Beeckman | < Journaal > | Woordenlijst

Braadspit , kokend , dichtheid , gewichten , getijden , gewoonte , waterleiding , geld , weerglas


Isack Beeckman - 1621

C. de Waard, Journal tenu par Isaac Beeckman de 1604 à 1634

Tome II: 1619 - 1627



[ 156 ]     dec. 1620

Verhuisd

Meum quid.

    Den 20en December ben ick te Rotterdam met de woonstee gekommen.


Braadspit

Caro dum assatur, cur versus ignem debeat converti.

    Den 24en December te Rotterdam.

    Elck weet, dat als men vleesch aent spidt braeydt, dattet best is, dat het vleesch na het vier toe drayt, dat is dat het opperste van het vleesch na het vier toekompt ende alst naest het vier is, omleeghe gaet, ende also van onder na de koude toe, totdat dat deelken wederom omhooghe kompt ende vandaer na het vier toe.

    De reden is vooreerst, omdat het vier van nature omhooghe vliecht, want die deelkens des viers, die het vleesch raken, worden door de draey nederwaerts gedruckt ende blyven daerom te langer aen het vleesch hanghen; so oock de locht wort door den dray ontrent het vier, dat het vleesch byna raeckt, nederwaerts beweecht met vier met al datter in is. Waeruyt volcht dat het vier te langher ontrent het vleesch blyft, dewyle het vleesch omleeghe is ende het vier omleeghe gedreven wort, ende het vier, dat geduerich uyt den heert vliecht, niettemin het vleesch en genaeckt, also dat het vier daer vele ende dicht opeen wort nedergehoude, alst van nature op begeert te vlieghen. Ende al wort het nederwaerts gedrayt, so en vliecht het niet gansch van onder deur, omdat het al na boven toestreckt; ja indient oock so seer nederwaerts gaet dat het onder deur kruypt tusschen de vloer ende het vleesch, so is het te beter, want dan wort die syde oock heet ende het vier, na boven toe willende, pranckt het vleesch van onder te stercker. Daerenteghen, als het vleesch anders draejdt, so jaecht den dray het vier opwaerts, ende vliecht so veel te rasscher wech na boven toe, ende onder en kompt als gheen hitte.

    Ten anderen, so wort het vleesch eer genoech als ment na het vier toe draeyet, omdattet veeltyts heel leeghe by de vloer licht, also dat de principaelste hitte aen het opperste haemisphaerium kompt, waerom goet is dat den draej die contrarieert, om also de meeste hitte te doen vertraghen int opvlieghen. Daerom kant gebeuren, dat het spit so hooghe licht dat het beter ware (soveel dese reden aengaet) het vleesch averechs te drayen, want dan kompt de meeste hitte van onder deur, ende men moet maken dat de meeste hitte meest door den draey gesteudt wert.

[ 157 ]
    Cum his confer ea, quae de motu Terrae versus Orientem dicuntur [<]; ea quoque, quae de applicatione et defluxu planetarum.
    [ Vergelijk hiermee wat over de beweging van de Aarde naar het Oosten gezegd wordt; en ook over het aansluiten en afdrijven van planeten.]


Druk

Aeris et aquae infimum quomodo a seipsis comprimatur.

    Men en kan niet loochenen of het onderste van water of locht wort meer geperst dan het opperste, omdat het meer op sich heeft, gelyck een sponse, die groot is: het onderste daervan, dat op de vloer licht, is dichter ineen gedronghen dan het opperste. Maer dat en kan in de locht niet veel maken omdat se in haer nature niet te veel gedronghen en kan worden, ende is niet bysonders swaer; nochtans moet men gelooven dat se alreede hierbeneden soveel gedronghen is alse door de bovenste locht gedronghen kan worden ende is daerom inderdaet omleeghe dichter ineen dan boven. Ende het kan oock altemets gebeuren, dat sommighe wolcken tusschen tween dryven, te weten lichter synde dan de onderste locht ende swaerder dan de bovenste; maer als dat gebeurt, so gaen se veel op ende neer met groote veranderinge, omdat de locht, in één distantie van de aerde, niet allom even dicht en is, ende op één plaetse verandert se lichtelick. Oock en kan een wolck niet langhe so dryven omdat se altyt swaerder wort, het vier geduerich uytvliegende; maer alse veel lichter is dan de locht, so dryft se langhen tyt int oppervlack van de lucht. Het water is so dicht, dat het schier niet meer gedronghen en kan worden; daerenboven en is het onderste niet diepe van het bovenste, also dat het eene niet veel meer last en lydt dan het andere. Daerom ist, als yet int water of locht begint te syncken, so syncket voorts tot de gront toe.

    Hier moet men oock weten dat de lucht, al isse van de opperste locht gedronghen, dat se hier van ons wel noch meer gedronghen kan worden, want tot de eerste swaerte kompt nu oock onse kracht, die wy gebruycken tot de persinghe daervan.
    [ < ]

[ Lat. ]

[ 158 ]     24 dec. 1620 - 19 feb. 1621

Kokend water

Fervor aquae maximus maximum calorem non significat.

    Als een pot, over t'vier hanghende, te seere siedt, also datse overloopt, so set mense af neffens het vier, also dat het vier haer slechts aen deen syde genaeckt ende blyft aen die syde siedende, ende men bevint dat hetgene in de pot is, ruym also haest genoech is, alsof se hadde blyven over t'vier hanghen. Waeruyt blyckt, dat de kracht van t'vier op t'gene, dat in water gesoden wort, niet veel bysonders en vermach ende dat het water heeter, oft tenminsten also heet wort, alst naulickx siedt, dan oft sterck sode; want in den staenden podt en siedt het water aen den versten kant niet met allen, twelck vooren noch klaerder geseydt is [<].


Haardijzer

Heertysers stellen, datse niet en bersten.

    Die verstandt hebben van heertysers teghen de schouwen te setten, laten een ruyme plaetse achter het yser ende de schouwe open, waerin de hitte, spelende door een gaetken, dat boven ergens ontrent het opperste van het heertyser gemaeckt wort, uytvliecht. Want als het yser ronsomme teghen de schouwe dicht toe is, so en kan de hitte, die achter het yser is, tusschen het yser ende de schouwe nergens uyt; ende aldaer vermenichvuldigende ofte de locht of vochticheyt verdunnende, ende van plaetse doende vermeerderen, so berst het yser, gelyck een glasen vlessche, die gestopt synde ende water in hebbende, ontstucken breeckt, na de broosheyt der substantien de breuke licht of niet licht gebeurende.


Muren witten

Nigredinis tantillum multo albo mixtum, albedine illustriorem facit.

    De vrouwen, die haer mueren alderwitst ende fraeyst witten willen, die doen een vyngherhoet vol swartsels in den witselpot ende dan wittet alderbest ende witst. So doet men oock blausel int styfsel ende men bevindt metterdaet dat de kraghen, die blauw gesteven syn, witter ende frayer schynen dan die sonder blausel gesteven syn, twelck blyckt als mense byeen brenght. Also siet men oock dat in de sneuw yet swarts moet gemejnght syn, want hoe langher ende hoe dickwils men de handen daermede wast, het water daervan is altyt vuyl, twelck so met ander reghenwater niet en gebeurt.

    Maer, soude ymandt moghen dyncken, hoe kan swart, in wit gedaen, het witsel witter maken?

[ Lat. (reden: tegengestelden doen elkaar beter uitkomen) ]

[ 159 ]

Boekhouding

Boeckhouden verbetert.

    Het grootboeck int Italiaens boeckhouden soude bequamelick den credit ende debet op één syde hebben, ende also de blaren altyt vol schryft kryghen, daer nu den teghenoverighen debet of credit dickwils heel of half leegh staet, aldus:
(Boeckh. Stevyn, Grootboeck, fol. 10, 11 der Coopmansboeckhoudingh.*))

Pieter de Witte
£ ß St   debet credit £ ß St
360 8 0 0   Ianuar. Per capitael verschynende 20en Iunius 1600, fol. 3 1
648 0 0 30   Meye per verscheyden partyen verschynende den 5en Iulius 1600   3
8   Iulius per casse opt verschenen 20 Iunius 1600, fol. 4 4 360 8 0
8   Iulius per casse opt verschenen 5 Iulius 1600, fol. 4 4 200 0 0








1008 8   Somma Somma 560 8 0
31   Decemb. per capitael fol. 2 hier gestelt by slote van desen 448 0 0




Somma 1008 8 0

    *)  Simon Stevin, Wisconstige Ghedachtenissen, Vyfde stuck (Leiden 1608).
[ 160 ]

Grondijs

Grondtys hoe het groydt.

    Vooren hebbe ick erghens [<] getwyffelt wat het soude moghen voor ys syn, hetgene de schippers grondtys heeten. Waerover Sr van Uffel van gevoelen was, dat het geschiede als het water soo leeghe was dat de platen drooch liepen. Want dan vroos het water aen de opene grondt; daerna wies het water daer wederom over, twelck, wederom leech wordende, so vriester noch eens wat aen, ende also wort het dicke. Alst dan begint te doyen, so wort het aen de grondt los; los synde, kompt het op een hoogh water boven ende maeckt de schepen dickwils ronsom in het ys ligghende. Waeruyt volcht, dat nerghens grondtys en is dan daert water hooght ende leeght.
[ Lat. ]

[ 162 ]     19 feb. - [12] maart 1621

Licht op tafel

Lumen deorsum excitare.

    Het ware een fraeye sake aen een ronde tafel te eten, konde men een keerse maken, die nederwaerts brande, recht over de schotel hanghende [<]. Hiertoe soude men meughen spieghels gebruycken, daer het licht van de keerse teghen of deur schynende, recht op de scheutel int midden van de tafel vallen mochte, de keerse of hanghende recht over de schotel, of erghens tersyden; soo oock de spieghels na behooren.
[ Lat. ]

[ 163 ]

Eerste kind

Meum quid.

    Den 7en Meerte anno 1621 is myn huysvrouwe Catelyntje Cerfs [<] geleghen van ons eerste kindt. Ende sal heeten Jacob: ick heete Isack ende myn vader Abraham. Het is geboren rechs voor den tween namiddach tot Rotterdam. Is Jacob gedoopt den 12en dito.
    Het kind stierf jong. In 1627 werd weer een kind Jacob genoemd, en in 1629 nogmaals.


Dichtheid van een mens

Hominis densitatem cognoscere.

    Om te weten densitatem hominis, dat is eens menschen lichaems dichticheyt, so weecht hem eerst, ende steeckt hem in een groot vat met water tot aen den hals, of tot overt hooft toe*). Want alser twee menschen evenveel weghen, so is de volste die het water in het vat hooghst doet kommen, ofte, indien het vat stryckende vol water was, so sal het dichste lichaem daer minst water uyt doen loopen. Calculus fiat secundum rationem Archimedeam.
[ De berekening gaat op de manier van Archimedes.]   [>]
    [ *)  Het is minder eenvoudig dan het lijkt, zie het verslag van zo'n proef in Uitgezogte Verhandelingen, 5 (1760) 112-8.]
[ 164 ]
    Usus in medicina ejus cognitionis forsitan erit non vulgaris, cum natura hominis densi ab homine molli multum differat, sicut et medicamenta ijs exhibenda, ut et sex res naturales*), cognitioque, meo judicio, non semper obvia sit aut facilis. Hoc vero experimentum forte etiam alias quasdam naturae hominis proprietates proferet.
    [ Gebruik van deze kennis in de geneeskunst zal mischien niet onbelangrijk zijn, daar de aard van de gedrongen mens veel verschilt van die van de mollige, zoals ook de hun aan te bieden geneesmiddelen, als ook de zes natuurlijke zaken*), en de kennis is, mijns inziens, niet steeds voor de hand liggend of gemakkelijk te krijgen. Ja deze proef zal soms ook enige andere eigenaardigheden van een lichaam te voorschijn brengen.]

    Als men de dichticheyt van een dinck weten wilt, dat int water dryft, so en hoeft men daer maer een gewichte aen te hanghen, daermede het houdt of kurck etc. sinckt.


    [ *)  Volgens Hippocrates: aer, cibus et potus, motus et quies, somnus et vigilia, excreta et secreta, affectus animi (lucht, spijs en drank, rust en beweging, slaap en waaktoestand, uitscheiding en afscheiding, gevoelens).]
    [ < , > ]
[ Lat. ]

Gewichten

Pondera apothecariorum vulgaribus collata.

    Den 14en Meerte kocht ick te Rotterdam tot den apothekers Sr Goeree een half loot manna, twelck ick woech met een goudtgewicht, ende woech twee gewichtkens van een kroone ende 5 asen. Dits gedaen om te weten wat gewichte de apothekers gebruycken. Ende is een drachme een kroone, gelyck in Cordo*) staet, want de 5 asen konnen uytslach syn, ende het goudtgewichte is teghen het medicyns gelyck 6 tot 5, als oock Fernelius seght.
[ 165 ]
Want een kroone die weecht twee Engelschen ende 4 of 5 asen, ende 20 Engelschen is een once; so weghen dan 20 Engelschen 9 drachmen ende ontrent 36 asen. Een Engelsche weecht 32 asen. Nu het Middelborghs gewichte, daervan weecht een 1/2 loot vyf Engelschen min 10 asen; ergo een once, 18 Engelschen ende 26 asen. So weecht dan 100 lb goudtgewichte wat meer dan 105 lb Middelborchs ende 120 medicyns gewichte.

    Den 25en. — 2 oncen manna tot den apothekers gehaelt, weghen effen een half vierendeel Middelburchs gewicht, het 1/16 deel van een once Middelburchs meer, twelck den uytslach kan syn, want het en is maer het 1/32 van het half vierendeel.


    *)  Valerius Cordus, Dispensatorium (Neurenberg z.j., Parijs 1548); vertaling: Matthias de L'Obel ("nu yegenwoordich Medicyn ordinaris der vermaerder coopstadt Middelburgh"), Den Leytsman ende Onderwyser der Medicyns ende Apothekers (Amsterdam 1614).
[ Zie: Huygens Web - 'Maten, gewichten, tijd en geld in de 17de eeuw'.]
[ Lat. ]

[ 167 ]     [25 maart - begin april] 1621

Maan en getijden

Luna quomodo aquam moveat.

    Het is een oude quaestie of de Mane het water na haer treckt, of dat se het water met haer stralen vertillende, doet swellen, gelyck de warmte de oly of het roet.
[ 168 ]
    Ist dat se slechs het water na haer treckt, so moettet water, alst sprinckvloedt is, op een leech water leegher syn dan in een doot stroom, want dewyle datter in de weerelt evenveel hoops van water blyft, ende dattet op de een plaetse hoogher is dan ordinaris, so moetet op een ander plaetse leegher syn dan ordinaris. Dit en kan niet geexperimenteert werden op plaetsen, daer de monden nauwer syn dan de binnenwateren, want ten tyde van sprynckvloet en kan het water door dien nauwen hals niet heel uytloopen eert weder begindt te wassen.

    De tweede opinie en kan niet omgestooten worden doordien dat het water op een sprynckvloedt niet merckelick lichter bevonden en wort dan op een doot stroom, al siet men in sommighe havens datter dien tyt wel ééns soveel water is dan op een ander hooghwater. Want de proportie moet gemaeckt worden in den Oceanus, dewelcke, al en sweltse maer een weynich, so ist door de diepte op haer oppervlack al wat merckelick d'een tyt hooger als d'ander tyt; ende door het loopen na het Westen met de Mane, al swellende ende teghen den oever steutende, wort het water in sommighe plaetsen geweldich hooghe.

    Dat het swellen niet en mach gerekent worden na proportie van de veelheyt des waters in de havenen, blyckt omdat op veel plaetsen op een ordinaris hooghwater niet een druppel en is, ende op een sprynckvloet isses; maer yet teghen niet, heeft al te groote proportie, te weten oneyndelick.
    [ < , > ]


Slecht weer met Pasen

Paschatis tempore saepe tempestas fit.

    Ten is niet vrempt, dat het teghen Paesschen*) altyt quaet ende winderich weer is ordinaris, want het is in de Lenten, die van natueren regenachtich, vochtich ende windich syn; ende de Mane is dan altyt vol of daerontrent ende derhalven sprynckvloet. Nu de volle Mane verweckt beweghinge in de locht.
    *)  Pasen viel in 1621 op 11 april.
[ Lat. ]

[ 172 ]     8 - 21 juni 1621

Hoest

Tussis ex irritatione aurium.

    Alsmen met het hooft van een spelle in syn oore peutert ende wat te diep steeckt, soo hoest men. Experientia certa.
[ 173 ]

Macht der gewoonte

Consuetudo quantum possit.

    Gevraecht synde van vader hoet kompt, dat een mensche voortgaen kan ende sich bequamelick beweghen sonder er op te dyncken hoe men elcken voet stellen sal, antwoorde ick, dat daerin geen onderscheydt en was van de beesten; ende geschiet door de gewoonte evenals men gewent is goede keersen te maken: de ooghen sullen dat al doen, al ist dat men op ander dynghen geduerich dinckt. Daerom — waert dat een mensche tot syn 20 jaer onbeweechlick gehouden wierde — hy soude sich moeten leeren beweghen; ende int eerste soude hy dickwils syn handt willen roeren ende soude syn voet roeren, ofte willen synen duym roeren, soude hy syn pyncke roeren etc.

    Te Middelborch, den 21en Junij.
    [ < , > ]

Grootte van iets

Magnitudinem rei examinare.

    Alsmen weten wilt de grootte van eenich dynck, dat int water bederft, als van eenen boeck etc., so mach men dat in quicksilver steken ende doen gelyck met water geleert is te doen.
    [ < , > ]

Waterleiding

Aquaeductui spiraculum sub terra factum.

    In Junio hebbe ick aldereerst een lochtgat onder de aerde gemaeckt aen de buysen tot den brouwer Buys; sy waren eerst van de Enghelsche qualick geleydt, als oock die van de Wolsack te Middelborch.*) So dan hebbe ick die Ter Veren van nieuwen afgeleydt; syn wat meer als 300 voet lanck. Sy ligghen al rysende van de kaye tot op het hooghste ende daer staet het lochtgat met een tobbe daerover opdat de locht daerin kommen mocht, want sy kan geperst werden, ja oock door de gaetkens van de tobbe ter straten uytvlieghen door sant en al, gelyck blyct aen de pompen, die gescheurt syn.
Vandaer ligghen sy geweldich steyl, dalende 18 of 20 voeten verre ende dat opdat de locht beter achterwaerts teghen twater opkommen soude ende so door het lochtgat uytvlieghen. Dit dalen hebbe ick so kort gemaeckt, als ick konde, om dieswille datter niet veel lochs uyt te vlieghen en ware, niet wetende hoeveel de tobbe konde houwen of hoe gemackelick, of ongemackelick, de locht konde uytvlieghen. Van dit leeghste tot aen de brouwerye rysen sy altyt. Ende dit is wel geluckt, als gebleken is. [>]
    *)  Franchoys Buys kreeg in 1612 toestemming om onder het plaveisel buizen te leggen van de haven tot aan zijn brouwerij. Maar hij haalde in 1613 water met wagens van elders, en in 1617 per boot uit Holland.
Brouwerij 'de Wolsack' was eigendom van Cornelis van den Broucke, verwant met Beeckman.


[ 174 ]     29 juni - 21 juli 1621

Geld omrekenen

Arithmetici compendij quaedam ratio.

    Den 29en Junij vraaghde my Sr Samuel Duyn*) de reden waerom dat men ter eerster instantie eene specie van gelt kan tot effen ponden brenghen? Als by exempel:
Een koopman heeft 289346 stucken gelts van 16 ß tstuck. Vraghe hoeveel pont groot is dat?

    Men halveert de 16 ß, kompt 8. Met dese 8 multipliceert men de somme, seggende:
berekening 8 maal 6 is 48.
Dese 48 dobbeleert men, kompt 96, twelck is £ 4 — 16 ß.
De 16 ß set men achteraen, gelyck men hier siet ende de £ 4 houdt men ende seght:
8 mael 4 is 32 ende de voorschreven 4 maect 36.
Ick sette 6 ende houde 3. Daerna wederom
8 mael 3 is 24 ende 3, die ick hielt, maeckt 27.
Ick sette 7 ende houwe 2. Ende so voorts tot eynden toe.
So syn dan 231476 — 16 ß effen de ponden, die 289346 à 16 ß t'stuck uytbrenghen.

berekening     De reden, seyde ick, hiervan is dese, bestaende uyt den regel van dryen. Als namentlick 20 stucken van sesthien schellinghen het stuck, doen 16 pondt vlaems, wat doen 289346 van sesthien schellingen tstuck? Het voorste ende middelste mach men minderen, waeruyt volcht dat het voorste 10 wort. Twelck het fondament is van dese sake. Want 1 en divideert niet ende 0 doet achter één afsnyden, welck achterste is soveel 10de deelen van een pont of eens soveel 20ste deelen.

    Maer waert datter vooren maer een enckel éénken en stonde, dan soudt noch gemackelicker syn, te weten sonder de eerste reyse te dobbeleeren, als by exempel:
289346 ponden vlaems, hoeveel ponden steerlincx syn die?  Ick antwoorde als vooren: berekening
    Hier siet men dat ick dese 6 gulden niet en halvere; twelck geschiedt omdat vooren een éénken is, twelck niet en hoeft gemindert te syn.


    *)  Samuel Duyn was getrouwd met een nicht van Jacques Schouten, zwager van Beeckman [<].
    [ Een ß (schelling) was een zilveren muntstuk, ter waarde van 6 stuivers. 1 £ vlaams had 20 ß, zoals 1 £ sterling 20 shilling, en 1 gulden 20 stuivers. 1 £ vlaams blijkt 6 gulden, en 1 £ sterling 10 gulden.]


[ Lat. v ]

[ 178 ]

Varen als remedie

Navigantibus cur alvus astricta. Sitque remedium nimiae excretionis.

    Den 19en Augusti int schip.

    Dewyle dat men opt water, alsmen in langhe niet gevaren en heeft, niet overvallen en wort om syn gevoech te doen, maer men kan twee daghen beyden, daer ment thuys alle daghe doen moet, so kan het gaen varen een bequame remedie wesen voor diegene, die de loop tevele hebben, ende andersins niet sieck en syn, want daerdoor sal den alvus tragher worden.

    Ick achte dat de reden daervan is omdat men so subitelick in de ongewone koude kompt, want tis opt water altyt kouder dan opt landt, maer de koude sluydt het lichaem ende treckt de spiritus na binnen, also dat meteenen de materie des afgaens opgehouden wort.


Gieter

Gieter van de schippers waerom soodanich.

    Waerom syn schippers gieters so lanckworpich gemaeckt, ende niet liever op het fatsoen van een schoppe?

    Antwoorde: omdat alst water so breet uytvliecht, so wort het te licht van de locht gescheen, ende verspreydt sich te veel; maer alst in de langhe gieter is, so houdt het te langher syn forme. Want vooreerst so wort het door het langhe loopen in de gieter beter ende vaster lanckworpich geformeert, ende ten anderen en kompt het so veel locht niet tegemoet, omdat de forme lanckworpich is, ende vliecht in de lenghde henen gelyck een pyl. Ergo t'vliecht hoogher, sonder verspreyden, dan uyt een schoppe of diesgelycke.

[ Lat. v ]

[ 179 ]

Waterleiding (2)

Aquaeductus privati cujusdam ratio.

    Den brouwer ter Veren [<] seght dat syn buysen seer wel loopen, maer alsmen maer een ooghenblick en rust, so pompense den back terstondt over, maer tis wederom strackx gedaen. Ende alst in gaen is, en konnense den back niet overpompen, wat sy oock doen.

    De reden is, omdat de locht van 10 of 12 buysen achterwaerts uytvlieghen moet, teghen het water op. Want die buysen syn terstondt ledich, omdatse hoogher ligghen dan den uytloop ende ligghen geweldich al dalende; ergo het water, beginnende te kommen, so worstelen de locht ende het water teghen malcanderen. Ten anderen kant oock syn omdat het lochtgat onder de aerde staet, sodat de locht misschien so haest niet verstroyen ende uytvlieghen en kan.


Soldeer

Souduere waerom die so licht smelt.

    Souduere wort gemaeckt van half tin ende half loot. Maer waerom smelt souduere lichter dan tin of loot? Om dieswille dat die twee substantien so dicht met malcanderen niet vereenicht en syn als tin of loot int bysonder, also dat de deelkens van tin so heel vast niet en syn aen de deelkens vant loot, waerdoor dat elck deelken rontsom sich de hitte beter ende meer vervanghen kan; ende wort lichtelicken het een deelken van het ander gescheyden. Gescheyden synde, comt de hitte daer ronsom ende dewyle de superficie van alle kleyne dynghen groot is teghen de corporeiteyt, so is dat deelken strackx gesmolten. Ende gelyckt met een deelken gaet, so gaet het oock met de reste.
[ 180 ]
Want men moet gelooven, dat de pori tusschen tloot ende tin grooter syn dan die int tin of int loot syn; so niet (want dat kan door gewichte ende water licht geexperimenteert werden), so moet men segghen dat de souduere so haest smelt omdat de deelcken so licht vaneen gaen, gelyck voorseyt is.
    Te Middelb.     [ > ]
[ Lat. ]

[ 187 ]     [14] november 1621

Weerglas

Vitrum aeris calorem indicans primo a me visum.

    Den 9en Novemb. was ick te Delft, ende sach daer in de beste kamer van het stadthuys een gelas, twelck de heeren gegeven was van eenighe persoonen uyt Bohemen*), ende was van fatsoen als men hier siet. weerglas c was de opperste rondicheyt ende was ledich; van b tot d toe wast vol water, maer men konde het water maer tot d sien, want het onderste deel vant glas was met het houte baxken a bedeckt. Als ick myn handt leyde boven op de rondicheyt van c, so sonck het water neder ende quam tot e, also dat be oock leegh was. Maer so haest als ick myn handt daeraf dede, so reest wederom al soetkens opwaerts tot aen b.

    De knecht van de kamer seyde dat de heeren savons eenen pinneken steken in b of e of f , so hoghe alst water dan is ende sien sanderdaegh oft hoogher of leegher is. Ist hoogher, so heeft het snachs kouders geweest; ist leegher, warmer. Seyde oock dat het wel kompt tot int midden van c; ende alst dan quaet weder is see is, so gaet het water in c oock op ende neder met baren.

    Hier is te verwonderen dat het water met de warmte nedergaet ende niet liever opwaerts, dewyle de warmte de oly etc. vermeerdert [<]. Ten tweeden, hoet kan opwaerts of nederwaerts gaen, nadien c vol lochs moet wesen, dewelcke nergens uyt en kan alst opwaerts kompt; ende alst water nedersinckt, so behoorder eenighe locht van buyten in te kommen, twelck niet geschieden en kan in dit gelas. De reden hiervan mach ick op een ander tyt bedyncken. [>]


    *)  Waarschijnlijk protestantse vluchtelingen. Hun 'winterkoning' Frederik V kwam in 1621 naar de Republiek.


Oprisping

Ructus in stomacho meo, unde.

    Also ick den 14en Novemb. met Thomas*) na Cralingen ginck, ende vermoyt snoens thuys quam, ginck ick terstont hertelick eten, gesouten vleesch ende eerst gebraen vleesch. Maer so haest als ick van tafel was, quamender winden uyt de maghe in de mondt, te weten ructus, ende myn kaeckbeenders deden my seer. Twelck was, omdat de uyterste deelen, te weten de musculi, doort gaen de hitte van binnen na buyten getrocken hebbende, de maghe niet machtich en was de dampen te resolveren ende doen verdwynen, Waerdoor sy dick blyvende ende in de musculen van het cakebeen opvlieghende, aldaer door de wermte resolverende, deselvige extendeerden.
    *)  Waarschijnlijk Thomas Cool of Cools, geboren in Engeland (waar Beeckman familie had), leerling van Jacob Beeckman in Veere. Werd predikant [>].
[ Lat. v ]



Beeckman | Journaal - 1621 (top) | vervolg