Beeckman | < Journaal > | Woordenlijst

Slijpen , uurwerk , werktuigen , brilslijper , Vecht , van Eyck , suiker , kaarslicht , musket , proef


Isack Beeckman - 1633 b

C. de Waard, Journal tenu par Isaac Beeckman de 1604 à 1634

Tome III: 1627 - 1634 (1635)



[ 299 ]

Brandpunt ver weg

Slypen.

    13en Aug. 1633 hebbe ick een glasken van 1½ duym [>] om een syde bol geslepen dat het punt ontrent 2 lenghten van de myne achter tglasken vergaederde. Dit glasken hebbe ick op een nieuw gaen polysten op laken [<,>], dat op een hol becken gespreyt was, doch van de holte vant glasken. Ick polyste het met tripoli. Daerna bevondt ick het vergaerpunt wel een voet korter geworden was, waeruyt te sien is dat het polysten oock doet afnemen. Ten anderen dat het glas niet en hout de holte van het becken, daert op gepolyst wert, omdat den dop hooge is boven het becken ende daerdoor int gins ende weer wryven met de top ofte opperste gins ende weer helt. Ten derden so en was het vergaerpunt so klaer niet als te vooren, omdat dit wagghelen [>] van de handt so geen order houden en kan als int slypen opt becken gehouden is, alwaer men so stif niet en dout; ende het glas en staet op geenen dop, maer is los ende dierhalven en kant niet wagghelen. Dit moet men dan oock int polysten sien te practiseren.

    Het sal goet syn dat men heel groote glasen op het overtrocken becken polyst. So en sal het soseer niet canten ende wagghelen, omdat de handt, naer advenant de grootte veel dichter by het becken is; in somma men sal doen so na als men kan gelyck vooren van het slypen geseydt is [<].


Slijpmiddel

    Om eenparich ende so subtyl stof te krygen om te slypen, so neme ick gestooten amaril [<,>] of sandt, dat door droogh slypen nu al gebroken ende kleyn is, ende doe het in een doeckxken ende sluyte het so in een doose, dat den doeck door het schael vant doosken allom buyten aen den rant van het doosken gepranght wort.
[ 300 ]
Dan schudde ick so langhe totdat al het fine door den doeck op de grondt van het doosken gevallen is, ende ick en worde niet bestoven. Tgene op den doeck gebleven is, dat is het grofste, om mede te slypen als het glas int rouwe byna gefatsoeneerd is, ende hoe grover buydel of doeck dit is, hoe grover sandt. Tgene in de doose licht, doe ick in een fynder doeck ende sifte het op deselfde manniere in een ander doose of in deselfde. Tgene in den doeck blyft, dat is fynder dan dat in den groten buydel bleef. Ende so van fynder tot fyn, so dikwils als men wil den doeck veranderende; ende op het laetste, als men geen fynder doeck meer en heeft, so sal men het fynste in een tesken met water storten ende roeren dat om, ende gietent strax af. Datter in blyft, ist fynste, doch eenparich, want het stof is met het water afgegoten. En als ick het fyne drooghe hebbe, so doe ickt in een doeck ende sifte het op het becken omdat het te gelycker allom ligghen soude.


Bekken

Beckens gemackelick spherael te maken.

    Men behoeft niet so heel sorghvuldich te wesen om het becken so spherael te doen kloppen dat het quansuys niet een haer en scheelt, want al schuerende [>] ende al slypende wort het gansch spherael, naedien datter gheen ander figure en is, daer twee dynghen alleen op malcanderen passen, dan een globe, dat is de convexiteyt van een globe op haer concaviteyt, ende het een plat opt ander. De hyperbole, ellipsis, parabole, etc. en konnen allom op een niet passen, maer alleen in een seker gestel.
    [ > ]


Steeds fijner

    Als men in een gepolyst glas de superficie siet blicken gelyck seebaerkens [>], dats een teecken dat het glas met geen subtyl sandt genoech geslepen is, maer is tot opt laetste al te grof gebleven seght Monsr Moriaen*), 24en Aug. 1633.
    *)  Johannes Morian, predikant te Keulen, was collega van Justinus van Assche [<,>].


Middenstuk best

    De oorsake dat de stucken van spiegels niet alle even goet en syn om verrekyckers te maken, is omdat de spiegels niet exact of juist plat en syn, want door het keeren van de handt (gelyck vooren geseyt is [<]) wort het glas, op een plat yser geslepen synde, een weynich sphaerael, twelck in langhe verrekyckers merckelick schaedt. Daerom moet men tot de lanckste verrekyckers juyst het midden des spiegels nemen.
[ 301 ]
    Als men twee glasen tegheneen schuert, so wordense beyde exactissime plat ofte exactissime sphaerael, doch hoe grooter glasen, hoe min dat de onsekerheyt des handt schadelick is. Daerom, naedien het kostelick is sulck groote glase te koopen ende te slypen om maer een cleyn beetken uit de midden te besighen, so mach men stucken van slecht glas om een effen bordt placken ende tgene, dat men besighen wilt, recht in de midden. Ende so oock doen met het liggende glas. [<]


Kegel

    Naerdien dat ick door experientie bevinde dat het glas door het polysten soveel verandert wort dat het op 10 voet wel een voet naerder syn vergaerpunt vertoonde [<], ende dat de hyperbole de rechte figure is, daerdoor al de stralen net byeen konnen kommen, so mach men het houte becken [<,>] datmen met leer of laken [<,>] overtreckt, de forme van een conus geven, wiens punt sy het centrum ende den basis de circumferentie, den axis de diepte des beckens, daer u glas op geslepen is; ende dan dit overtrocken houte becken doen drayen ende u glas juyst int midden houwen door een stock, die op twee syden steeckt in twee ysere ooghen, die recht over het centrum kycken. So sal dan int polysten u gelas meest afnemen tusschen syn centrum ende syn circumferentie, ende verliesende syn sphaeraciteyt, de forme van den conus naderen. Doet dat solanghe totdat ghy siet dat u verrekycker niet meer dan een kleyne letter en presenteert door een redelick groot glas, want dat is een teecken dat u concavum glas heel naby het vergaerpunt staet.

    Kondt ghy so doende niet genoech winnen, so steeckt een rynck [>] onder het leder, so wyt dat se tusschen de circumferentie ende centrum van u glas kompt, ende maecktse grooter, kleynder, dunder, dicker, breeder, smalder, bolder, vlacker, etc., al proevende totdat ghy niet beter en kondt.

    Moet oock weten dat, hoe kleynder ghy u glas neempt dat verst van u oogh staet in de verrekycker, hoe nader dat het concavum aen het vergaerpunt kompt, ende siet alles grooter, maer soveel niet seffens. Ende ghelyck het wint in vergrootinghe, so verliest het in klaerheyt alst al te kleyn is, omdatter soveel stralen niet byeen en kommen dan alst wat grooter is.
    [>]


Perspectief

Perspectiven waerom sy met een half ooghe moeten gesien worden.

    Die een perspectyf geschildert siet met een halve ooghe, die meynt dat het leeft, omdatter so weynich stralen op dat kleyn deel van de pupilla vallen, dat men van de distantie weynich bescheets siet. Vooren hebbe ick reden gegeven waerom dat één ooghe de distantie sien kan [<].
[ 302 ]

Eeuwig uurwerk

Horologium perpetuum facere.

    Monsieur Moriaen [<,>], den goeden vriendt van myn swagher Justinus van Assche*), seyde my hier te Dordrecht, den 24 Aug. 1633, dat de schoonsoon van Drebbel°), den Hertoch van Nieuburgh tot Dusseldorp nu onlanckx gepresenteert heeft te maken een eeuwichduerende horologium, hetwelcke een weynich des snachs ende andersins uyt syn juyste order geloopen synde, wederom op syn plaetse gaet staen, so haest als de Sonne daerop schyndt. Hy seght, dat het int kleyn al gemaeckt is geweest ende van den Hertoch voorseyt gesien, dewelcke den voorschreven schoonsoon van Drebbel beloofde thienduysent ryckxdaelders te geven om voor hem een diergelycke int groot te maken, twelck geschiet soude hebben, hadden des vorsts ondersaten dat niet verhindert. Ende hem is duysent ryckxdaelders geschoncken tot vereeringhe, voor syn verledt, etc.

    Moriaen voorschreven seyde, dat hy anders niet en wist hoet gemaeckt was, dan datter quicksilver toe gebesicht wort. Doch ick geloove liever dat hy door het gebruyck van quicksilver de ondersoeckers heeft willen abuseren, ende dat het met allerhande gewichte wel teweghe gebracht kan worden, ende dat, na myn fantasie, op de volgende wyse:

    Ick gisse het fondament van syn inventie, ofte ten minste so ist van de myne, te wesen de schaduwe, die den styl, ofte wyser, van het horologie geeft, want die maeckt de plaetse, daerse op schyndt, koelder dan eenighe andere plaetse op het geheel vlack des sonnewysers, waerdoor dat de locht, die in een buysken recht onder de schaduwe besloten is, gecondenseert wort ende min plaetse beslaet dan de andere locht in eenighe van de andere uer-huyskens, welcke veranderinghe beweginghe maeckt, juyst op die plaetse. Dewelcke, bequamelick geappliceert synde van ymant, die in de voorschreven dinghen deses boeckx, ofte liever in de geheele mechanica, wel geoeffent is, kan sonder twyffel de ueren telckens rectificeren.


    *)  Justinus van Assche [<,>] was na een studie in Franeker (doctorsgraad in 1631) geneesheer in Amsterdam.
    °)  Johannes Sibertus Kuffler (1595 - 1677) [>], doctor in de geneeskunde (Padua 1618), was in 1627 in Engeland getrouwd met een dochter van Drebbel [<]. Hij woonde in den Haag toen hij octrooi verkreeg voor waterontzouting (SG 12/5/1633).
[ 303 ]
    Doch al kan nu elckeen, die soodanich is, syn eygen manniere daerop practiseren, so sal ick evenwel schryven, hoet my tegenwoordigh in den sin valt.

    Maeckt een ronde doose, hoe grooter, hoe beter, want dewyle hier niets anders de veranderinghe, ende dierhalven de beweginghe, en maeckt dan de schaduwe des styls (die niet al te dick syn en mach, omdat se dan so juyst ende net de ueren niet wysen en soude), so maeckt de lanckste schaduwe de meeste veranderinghe. Dese doose sal men in twaelf wel dichte huyskens afdeelen; ende is het werck groot, elck huysken noch in soveel deelen als men kan of wilt, hoe meer hoe beter, ende hoe langher ende hoe smalder, hoe perfecter. Elck huysken moet met glas ofte yet anders, daer de stralen der Sonne lichtelick door konnen, wel dicht van boven gesloten worden, sodat het oppervlack des sonnewysers allom glas sy. So oock het onderste vlack ende den randt ronsom al van glas. Men konde de huyskens alle van eenderley fatsoen, heel van glas, doen blasen, elck met een gat nae het centrum des horologiums toe streckende, daer men een buysken van glas etc. vast in maken konde, ende die leyden op een bequame plaetse om de resterende dynghen aen te maken.


    Tgene ick hier van de schaduwe segghen sal, kan oock geappliceert worden op het hoogh ende leeghwater, hetwelcke alle veerthien daghen op eenselvighe uere hooghe is ende gaet af ende neempt ordentelick toe. Hiervooren hebbe ick hiervan [<], als oock een weynich van door de koude ende hitte des lochts een uerwerck te maken [<], gesproken. Maer dit van de schaduwe is aldernets, omdat men perfecte sonnewysers kan maken, ende de hitte des daeghs, ende de vloet, heeft veel veranderinghe ende en kan maer tot een rouwe rectificatie in groote en langhdurighe wercken gebruyckt worden.


    Hetgene ick van de schaduwe geseydt hebbe kan oock geschieden door het licht der Sonne selve, als men de kanten van dese huyskens so veerde allom uyt laet steken, dat de Sonne maer in één huysken seffens schynen en kan, ende sal so wel de meeste kracht doen. Aen elck huysken moet een buyse dicht vast gemaeckt worden ende also gekrompt dat se rechtop staet, ende men moet daer water in gieten of quicksilver of pekel of sterckwater of yet dat vloeyt ende niet en bevriest. Dit water soude in elck syn huysken loopen, waert niet dicht datter de locht uyt konde. In elck buysken moet een blockxken van koper, silver, etc. aen touwe hanghen, die over den asch licht ende aen syn ander eynde oock een swaerte heeft. Dese touwen moeten aen wedersyden van den asch door een ooghe loopen, datse niet verder gins ende weer gaen en konnen dant van noode is.

[ 304 ]
    Alst dan middaechs 12 ueren is, so schynt de Sonne int huysken, dat net na den meridiaen streckt ende in geen ander. Ende in dat huysken de locht verdunnende ende sy sich uytbreydende, perst het water in syn buysken omhooghe, also dat het aen het bloxken kompt; twelck int water lichter wordende, so gaet het omhooghe ende het tegenwicht omleege ende den asch draeyt door de touwe, die der over licht totdat den knoop aen de ooghe kompt. Dan staet de wyser, die aen de asch vast is, effen op 12 ueren; ende al ryst het water noch meer, so en kan evenwel de touwe niet verder deur gaen.

    Den asch is met duymkens so gemaeckt datse maer na één oort drayen en kan ende niet weerom keeren, gelyck de schippers dynghen, daer sy het seyl mede opwinden, of de speken, daermen aen braet sonder wenden, ofte de windassen van de uerwercken.

    Als de Sonne niet en schyndt, so gaet het uerwerck om dat aen den asch vast is, ende het gewichte, dat het uerwerck doet gaen, wort altyt opgelicht als de Sonne schynt; want dan en behoevet niet te gaen, omdat dan de Sonne selve het werck doet.
    [ > ]


Wijde buizen

Steene buysen so wyt maecken als men wilt.

    Onse steene buysen en konden niet wel groot gemaeckt worden, want als mense van dry duym wyt ende meer maken wilde, so wierden de korsten ongelyck dick, dat is aen d'een syde dicker als aen d'ander, waerdoor sy die nalieten grooter te maken [<].

buis     Doch dewyle men die maer dry voet of so lanck hebben en wilt, so mach men den stock gd, die deur den back ab, daer de kley of poteerde in licht, loopt, vier voet langher maken tot aen h ende daer vast setten aen het vast yser fe, also dat se door een ysere ooghe schuyven kan. Als dan aen g met gewelt getrocken wort, so gaet den heelen mont lgmodn innewaerts in den back ende het kley wort so geperst dat het vooren ronsom d uytgaet; ende loopt over een bort, dat met lyn-waet bekleet is, twelck ronsom om dat bort door twee rollekens loopen kan. Ende den stock dh schuyft door den rynck ende blyft altyt horisontael ende en wyckt noch aen d'een, noch aen d'ander syde. Als dan de buyse van kley tot aen e gekommen is, snyt men se dicht aen den back af ende men opent de ooghe e ende men neempt ef wech totdat de buyse lanckx eh afgeschoven is.

[ 305 ]     24 aug. - [23] sept. 1633

[ Lat. v ]

Dijken

Dycken en geven niet meer gras etc. dan haer gront doen soude.

    De boeren hebben een opinie van de dycken datter meer gras op wast dan op hetselfde landt wassen soude waert dat den dyck wechgenomen wert. Maer dewyle dat het gras rechtop wast, also wel als de boomen, so heeft elck grasken in dese scheunse superficie meer plaetse dant hebben soude in een horisontale plaetse. Ende al ist dat men met de soon van de scheunsheyt van den dyck meer plaetse belegghen kan dander recht onder light, so moet men weten dat die soon so dicht met gras niet bewassen en syn. Maer indien den boer, dit gehoort hebbende, den dyck teghen soveel lants vermanghelde, hy soude misschien andere ongelyckheden vinden: als dat de dyckweye eer drooghe is, dat se de schapen beter dient, etc. Daerom ist beter niet particuliers te weten dan niet al te weten, dat is: beter niet wys dan half wys. Want die niet wys en syn, die volghen den gemeynen sleur, die door langhe experientie goet bevonden is.

    Doch aen perpendiculare mueren wast gras, ergo de scheunsheyt geeft wat, tegent voorseyde.


Dikste lucht

Aer apud nos crassior.

    Het is wel apparent dat de locht die naest de aerde is, soveel het persen ende geprangh aengaet, caeteris paribus de alderdickste is [<]. Ende daerom dryven de wolcken niet hoogher.
[ 306 ]

[ Lat. v ]

Warmte geneest

Calor medetur.

    Sweeten ende stoven geneest omdat door de warmte des lichaems al dat aen het vleesch etc. vast is, los wort. Los synde, wort het afgheschut omdat het prickelt ende de vellekens lastich is. Ende also heel dun synde, vlieght het met de hitte door de huydt wech.
[ Lat. v ]

Werktuigen

Mechanica instrumenta nequeunt esse multo meliora jam inventis.

    De practisyns meynen elcke ganghe datse inventien vinden daerse veel meer, te weten oock tweemael, drymael, etc., jae twintich mael meer — gelyck Willebrordus Snellius*) my seyde dat een tot Amsterdam [<] voor seker (ende Snellius geloofde dat) gevonden hadde — doen konnen dan men voor desen heeft konnen doen.

    Maer sy bedrieghen haerselven alle inde proportie tusschen den tyt ende gewelt. Want een schale wort so subtyl gemaeckt, dat in elcke balance een once gewicht ligghende, dat met een aesken overgaet, ende de groote schalen naer advenant. Nu alle instrumenten trecken haer reden van de schalen ende en syn anders niet dan schalen byeen geordineert om door toegevinghe van tyt, winninghe te doen in gewelt. Gelyck dan ymant, gevonden hebbende met een once op te lichten een once ende een aesken in een schale met gelycke armen, voorseker het perpetuum mobile mechanicum gevonden soude hebben, so souden de voorsz. practisynen, die met één peert soveel konnen doen als andere met dry, twee, ja anderhalf, oock het eeuwich roersel al gehadt hebben.

[ 307 ]
Maer indien sy het contrary selfs bekennen, ende de sake in de bloote schalen openbaer is dat het perpetuum mobile also onmogelick is, so volcht oock dat sy met haer instrument niet meer doen en konnen dan andere met haere ordinare. Ende meestendeel noch min, omdat in de oude door experientie meer verhinderinghen, daer men int inventeren niet op en denckt, al overlanghe weghgenomen syn, ende door gewoonte handich geworden.

    Hiervan hebbe ick vooren [<] noch eens geschreven, doch misschien dat ick hier wat stelle daerdoor het voorschreven mochte licht kryghen. Daerom schryve ick somtyts wel hetselfde, alst my wederom in den sin kompt, sonder dat ick het voorschreven lese.


    *)  Willebrord Snellius (1580 - 1626) [<] had in zijn beschrijving van de komeet van 1618 het volksgeloof een plaats gegeven (en het geocentrische wereldbeeld). Maar zijn Cyclometricus (Leiden 1621) en vooral Tiphys Batavus (Leiden 1624) zijn zeer waardevol. In 1625 had hij een briefwisseling met Gassendi over lengtebepaling.


Slijpen

Slypen.

    Als*) men met de handt slypt [<,>], so pranght het glas teghen het middelpunt des beckens styver dan teghen de andere plaetsen, omdat alle dynghen het centrum des aertrycks soecken. Daerom, om gelyck te doen prangen, so mach men een stock steecken int centrum der sphaeraeliteyt, twelck op een dobbel circkel als vooren draeyt [<], doch so, dat de stock op ende neder schuiven kan; ende het glas, aent onderste des stockx gedaen, so sal het glas door den stock geregeert worden allom gelyck te prangen. Ende omdat de stock los staet, so sal de rechte sphaeraciteyt, die door het schueren gins ende weer kompt, niet verhindert werden.   [<,>]

    Indien sus het middelste noch meest schynt geperst te worden, so meught u becken oock in een dobbel circkel hanghen, gelyck de schippers haer compassen int schip hanghen [<].


    *)  De volgende twee pagina's in het manuscript (fol. 422v, 423r) zijn mogelijk niet direct na de vorige beschreven. Maar het genoteerde schijnt de chronologische volgorde niet te onderbreken [zoals eerder: 261-4, 293-6, 299-301], daarom staat het hier en niet bij de volgende aparte 'Slypen'-notities [>].


Polijstbekken

    Men kan fyn gesift sandt of roode aerde, of tripoli, of potey etc., met wit van eyers, of lynsaet, oly, menghen, ende daervan een becken maken op hout [<], ten naesten by gelyck het becken, daert glas op geslepen is. So sal het glas, op dit gemaeckte becken geslepen wordende, strax syn gelyck het becken ende juyst sphaerael. Ende het glas sal worden fyn of grof, nadat het goet is, daer dit becken van bestaet. Int slypen mach mer wat waters op druppen.

    Men soude om de groote concaviteyt te schuwen, moghen de eene syde hol ende de andere bol slypen ende daerdoor de verrekycker vergrooten. Maer in de kleynder concaviteyt ende convexiteyten in deselfde grootte vant glas, syn de vergaerpunten so exact niet als in de grootere, omdat de refractie door een sectie van een sphere de stralen niet net byeen en brenght. Ende hoe kleynder deel, hoe beter; daerom hoe grooter de sphaere, hoe beter.

[ 308 ]
    Maer boven al duncke my dat een tinne becken [<,>] alderbest behoorde te syn om te polysten; te weten, als ment so kerven kan, dat het glas daer so seer niet aen en suyght dat ment met de handt sonder dop niet en kan beweghen. Dit becken dan hetselfde wesende, daert glas laest op geslepen is, ende de beweginghe int polysten deselvighe synde, diet int slypen geweest is, so en kan t'glas niet met allen van syn sphaeraciteyt verliesen. Ende oft daervan wat verlore, het neempt een ander aen, niet min perfect, dewyle het oock sonder dop, ende even groot gepolyst wort.

    Andersins mach men, als vooren geseydt is [<], een lap lakens over een goet becken trecken ende het glas onder aen den stock, die in syn center hanght, vast maken ende also met kracht polysten, den stock hoogher ende leegher schroevende, nadat het van noode is styf te pranghen etc. [<]


Brilslijper

    Den 23en September 1633 liet my den Engelschen brilslyper by den Dam tot Amsterdam*) een glas slypen op syn vlackste becken, synde half so vlack als het myne, dat is, het vergaerpunt van het syne en kompt maer half soverder dan hetgene in myn becken geslepen is. Hy sette het vast met peck ende boscoolasschen ende dede my van den eersten aen met vloersandt, nat gemaeckt [>], slypen, hetwelcke ick met een lepel uyt een testken schepte, niet so nat dat het vloeyde, maer slechts vochtich; hetwelcke ick so dickwils dede totdat het glas allom gerocht was. Doen en mocht ick geen nieuws sandt meer daerop doen.

    Dit was in ontrent een half uere gedaen, het glas ontrent 21/2 duym groot synde. So bleef ick dan een tyt lanck met hetselfde sant al slypen, ende alst te droogh wert, so maeckte ickt wat nat, met myn vyngers daerop sprinkelende. Daerna vaeghde hy de canten een vinger breedt met syn vyngers [>] af, ende ginck oock voort; daerna dede hy dat noch 2 of dry mael, ende daerna met een leerken van een schoe ronsom de kanten afwryvende. Ende ick ghinck al voort. Daernae vaeghde hy met het leerken ooc in de midden, totdat meest al het sandt af was ende ick ginck al voort. Ende hy dede my van eersten tot het laetste so styf douwen als ick kost of wilde, ende rasch, dan met d'een handt, dan met de andere ende dan wat keerende. Int laetste en mocht icker geen water meer opsprinckelen maer al wryven totdat het sant droogh wert; ende hoe het glas teghen het becken (van yser synde, want van stael, seght hy, en is so goet niet) stootte, so seyde hy al "ten is geen noot"; totdat het sandt byna heel drooghe was.


    *)  Misschien opvolger van Sacharias Janssen [<,>], die van 1626 tot 1628 aan de Amsterdamse Dam verblijf hield. Beeckman ging er nog enkele malen heen [>].
[ 309 ]
    Doe wast glas so klaer, dat icker my in spiegelde ende en hadde niet veel polystens van doen. Nochtans polyste ick wat op een styf smal leder [>] met weynich water van potey, daer ick myn twee vinghers in nat maeckte ende wreeff het op het leder. Hy dede my styf douwen ende heel traegh, segghende, so ick rasch over ende weer dede, dat het glas bederven soude. Dit alle was gedaen in wat meer dan in een half uere, sodat het in al dueren mocht, van eersten tot laesten, slypen ende polysten, 11/2 uere. Tglas was niet goet; de myne syn veel beter.


Doppen

    Ick meyne datmen wel op een ysere becken polysten kan, maer ten moeste so niet stooten. Dat sal geschieden indien men groote doppen neempt, het becken dickwils besicht, so wort het effen; ende met een stock teghen den dop, in het center in een drayende yser, vast als voor desen [<].


    Omdat de groote glasen int slypen ende polysten so swaer gaen sullen, so mach men den dop van ysere latten maken ende int midden een ronde, daert glas in gesedt worde; ende het becken met oly of ander vet bestreken ende in het becken een groeve gemaeckt, die breet ende diep is, ronsom het midden, so verre als het glas raeckt.

    Dat het midden met sandt, tripoly etc., bestreken mach worden ende de reste met oly, dat d'een ende d'ander niet en raect, dit wort gedaen omdat de sphaeraciteyt door de grootte te sekerder syn soude. Doch men heeft maer het midden van doen; al gaet het daer hardt, de reste met oly bestreken synde, en sult niet veel beswaren.

    Of liever beleght een grooten houten leeghen dop hier ende daer met glaeskens, al waert maer viere, doch so groot datse aen de kanten int slypen scherp worden. So sullense alle goet syn ende seffens afschueren, twelck het yser so niet en doet [<,>].


    Het styf douwen maeckt het stof fyn, maer alst noch rolt, so maect het noch puttekens. Daerom en moet men oock niet veel nats besighen, want dat doet rasch voortgaen ende daerdoor rollen, ende so niet seer fyn breken. Het styf douwen ende schuyven met traeghheyt doet het contrary.
    [ > ]


Eksterogen

Exterooghen ende wratten te genesen.

    De exterooghen ende wratten souden apparentelick vergaen, waert dat men die so na afsnede alst moghelick is, al waert oock al wat diepe int goet vel of vleesch, ende dat men over de vyngher ofte teen een houte vyngherhoet stolpte, ende deselve met goede plaester (gypsum dicunt) volde, ende daer so langhe op liet, sonder roeren, als de exterooghe of wratte gewoon is te groyen. Want waer sal de materie, daer se van kommen moet, uytbersten alst allom effen ende glat, vol ende besloten is? Doch dit repulsorium en kan hiertoe niet dienen, tensy dat het so langhe stil ligghe.   [<,>]
[ 310 ]

Neus

Nasi sui situm explorare.

    Die wil weten de gelegentheyt et situm nasi sui et oculorum, metiatur angulum parallaxeos quam facit nasus, clauso vicissim altero oculo. In meo ita se habet, crasso modo exempli tantum loco expensum: Ab summitate nasi mei usque ad locum quem tegebat, cum oculus dexter clauderetur, erant partes 16; ad alterum locum a sinistris 20. Duo haec loca inter se distabant 15 partibus; quae linea in hoc triangulo parallaxeos opponitur.

    [ Wie wil weten de ligging en plaats van zijn neus en ogen, moet meten de parallaxhoek die de neus maakt, met beurtelings het andere oog gesloten. Bij mij is dit als volgt, ruw geschat alleen bij wijze van voorbeeld: Vanaf de top van mijn neus tot aan de plaats die hij bedekte, toen het rechteroog gesloten werd, waren er 16 delen; naar de andere plaats vanaf het linker 20. Deze twee plaatsen waren onderling 15 delen van elkaar; welke lijn in deze driehoek tegenover de parallaxhoek staat*).]


    [ *)  Beeckmans neusparallaxhoek is 48°. De mijne ook: 48 ± 2° (AD).]


Onderstellen

Corpus et motum supponenda in physicis.

    Supponendum videtur in physicis esse corpus et motum. Quis enim comprehenderit quid sit illud quod resistentiam causatur, et unde primus motus?

    [ In de fysica schijnt ondersteld te moeten worden: lichaam en beweging. Wie zou immers begrijpen wat datgene is wat weerstand veroorzaakt, en vanwaar de eerste beweging komt?]


Adelaar

Aquilae cur alta petent.

    Aquilae melius, seu facilius, in alto, id est in aeris media regione, volitant, quia ibi aer est crassior, idque ob corporis gravitatem, natura duce, facere videntur.   [<,>]

    [ Adelaars vliegen beter, of gemakkelijker, in de hoogte, dat is in het middengebied van de lucht, omdat daar de lucht dikker is, en dat schijnen ze te doen wegens de zwaarte van het lichaam — de natuur brengt ze ertoe.]   [<]


Vecht

Fluminum aquas quam altae sint varijs locis examinare.

    Het water in de Vicht by Utrecht, daert met een sluys opgehouden wort, was in September 1633 ontrent 11/2 voet hoogher dan het water daerdoor men van Amsterdam na Utrecht vaert ende dienvolgende oock de Eemster in Amsterdam, want vandaer tot de Vicht en syn geen sluysen. Ende het landt, daer de Vicht doorloopt na Utrecht is by gissinghe so hooghe boven water als de Eemster boven haer lant, waeruyt volcht dat het lant daer niet veel en ryst. Ende op die manniere soude men door stille wateren de hooghte van het water des Ryns konnen peylen om te sien hoeveel het alle 1000 roeden hoogher is.


Klok

Campana semel pulsa quam varios edat sonos.

    Joncker van Eyck, clockspeelder binnen Utrecht, blindt synde ende seer vermaert in die materie*), seyde my den 24 Sept. 1633, dat de clocken altyt 2 octaven onder den slach luyden, sodat de slach de hooghste is, waervan de middelste dickwils valsch is, ende is een geluck als dit bygeluydt goet is; waervan nochtans hy seght de rechte konste gevonden te hebben, om de clocken goet te gieten, synde so het schyndt, geleghen in de juyste forme.

    Seght oock dat hy elck vande octaven voorseyt bysonder kan doen hooren sonder aen de klocke te raken ofte yet sienlickx daeraen te stooten. Seght oock datter altyt onder de slach een tertie minor gehoort wort [>], hetwelcke schynt een duodecime boven den slach te syn. Seght oock dat de reden van dese resonantien geen mensche bekent en konnen syn, ende dat Godt dat alleen weet.


    *)  Jhr. Jacob van Eyck (ca. 1590 - 1657) werd beroemd om der Fluyten Lusthof (Amsterdam ca. 1646). Hij woonde vanaf 1624 in Utrecht en werd er begraven.
[ 311 ]

Schokbreker

Curru vectus qui possit legere.

    Een sack wolle onder de waghen op de assen geleydt, ofte oock boven op de waghen ende daerop geseten, sal maken dat men het schocken soseer niet voelen en sal. Ende men sal al rydende konnen lesen, acht ick, omdat door de wolle, elcke reyse toegevende, den schock tot boven toe niet en geraeckt; maer een styf houdt, so haest alst aen een eynde gestooten wort, so gaet het ander eynde oock effen soveel voorwaerts.

[ Lat. ]

Klokken

Campanarum soni.

    Den voorsz. Joncker van Eyck [<] seght, dat de klocken gaen niet ut mi sol, maer re fa la, waervan ick het contrary onlanckx in eenen brief aen D. Mersenno geschreven, meyne bewesen te hebben*).
    *)  Brief 30 mei 1633, in IV.
[ Lat. ]

[ 312 ]

Dun onderbeen

Crus macilentum curare.

    Melchior de Jonghe heeft eenighe jaren een dicke seere voet gehadt. Als men die genesen soude, so moest men syn been binden boven de knie, also dat de aderen toeginghen, maer niet de arterien, opdat het been veel voedsel soude moghen kryghen, want het is so dunne gelyck een stock. Ende de meester te Vianen [<,>] seght, datter anders niet dan voetsel van noode en is. Ende dat de voet dick ende onbeweghelick blyft, is omdat de juncktueren vol cartilagines gewassen syn, dewelcke niet vermurwen en sullen sine sanguinis arterialis affluxu. Haec secundum Harvei sententiam [<].


Oren

Ulcera aurium curare.

    Den damp van soete melck geneest sweeren der ooren, soo men seght.
[ Lat. ]

Dikke buik

    De ontfangher Mr Jacob de Wit's huysvrouwe [<] heeft eenen dicken buyck gelreghen, hetwelcke D. Beverwyck*) oordeelde te wesen tympanitidem [<]; D. Valentius°), haer oom, seyde dat het windt was in de dermen.
[ 313 ]
Maeror causa tympanitidis.

    Men giste dat het soude moghen gekommen syn van inwendighe droefheyt over haer soontje dat eenighen tyt daervooren, sonder langhe sieck te syn, gestorven was. My docht dat de oorsake droefheyt konde syn, quia tum inspiratio major est quam expiratio. [...]
    *)  Johan van Beverwyck [<,>] (1594 - 1647) studeerde geneeskunde te Leiden, Caen, Parijs, Montpellier, Padua en Bologna. Werd stadsgeneesheer in Dordrecht, lid van de magistraat, en curator van de Latijnse school. Publicaties: populair-geneeskundig, literair en geschiedkundig. [Van hem bezit het Mauritshuis een portret, door Jan Olis, c. 1640.]
    °)  Jacobus Valentius, Vallensis of van Dalen (1570 - 1644) studeerde in Leiden, en werd eerste geneesheer van de prinsen Maurits en Frederik Hendrik.
[ Lat. (vervolg) ]

[ 314 ]     [28] sept. - 14 okt. 1633
Juffr. de Wits morbi historia.

    28en Aug. 1633 woegh juffrouw de Witt 134 lb; 6 weken daerna met deselfde kleeren woeghse 153 lb, beyde tyden nuchteren. Doen sy 134 lb woegh, was haer buyck al dick ende is veel magerder dan doen sy was vóór haer sieckte, van welcke sieckte sy rechts voor desen 28en Aug. genesen was, als vooren geseydt is, sodat haer moeder gist, dat se nu wel 15 lb magerder is dan alsse heel wel was, over een half jaer of so; maer syselve gist het maer op 10 lb.
[ Lat. (vervolg) ]

[ 317 ]     14 okt. - [11] nov. 1633

Suikerklomp

Sacharum in vino cur etiam id quod supra vinum extat, madeat.

    Tot pensionaris Cats [<] aen tafel wert my gevraeght van mynheer Beverwyck [<] waerom dat een klompe suycker, in eenen roomer wyn gedaen, also dat se een vynger breet, 2 of 3, boven den wyn uytsteeckt, evenwel tot boven toe nadt wert.

    Ick antwoorde dat de wyn door syn swaerte in de suycker treckt so verde alse onder de suycker is. De wyn, daerin synde ende oock plaetse moetende hebben, stoot de suycker daer vaneen ende maeckt dat se klieft. Dewyle dan hetgene boven de wyn is, continuum ende aeneen is met het onderste, so splydtse boven de wyn oock ende maeckt daer ledighe plaetsen van onder opwaerts, gelyck men int houdt klieven siet gebeuren dat het splyten begint ende grootst is daer de spie begint. Daerom en wort de locht van boven daer niet ingeperst, want het en is boven noch niet open, maer den wyn van onder door de spleten. Aliter de spongia supra aquam madida locutus sum, quod vide [over de spons die boven water nat wordt: <].

[ Lat. ]

[ 320 ]

Winden

Venti cis et ultra aequinoctialem ratio.

    Cosyn Abraham Verneyen met noch een stierman hebben my geseydt in Oct. dat 35 graden aen weersyden den aequinoctiael de wint altyt West is, ende is so tot 40, 45 etc. graden toe; ontrent de 50 gr. wort de wint variabel. Vide an id motui diurno et annuo Galilei [<] respondeat.
[ 321 ]
Venti terrestres frigidi.

    Sy segghen oock dat dese Westenwint, alse van het landt kompt, also wel koudt is als hier den Oostenwint. Quod antehac [<] retuli in vapores omni sale carentes.
[ Wat ik hiervoor [<] in verband gebracht heb met dampen die alle zout missen.]

    Segghen oock, dat te Jaccatra ende geheel Oost-Indien deur, de wint somers altyt Oost is ende swinters West. Ende het getye eens in 24 ueren, doch ongelyck, also dat ment niet rekenen en kan.


Kaarslicht op afstand

Candelae lumen quale e longinquo visum.

    Ick gaf Monsr Spoor*), landtmeter in Beyerlant, last om te sien hoe verre hy snachs een brandende keerse konde sien [<]. Hy stelde een van vyven int pont aen den dyck dat de wint die niet en konde verwayen ende ghinck 800 Rynlansche roeden achterwaerts, ende sachse instar stellae primae magnitudinis met noch een groote circkel ronsom de vlamme.
[ ... als een ster van de eerste grootte ... ]

Candelae lumen in mari quam longe videatur.

    Ab. Verneyen [<,>] voorseyd seyde dat men opt water het licht dat op de campagne staet, te weten 8 vademen bovent water, in eenen hoornen doch besmockelden lanteern staende, synde een wasse keerse van sessen int pont, qualick een kleyn mylken verde sien kan; doch hoe hoogher de keerse staet, hoe verder men die siet. Maer alst regenachtigh weer is, siet men de keerse qualick 1/4 van een myle verde.

    Hinc videre est quantum vapores circa Terram de luminis ejaculatione demant, et quanto plus possit ignis per purum aerem, multo magis per vacuum in quo ejus nihil omnino resiliendo perit. — Verte 2 [>].

    [ Hieraan is te zien hoeveel de dampen rondom de Aarde van de lichtuitzending wegnemen, en hoeveel meer het vuur vermag door zuivere lucht, veel meer nog door luchtledig waarin in het geheel niets ervan door terugkaatsing verloren gaat.]


    *)  Jacob Spoors was ook notaris in Dordrecht, Beyerland, en Delft, en onderwees de jonge Anthony Leeuwenhoek (1632 - 1723) in het gebruik van het kwadrant. Hij overleed in 1677.



    Verte 4 [<].     [ Tussen de lijnen: 2 blz voor ziektegeschiedenis (een halve beschreven).]
[ Lat. ]

[ 322 ]

Zoon de Witt

Pueri cujusdam suctio vehemens.

    Juffr. de Witt is na de laetste weginge noch eens gewoghen, ende woegh 2 lb lichter. Sy voer den 7en Dec. 1633 heel wel*).

    Haer soon Jan°), nu synde ontrent 9 jaer out, als hy jonck was, soogh so styf, dat se uyt haer voorhooft voelde gelyck yet nederwaerts gaen na haer borsten toe. Hy heeft haer borsten gelyck heel wech gesoghen, dat se nu schier geenen heeft. Dit nederwaerts trecken etc. geschiede alser in haer borsten geen soch en was ende dat de jonghen evenwel al bleef suyghen.


    *)  Anna van den Corput overleed op 23 jan. 1643 te Dordrecht.
    °)  Johan de Witt (1625 - 1672) werd misschien nog leerling van Beeckman, zoals broer Cornelis (1623 - 1672). Hij werd bekend als wiskundige en als raadpensionaris.




Tuberculose

Phtisin fumo vini adusti curare.

    Verte 2. [<] — Den roock van voorloop van brandewyn, door den neuse in de longhen getrocken, soude oock misschien ulcus pulmonum genesen, gelyck vooren [<] geseyt is dat den voorloop selve een sweerende vyngher geneest. [...]
[ Lat. (vervolg) ]

[ 323 ]

Planeten

Planetae cur sic a Sole distent.

    Balthasar van Gorcum [<,>] meynt dat de locht ontrent de Sonne anders is dan verder daer af, ende de locht binnen in Mercurius anders dan in Venere, etc., ende dat daerom deen planete naerder de Sonne is ende dander verder daervan.

    Ego vero, positis hisce, sufficere inquam planetarum magnitudinem diversam. Aliter enim se habet proportio magni corporis ad superficiem quam parvi; magnum igitur corpus minus habens superficiei, necessario levius est, etc. [<,>]

    [ Maar ik zeg bij dit gestelde, dat een verschillende grootte van de planeten voldoende is. Want er is een andere verhouding van een groot lichaam tot het oppervlak, dan van een klein; omdat het grote namelijk een (relatief) kleiner oppervlak heeft, is het noodzakelijkerwijze lichter (te duwen), enz.]   [>]


Storm

Ventus locum clausum penetrans eum diruit.

    Alst sterck waeydt, so sedt cosyn Verbeeck de veynsters open, die aen dander syde van de wint syn. Anders, seght hy, so wort de solder so vol wints dat de pannen afvlieghen, want ten is noyt so dicht of een stercke wint drynght wel door eenighe gerret van de muer of van de pannen; ende alst langhe duert ende dat de wint nergens uyt en kan, so wort de solder so dicht vol wint datse een volgende buye, niet konnende wycken, door de pannen gedronghen wort; maer als den veynster open staet, so vlieght de wint daerdoor so haest uyt alse door de tegenoverstaende gerre ingekommen is, ende de buye dringht de locht te veynsteren uyt. Hy staet wel snachs op om dat te verhoeden.


Salade

Harincksalade doet sweeten.

    Als hy salade eedt, so sweet hy altyt, ende noch meer als hy harincksaladt eedt. Videtur haec tenuis materia statim in cor trahi atque inde, per arterias, momento fere, in habitum corporis expulsa, poros ibidem aperire. Haec probant Harvei circulationem.
[ Deze fijne materie schijnt terstond het hart in getrokken te worden en vandaar door de slagaderen, bijna meteen, naar de buitenkant van het lichaam gedreven, de poriën daar te openen. Dit ondersteunt de bloedsomloop van Harvey.]
[ Lat. ]

[ 324 ]

Zandloper

Sant tot santloopers.

    Cosyn Verneyen [<] seght, dat eyerschalen gedrooght, de vellekens van binnen uytgedaen, ende tot fyn sandt gestooten ende gesift, het beste ende sekerste sandt is tot perfecte sandtloopers.
[ Lat. ]

[ 325 ]     [11] nov. - [29] dec. 1633

Musket zonder kruit

Sclopetum facere per lamellas internas absque pulvere pyrio.

    Men soude konnen een musquet maken van binnen vol ronde yserkens, also met veren aeneen geheght, dat men se vanachter met gewelt dicht byeen trecken kan met een schroeve, etc. De koghel dan daer opgestelt ende de schroeve loslatende, so sullen die veren, haer weer ontlatende, de kogel subytelick voortjaghen, so langhe hem persende totdat hy uyt den loop is, twelck een oorsake schynt te syn dat het buscruit so grooten kracht doet. Dus konde men sonder vier het buscruyt nabotsen ende misschien dat te boven gaen, dewylen men de veren oneyndelick styver maken kan ende de schroven oneyndighe kracht geven.
[ Lat. ]

Kaars

Candela in vase semipleno extinguitur.

    Een keerse in een tonne biers, die half uytgedroncken is, door het bomgadt gesteken, gaet dadelick uyt.
[ Lat. ]

[ 329 ]

Niersteen

Calculus vesicae cur interdum levior.

    De steen in de blase licht swaerder als de blase ledich is, want alse vol is so wort se van het water gelicht gelyck een steen uit water van een tobbe so swaer niet en is om op te heffen als in de locht.


Reanimatie

Submersos curare matris meae exemplo.

    Men behoort aen honden te leeren hoe men een verdroncken mensche het water bequaemst door den neuse uyt de longher suyghen sal konnen. Want op die manniere heeft myn moeder*), soveel als elckeen konde mercken, myn suster Mary°) van den doot opgeweckt, doordien elckeen seyde datse al doot was, ende verroerde in langhe gheen lidt van haer lichaam. Maer als het water uit de longher was, ende dat moeder haer per anum geblasen hadde, begon men te sien dat sy wat verroerde; ende so ginck moeder haer met warme doecken (die elcke <keere> staegh vernieuwende) so coesteren dat se s'anderdaeghs alweer op strate liep spelen.
    *)  Suzanna Pieters van Rhee (1568 - 1629), toen te Middelburg.
    °)  Maria Beeckman (geb. 1602). Trouwde op 4 juli 1623 met Abraham Jansz du Bois, en na diens overlijden (30 okt. 1633, ziekteverloop in Appendix) schijnt ze een school gehad te hebben te Rotterdam, waar ze in 1647 nog woonde.


Hondenneus

Nasi praesertim canum cur frigeant.

    Hondtsneusen syn altyt kout omdatse rechtuyt steken; ende de locht, die daer altyt inkompt, en passeert voorby gheen warme plaetse, gelyck in de menschen voorby de mont. Evenwel en wort de locht daerdoor so warm niet of de baerden van de mans die bevriesen alst cout is, doordien dat de adem, uyt de neuse kommende, veel vochtigheyts by hem heeft; ende door den baert van de opperlippe passerende, blyft veel vochticheyt daeraen hanghen.

    Oock syn de neusen van de menschen kouder dan andere plaetsen van het aensicht om de geduerige vernieuwinghe van de koude locht, die daerin vliecht.

[ Lat. ]

[ 330 ]

Adembuis

Respiratione morbos curare.

    Alst oorbaer geacht wort den asem deur den neuse in te doen gaen ende deur den mont wederom uyt, ofte ter contrarien, so sal men in den neuse oft daerom een buyse maken ende daerin een clappe stellen. Also kan men in de neuse eenighe medicinale geur trecken, also dat se door tgene <dat> wederom uyt het lichaem komt, niet geinfecteert en worde. Men kan oock in een pype 2 clappen stellen.

    Dit hadde ick so in myn tafelboeckxken gestelt, doch hebbe vergeten waertoe ick dat besighen wilde.


Lang haar

Crines pectini aptos reddere.

    De gildekens*), die lanck haer draghen willen ende fray ende bequaem maken om te kammen, die stroyen daerop savons, alse te bedde gaen, drooghe semelen (dat is gruys, dat in de sifte blyft als de blomme daeruyt gesift wordt) ende binden het haer met eenen doeck toe opdat de semelen daer beter op blyven souden, ende opdatter te meer opgaen soude ende dicht aent hooft aen de gront van het haer geraken. So kammen sy het haer averecht opwaerts. Dit neempt al de vetticheyt des haers wech.
    [ *)  Volgens K. ter Laan was 'gildekens' "in de M.E. en de 16e eeuw de naam voor lichte meisjes en zwierbollen, die naar 'Bijsterveldt' gaan".]


Tellen

Numerandi phantasia.

    D. Biese*) gevraeght synde van my wat hem docht als hy telde, seyde my dat hem denckt dat hy het getal gelyck een touken uyttreckt. Confer hoc cum ijs quae mihi et alijs videntur antehac commemoratis [<].
    *)  Antonius Biesius wordt genoemd bij persoonlijke gegevens (met vrouw en dochter bij B. logerend, 1 en 13 nov. 1633). Wellicht zoon van de rector van de school in Veere die B. had bezocht [<]; had in Leiden rechten gestudeerd (?).
[ 331 ]

Scheepslading

Navis aqua onusta cur minus naufraga.

    Een schip met styf goet geladen, sal lichter borsten van baren etc. dan dat met water geladen is, omdat tusschen de styve goederen den bodem van binnen op verscheyden plaetse los is sonder datter yet op rust. Dan het water van buyten doet daer sulcken kracht op alst hoogher staet dan die plaetse des bodems ende oock na dat die plaetse, die ledich staet, breet is. Daerom, als het schip diep geladen is met styve goederen, so machmen daer water tusschen in gieten ofte sandt in stroyen, etc.; dan salt tegheneen persende, veel min inbuyghen konnen, hoet oock gaet.


Vuur uit ogen

Oculi cujusdam ignei.

    D. Biesij [<] ooghen schynen smorgens soveel viers uyt te geven dat hy daerdoor eenighe dynghen daeromtrent te beter sien kan. Syn cornea is drooghe.


Leven

Vita longa.

    Warme voeten, drooghe hooft ende eten gelyck een beeste, seggen sommighe, doet langhe leven.


Kind

Vomitus infantibus cur facilis.

    Infantes*) facile vomunt quia ventriculus eorum magnam habet superficiem respectu cavitatis; facile igitur id quod in eo est, ab illo vincitur.

    [ Zuigelingen geven gemakkelijk over omdat hun maag een grote oppervlakte heeft ten opzichte van de inhoud; gemakkelijk dus wordt dat wat er in is, daardoor overwonnen. ]


    *)  28 okt. 1633 was Suzanne geboren, het zevende kind (van wie alleen de twee dochters nog in leven). Ze stierf in 1638.   [<,>].


Water wordt niet lucht

Aquam non fieri aerem experimento probatur. [<]

kolf omgekeerd in water     Den 29en Dec. 1633 hebbe ick genomen eenen urinael vol pompwater ende dat ommegekeert in een potteken met water, also dat den urinael vol waters bleef sonder eenighe locht; want ick stack den urinael, vol synde, geheel onder water in een tobbe, ende keerde se also onder twater omme, ende stack dan het potjen daeronder. Ende sette dit so op het vier ende liet het so heet worden dat het water in den urinael so ledich wert dat het maer in den hals en stondt; doch ick en konde niet sien of int waters plaetse locht of damp gekommen was, want daer en scheen niet met alls in te syn.

    Daerna liet ick het, so staende, kout worden, ende sach sanderdaechs, dat den urinael wederom vol waters was, op een weynich na; welck weynighe sonder twyffel locht was: andersins soudet door de koude oock water geworden hebben, hadde het maer damp geweest.

[ 332 ]
    Doch also ick dacht: de locht mach door de poros des glas int koel worden daerin getrocken syn, so stelde ick den urinael oock so vol synde, in eenen heel ketel vol waters, (den urinael geheel onder water blyvende) ende bondt onderaen de mont eenen yseren treeft (opdat se onder blyven soude alse ledich wiert) ende liet dit alles so langhe over het vier hanghen totdat ick sach ende hoorde datter bobbels uyt het glas opquamen, waerdoor ick oordeelde dat het heel sonder water ende vol dampen was. Ick konde oock deur het water van de ketel genoech sien datter in den urinael geen water meer en was.

    Alles kout geworden synde, bevont ick sanderdaechs dat boven in den bodem van den urinael een ledich plexken was, ende welcke ick, met water metende, bevont ontrent het hondert ende vyftichste deel te syn van de capaciteyt des urinaels. Van waer dese locht daerin gekommen is, laet ick een yder bedencken, want konde het water locht worden, daer soude al veel meer lochts hebben geweest. Ick dachte dat het van de silticheyt des pompwaters gekommen was, want sout is een gecomposeert dynck, ende vooren hebbe ick bewesen dat int sout veel vier is [<]; waerom dan niet wat lochts? Neme my voor dit selvighe eens te proeven in suyver regenwater, ende in gedistileert regenwater, ende oock in stercke pekel. [>]

[ Lat. ]




Beeckman | Journaal - 1633 b (top) | vervolg