Beeckman | < Journaal > | Woordenlijst

Randen , groot , slijpschijf , glas , leermeester , klein , succes , hyperbool , opschrijven , camera


Isack Beeckman - 1634  Slijpen

C. de Waard, Journal tenu par Isaac Beeckman de 1604 à 1634

Tome III: 1627 - 1634 (1635)



[ 371 ]     [half nov.] - [29] dec. 1633 Ms fol. 431v, 432r (na 'Fames', p. 327).

Krassen bij randen

Slypen.

    Als ick op myn tinne becken [<,>] slype, bevinde ick, dat het glas ontrent de canten kommende, aldermeest kretst, hoe langhe ick oock slype ende hoe fyn sant ick neme.

    De reden is omdat het glas groot synde al veel dickwilder de midden raeckt dan den randt, waerdoor kompt dat het sant in de midden haest ontstucken geslepen is, ende aen de kanten blyft het noch al heel int tin steken. Daerom salt goet syn dat men, eerst grof sant nemende, daerna fynder, dit so langhe besicht (het becken elcks reyse afwassende, opdat het tusschen de midden ende de kanten niet veel schillen en soude) totdat men hoort [>] dat de kanten byna so sacht gaen als de midden. Ende dan wederom noch wat fynder totdat het genoech is. [>]

    Dit is de reden waerom de brilslypers int slypen so dickwils de canten van het becken 2 of 3 vynghers breedt afvaghen met een veerken [>], omdat het grove, dat daer blyft, wechraken soude ende allom even fyn wesen soude.

    Dit en kan niet geremedieert worden met het glas grooter te nemen dan het becken; want al wordt dan het becken allom altyt geraeckt, so en raeckt het glas allom altoos niet ende hetgene, dat aen het glas ontrent de canten blyft hanghen, en kompt so dickwils aen het becken niet als dat in de midden vant glas is, dat noyt van het becken en kompt. Maer om dat pertinent ende net te doen ende gelyck allom altoos te raken, so mocht men het becken op eenen perpendicularen styl geduerich om doen drayen [<,>], terwylen dat men met de handt slypt; dit konde met de voet gedaen worden. Nu dan also dit drayen maeckt dat de canten meest geraeckt worden (want ontrent het centrum synt al kleyne cirkels die niet rasser om en gaen dan de groote ontrent de canten), so kan men rasser drayen, als men siet of hoort dat de kanten groter sant hebben dan de midden. Ende als in den midden het grofste is door al ras drayen, so mach men wat tragher drayen ende al voort gaen met slypen.

    Als men met heel fyn sant slypt, al komt er dan een grof sandeken of twee opt becken, dat en raect onder t'glas niet, maer wort door de kanten, die oock dycht op het becken schuyven, afgestooten. Jae, al raeckt het onder de kant vant glas, so breeckt het terstondt, omdat het heel glas so styf aen het becken kleeft, dat een sandeken 2 of 3 dat niet en konnen oplichten.

[ 372 ]
    Men soude een becken om op te slypen konnen maken van een stuck van een glase pot, urinael etc. Het sal met slypen wel recht sphaerael worden.


    Veel sant op het becken synde, so schrapt het glas minder ende rolt beter voort; andersins plackt het hier ende daer aen 't becken, sodat het somtyds half schuyven moet, twelck int glas ende int becken strepen maeckt.


    De schilders segghen dat omber alderhaest op haren steen fyn gewreven is. Siet oft int slypen of polysten helpen kan.


Grote lenzen

    Int slypen van groote glasen ist eerste sant al fyn geworden eer de groote putten [<], die van hetselvighe sant gekommen syn uytgeraken. Daerom neempt ten tweeden sant, dat wat fynder is, totdat de putten vant voorgaende glas uyt syn, het tweede sant dickwils vernieuwende. Daerna dit ooc afgevaeght hebbende, neempt noch fynder, ende dat solanghe als ghy veranderinghe gewaer kont worden, kyckende na de puttekens door een glasken, daer men de leden van vloyen door siet [<,>].


    Behalven dat het veel moeyte is groote glasen te slypen, so en kan men oock allerhande soorten so groot niet vinden, als namentlick christal de montaigne [<], ende andere kostelicke gesteenten, die deurluchtich syn ende mogelick beter dan glas, want in den diamant en syn so geen sandekens.

    Ten minsten om die te beproven, ende oock om met het gemeene glas lichter ende evengoet te doen, hebbe ick gepractiseert een schyve [>] van coper, yser ofte eenighe ander styve substantie, in dewelcke ick int midden een ront gat make, so groot als ick myn glas hebben wil. Deze schyve slype ick op beyde syden, even gelyck een bol etc. glas, so groot synde dat de dickte int midden niet te veel stralen wech en houdt alst al gedaen is. Men mach proeven hoe dick het glas syn mach, ende de schyve daerna vergrooten, also datse, aen beyde syden geslepen synde, ronsom aen de canten so scherp sy als een mes. Daerna sal men het glas op hetselfde becken slypen totdat het van de dunte is van de schyve; niet dunder, maer liever een weynich dicker, opdat de schyve niet en hoeve elcke reyse op een nieu afgeslepen te worden. Dit glas steke ick int gadt van de schyve ende doe het ligghen op het becken, also dat het glas ende de schyve het becken allom raken.

[ 373 ]
Bovenop maecke ick het vast met peck etc. ende om de vasticheyt legghe daerop een cleyn schyfken, grooter als het gadt; int myne is het gat 1 1/2 duym [<,>] groot ende de schyve 5 duym. Vast synde, slype ick beyde op het fynste ende polyste het met schyve met al. Gedaen synde, keer ick het om ende maecket an dander syde vast eer ick de oppersyde losmake; so blyft het glas sonder roeren ende is als één dinck met de schyve. Ende slype dan die syde oock so. ringen

    Maer omdat de edelgesteenten so dick niet en syn als mense misschien begeeren soude, so neempt koperdraet ende maeckter rynghen van, d'een grooter als d'ander, ende heght se met dunne veerkens aeneen, dat se buyghen konnen na het becken. Ende slypt so dunne dat het gat sy gelyck het glasken, dat ghy daerin stellen wilt. — Verte 4.*)



*)  Hierna in het manuscript: p. 328. Na 'Ryckdom' op p. 335 de volgende fol. 435v, 436v.


27 jan. - [22] febr. 1634

Ringen of schijf

Slypen.

    Verte 4. — Men soude instede van dese rynghen moghen nemen een geheele schyve van substantie die gelyckelyck buyghen kan, als leer doet; misschien dat het ducate gout daertoe wel dienen soude. Also kan men het bol glas so dun slypen als men wil, ende niettegenstaende so perfect alsof het het middelste ware van een groote schyve glas. Ende dewyle dat het glas van een verrekycker wel klein syn mach, so sal men gesteenten genoech daertoe kryghen.
    [ Het volgende stukje (Latijn) is te vinden bij (sluit aan op) p. 335: holle lens.]
[ 374 ]
    Als ghy de schyve, die van rynghen gemaeckt is, int slypen besighen wilt, so leght daerop een geslepen glas of yet styfs, dat de forme vant becken heeft, ende maeckt het aen de schyve wat vast. Also sal de schyve allom het becken blyven raken, hoe dat ment oock slypt, al dout men op de midden maer met éénen vingher.


Zand

    Sant, dat int water geweyckt is, slypt sachter; ten sprinckt soseer niet alst in stucken geslepen wort ende also en lydt het glas sulcken peryckel niet van breken, doort subyt stooten van het brekende sant.   [>]


Slijpschijf

    De slypschyve [<] soude men konnen maken van styve radien, die met grendelkens aen de 2 rynghen gehecht synde, daerin drayen konnen, alsmen de schyve keeren moet.

    Op deselfde manniere kan men oock een slypschyve maken om concava vitra te slypen, hetwelcke daerom te dienstelicker is, omdat men hier de canten vant glas niet dun en slypt, maer dick laet. Ende men can juyst so nauwe het midden niet passen, al ist glas net plat, want in die kleynte en kan men een foutken niet myden; ten anderen so synder deselve peryckelen, die in een klein concavum kommen. Men sal dan een becken maken aen beyde syden hol ende so dun int midden als men begeert ende int midden een gat daer het glas in vast is, ende also op een bol becken slypen. Wilt ment maer aen één syde hol hebben, so mach d'ander syde van de schyve wel plat syn, midts dat men dan het glas daerin blyvende steken, daermede op een plat becken slypt.

    Hoe platter het becken is, hoe bequamer men een slypschyve gebruycken kan, want int ommekeeren en heeft se niet veel buyghens van doen.


Glas

    Om glas te maken, dat de radios minst verhindert, sal slecht glas, seer sterck gekoockt, best syn, want daer en syn so veel sandekens niet in ende tgene datter in is, kan beter geattenueert werden, omdat het so hart niet en is, als de materie daer het cristalyn van gemaeckt wort. Forte. [Soms.]
    [ < ]


Polijsten

    22en Feb. 1634 was een glas op laken [<,>] eerder gepolyst dan op leer. Daeruyt sou men oordeelen dat het polysten anders niet en is dan de vuylicheyt, die door het slypen so styf in poris steeckt, afveeghen, twelck het laken door syn bollicheyt ende haerachticheyt doen kan; tensy dat men meynt dat het op leer so styf suyght dat het tragher voort gaet. Men en siet int gepolyste per microscopium so geen sant of puttenkens gelyck int ongepolyste; ergo schynt dat men de asperitaten vant glas door het polysten afscropt of afvryft, gelyck het laken van drooghscheerders geschoren wort [<,>].

[ 375 ]     [22 febr. - eind april] 1634

Ruisen, tieren

    Alst glas aende canten vant becken komt, so ruyscht het meer dan in de midden, omdat een deel vant glas buyten het becken kompt, ende so in de locht synde, geeft meer geluydt. Ofte oock omdat de vochticheyt meest na het midden sackt; ende daer het drooghst is, daer moet het aldermeest tieren. Daerom moet men het becken alom even vochtich houden.   [<,>]


Zand breken, ziften

    Op het tinne becken [<,>] ist langhe eer het sant fyn gebroken is. Daerom slypt veel glasen seffens, so salt ten laetsten breken ende u werck voorderen, ende meughelick beter syn dan op harde beckens, daer het sandt al te haest afloopt.


    Om fyn sant door siften te kryghen, so leght eerst een groot pampier ende int midden daerop een cleynder, dat ront is, ende sift op dat cleyne; al t'gene dat van het cleyne vlieght, is het fynste. Neempt dan het middelste wech ende vergaert hetgene dat op het groote gevloghen is, ende doet daermede so gelyck vooren, ende sift so dickwils totdat het fyn is, na u begeeren.   [<,>]


Kijker

    So men aen elcke ooghe een verrekycker stelt, also dat men door beyde een dynck siet, so sal men dat soveel beter sien als men door 2 ooghen beter siet dan door ééne.*)
    *)  Een binoculaire kijker werd al in 1608 aan Hans Lipperhey gevraagd door de Staten Generaal, en in 1613 gemaakt door Ottavio Pisani (Antwerpen), in 1617 door Galileï, en in 1625 door de brilenmaker Chorez (Parijs). Rheita [<] beschrijft een dubbele astronomische kijker.


Zeef

    Een cleet geweven van haer, gelyck daer men de teempsten oft siften van maeckt, sal misschien best syn om te polysten. Want het is hart ende ydel, sodat het wel schaven sal ende niet suyghen. Ende de groote glasen sullen aen so weynich plaetsen gerocht worden als men wil, te weten naerdat ment min of meer ydel of dicht maeckt.


Kegelsneden

    Met een drille*) soude men konnen sectiones conicas [<,>] slypen omdat de liggher altyt platter ende platter wort, het opperste altyt bolder ende bolder; want het neempt aen de canten meest af; ergo dat bol is wort bolder, dat hol is wort platter.
    *)  De eerder genoemde 'drayende as' [<,>]: een draaiend bekken [<,>].



Vervolg: ziekte van Gerrit van Berckel (fol. 436v-7r en 439v-0r, in de Appendix), verder gewone aantekeningen (t/m fol. 443r), zie p. 335 - 348. Dan het volgende (fol. 443v - 445r).


[ 376 ]     [eind april - 1 juni] 1634

Middelburg

Slypen.

    Johannes Sacharias [<,>] seght, dat syn vader*) den eersten verrekycker maeckte hier te lande ano 1604, naer eene van eenen Italiaen, daerop stont: ano 1590.°)

    Hy seght oock, dat de spiegelslypers op witte pye [>] polysten.

    Hy seght oock, dat myn beckens center korter is dan ick meyne te weten. Dan myn glas is, dat ick daer segghe in geslepen te hebben. Dit meynt hy, omdat hy niet en weet, dat ick sonder dop slype [<,>]; ende den dop (daer hy mede slypt) maeckt het glas bolder als vooren.

    Hy siende dat myn glas so goet was, ja, beter dan syne, seyde dat hy daerover verwondert was doordien dat myn glas soseer sifte (hy noemt siften alst opt becken niet fyn genoech geslepen is) ende alst opt becken meteenen gepolyst wort, dan en kant niet siften, seght hy.


    *)  B. had Joh. Sacharias eerder bezocht. Hij verliet Middelburg waarschijnlijk op 30 april [<].
Sacharias Jansen (ca. 1588 - 1632), zoon van een brillenmaker te Middelburg, verhuisde in 1626 naar Amsterdam, waar hij bankroet raakte in 1628.
    °)  In 1604 verbleven er Italianen in Middelburg, hetzij i.v.m. de glasbereiding, hetzij als soldaat van het leger in Vlaanderen. Documenten vermelden de verrekijker pas vanaf 1608, zie The Telescope (Galileo project) [en bij Chr. Huygens, Dioptrica, App. III (acte uit 1608)].


Fijn

    Als ick fyn sant hebben wil, so soude ick dat nat konnen doen in een doeckxken gelyck een popken ende so in schoon water siften, gelyck ment droghe doet, omdat het droghe, ongeweyckt synde, harder is [<,>].


    Het schynt dat het sacht rollen int slypen het sant niet genoech en breeckt om heel fyn te slypen. Daerom, als men het met een dop heel fyn gemaeckt heeft, mach men het glas, dat sonder dop [>] is, daermede sachtkens slypen om het center te beter te houden.


    Int slypen dout int eerste sacht, ende alst sant fyn is, dan styf, want alst grof is maeckt fyn douwen putten.

[ 377 ]

Negen uur lang

    Johannes Sacharias [<,>] schryft dat hy den 1en Mey syn beste glas, aen een syde op myn becken geslepen na myn vertreck, noch 9 ueren lanck gepolyst heeft ende dat hy meer dan de helft in deucht geavanceert is. Ick schreef hem dat hy 't my senden soude om tegen het myne te proeven oft oock inderdaet beter geworden was, doch heeft het desen 1en July [Junij] noch niet gedaen.


    Men sal int slypen opt laetste soveel fyn sant opt becken doen, dat eer het sant al te fyn wort, het glas syn behooren heeft, ergo hoe grooter glas hoe meer sant. Andersins wort sant so fyn, dat de putten niet uyt en gaen. Ende het polyst al ende de puttekens blyven er in.


Dop

    Met een dop, die opt glas past, daer los op douwende, en maeckt het glas van het center des beckens so niet te verschillen alsoft vast ware. Want hoe de hant gaet, het glas en kan hy met den dop niet oplichten.

    Ende om sekerder te gaen, men mochte het becken vast setten, also dat den hanghenden stock den juysten radius daervan sy [<]; ende dan so los schueren ende polysten of misschien het center niet heel juyst getroffen en ware. Ende int polysten moet het laken opt becken geleyt worden; dat maeckt het center oock wat te veranderen.


    Om den lossen dop [>] styf te doen houwen mach men hem met dobbel laken belegghen of met een kussentje dat meer toegeeft.


    Het siften maeckt datter weynich sant int becken opeen licht, ende maeckt min putten.


    Glas polysten en schyndt maer suyveren te syn, want het en neempt so licht niet af dat het op pye [<,>] of laken slyten soude.


    Als men op een becken polysten wilt, so mach men 4 glaeskens onder eenen dop placken. Dat maeckt effen schueringhe; ende hoe kleynder die glaeskens, hoe beter men polyst, alse slechts verre genoech vaneen staen ende even verre vaneen, het eene inde midden, als vooren [<]. Want als men met eenen vollen dop, die so groot is als van noode is, polysten wilt, so en is men niet machtich so styf ende neder te drucken als noodich is tot het polysten. Daerom met 4 glaskens is men wel langhe besich (want men raeckt de plate in soveel plaetsen seffens niet), maer het gaet beter.   [>]

[ 378 ]     [1 - 28 juni] 1634

Klein glas

    Als men met een cleyn glas op een groot becken slypt met veel sant seffens ende maer eens daer op te doen, so wort het sant van langherhandt fynder ende fynder ende daer is altyt stoffe genoech om de voorgaende putten uyt te slypen. Ter contrarien, als men altyt nieuwe ende fynder stoffe neempt, so kant ghebeuren dat het sant so fyn wort eer de vooren gemaeckte puttekens uyt syn, dat het met die stoffe soveel niet afschueren en kan dat de puttekens uyt gaen.

    Om met den eersten al het sant datter opgedaen wort, haestelick te breken, datter gheen grove graentjens onder in blyven, so sal men met een lichte handt lichtveerdich slypen dat het glas gemaeckelick oock over de groofste sandekens schuyven kan. Ende opdatser te beter onder souden geraken, sal men de canten op een bolder becken wat afslypen. Doch hoe naerder men het laetste des slypens kompt, hoe styver dat men douwen mach, want dan ist sandt gelyck ende kleyn genoech om geen scrabben in te kommen.

    Tis oock best dat het sandt gesift wordt, eerst door eenen wyderen buydel ende daerna door eenen fynderen; ende tgene in desen blyft, sal men gebruycken want dat is van gelycke grofte allom, ende so kan het glas beter daerover schuyven dan als er fyn ende grof by ende onder een is.


Ring

    Als men goet vindt styf te douwen, mach men wat swaers op een glas legghen of den dop van loot maecken ende alst fyn genoech is, mach men wederom los ende lichtveerdich slypen of misschien door ongelyck persen het center wat versedt ware, want daer den dop perst of meest perst, neempt het meest af. Jae, leght eenen rynck opt glas ende op den rynck een dop, sult sien dat het onder den rynck polysten sal eer op een ander plaetse des glas.


    Het sant dat aen den dop en 't glas int slypen kleeft moet telkens afgewasschen worden, anders valt het opt becken als men nieuwe vochticheyt op doet.


Zonder dop

    Om sonder dop te slypen [<,>] ende evenwel het glas te konnen oplichten, so plackt eenen hooghen rinck ronsom de kant op het glas, also dat ghy uwen vyngher int slypen op het bloote glas kont legghen; so en salt niet meer wagghelen dan offer niet aen en ware. Met desen rynck kan men polysten ende styf wryven ende douwen als van noode is.   [>]


Water

    Met water kan men de verwe kleynder ende fynder breken dan met oly, want de schilders maken se eerst subtyl met water ende daerna wryven se die met oly alleen om daermede te menghen, seght H. du Bois. So kan men dan best met schrael water slypen, ende niet met oly, als men het sant noch breken moet [<,>].
    *)  Hendrik du Bois (ca. 1587 - 1646), leerling van Hans de Wael te Antwerpen, vestigde zich kort na 1632 in Rotterdam. Beeckman noemt hem in 1634 bij persoonlijke gegevens (fol.237r). Zijn zus Maria Beeckman (weduwe van Abraham Jansz. du Bois) raadpleegde Hendrick du Bois in 1639.
[ 379 ]

Gaten

    Als het glas te groot is dat het niet wel voort en wil, so slypt op een becken vol gaeten; so en salt aen soveel plaetsen niet kleven. Kunt de gaten grooter ende dichter byeen maken na gelegentheyt. Doet oock so met de pye [<] daer ghy op polyst; sult wel soveel langher werck hebben eert gedaen is, maer daerenteghen kont ghy terechte kommen met dese middel, hoe groot het glas oock soude moghe wesen.



Golfjes

    21 Juny heb ick eerst gemerckt dat de baerkens [<,>] int glas kommen omdat het sant niet fyn genoech en is geworden int slypen eer de putkens uyt syn. Ende dat het glas, opt becken gepolyst, geen baerkens en heeft.


    Omdat men int polysten so styf douwen moet [<], sal men het wiel [<] besighen met tin overtrocken, so breet als tglas, geutachtich na de bolte des glas; so raeckt altyt eenen diameter. Keert het glas staech.


    Het glas moet aen eenen stock [<,>] hanghen ende de stock aen de solder aen een stalen latte, die wat toegeven kan om een weynich te moghen douwen. Ofte leght een dun koper liniael opt ysere becken ende polyst soals ick opt ysere becken [<,>] byna droogh polyste; dan en synder int glas geen baerkens. De kopere latte mach men oock vol gaten doen alst te swaer gaet.

    De plate daermen op polyst, oock de ysere, moet gladt ende effen syn; anders blyft het sant daerin sitten; ende als men styf douwt, so scrapt het.


Vier

    Men sal 4 glaskens (alsvoor desen [<,>]) seffens slypen opdat men het middelste int styf douwen soude konnen recht houden, sonder wagghelen; hoe verder vaneen, hoe beter.


    In stede van een groot becken mach men 4 plaetkens stellen ende verre vaneen, doch op malkanderen sphaeraliter responderende, ende also met armkens, elck glas op een bysonder becken seffens slypende. Doch om dese 4 plaeten in een sphere juyst te stellen, moet men se met eenen grooten steen of yet anders seffens schueren totdat se alle viere alom gerocht syn.


    Ick leyde eens clatergout, daer men looveren van maeckt, op myn ysere becken om daerop te polysten. Is so dun dattet sich na het becken wel voeghen kan.

[ 380 ]

Schoon bekken

    24en Juny heb ick myn ysere becken [<,>] met sant ende met pampier geschueren om alle stof, die scherp is, als amaril, daeruyt te vagen, om int polysten geen schrabben te hebben.


    Int eerste moet het sant nat genoech [<,>] syn opdat het glas allom licht overloopen konde ende 't sant breken [<,>].

    Men moet altyt so styf douwen dat ment hoort ruyschen [<,>]; anders en neempt het niet af.

    Het schynt dat de grove sandekens aen de kanten vant glas blyven kleven; daerom moet ment somtyts eens afwasschen allom ende schoon afdrooghen [>].


    Int laetste vant polysten moet men over het becken maer aessemen; anders schuyft het glas te schielick.


    Men seght: het blynckt van swarticheyt. Ergo nigredo est specularis, ut ante dixi [<,>]. Ende neempt int slypen het swartste glas, caeteris paribus.


    Soo men al te langhe lichtveerdich slypt, so blyft het sant int becken al te groot steken teghen dat men polyst; ende het maeckt scrabben.


    Arien de slyper*) sleep eerst droogh, so fyn als hy konde, altyt wat sant van de kanten afvaghende. Hy vaeghde het dickwils byeen ende sette het glas daerop om so het sant te breken. Alst fyn was, maeckte hy het nat ende sleep so voorts. Alst na syn sin was, polyste hyt op leder.


    *)  Van hem is alleen te zeggen dat hij niet een zoon was van Van Stralen, brilslijper te Dordrecht [<].


Steen

    Porphier, schailjesteen, serpentynsteen, keysteen, arduyn, marmer syn steenen, daer de schilders haer verwen op wryven. Moghelick dat die beter dan yser souden syn om op te slypen.


    28 Juny nam ick roode aerde ende wreef daermede myn ysere becken om op te polysten, omdat ick docht dat in sommich sant kleyne keykens syn, die int slypen niet ontstucken ende breken, ende also opt laetste schrabben maken.


    Men moet langhe genoech lichtveerdich slypen, anders begint men te douwen eert sant terdeghen gebroken is ende maeckt scrabben.

[ 381 ]
    Van Assche [<,>] seyde, dat hy Moriaen*) hadde sien nemen Spaens leder [<,>] omgekeert ende opt becken gespreyt ende op de verkeerde syde polysten.

    Het schynt dat het glas dan eerst polyst alst het bloote yser scrapende raeckt ende het glas en krycht daerom gheen schrabben, maer alleen van de grove stoffe.

    Van Assche seght dat Moriaen een geelkoper becken hadde van een geelgieter gegoten, daer hy op sleep.

    Van Assche meynt dat Moriaen de baerkens [<] opt Spaens leder met fyn sant uytpolyste.


    *)  Johannes Moriaen [<] schijnt degene geweest te zijn over wie Descartes schreef aan Constantijn Huygens:
Il y a quelque temps qu'un honnête homme de Nüremberg, nommé M. Morian, passant par ici, me dit qu'il avait souvent taillé sur le tour des verres sphériques qui s'étaient trouvés fort bons; mais il m'avoue aussi qu'il s'y servait de deux mouvements, appliquant tantôt une partie de son modele contre le milieu du verre, tantôt une autre; ce qui est bon pour les verres sphériques, à cause que toutes les parties d'un globe sont également courbées, mais, comme vous savez mieux que moi, ce n'est pas le même de l'hyperbole, dont les côté sont fort différents du milieu
(Correspondance of Descartes and Const. Huygens, ed. Roth, Oxford 1926, p. 10).
Morian woonde in 1641 in Amsterdam (evenals zijn vriend Serrurier), waar hij zich met Glauber op de chemie toelegde, en de wiskundige John Pell leerde kennen. Vanaf 1651 schreef hij brieven aan Hevelius. Volgens Colvius (brief [5414] aan Const. Huygens, 1655) maakte hij microscopen in Arnhem.


Zand wassen

    Met spuyghsel en kan men het sant so fyn niet slypen als met water [<,>], want het is wat lymachtich ende tay als oly. So is dan gedistileert regenwater noch beter, want de faeces syn tay, die der int disteleren uyt blyven, dewelcke anders op het becken blyven, het water uytdrooghende int slypen. Ende het goet wordt tay opt becken, ende het glas en kan so dicht aent yser niet gedout worden, dat het grof wech gestooten wort. So mach men dan het sant wel in warm water wasschen om al de vetticheyt [>] wech te nemen. Of nemen versch gebranden steen of ghepelde ende gesifte eyerschalen, of gestampt ende gesift glas.


    Een becken gelyck het scheel van een vierpanne, vol gaetjens [<], daer schuyft het glas lichter over.



Vervolg: p. 349 - 351. Dan het volgende (fol. 446v - 449r).


[1 juli - 12 aug.] 1634

Eindelijk succes

Slypen.

    Tandem, 1en July, heb ick een glas geslepen ende gepolyst sonder schrabben van bedie[de]ne, met sant gesift door een doeck, gewasschen met regewater ende met regenwater geslepen. Als ick polyste, heb ick styf gedouwt, eerst voelende al sachtkens offer niet onder glas en was, sonder teghen het yser te schrabben, gaende so wel recht als ront. Daer waeren kanten aent glas afgeslepen, gelyck de slypers gewoon syn te doen.
[ 382 ]
    De 3 uyterste glaskens aen de armkens, daer ick van geseydt hebbe [<], moghen bollekens syn. So sullense licht schuyven ende niet kleven.


    Als men styf douwt sonder 't yser te raken, dan polyst men sonder schrabben; maer alst int douwen ontschiet, so vlieght het subyt over de materie niet dicht genoech aent yser ende slideert over de sandekens, die der noch by avonture resten, ongebroken onder de materie schuylende [<,>]. Hiervan kommen de schrabben [<,>].


    Men soude de 3 uyterste glaskens over oly konnen doen loopen opdat se niet slyten en souden ende glat schuyven. Mochten oock ysere bollekens syn, of lapkens, of yet anders, dat licht teghen het yser schuyft.

    Men soude moghen een yser of hardt becken stellen in de midden van een groot tinne, loode etc., daer de 3 bollekens over schuyfden, ende het glas in de midden opt yser.

    Maeckt de 3 armkens tot stale veren, so sullense leegh buyghen aen wedersyden, dat het glas dun genoech sal syn aen weersyden so geslepen, int gadt blyvende steken als voor desen geseyt is.


    Ick achte dat de brilmakers beter slypen konnen dan de spygelslypers omdat se so kleyn syn. Daerom hebbe ick vooren [<] de 3 armkens [>] gepracktiseert om beyder deucht te bekommen, te weten het curieuse slypen ende het groot slypen, daerdoor het kanten ende wagghelen [<,>] verhindert synde, de form des beckens beter verkreghen wort op 't glas, ut dictum est saepe.


    My dunckt dat het afkretsen van het glas int waggelen de scrabben maeckt; daerom moet men de kanten fyn slypen datter niet af en kretse [>]. Daerom oock en scrabt het so niet met de armkens omdat den dop so niet en helt. Daerom wryft traeghlick; sult so het center oock beter houden. So doende heb ick den 6en July een glas sonder schrabben geslepen.


    Daer moet heel weynich stoff syn op het becken als men polyst; anders schulender sandekens.

    Int eerste doe veel water [>] daerop, opdat het allom glat over loope.

[ 383 ]
    't Glas moet allom het peck raken, anders en polyst het niet, daert los is, omdat het wyckt, een weynich buygende.

    Een bandeken alleen onder den dop brekende, maeckt veel schrabben.

    Als men den dop altyt effen plat houdt, dan en kander gheen sant onder.

    Slypt so langhe met een lichte hant als ghy kont, want de schrabben komen als men styf douwt ende datter grof onder is.

    Het slypen maeckt de puttekens ende schrabbekens even diep, alst wel gaet.


    Als men opt becken polyst recta linea [>], so polyst dien diameter best quae pars est motus hujus recti. Daerom moet men het deel, dat doncker blyft, daerna keeren; tensy dat men door het polysten bevint dat het becken puttich ende heuvelachtich is ende dat ment daerom so keeren moet.

    Meughelick is het yser hier harder ende daer sachter, ende also daer minst slydt, ende hier of daer minst roest.

    Dat het glas aenden rechten diameter best polyst, is omdat den dop, over ende weer hellende, gedouwt wort. So polysten de kanten voor ende achter meest.

    Uyt dit al blyckt dat de grootste glasen of met de armkens [<] de beste syn. Want men kan de kleyne setten ende douwen nadat se polysten van noode hebben, ende andere niet, maer gaen altyt recht deur.


    Het peck bryselt oock wel onwetende van den dop ende kretst onder het glas.


    Eer men styf polyst mach men met de vyngher de stoffe ex poris ferri met wat vochticheyts [>] wryven.


Amsterdam - 2

    Den 12en July t'Amsterdam sleep ick sonder schrabben totten Engelsmans by den Dam [<,>]*), alleen daerom (denck ick), omdat hy my 2 of 3 mael de canten vant becken wel dede afvaghen [<,>]. Opt laetste streeck ick met een schoeleer [<,>] meest al het sant af, ende het becken wert byna drooghe. Hy dede my al heel nat slypen tot opt laetste toe. Hy polyste daerna noch op een hardt becken met nat potey, dat hy met de vynghers uyt een potken met water nam; polyste traech ende styf; "traech" (seyde hy), "opdat het door de warmte niet en soude breken". Hy en mocht niet lyden, als ick polyste, dat myn handen vet waren, seggende dat het so wel op het leer niet en vattede.
[ 384 ]
    Als hy het sant met het leer afvaeght, ist noch so nat [<,>] dat het sprynckelt ende vaeght het rasschelick af, id est celeriter et frequenter recto motu. De canten vant becken afstryckende, kromde hy syn vyngher [<,>] wat na onder toe om het sant daer oock af te vaghen.
    *)  Later bezocht B. hem weer [>]. Ook Hortensius [<] bezocht een brilslijper in Amsterdam, hij schreef aan Schickard in Tübingen (10 jan. 1634): "Vitra duo pro telescopio spero me tibi transmissurum, qualia in Germania non facile reperies; jam nunc adfui artifici et jussi convexum preparare". Evenzo Constantijn Huygens, lente 1635, toen hij een hyperbolische lens voor Descartes wilde laten maken.


Utrecht

    Paulus Ruysch t'Utrecht*) slypt altyt dweers over het centrum [>] ende bevindt dat het glas also de forme vant becken beter houdt, twelck hy met een koper mal proeft, die na het becken so gesneen is.

    Hy slypt met ameril [<,>] heel langhe totdat de glasen daerin schynen. Hy wascht den ameril fyn, gelyck de lavuerwassers [<], doort kloppen in een houten baxken. "Want", seght hy, "daer blyven anders eenighe kleyne broxkens in den ameril, die so hart syn, dat se met slypen niet fyn genoech en breken" [<,>]. Hy slypt van den eersten af met water.


    *)  Paulus Ruysch (kaart omgeving Utrecht, 1633) werd landmeter nadat hij zich "eenige jaren geoeffent heeft zoo in de geometrie als astronomie, doende alsulcx daeraff zyne dagelicxe professie" (1635), was "schout van De Bilt" en wijnhandelaar. Zoon Hugo werd professor geometriae te Utrecht.



Hyperbool

    Om te maken dat het glas de hyperbole gelyckt [<,>], daerdoor al de radij in unum punctum exacte concurrunt, so maeckt d'een syde bol ende d'ander syde hol, doch so hol niet als d'ander bol is. Polyst dan de holle syde al drayende gelyck eenen top; so sullen de deelen naest de kant meest afnemen ende de radij, door de uyterste deelen gaende, verder concurreren gelyck de middelste. Ofte drayt een bol glas op een becken, dat een stuck van een conus is, met rechte linien naer het centrum toe. Ofte op een becken dat een hyperbole is, doch vlacker dan de bollicheyt des glas, dat men slypen wilt.


    In stede van de 3 armkens [<,>] mach men eenen rynck ronsom het uyterst van de armkens vant glas stellen [>].


    18en July sleep ick op myn ysere becken [<,>] een glas van 1 1/2 duym groot [<,>] recht gins ende weer [<,>]; ende alst sant heel fyn was, liet ick het drooghen ende polyste byna op het droogh yser sonder schrabben, sachtjens gins ende weer schuyvende. Het was in de midde laetst gepolyst. Het stof blies ick dickwils van het becken, dat door het polysten vergaderde. Ick polyste wel een uere [>] over.

[ 385 ]
    Men moet ondersoecken of het glas aen de kanten meest afneempt als men licht over het becken schuyft of dat het aent becken kleeft. Dat sal men sien aen het polysten, wanneer het midden eerst klaer wort of aen de kanten.


    Als het becken vochtich is, kommender lichter scrabben in het glas dan alst droogh is, want dan kleeft het glas so dicht aent becken dat het over het minste sandeken niet rollen en kan, maer schuyft ende wyckt. Daerom slypt op een vochtich becken lichtveerdich ende voorsichtich ende maeckt redelick nat [<,>]; so raeckt ghy de gront best.


    Als men met een schoeleer [<,>] het becken nat afvaeght, so blyft er het fyne sant alleen op, dat in poris sidt. Ende men mach dan vry polysten.


Pek

    Als men 't glas op den dop sedt, so en behoorter gheen locht tusschen het peck ende het glas geintercipieert te worden, anders schynt het glas gespickelt ende men kan so wel niet sien, wat voortganc men int slypen ende polysten ghedaen heeft.

    Om dit te doen sal men het glas opt becken warm maken ende men sal sien, dat het peck tegen het glas aen vloeyende, het glas swart doet schynen. Ende om eer ghedaen te hebben, drayt het glas eens omme; so sal het peck allom aenkleven ende de locht doen verdwynen ende onder het peck menghen, dat sy de swartheyt vant glas niet verhinderen en sal.



    De slypers nemen geweyckt sant [<]. Meughelick dat het hen so, met het water beter menghende, lichter gebroken wort, ende niet ongemeynckt ende gebroken en blyft.

    De broxkens van de potey en maken opt leer int polysten gheen scrabben, omdat se licht breken seght den Engelsman t'Amsterdam [<,>].

    Johannes Sacharias [<,>] seyde, dat de sandekens int polysten binnen int laken gaen sitten ende 't glas loopt daerover sonder schrabben.

    Als ment sant nat maeckt, dan merckt men eerst offer noch grof in is, int slypen aent kretsen.

[ 386 ]

Opschrijven

    Haec scribo ut intelligam ipse quam fuerim in agendo varius et quam ineptus ad imitandum quod in alijs vidi; forte quia semper muto, aliquid indagans quod inter agendum in mentem venit.

    [ Dit schrijf ik opdat ik zelf begrijp hoe wisselend ik geweest ben in het uitvoeren en hoe onhandig bij het imiteren van wat ik bij anderen zag; wellicht omdat ik steeds verander, iets naspeurend dat me onder het uitvoeren te binnen geschoten is.]


    Heft den dop int slypen dickwils op, so sedt ghy hem op het grove, ende breeckt de sandekens haestigher.


    Maeckt het becken so nat dat het sant teghen de gront van het becken gedouwt kan worden ende also fyn genoech geperst worden.

    Droogh opt ysere becken polysten, is beter dan nat, omdat het sonder stooten gaet ende also gelyckformigher. Ende isser wat ongelyckx int glas, het heuvelachtichste polyst eerst; ende dat afgenomen synde, de reste. Maer opt vochtich becken stoot het glas so hier, so daer, dat alle plaetsen gerocht worden, byna gelyck op leer of laken, al en syn de plaetsen net al te gelyck. [>]


    Als ghy het becken met het schoeleer [<,>] afvaecht, so vaecht u leer oock af, sodatter geen sant aen en kleeft, ofte stootet teghen een eynde des beckens. Of wasser ende slyngert het sant af.

    Men kan int polysten het becken bewryven met tripoly of roode aerde. Of wat natte potey aent glas met de vyngher strycken, of teghen het glas blasen, sodat het vochtich wort.


    Als de blaeskens int glas doort slypen doorbreken, dan kommender oock scrabben in door de sprinkelen, die onder het glas kommen, want sy syn oock glas ende hardt.

    Men moet heel nat slypen omdat het sant, dat aen het becken plackt, daeraf schueren mach.

    Alst becken droogh wort, so ist wat beroest, welck roest oock helpt polysten.

    Vaeght een plaetsken vant becken schoon af met een leerken, dan en blyfter geen sant onder; ende polyst daerover.


Slordig

    Tot desen 25en July en heb ick geen glas opt becken gepolyst dan by gevalle, ende en kant niet meer doen. Meughelick dat ick het glas al te dickwils afvaghe, ende datter daer altyt wat stof aen blyft hanghen. Gae daer al te slordich mede toe; aen de doecken hanght wat, aen myn handen, armen, etc., die ick hier of daer oplegghe als ickt glas wassche, niet wel afschuddende, de handen niet wel wassende, aen myn bestoven kleederen met de armen etc. rakende.
[ 387 ]
    25en July teghen avont sleep ick met gesift ende geweyckt sant lichtveerdich ende langhe, de kanten vant becken dickwils met een leer styf ende schoon afveegende, ten laetsten met het leer het gheheel becken afvagende wel schoon; ick sleep altyt ontrent het midden. Also polyste ick eerst droogh [<,>], heel sachtjens; daerna een weynich vochticheyt met myn vyngher telkens op het glas doende of daer op blasende, doch altyt sachtjens, niet styf douwende. Aldus langhe doende wast fray gepolyst sonder schrabben; ick was in als wel 2 ueren besich [>]. Het glas 1 1/2 duym in den diameter [<,>].

    Als ick rondtgaende sleep, so werden de kanten eerst gerocht. Ende als het sant fynder geworden was, quam het oock aen de midden; maer als ick polyste, so was de midden eerst claer. Welck beyde goet is, omdat het midden, het voornaemste synde, met het fyn sant so diepe putten niet en krycht ende int polysten langher gewreven wort, ergo schoonder. Ick sette den dop elcke ganghe int midden vant becken ende al slypende maeckte ick ronsom eenen rant, daer ick binnen bleef, ende die ick somtyts afvaeghde.

    Al vaeght men het becken heel schoon af, daer blyft noch stof in sitten, dat de schueringhe maeckt int polysten ende wort al polystende fynder ende fynder. Int eerste polyste ick met een lichte handt, int laetste wat harder.


Donkere kamer

    26en July heb ick een glas opt becken gepolyst, droogh, recta linea. Ende als ick in een doncker camer [<,>] daerdoor de huysen opt pampier liet kommen, sach ick dat de recht perpendiculare linien, ofte staken, pertinent schenen; maer tgene, dat transversim door die staken ginck, en sach ick niet; maer als ick het bovenste vant glasken ter syden stelde, so sach ick het beyde, maer veel donckerder dan te voren het perpendiculaer alleen. Ick achte dat de rechte strepen int polysten meest eene wech syn blyven staen. Ende als die recht overende stonden, dan sach men de perpendiculare staken perfect; maer hetgene dat transversim was, moest inghekrompen schynen ende also in het rechtstaende geoblitereert. Maer als de strepen horisontael laghen, so sach men de dweers stockxkens wel; maer omdat de rechtstaende groot syn, so sach men die oock een weynich. [>]


    Johannes Sacharias [<,>] seyde, dat het sant opt laetste veel fynder wort dan potey; ende dattet daerom so schoon polyst.

    Den Engelsman [<,>] dede my int slypen het sant op het becken houden, seggende: "daer moet stoffe syn omt schoon te slypen".


    Sirturus [<] dicit in majori manus ambitu vitrum circa margines magis teri. Id fit quia ob majorem motum, cum manus retrahitur, vitrum magis cum capulo inclinatur.

    [ Sirturus [<]*) zegt dat bij een grotere gang van de hand het glas rond de randen meer geslepen wordt. Dat komt omdat wegens de grotere beweging, als de hand teruggetrokken wordt, het glas meer met de dop gekanteld wordt.]   [>]


    [ *)  Voor Sirtori zie ook: 'Over het slijpen', III*-XIV*. ]
[ 388 ]

Vettig

    Ick achte dat men sich van vetticheyt [<] moet wachten, omdat het sandt daer so aen cleeft dat ment niet en kan afslyngheren, uyt het water kommende. Want het water en houdt aende vetticheyt niet, ende so blyft het sant daeraen. So moet men dan het glas wel schoon afwasschen ende wryven datter geen vetticheyt aen en blyft, noch aen de hande oock.

    Als ick 't glas aen den vuylen doeck vaghe, so blyckt int afwasschen dat het vet is, want het water en blyft er niet aenhanghen. Daerom moet men met veel sant slypen (so dede de man t'Amsterdam [<,>]) omdat de vetticheyt (denck ick) vant becken oock afschueren soude.

    Slypt dan eerst met een rouw ende groot glas ende het sant fyn synde met hetgene ghy geprepareert hebt, volgens t'voorseyde.


    Als men op de midden van den dop meest douwt, dan ist in de midden eerst gepolyst. So oock int slypen, ende men kan sich daerna reguleren.


    Ick sleep den 6en Augustus, sonder na het glas te kycken totdat het al gepolyst was, nat [<,>], ende en sach daer geen scrabben in; dencke omdat ick noch vetticheyt, noch stof etc. daeraen en streeck, gelyck mettet bekycken geschiet. Ick en vaeghde het becken oock niet af, noch aen de kanten, noch in de midden, maer sleep so nat datter genoech afdrupte. Ick begon met grof, schrael sant.


Roest

    Johannes Sacharias [<,>] seyde dat syn vader hem leerde knaps afslypen sonder onderentusschen daer af te gaen, waervan hy reden gaf omdatter door het een of ander ongeluck soms sant op raeckt. Maer ick achte dat het onderentusschen roestende, wat vetticheyt [>] bybrenght; want het roest is half vier, dewyl het gevylt yser, in de keerse geblasen, vlampt ende gewet wordende, vier geeft etc. Maer de materie van vier is vetticheyt gelyck men allom siet.

    Ick douwe t'Amsterdam so styf int slypen dat ick sweette ende de man [<,>] dede my somptyts rusten. Ick dencke omdat ick altyt byna het yser raken soude ende niet grofs onder het glas kryghen; oock om te eer gedaen te hebben. Int laetste, alst becken begon droogh te worden, en liet hy my niet rusten, maer was dan strax gedaen.

    Johannes Sacharias vaeghde syn glas al dickwils met een sponsie af om te sien, ende oock met syn hant om droogh te maken. Hy vaeghde met de sponsie oock de kanten van den dop aent glas, ende spoeldet heel in veel waters.




Beeckman | Journaal - 1634 Slijpen (top) | vervolg