IB | < Vertalingen > | Index

IJs , kaarsvlam , vuur , rad , verrekijker , eenogig


Isack Beeckman - 1622 v


[ 193 ]
IJs in ton        

Glacies in vase cur per plicas congelata.

    Den 26en Jann. 1622.

 
Waarom het ijs in de ton met plooien bevroren is.

    De 26e januari 1622.

    In vase cylindriaco (tonnam aut cupam dicimus) superficies aquae erat congelata, at velut plicae quaedam altiores reliqua glacie, a circumferentia ad centrum videbantur extendi, in hunc modum ut vides ad latus.

ijs in ton     In een cilindrisch vat (ton of kuip zeggen wij) was het wateroppervlak bevroren, maar je zag als het ware enkele plooien liggen, hoger dan de rest van het ijs, van de omtrek naar het middelpunt, op deze manier zoals je hiernaast ziet.   [<]

    Ratio hujus rei est quod vas fuerit circulare. Cum enim glacies plus loci occupat quam aqua, oportuit superficiem glaciatam majorem efficere circulum superficie aquea. Quod cum terminus vasis ligneus non permitteret, necesse fuit abundantem glaciem in sese reduplicari, idque ibi maxime ubi plus erat materiei, quod est circa circumferentiam. Unde fit plicas fuisse triangulares, quarum angulus acutus vergebat ad centrum.       De reden hiervan is dat het vat rond was. Daar ijs immers meer plaats inneemt dan water [<], moest het ijsoppervlak in een grotere cirkel gemaakt worden dan het wateroppervlak. Maar omdat de houten rand van het vat dit niet toeliet, moest het overtollige ijs zich in zichzelf weer verdubbelen, en wel het meest daar, waar meer materiaal was, dat is rond de omtrek. Vandaar dat de plooien driehoekig geworden waren, en daarvan richtte de scherpe hoek zich naar het middelpunt.

[ Lat. ]


[ 195 ]
Kaarsvlam        

Candela cur in vitro in aqua converso,
extinguatur.

    Anglus De Fluctibus*) non reddit rationem rei quam proponit de candela in vitro converso in aqua, cujus flamma, aquam sursum attrahens, statim extinguitur.

 
Waarom een kaars uitgaat
onder een omgekeerd glas in water.

   De Engelsman Robert Fludd*) geeft niet de reden van de zaak die hij naar voren brengt over de kaars in een omgekeerd glas in water, waarvan de vlam, het water naar boven trekkend, terstond uitgaat.

    Ante alubi [<] credo ejus extinctionis rationem dedisse, quia aqua attracta gravis est; cupiensque descendere, fit locus vacuus, nam flamma ante consumpserat aerem. Dispergitur ergo flamma per totum vitrum a nullo aere coercita, uti in libero aere coercebatur et comprimebatur ab incumbente undique aere. Ad haec in hoc vitro aere consumpto, non adest ignis pabulum; aer enim dum attenuatur, videtur suo saltu, et dissiliendo oleum, ignis verum pabulum, discutere, separare, et in parvas particulas attenuationi opportunas disijcere.       Eerder meen ik elders [<] de reden van dat uitgaan gegeven te hebben, omdat het opgetrokken water zwaar is; en omdat het wil dalen, ontstaat lege ruimte, want de vlam had tevoren lucht verbruikt. De vlam wordt dus verbreid door het hele glas, door geen lucht ingesloten, zoals hij in de vrije lucht werd ingesloten en samengedrukt door lucht die er overal vandaan op ging liggen. Als bovendien in dit glas de lucht is verbruikt, is er geen voeding van het vuur; want zolang de lucht verdund wordt blijkt dat die in zijn hachelijke positie, en al wegspringend de olie — het echte vuurvoedsel — uiteenslaat, scheidt, en verstrooit in kleine deeltjes die geschikt zijn voor verdunning.   [>]

    *)  Utriusque Cosmi majoris scilicet et minoris metaphysica, physica atque technica historia. Authore Roberto Flud, alias De Fluctibus (Oppenheim, 1617). Tractatus secundus (1618), 471.
[ Lat. ]


[ 198 ]
Vuur        

Ignis non est absque motus.

    Den 27en Mey.

    Ignem tantum loci comprehendere quantum alubi [<] dicitur, mirabitur fortassis nonnullus, cum non statim verum sit tenuissima a se invicem maxime distare, sed id soleat praeter necessitatem consequentiae supponi.

 
Vuur is niet zonder beweging.

    De 27e mei.

    Dat vuur zoveel plaats inneemt als elders gezegd wordt, zal menigeen misschien verbazen, daar het niet steeds waar is dat het fijnste het meest uiteenstaat, maar dit wordt gewoonlijk verondersteld zonder noodzakelijk gevolg.

    Dicendum igitur ignis materiam esse sulfur, oleum, saevum et reliqua inflammabilia. Sed ea non sunt ignis cum quiescunt, sed tum demum vocantur ignis, cum in minimas partes divisa sunt eaeque partes celerrime moventur; prioresque semper sequentes, subsequuntur, per quem motum continuum disijcitur aer et acquiritur locus capacior, sine quo motu iste peragi non possit: non aliter quam gladiator ensim suum volvendo removet a se circumstantes, ita ut ipse longe ab ijs removeatur et multum spacij vacui relinquatur.
Sic ignis suo motu quidlibet a se removet, neque unquam est absque motu, ne quidem in pruna aut ferro candente. Motu enim pereunte, non amplius est ignis, sed is suffocatur. Partes igitur prunae omnes in opere sunt seque movent; eae vero primo avolant quae in fronte collocantur.
      Gezegd moet dan worden dat vuurmaterie is zwavel, olie, kaarsvet en overige ontvlambare stoffen. Maar deze zijn niet vuur als ze in rust zijn, maar pas dan worden ze vuur genoemd, als ze in de kleinste deeltjes verdeeld zijn en als die deeltjes heel snel bewegen; en de voorste volgen steeds de volgende weer, door welke aanhoudende beweging de lucht uiteengeworpen wordt en meer ruimte krijgt, wat zonder die beweging niet volgehouden kan worden; niet anders dan wanneer een gladiator door zijn tweesnijdend zwaard rond te zwaaien de omstanders van zich vandaan houdt, zo dat hij zichzelf ver van hen verwijdert en er veel lege ruimte overblijft.
Zo verwijdert vuur door zijn beweging alles van zich, en nooit is het zonder beweging, zelfs niet in gloeiende kool of gloeiend ijzer. Want als de beweging ophoudt, is het niet langer vuur, maar dan wordt dit gedoofd. Deeltjes van gloeiende kool zijn dus alle in werking en bewegen zich; maar die vooraan geplaatst worden vliegen het eerst weg.   [>]

[ Ned. ]


[ 200 ]
Rad van avontuur

Motus perpetuus in rota inventus.             Voortdurende beweging in rad uitgevonden.

    Hierdoor [<] soude men een motum perpetuum konnen maken, te weten:

    Neempt dat A sy een radt van avontueren ende dat a, b, c, d, e, f, g persoonen syn, te weten, koningen, keysers, pausen, princen, heeren, edelen, cooplien, ambachslien, bedelaers. perpetuum mobile Ick segghe datmen sal konnen maken dat dit radt altyt drayen sal, sonder eenighe nieuwe hulpe. Want het liquer deur de koude int glas p opgetrocken synde, wort door de klappe t opgehouden, also dat het weder werm wordende, het water niet wederom in denselfden back en kan persen, want de klappe t gaet dan toe, ergo het water moet door de klappe r in den anderen back gaen. Also wort desen back altyt volder ende volder. Maer indien men in dien backs bodem by s een gaetken maeckt, daerdoor het water trachelick drupt op het rat, so sal het rat, licht synde, van den val van die druppelkens omdrayen met persoonen met al. Nu doordien den dach altyt warmer is dan den nacht, so en sal t'water niet ophouden van op ende neder te gaen.

Detur nunc opera ut hinc in hoc motu aliqua aequalitas possit reperiri per aequalem casum guttarum; id enim horologium perpetuum efficiet.

Nu moet nog geprobeerd worden om hier in deze beweging enige gelijkmatigheid te krijgen, met een gelijkmatige val van druppels; dit zal namelijk een eeuwig uurwerk bewerkstelligen. [>]

    Patet quoque ex his quaslibet actiones posse hoc pacto institui perpetuas, de quibus Hero in libris de Spiritalibus*); maximas vero et frequentissimas quando aer in frigore et calore maxime est varius, videlicet tempore autumni.

    Het is ook duidelijk dat met al dit soort werkingen op deze manier de automaten van Hero te maken zijn, zie het boek de Spiritalibus; de grootste en meest herhalende natuurlijk wanneer de lucht het meest veranderlijk is in warmte en koude, zoals in de herfsttijd.

    Si igitur vas s multam aquam effundit, marginibus multitudinem non continentibus, signum est vas id saepius repleri tempusque esse varium. At si vas aliud adjungatur quod eam effluentem accipiat, ac ubi ad certam altitudinem pervenisset, per siphonem sive diabetem Heronis, totam eam effundendo animalis alicujus vocem exprimeret, tum significaret frequens ea vox tempus varium, morbis aptum autumnalibus; doceretque exactissime usum indicationis in medicina quae ab aere circumstante sumitur.

    Als dan de bak s veel water uitlaat, daar de wanden de grote massa niet omvatten, is het een teken dat de bak vaker bijgevuld wordt en dat het weer wisselvallig is. Maar als een andere bak er bij gezet wordt die het overlopende opvangt, en die, zodra hij tot een zekere hoogte vol geraakt zou zijn, tijdens het geheel uitgieten — via een sifon of hevel van Hero — een geluid van een of ander dier zou maken, dan zou dat geluid als het frequent was wisselvallig weer aangeven, dat aanleiding geeft tot herfstziekten; en het zou heel nauwkeurig het gebruik leren van de indicatie in de geneeskunde die wordt afgeleid van de omringende lucht.

    Si autem alchimistae vere gloriantur se planetarum vires in aquas etc. introducere, hic habes modum locupletem experiendi ejus artis veritatem. Aqua enim Martis procul dubio hic aliquem motum edet, cum Mars aeri dominatur. Illi videant.     Als verder de alchemisten zich naar waarheid erop beroemen dat zij krachten van de planeten in water etc. kunnen brengen, dan heb je hier een betrouwbare manier om de waarheid van die kunst te beproeven. Want water van Mars zal hier zonder twijfel enige beweging geven, wanneer Mars heerst over de lucht. Laat ze het eens bekijken.

    *)  Federico Commandino, Heronis Alexandrini Spiritalium Liber. (Urbino 1575).
[ Ned. ]


[ 209 ]
Verrekijker        

Lens magna convexa requiritur
ad remota per telescopium videnda.

    Qui tubos oculares cupiunt facere, quibus longissima possunt conspici, debent necessario lentem ab oculo remotissimo valde magnam constituere, nam cum punctum visibile in omnem partem radios suos emittat totumque circum stantem aerem ijs impleat, erit proximus aer multo plenior quam remotior. Nihil enim a puncto in aerem remotum egreditur nisi per proximum; tantum igitur radiorum est in proximo circulo quam in remotissimo; ibi ergo ij sunt densiores, hic rariores, idque pro ratione remotionis, id est in duplo remotiori circulo, radij ilius puncti sunt duplo rariores.
 
Een grote bolle lens wordt vereist
om in de verte te zien met een kijker.

    Degenen die buiskijkers willen maken, waarmee de verste dingen te bekijken zijn, moeten noodzakelijk een zeer grote lens zo ver mogelijk van het oog opstellen, want doordat een voorwerpspunt zijn stralen naar alle kanten uitzendt en de hele omringende lucht ermee vervult, zal de dichtst bij gelegen lucht er veel voller van zijn dan de verder verwijderde. Niets gaat immers weg van een punt naar de verre lucht dan door de nabije; dus is er evenveel van de stralen in een nabije cirkel als in een heel verre; daar zijn ze dus dichter, hier verder uiteen, en dit evenredig met het verwijderen, d.w.z. op een twee keer zo verre cirkelomtrek zijn de stralen van dat punt twee keer zo ver uiteen.
Qui igitur in centuplo remotiore loco a visibili puncto quam est oculi pupilla, tam clare cupit rem videre quam ibi oculis eam conspiciebat, debet radios excipere lente centuplo majore quam est oculi pupilla, eosque omnes, commode in pupillam lente hac convexa introductos, altera lente, nempe concava, ad retiformem tunicam dirigere. Quæ lens convexa, quoniam in maxima distantia in maximam molem excresceret, vix mihi verisimile videtur talem lentem convexam posse præparari, cujus auxilio litteræ vulgares legi possint in distantia unius miliaris; non dico trium aut plurium, uti nonnulli affirmant se posse [>].   Wie dus op een plaats die honderd keer zo ver verwijderd is van het voorwerpspunt als de oogpupil, het voorwerp zo helder wil zien als wanneer hij dit daar met de ogen zou bekijken, moet de stralen opvangen met een lens die honderd keer zo groot is als de oogpupil, en die allemaal, keurig met deze bolle lens naar de pupil gebracht, met de andere lens, wel een holle, naar het netvlies leiden. Aangezien deze bolle lens op zeer grote afstand tot een zeer groot gevaarte zou uitgroeien, lijkt het mij nauwelijks waarschijnlijk dat een zodanige bolle lens gemaakt kan worden, dat met behulp ervan gewone letters te lezen zijn op een afstand van één mijl; ik zeg niet van drie of meer, zoals sommigen verzekeren dat ze kunnen [>].

holle en bolle lens, bolle lens bij object
En verre lens        

Telescopio mediocri et vitro prope visibile
remotissima videre.

    Verum si quod spei foret eas legendi, id potius fieret modo superius depicto, ubi in re visibili ab punctum visibile radians est k, lens convexa mediocris quantitatis cd, in cujus convexitatis centro k positum sit. Radij igitur e k prodeuntes, per lentem cd paralleli exibunt in infinitum, ita ut tanta figura sit eorum copia in remotissima distantia, nempe ef, quanta in cd propinqua.
 
Met gewone kijker en een glas bij het bekekene
de verste dingen zien.

    Maar als er enige hoop is die te lezen, zou dit eerder kunnen op de hierboven afgebeelde manier, waar in het zichtbare voorwerp ab een stralend punt k is, en cd een bolle lens van matige omvang, in het bollingsmiddelpunt waarvan k geplaatst is. Dan zullen de stralen die uit k voortkomen, door de lens cd evenwijdig uitgaan naar het oneindige, zó dat de vorm van hun bundel even groot is op heel verre afstand, en wel bij ef, als dichtbij in cd.   [>]
[ 210 ]
Sit igitur ef lens etiam convexa, excipiens tot puncti k radios quot lens cd exceperat, ea ergo in tubi oculari el eos omnes per lentem concavam gh in oculum i transmittet, ac non minus clare punctum k, et ita etiam puncta a et b, oculo proponet in hac infinita distantia quam prope cd potuisset proponi. Nihil enim radiorum ad aberrat a lente ef.

  Zij dan lens ef eveneens bol, zoveel stralen van punt k opvangend als lens cd opgevangen had, die zal ze dus in de kijkerbuis el alle door de holle lens gh naar het oog i zenden, en even helder het punt k, en zo ook de punten a en b, op deze onmetelijke afstand voor het oog zetten, als hij dichtbij cd had kunnen doen. Want niets van de stralen ad dwaalt af van ef. *)

    Sed hic tamen non ignorandum quo major est oculi remotio, eo pauciora puncta visibilia pupillam ingressura; vides enim am a tota lente aberrare. Praeterea oportebit lentem cd prope k firmari atque alium quendam loco k quasdam litteras inscribere, quas vult oculo i innotescere. Non igitur unus per se solus videbit quae vult, sed mediante quodam socio.       Maar dit is toch belangrijk om te weten: hoe groter de verwijdering van het oog, des te minder voorwerpspunten in de pupil zullen komen; je ziet namelijk dat am de lens geheel mist. Bovendien zal het nodig zijn de lens cd bij k op te stellen en iemand anders ter plekke van k enige letters te laten schrijven, die hij voor het oog i waarneembaar wil maken. Men zal dus niet op zijn eentje kunnen zien wat men wil, maar wel met een helper.

    *)  Zo'n combinatie van lenzen was al bestudeerd door Kepler (Dioptrice, 1611) en toegepast door Sirtori (Telescopium, 1618, 75)   [>].

Stralen weerkaatsten        

Radij ad aerem et atomos ejus reflexi,
pereunt.

    Neque etiam omnino verum est nihil radiorum ef in via perire. Etsi enim aer radios absque ulla reflectione transmitteret (quod tamen rationi repugnat, cum sit corpus, ideoque tangi et depelli possit a radijs, etiam corpusculis), pulvisculi sane in aere volitantes, satis magnam reflexionem in tam longinquo spacio edunt, ut maxima pars radiorum, si non omnes, in reflexionem abeat, nec oculum omnino attingat.

 
Stralen tegen lucht en atomen ervan weerkaatst,
gaan verloren.

    En het is ook niet geheel waar dat niets van de stralen ef onderweg verloren gaat. Want ook al zou de lucht de stralen zonder enige terugkaatsing doorlaten (wat toch tegen de rede ingaat, daar het een lichaam is, en daarom geraakt en weggestoten kan worden door stralen, die ook deeltjes zijn), stofjes die zeker in de lucht zweven, geven over zo'n grote afstand vrij veel terugkaatsing. zodat het grootste deel van de stralen, zo niet alle, al terugkaatsend verdwijnt, en het oog helemaal niet bereikt.

    Sed hic et in priori experimento, quod dixi esse eorum qui affirmant se quam remotissima videre, occurit difficultas quod nesciam an lens cd tam accurate possit formari ut ab puncto k radios omnes parallelos transmittat, praesertim si centrum remotius sit a lente. Profecto quod ego jussi praeparari, nec candelae, nec Solis, radios in unum punctum colligit, uti lentes parvorum circulorum convexae faciunt.       Maar hier en in het vorige experiment, dat ik noemde van hen die verzekeren dat zij de verst mogelijke dingen zien, treedt de moeilijkheid op dat ik niet weet of de lens cd zo nauwkeurig gevormd kan worden dat die vanaf punt k alle stralen evenwijdig doorzendt, vooral als het middelpunt nogal ver van de lens is. Althans die ik liet maken*) verzamelt noch van een kaars, noch van de Zon, de stralen in één punt, zoals bolle lenzen van kleinere cirkels doen.

Coloribus per telescopium remota significare.

Caeterum in remotiore distantia per superiorem figuram vix unam litteram conspiciemus, nam am et kl in hac parva distantia distant uti i ad m, quae major est oculi pupilla. Usus sit igitur in spectando unico puncto colorato, nunc rubro, nunc flavo, nunc nigro, etc., perque eam diversitatem aliquid significetur.
 
Met kleuren d.m.v. verrekijker verre dingen aanduiden.

Overigens zullen we op grotere afstand volgens bovenstaande figuur nauwelijks één letter waarnemen, want am en ki staan op deze kleine afstand uiteen als i tot m, wat groter is dan de oogpupil. Te gebruiken is dan bij het kijken een enkel gekleurd punt, nu eens rood, dan geel, dan weer zwart enz., en met dit verschil kan iets aangeduid worden.

    *)  Misschien bij Sacharias Jansen, die van 1619 tot 1626 in Middelburg woonde [>]. Onbekend is of de lens hyperbolisch was, Kepler had dit al aanbevolen in Ad Vitellionem Paralipomena (1604) en in Dioptrice (1611).

Hoeveel stralen

Telescopio quanta radiorum multitudo
in oculos veniat.

    Dubitavi diu an in tubis ocularibus longioribus res visibiles non magis augeantur quam multitudo radiorum in oculum incurrentium. Quod si fiat, videbuntur quidem res majores, sed obscurius, cum pro proportione magnitudinis radij non respondeant.
 
Hoe groot de hoeveelheid stralen is
die met een kijker in de ogen komt.

    Lang heb ik getwijfeld of in langere buiskijkers de zichtbare dingen niet meer vergroot worden dan het aantal stralen dat in het oog komt. Als dit zo is, zullen de dingen weliswaar groter gezien worden, maar ook donkerder, daar de stralen niet beantwoorden aan de verhouding in grootte.
[ 211 ]
    Ut igitur sciamus radiorum multitudinem, sit in apposita figura lens convexa ab, pupilla oculi fg et de, sintque a, b, c radij unius puncti longinqui, sitque de aut fg decima pars ab. Cum igitur de tot radios concipiat quot unius puncti inciderunt in ab, sequitur illius puncti pupillam fg tot radios concipere, quota ipsa pars est hi; scilicet, si ex fg et ex hi fiant circuli, id est si fg sit quinta pars hi, concipiet fg vigesimam quintam partem radiorum quos de aut ab concipiunt.
Contra fit cum solis oculis rem visibilem conspicimus. Tunc enim omnes radij divergunt; ita erit c punctum visibile, pupilla vero nunc de, nunc fg. Unde non mirum pulicem, quam proxime lentes convexas collatum (ita ut ad lentes maximo angulo unius puncti radij perveniant), tantae magnitudinis videri. Idem enim contingit ac si distantia unius digiti ab oculo videretur, quod absque lentibus maximae convexitatis fieri nequit ob nimiam divergentiam, quam punctum tam propinquum efficit.
stralen     Opdat we nu de hoeveelheid stralen weten, laat in de figuur hiernaast ab een bolle lens zijn, fg en de de pupil van het oog, en a, b, c stralen van één punt in de verte, en laat de of fg het tiende deel zijn van ab. Daar nu de zoveel stralen krijgt als van één punt vielen op ab, volgt dat de pupil fg van dat punt zoveel stralen krijgt, als het gedeelte dat die is van hi, namelijk als van fg en hi cirkels gemaakt worden; d.w.z. als fg het vijfde deel is van hi, dan zal fg het vijfentwintigste deel krijgen van de stralen die de of ab krijgen.
Andersom gaat het als we iets zichtbaars met alleen onze ogen bekijken. Want dan divergeren alle stralen; zo zal c een voorwerpspunt zijn, en de pupil nu eens de, dan weer fg. Daarom is het geen wonder dat een vlo, zo dicht mogelijk bij bolle lenzen gebracht (zo dat de stralen van één punt onder een maximale hoek naar de lenzen komen), zo groot gezien wordt. Want er gebeurt hetzelfde als wanneer hij op een vinger afstand van het oog gezien zou worden, wat zonder lenzen met maximale bolling onmogelijk is wegens de te grote divergentie, die een zo dichtbij gelegen punt te weeg brengt.
    Jam quod ad magnitudinem attinet, eadem proportione ea quoque crescit et minuitur (qua copia et densitas radiorum ante dicta est variare), in visione naturali, scilicet secundum duplicatam proportionem distantiarum. Keplerus id quoque ostendit in sua Dioptrice, Prop. 83*). Et nihilominus tamen lentes minoris convexitatis, in subjecto papyro albo, majores figuras faciunt cum non pluribus radijs, videlicet si lentes sint aequalis quantitatis.     Wat nu de grootte aangaat, die neemt ook toe en af in dezelfde verhouding (als waarmee eerder gezegd is dat de hoeveelheid en dichtheid van de stralen veranderen) met het blote oog, namelijk volgens de verdubbelde verhouding (kwadraat) van de afstanden. Kepler toont dat ook aan in zijn Dioptrice, Prop. 83*). En niettemin toch maken minder bolle lenzen, op een erbij gehouden wit papier, grotere figuren met niet meer stralen, wel te verstaan als de lenzen van gelijke grootte zijn.

    *)  Keplers Dioptrice (1611) werd eerder aangehaald [<,>]. De genoemde propositie handelt over het verband tussen de grootte van de beelden en de kromtestralen van lenzen, bij verschillende afstanden van het oog.
[ Lat. ]


[ 213 ]
Eenogig        

Oculus unicus quomodo
propinqua a remotis distinguat.

    Res longinquae unico oculo visae, videntur a propinquis rebus distingui quia propinquae rei punctum ad oculum divergit, longinquae vero puncti radij sunt paralleli; quoque punctum est propinquius, eo magis ejus radij divergunt, quam differentiam oculus percipiendo, judicat hanc rem hac esse propinquiorem vel remotiorem.   [<]
 
Hoe één oog
het nabije van het verre onderscheidt.

    Ver verwijderde voorwerpen, met één oog gezien, schijnen van nabije onderscheiden te worden doordat een nabij voorwerpspunt naar het oog divergeert, terwijl van een punt in de verte de stralen evenwijdig zijn; en hoe dichterbij het punt is, des te meer divergeren de stralen ervan, en als het oog dit verschil waarneemt, oordeelt het dat dit voorwerp dichterbij of verder weg is dan dat.
[ 214 ]
Pictae vero rei puncta unico oculo visa, propinqua saepe remota, et vice versa, videntur; at hoc fit quando negligentius videtur, diligentius vero animo concipitur ipsa res. Cumque pupilla exigua sit (quae tamen est basis penicilli visorij) multo minor est pars ea in pictura aut vitro; unde fit ut diligens conceptus rei et negligentior perceptio ocularis eam partem pro puncto aut superficie habeat, prout res videtur exigere.
Punten van een afgebeeld voorwerp echter, met één oog bekeken, lijken als ze dichtbij zijn dikwijls veraf, en andersom; maar dit gebeurt wanneer nogal achteloos gekeken wordt, zorgvuldiger echter wordt de zaak zelf in het bewustzijn opgenomen. En al is de pupil nauw (die toch de basis is van de gezichtskegel), veel kleiner is dat deel op het schilderij of glas*); waardoor komt dat een zorgvuldig opnemen van de zaak en een achtelozer waarneming met het oog, dat deel houden voor punt of oppervlak, al naar gelang de zaak lijkt te vereisen.
Neque existimandum a pluribus punctis visibilibus radios egredientes excitare penicillum divergentem in re longinqua; quod si fieret, oporteret eos radios se invicem inter oculum et punctum intersecare. Atque ita quaelibet res statim duplo, triplo et multo propinquior videretur quam revera est, quia minor pars pupillâ oculi in re visibili sumi vix videretur posse.   [>] En men moet niet menen dat de stralen die van verscheidene voorwerpspunten uitgaan een divergente bundel maken bij een ver voorwerp; als dit zo zou zijn, zouden die stralen elkaar moeten snijden tussen het oog en het punt. Maar zo zou een willekeurig voorwerp meteen twee, drie of meer keer dichterbij gezien worden dan het in werkelijkheid is, omdat het opnemen door de oogpupil van een kleiner deel op het voorwerp nauwelijks zou lijken te kunnen.

    [ *)  Hulpmiddel voor perspectivisch tekenen, zoals in de Deursichtighe van Simon Stevin: het glas van Maurits.]
[ Lat. ]



Isack Beeckman | 1622 v (top) | vervolg