ordinaris kamradt wel gestelt is, ende dat met 10 pondt 50 pondt opgetrocken wort, of dan oock met 100 lb, 500 lb opgetrocken kan worden. Ist so, so en groyt het wryven ende slepen niet dan naer advenant. Ende nadien het vast gaet dat de verhinderinghe van dit slepen int lichte niet en scheelt van 1 tot 3, so is haer intentie ongefondeert. Daerenboven so en verhinderen sy het slepen niet geheel, want also de staven int midden naest by het radt kommen, so slepen sy noch al lanckx de rollen heen ende weer, ende daerom maken sy se so lanck.

    Ten anderen so is het naecksel van de rollen te groot teghen haren asch. Daerom, ist goet datse voor hebben, so moesten sy geen rollen, maer wielkens maecken, dat is, hebbende eenen grooten diameter ende dunne ysere askens ende te anderen so moesten der hoe meer wielkens hoe beter syn, want dan moghense oock soveel smalder wesen.

[ Lat. ]

[ 281 ]     15 - [22] mei 1633 steekpomp


Steekpomp

Steeckpompe daer de buysen door het suyghen niet en lyden.

    Hoc modo fieri poterit een steeckpompe dewelcke door de buysen, die opgaen, het water steeckt, sonder datse door het suyghen eenighen last lyden. Hetwelck dient om steene buysen daeraen te maken, die het suyghen so wel niet en lyden en konnen, omdat het cement lichtelick loswagghelt ende dan worter locht in de pompe getrocken.

    De pompe sy ab, Daeronder staet een clappe i, dewelcke opengaende, het water van onder of van terseyden onder het dekselken in laet. Den suygher h, opgetrocken synde door den stock ef, so gaet het dexelken aen i open, ende den suygher h speelt tusschen i ende c. Ende het leer is boven aen dien suygher; ergo so en kan cd van dit suyghen geen last lyden, maer het water ryst al pompende in de buyse cd, so hooghe alst in de pompe getrocken wort. Maer aen denselfden stock ef is noch eenen anderen suygher, wiens leder onderaen de suygher is, dewelcke moet spelen tusschen c ende a; ende alsse neergaet, so stootse het water door c ende door d wegh. Ende welcke om die klappewille niet weerom en kan.

[ 282 ]
pomp met zijbuis

    D'occasie hiervan gaf my den 22en Mey 1633 de huysvrouwe van den ontfanger Mr Jacob de Witt*), die my vraeghde of haer pompe so niet en konde gemaeckt worden dat het niet van noode en was het water eerst door de pompe lm op te pompen ende dan wederom neder te laten door een buyse, ende so voorts door nop in haer huys.

    Ick vraeghde haer waerontrent sy dan de buyse pon in de pompe wilde in laten: onder de klappe, of tusschen de klappe ende de suygher, of boven alle beyden. Sy antwoorde: "boven de klappe ende de suygher", twelck ick voor goet approbeerde, alst oock hier blyckt.


    *)  Jacob de Witt (1589 - 1674) had een houthandel, en was curator van de Latijnse school. Hij werd gedeputeerde bij de Staten van Holland, en bij de Staten-Generaal, en burgemeester van Dordrecht. Zoons Johan [>] en Cornelis werden landelijk bekend. Juffr. de Witt wordt later nog genoemd [>].
[ Lat. ]

[ 286 ]     [10] juni - 7 juli 1633

Vocht en warmte

Lapides humidi, cur in loco calido madeant.

    Vochtighe steenen ofte schalien, alse in een warme plaetse als een stove gebracht worden ofte op de vloer ligghen, alst warm weder wort, so wordense nat dat ment siet ende voelt.

    De reden is, omdat het vier, te weten de warmte, also wel ende meer in de steenen kruypt als int water, vervullende de gaetjens van de plavuysen, daer het water ingedoken sadt. So wort het water daeruyt gedronghen tot boven op de superficies van de steen of plavuysen of schalien. Ende al kompter oock veel viers door de warmte in het water, so en syn de igniculi strackx so vele niet dat sy het water in quantiteyt doen opdampen; maer de igniculi, die in de poros van de steen kommen ende daerin spelen, stooten het water uyt.


Vuur- en lichtdeeltjes

Densiora fieri possunt calidiora. Cur.

    Den steen wort heeter dan het water ende het yser heeter dan de steen; ende in universum, hoe meer lichaems op een plaetse, hoe meer viers of hitte daerin kan. Dits een teecken dat het vier geweldich kleyn, dun ende subtyl is, sodat de pori int water synde, so groot syn, dat de igniculi, aen de kanten daervan hangende, malcanderen noch niet en raken. So oock in de steen, ende daerom vervlieghen sy te haester.

    Also moet men, of mach men oock dencken dat de pori of gaetkens van het glas so groot syn, dat het licht met veel deelkens seffens daerin kan, ende alsoo der niet en werckt dan dat teghen de latera pororum stoot ende reflecteert [<], so volght het datter veel verloren gaen, die door het glas niet en geraken, conform haere convexiteyt ofte concaviteyt. Waerdoor D. des Cartes sustinue soude konnen geexcuseert worden, te weten hoe dichter glas, hoe meer licht daerdoor gaet*). Doch daer soude wel sulcken dichten lichaem konnen bedocht worden, in hetwelcke de latera door het wederom steuten meer lichts souden doen verliesen dan de grootte van de pori; ende van daer af mach men segghen: hoe dichter hoe donckerder.


    *)  Descartes schreef al in 1619: "Lux facilius penetrat per medium densius quam per rarius" [licht dringt makkelijker door een dichter medium] (Oeuvres, X, 1908, 242). In 1632 (in Deventer, werkend aan zijn Monde) kan hij ingezien hebben dat er verschil is tussen materiële en optische dichtheid.   [<,>]
[ 287 ]

Licht sneller dan geluid

Lumen quanto celerius sono moveatur experimento probatum.

    10en Junij 1633, savons ten 10 ueren, hoorde ick binnen Dort grof geschut afschieten in de Clundert ende te Willemstadt. De Clundert licht van Dort twee gemeyne Duytsche mylen van 15 in een graet ende een halve myle, id est 21/2 mylen*). Ende hebbe de vlamme effen 60 van myn polsen eer gesien dan ick de slach hoorde. Hebbe hetselvige 5 of 6 mael achtereen so bevonden.

    De 50 van myn polsen maken 36 secunden van een uere°); ergo als den blixem 24 polsen eer gesien wort dan den donder gehoort wort, so is de wolcke daer de materie in licht, een myle van ons. [<]

    Op denselven tyt hoorde ick oock het canon afschieten te Willemstadt, twelck maer een 1/4 myls, ja min, verder van Dort licht*); doch ick bevont het verschil van de vlamme ende slach meer dan 70 polsen, so my docht, somtyts al by de 80, doch en ben daervan so seker niet als van de Clundert, omdat het my daer so niet en geluckte dat ick so seker was dat het de slach van de voorgaende vlamme was, omdat se so dicht opeen schoten, ende ick en konde dat so wel niet onderscheyden. Evenwel twyffele niet van 70 twelck volgens proportie te veel is. Ten ware datter onderscheydt ware of de slach over landt of over water vloghe. Nu de Clundert licht meest over water ende Willemstadt meer over landt. So soude oock den donder, geen impediment hebbende in verschillen van de blixem, als naer advenant de vlamme ende slach vant canon lanckx den horisont. Sed hoc quaeratur.


    *)  2,5 mijl = 18,5 km. Afstand (torencentra) tot Klundert: 18 782,66 m; tot Willemstad: 20 494,69 m.
    °)  Eerder: 42 in 36 s in bed [<]; 65-6 in 36 s bij koorts, en 55-6 in 36 s normaal [<].
[ Uitkomsten voor de geluidssnelheid: uit Klundert 429 m/s, uit Willemstad 404 m/s (i.p.v. 340 m/s). De kanonnen waren waarschijnlijk dichterbij.]
[ Lat. ]

[ 290 ]

Stenen breken

Lapides in aere pensiles cur facilius frangi possunt.

    Eenen steen sal op een kussen, of in de locht, of op een kamerspeelders buyck lichtelicker in stucken gebroken worden dan op de vloer ofte op harde materie.*)

    De reden is, omdat de steen, alse op de harde vloer light, ende dat mer so styf met eenen hamer op smydt dat het deel, dat van den hamer gerocht wordt, wel wycken soude, so en kandt niet wycken omdat de deelen van den steen daer ronsom soveel te styver teghen de vloer geperst worden. Ende soude de steen scheuren of splyten, so moeten de deelen des steens van malkanderen wycken; maer omdatse so styf teghen de vloer ligghen, is het naecksel so groot datse niet slepen en konnen. Maer als de steen in de locht hanght etc., so en isser niet dat de deelen, die wycken moeten ende van malcanderen scheyden, hierin verhindert, hoe sterck men oock teghen de steen slaedt.


    *)  Zie over dit onderwerp Mydorge [Leurechon], Examen (1630, 15), de Correspondance (III, 275) van Mersenne, en die van Descartes (Oeuvres, I, 259, II, 639, III, 10, 41).
[ Lat. ]

[ 292 ]

Beste predikant

Eloquentiam summam cum doctrina mediocri in concionatore meliorem esse probatur.

    Als men ondersoecken wilt welck van tween het beste is, als by exempel wat meest in een predickant te prysen is: welsprekentheyt of geleertheyt [<], so vraege ic gemeynelick wat beter is in een predickant om op stoel te staen: de grootste welsprekentheyt by een middlebare geleertheyt, ofte de grootste geleertheyt by een middelbare welsprekentheyt.

    Men antwoort my ordinaris: het eerste. Dan besluyte ick dat de welsprekentheyt een beter teecken is van een goet predickant dan de geleertheyt. Twelck vele selfs so niet en begrypen, nochtans ist notio communis. Want is summum a cum mediocri b beter dan summum b cum mediocri a, so moet ymmers a beter syn dan b. Ick brenghe een exempel, dat men tasten kan: 1 lb gout by 1/2 lb silver is beter dan 1 lb silver by 1/2 lb gout, ergo gout is beter dan silver. Ende ick brenghe daervan soveel exempelen als men begeert. Ende daer en kan in contrarie niet één instantie gegeven worden, ergo de inductie is goet.

    Sommighe en willen geen middelbare geleertheyt genomen hebben, meynende daermede te ontvluchten. Doch ick antwoorde, dat men dan aen dander syde oock sulcken trap van welsprekentheyt nemen moet. Verbi gratia: 1 lb gout by 1/8 lb silver is beter dan 1 lb silver by 1/8 lb goudt. Dit verscheelt noch meer; ende in universum, hoe veel minder men de geleertheyt ende welsprekentheyt neempt, hoe blyckelicker de sake moet syn; ende hoe grooter, hoe twyffelachtiger. Verbi gratia: 1 lb gout by 3/8 lb silver is noch wat beter dan 1 lb silver by 3/8 lb gout; maer 1 lb gout by 1 lb silver is effen so goet als 1 lb silver by 1 lb gout.


Bloedsomloop

Circulationem sanguinis experimento probare.

T-vormig buisje in ader     Om te beproeven an Harvei sententia de circulatione sanguinis*) sit vera, so sal men eenen levendighen hondts, of anders beestens, ader sachtkens los maken ende bindense aen wedersyden dicht toe, sodat de binsels soveel verder vaneen syn dat dese bygevoeghde glase buyse aen weersyden daerin kan. Dan salmen de aere so verre afsnyden, ende steken dese buyse daerin, ende knoopen de eynden van de ader (venae) vast op de eynden van het glas. Dewelcke met was of peck etc. van buyten bestreecken moghen worden, opdat door de gladdicheyt vant glas de ader niet los en gae van het glas; ofte men mach in de eynden van het glasen buysken kerfkens vylen of snyden met amaril of diamant.
[ 293 ]
    Als nu de ader aen het buysken wel vast is so salmen het touken daer de ader te vooren mede toegeknoopt was, aen beyde syden los doen. So sal het bloet in het glasen buysken trecken ende men sal bescheelick sien of het bloet met elcken oogenblick na het herte toe en treckt, want in het bloet syn genoegh dynghen die soveel van het ander verschillen dat men 't wel sal konnen sien vloeyen. So niet, so mach men door het speutken dat aen dit glase buysken gemaeckt is, een stofken of bolleken daerin werpen ende so besien werwaerts dat het dryft.
    *)  William Harvey, Exercitatio anatomica de Motu cordis et sanguinis in animalibus (Frankfurt 1628) [Engl.].
Er was veel discussie over het idee van een bloedsomloop. Harvey zelf schijnt gezegd te hebben: "'t was believed by the vulgar that he was crack-brained and all the physicians were against him".
Gassendi aanvaardde de theorie al in 1629, met enige bedenkingen, evenals Descartes in 1632. In 1631 oordeelden de Leidse hoogleraren verdeeld. Beeckman stond er achter [>], evenals zijn oud-leerling George Ent [<] en zijn vriend Johan van Beverwyck [>], geneesheer te Dordrecht (in de Calculo, 1638).


Lenzen slijpen

Slypen.
    7en Julij 1633, te Dort.

    Verte 21 fol. [<]  Sult daer sien een instrument, in twelck men een stock steken kan om den stock aen alle kanten ende syden te konnen keeren ende wenden, dienstich tot het slypen van bolle glasen.

    Nu so steke ick een stock in sulcken instrument aen de solder vast genagelt, ende het onderste van de stock maecke ick scherp ende steke dat puntjen in een putteken dat ick boven in den dop (daer 't glas onder aen vast is) gemaeckt hebbe*). Welcken dop staet op een houten becken [>] met laken becleet [<,>], juyst van sulcken holte als het becken is, daer tglas op geslepen is; ende dit houten becken is so vast gemaeckt, dat het schroefken van het voorss. instrument, daer de stock in steeckt, de polus is van de holte of sphaeraciteyt. Als de scherpte dan van de stock in het putjen van den dop is, so draeye ick den stock totdat sy door middel van de schroeve omhooghe styf tegen den dop perst, ende dan wryve ick den dop teghen het laken, dat op het becken vast is, eveneens gelyck ick te vooren het glas sleep. Ende bevinde dat ick so wel sesmael meer machts [>] doe dan sonder stock.

    Ten anderen, so wort myn handt geleydt volgens de holte des beckens, daer andersins, door het slyngeren van de handt, de kanten des glas altyt plachten meest te raken, sodat ick op een gelyck holtich becken gheen groote glasen polysten en konde, omdat de handt int polysten meer slynghert dan int slypen.

    Ten derden, als ick sie dat het glas in de midden meest polyst, so draye ick den stock wat losser. [>]

[ 294 ]
    Het is oock seer gemacklick den dop los ende vast te drayen om elcke reyse te sien wat men gevoordert heeft. Om dat licht te doen, sonder het glas te wassen etc., so strycke ick met eenen schoonen vyngher van het centrum des glas tot aen de kant; so is die strepe of radius klaer ende schoon; ende gelyckt daer is, ist allom.
    *)  De opstelling is te zien bij Chr. Huygens, Oeuvres, XVII, 300.



Groot glas, of stukken

    Dewyle het veel moyte is sulcke groote glasen te polysten, ende dat ment so maken kon, acht ick, met op een becken, met laken [<,>] becleet, te polysten, dat deselfde spheraciteyt des glas behouden wort, so mach men het geslepen glas ronsom afsnyden ende polysten; maer het middelste soveel als men van noode heeft, ja hetgene ter syden gestaen heeft is mede al goet, al en staet juyst het centrum niet int midden; jae al en staet het int heel glasken niet, dat is, al en is het midden des glas het dickste niet, oft al en is de dickte nergens gelyck, want het vergaerpunt kompt evenwel behoorlick, doch so goet niet als het midden.

    Ende alsoomen niet wel sulcke groote glasen vinden en kan die dick genoech syn, of sy syn heel dier, so mach men veel klyne ende dicke byeen voeghen ende maken se met plaester op een leye vast ende de leye op den dop. Ende alse so geslepen syn, doet de leye met de glaskens seffens van den dop ende maeckse met leye met al aen de syde, daer se geslepen syn, aen den dop vast met peck ende weyckt dan de leye int water af, want de plaester wort sacht int water ende hart in de warmte ende het peck hart in het water ende sacht in de warmte. Also blyft elck glasken syn voorgaende situatie houden, ende is soveel alsoft een heel glas was. Aldus mach men oock al syn gebroken glasen gebruycken. [>]


Polijstmiddelen

    Ick twyffele dickwils, of men int polysten niet meer dan de vuylicheyt van glas af en schuert, omdat men de tripoli etc. smetica noempt. Maer dewyle het glas eert gepolyst is, nat gemaeckt synde, in claer water deurschinich wort [<], so schynt het dat door het polysten de puntjens ende asperitates, die int gelas door het scherp stof daert mede geslepen is, gekommen syn, afgesleept worden [>]. Want het water, de puttekens vant glas vullende, maeckt het effen; daerenteghen waert vuylicheyt, die so stif aent glas hielt ende dat so doncker maeckte, so en soude het water, daerop kommende, niet maken dat de stralen te beter door de vuylicheyt souden gaen.

    Sodat het slypen anders niet en schynt te syn dan het glas vol kleyne puttekens te maken [<], hoe kleynder hoe beter; ende het polysten is de puttekens uyt te wryven door het aflepen van de hooghten oft kanten van de puttekens, twelck met sulcken sachten stof gedaen moet worden, dattet geen nieuwe puttekens en maeckt, noch gheen strepen. De puttekens worden gemaeckt alst glas lichtveerdich over de harde bollekens van den amaril [<,>], sandt etc. roldt; de strepen [>] worden gemaeckt als het glas schuyft over den bolleken, het bolleken vast blyvende ligghen of steken int becken, ende niet mede voorts en rollende met het glas.

[ 295 ]
    Hieruyt volght, dat men op alle dynghen ende met alle dynghen polysten kan, dat vast licht of steeckt, ende so sacht is, dat het geen strepen en maeckt, die men sien kan of daerdoor de stralen verhindert worden. Ende omdat leer of laken te sacht is om de voorss. puntjens af te schueren, so stroyt mer potey, tripolis of diergelycke op, hetwelck tusschen in de vlocken vast gaet sitten, sonder met het glas int wryven mede te rollen. Ende omdat het te vaster int laken soude blyven hanghen, so maeckt ment wat nat, waer het dieper in treckt, ende vaster aeneen blyft sonder stuyven of al rollende mede te volghen. Ende omdat dit goet so sachte is, moetment styf douwen anders en kant niet schueren ofte afnemen. Daerom int eerste genomen roode aerde der swartveegers, daer de tinnegieters haer yser op wryven om haer schotels glat te drayen, daerna tripoli, dat noch sachter is, ende ten laetsten potey (dat is gecalcineert tin), soude het werck apparentelick faciliteren.


    Het slypen behoort oock te geschieden op een hardt becken [>], daer de smiris, ofte amaril [<,>], niet in en gaet steken. Want dan ist soveel oft men polysten wilde dewyl de smiris niet rollen en kan; ende dan wort de smiris te fynder int slypen gebroken. Ofte men mocht yet sachters nemen dan smiris, als gebrande arduynsteen; doch dencke niet, alse so fyn wort als den amaril, dat se dan sowel blyft rollen, omdat de steen sachter is ende eerder tot stof breeckt dat tot polysten dient.


    Als men tripoli, potey etc. op het becken stroyt, so en kan men daermede niet slypen omdat se so fyn is dat se aen het becken cleeft, doordien dat het water ende de potey byna even fyn syn, sodat de potey niet uit en steeckt ende en kan dierhalven niet rollen. Ende doordien dat alles effen met de superficie overeen kompt, so kleeft het ob fugam vacui.


Middenstuk

    Als men het glas, gelyck geseydt is [<] met peck ende dan met plaester vast maeckt, so kan men in den midden recht aen het centrum een fyn fray doorschynich subtyl glas stellen, twelck aen weersyden, als geseydt is, geslepen synde, goet syn sal; de reste machmen weghtwerpen, want om het midden ist te doen. Ende al is het middelste groot, ten is daerom niet te beter. Daerom, indiender noch wat claerder is dan glas, als cristal de montaigne [>] ofte eenighe ander gesteente, als diamant, carbonckel, clacbeecke etc., men kan die in de midden stellen ende besighen tot een verrekycker, maer voornementlick tot een vloyekyckerken.
[ 296 ]
    Men sal door het polysten de forme van het geslepen glas niet veranderen, omdatter weynich afgaet; anders so machmen het so polysten dat het geheel glas seffens ende gelyck klaer wort. Daerom, alsmen siet dat het in de midden eerst klaer wordt, dan mach ment op een hol becken, met laken overtooghen, polysten. Ende alst daer wederom te lange op blyft, sodat de kanten meer klaer worden dan de midden, so mach ment strax wederom op het plat polys-bert brenghen. Etc. [>]


Experiment: plat op bol

    Den 10en Aug. 1633 te Dort stelde ick met was een geslepen plat glas, van een spiegel die gebroken was, op een glas aen beyde syden bol, ende bevondt dat de figueren van buyten opt pampier in den doncker kamer omtrent ½ duym van malcanderen verschilden, te weten, die door het midden van het bol glas ende het plat glas quamen van de figueren, die door het bol glas ronsom quamen, want het plat glasken was veel kleynder ende juyst int middel van het bol glas.

    Als ick nu het plat glas ¼ keerde, so was de figure recht onder de andere, ende als ickt noch ¼ keerde so was de figure, die oock door het plat glas quam, aen dander syde; keerende noch ¼, wasse recht boven de ander, ende altyt so dat het uyterste puntjen altyt ½ duym van het ander uyterste puntjen bleef. Daerna stelde ick het plat glas wat meer na de kant van het bol glas, doch dat en brocht geen veranderinghe, tsy dat ickt boven, onder of ter syden het centrum stelde. Waeruyt ick besloot dat de oorsake was de ongelycke dickte van het glas, want die divergeert de stralen, die anders ins eenen ende denselfden wegh souden gegaen hebben. Ergo oock altyt deselfde diversie.

    Dese experientie dede ick om te besien of ick de stralen van de midden met de stralen van de randt soude konnen doen vereenighen, twelck ick meyne te weghe te brenghen met een bol glas int midden met een gat ende op dat gat een kleynder bol glas geplackt [<], sodat het wat verder van het pampier staet, te weten de dickte van het glas, omdat de concursus van de midden verder uyt kompt. Ende ist noch niet genoech, mach een dicker middelglas nemen; of tusschen beyden eenen rinck placken, om op een ander becken slypen. Also kan mer soveel als men wilt op één maken: het gat van het grootste, wat cleynder synde dan het glas datter op moet syn, ende het gat hier wat kleynder dan het derde bol glas, ende so voorders, soveel als men wilt. So sullen al de punten ineen kommen, doch de verscheyden grooten sullen confusie maken; meught se dan so maken datse binnen int gat moghen staen.

[ Lat. ]




Beeckman | Journaal - 1633 (top) | vervolg