Beeckman | < Journaal > | Woordenlijst

Kogelbaan , toneelspel , duivels , wonder , regen , pilaren , leren , uitspraak


Isack Beeckman - 1623

C. de Waard, Journal tenu par Isaac Beeckman de 1604 à 1634

Tome II: 1619 - 1627


[ Lat. v ]

[ 233 ]     22 jan. - 21 febr. 1623

Kogelbaan

Globus horisontaliter volans, cur minus longe recta moveatur.

    Den 21en Feb. te Rotterdam.

    Abraham Melis [<,>] schryft my gelesen te hebben dat eenen kloot, uyt een canon, dat paralleel is met den horisont, vlieghende, syn rechte alderonlanckx houdt; ende het canon perpendiculariter op den horisont staende, so schietmen alderverst recht; tgene dat daer tusschen is naer advenant. Schryvende meteenen oock, dat den aucteur de reden hiervan geeft door de armen van een balance in een cirkel drayende, ende vraeghde naer de natuerlicke reden.

    Waerop ick hem antwoorde, dat den koghel alle oogenblick na het centrum der aerden ten minsten een weynich sinckt, al ist onmerckelick; also datter anders gheen heel rechte scheute en is dan die perpendiculaer op den horisont kompt, ende hoe verder daervan, hoe krommer, dat is, hoe naerder, hoe langher ende verder den koghel rechte houdt, dat is, min krom vlieght. Want neempt dat den koghel, eenen hoeck makende met de perpendiculaer scheute van eenen graet, in een minute tyts eenen voet, door haer natuerlicke correspondentie met de aerde, perpendiculariter nederwaerts sackt, so en salse mischien maer eenen duym van haer rechte scheute syn.

[ 234 ]
Daerenteghen de paralleel scheute sal effen een voet uyt haer paralleel linie gesackt syn. Ende soomen van de ware plaetse des kloots rechte linien treckt tot het centrum daer het canon staet, so sal den hoeck grooter syn, die van de ware plaetse des kloots met de parallele linie gemaeckt wort, dan eenighen anderen, gemaeckt van de begeerde scheute ende de ware scheute. Uyt welck alles blyckt welcke stellinge des canons lanckx de schynbare rechte doet houden.
    [ In 1647 dachten Constantijn Huygens èn Mersenne nog dat een horizontaal afgeschoten kogel eerst 'waterpas' beweegt, zie Oeuvres Complètes de Christiaan Huygens, I, 72-3. ]
    [ < , > ]


Thermoscoop

Vitri quo calor examinatur ratio.

    Het instrument, daermen mede siet hoe koudt ende heet het is, heeft die foute dat het geen proportie en houdt int optrecken van het humeur, want alst hooghe is en kan evenveel veranderinghe so sterck niet trecken als omleeghe, omdat het humeur, hoe hoogher het hanght, hoe het meer teghen treckt [<,>]. Daerom salmen daer neffens een ander even hooghe ende continue buyse setten, ende soveel humeurs uyt of in doen totdat het in beyde buysen evenhooghe staet.   [ > ]
[ Lat. ]

[ 236 ]     21 febr. - [10 april] 1623

Man in vrouwenkleren

Viro an aliquo modo liceat gestare vestes muliebres.

    Ick placht het spelen der commedien met vrouwekleeren seer te defenderen als synde een sake in sichselven niet quaed, ende van Godt alleenlick verboden, seyde ick, alsmer quaet mede meynde, niet om sichselven te verlossen of int spel etc. Maer nadien de oorsake van dit verbodt is opdat door dien middel gheen hoererye ofte overspel geschieden en soude, so is men van conscientie weghen schuldich syn beste te doen dat dese kleedinghe niet familiaer en wort ende geexcuseert can worden.
[ 237 ]
Want also soudet van langherhandt wel inbreken, dat men sonder schande eenen heelen dach soude moghen vrouwekleederen draghen op sommige speloccasien; daerna twee, dry of meer daghen, ende also gelegentheyt cryghen om quaet te doen, ende geexcuseert te blyven totdat het quaet openbaer geworden ware. Nu God verbiet dit scherpelick als een occasie van quaet. Twelck wy so achtende, sullen dit schandelick maken tallertyt, tensy in hooghen noot. Want die de verbodene occasie vant quaet niet ganschelick en schoudt, die maeckt van een occasie gheen vlieding; want d'occasie te vlieden is te segghen die soveel te myden alst moghelick is.


Thermoscoop andersom

Vitrum quo calor examinatur inversum.

    Het instrument dat de warmte oft koude beteeckent, doet het liqueur opgaen door de koude ende neer door de warmte. [<] buisje in fles Het contrary wort teweghe gebracht door dit tegenwoordighe met weynich moyte, want men en hoeft maer een glaese buysken te steken in een glaese flessche (opdat men allom doorsien mach) ende de flessche aen den hals aen het buysken dich toe lateren datter gheen locht uyt en kan; so sal dan de warmte, de locht in de flessche verdunnende, het water door het buysken opwaerts dryven.
Daerenboven, alser te veel water in de flessche is, so kanment door het buysken uyt doen loopen, indien men de flessche in een schotel warm water sedt; want dan salter al uyt loopen, somen wilt. Ende wederom koudt wordende salder meer locht in kommen; ende alser genoech locht in is na u sin, kondt ghy er van boven water in gieten. Soo oock indien der te weynich water in de flessche is, kondtse oock in warm water setten, ende so veel locht daeruyt doen vlieghen als ghy wilt, ende terwylen het noch warm is daer van boven water ingieten.

    Dit sal oock dienen om te ondersoecken hoe koudt of warm dat eenich liqueur is, want men hoeft het liqueur maer in een schotel te doen ende dan de flesse daerin te setten; so sal het water int buysken rysen of dalen nadat het liqueur in de schotel heet of koudt is. Ergo, so in de flesse water is, of oly, of alleen locht (doch dan moest het wat anders gemaeckt syn), so sal bekendt worden meteenen wat liqueuren warmer of kouder syn, dat is actualiter min of meer warmte in haer uyt de locht trecken.


    Het ware een sake om den loop der Mane fyntjens te weten taller tyt, waert dat men een liqueur wiste, dat in de volle Mane slechs een kleyn verschil gave. Want men soude een glas maken met eenen dicken buyck ende eenen smallen hals, also dat het minste rysen ende dalen in den hals blycken sal door de menichte van liqueur in den buyck.

[ Lat. ]

[ 239 ]

Pleisterkalk

Plaester in een glas, doet het borsten.

    Plaester in een glas gedaen synde, dede ick daer water op ende binnen eenen klynen tyt sach ick, dat het glas allom geborsten was. Twelck, dencke ick, geschiet omdat de warmte, byeentreckende doort water, eenighe deelkens tot dampen maeckt, dewelcke, gheen uytkomste vindende, tglas doen borsten. Twelck oock sonder twyffel gebeuren soude in ongeblusten kalck.


Zeshoekige sneeuw

Nivis sexangulae ratio.

    Abraham Melis [<,>] sondt my den 10en April 1623 een hoop huyskens van was, daer de bien haren honich ingeleydt hadden.

    Quorum intuitu mihi venit in mentem argumentum nivis sexangulae, cum etiam hi favi forent sexanguli. [...]
    [ Bij het kijken hiernaar moest ik denken aan zeshoekige sneeuw*), daar ook deze honingraten zeshoekig waren. ...]


    [ *)  Foto's in: W. A. Bentley and W. J. Humphreys, Snow crystals (McGraw-Hill 1931, Dover 1962). Eerste tekening van sneeuwkristal bij Olaus Magnus (1555) I, p. 37 — zie G. Hellmann, Schneekrystalle (1893), 11-18.]
[ Lat. ]

[ 241 ]     16 april - 6 juli 1623

Duivels weten onze gedachten

Diaboli quid possint in cogitationes nostras.

    Men vraeght hoet kompt dat de duyvels ons gedachten weten, dewyle dat Gode alleen eyghen is, ende sy nochtans onse gedachten dicwils voorkommen ende yet doen dat sy weten dat onse gedachten behaeghlick is ende verleyden sal?

    Maer dit konnen sy genoech weten uyt de mynen, die de mensche gebruyckt met ooghen, handen, aensicht etc.; anders, als den mensche gansch geen uyterlicke gestien en vertoont, so en konnen sy niet weten, wat hy in den sin heeft. Maer hy, een subtyl geest synde, verstaet de minste beweginghen.

    Maer hoe kan hy ons wat ingeven? Kan hy in onsen gheest kruypen?

    De ordinare opinie is, dat hy de objecten der sinnen moveert, na dat hy wilt dat wy beweecht worden. Dan wie sal durven segghen, dat hy stoelen ende banken versedt, ende het een of het ander geluydt maeckt, stanck of reuck verweckt, of ons yet doet smaken of gevoelen, dat wy anders niet smaken of gevoelen en souden? Dat gebeurt al te selden ende de quade gedachten al te dickwils. Want wie merckt datter yet ordinaris gebeurt?

[ 242 ]
Ofte ist beter te segghen: gelyck hy eenen gheest is, dewelcke gheen plaetse en beslaet, maer door houdt ende steen passeren kan, dat hy oock also door ons lichaem passeert (doch niet en blyft wonen of daerover heerscht, gelyck in de besetene) ende verleght yet in onse hersenen oft in ons lichaem of brenght eenich humeur melancholyck, bilieus etc. tot de plaetse, daer de gedachten verweckt worden? Maer waerom soudemen dit liever toestaen dan dat hy de uyterlicke dynghen beweecht ende verleght? Hy en heeft ymmers gheen meerder macht over yet in ons lichaem als over een stroyken of steenken buyten ons.

Wonder is geen wonder

Miracula nobis videntur quorum rationem ignoramus.

    Dan dit is by den mensche gebruyckelick: als de experientie haer redeninghe teghen is, so nemen sy haren uytvlucht tot hetgene daer men gheen experientie van nemen en kan. Also soeckt men oock het extraordinaris in sieckten als door tooverye etc. aengekommen ende gecontinueert synde. Also spreeckt men oock van reghen, sneuw, blixem, donder etc., daer de oorsaken door de ongelegentheyt van de omstandicheden verborghen syn, de menschen daerom niet konnende voorsegghen dattet dan, of so seer, blixemen sal etc. Niet dat de oorsaken onbekendt syn, maer omdat de particulariteyten in dese saken verde van ons gesicht geleghen syn, niet wetende hoe de lucht ende aertryck in alle plaetsen gestelt syn, niet meer dan wy weten wat gelt in een ander mans burse is, voor geen mirakel nochtans houdende, als yemant diens burse wy niet en kennen, subitelick eenighe groote onkosten doet; want dan segghen wy: die man hadde meer gelt dan ick docht.
Ten is dan gheen reden dat men eenich mirakel soeckt in reghen sneuw etc., meer dan in den loop der Sonne of Mane, diens cours ons bekent is, tensy dat wy oock snachs met de kinders verveert willen worden, omdat ons yet voorkompt, dat wy niet en vermoeden om de duysterheyt wille, daert ons gheen wonder en soude schynen, waert dat wy sien konden.
    [ < , > ]

Duivelse influisteringen

Diaboli nihil mutant rerum. Sed animæ nostræ insusurrant mala.

    Daerom en kan ick niet gelooven dat de duyvel in ons lichaem yet veranderen kan, meer dan buyten ons, dan door een seltsame ende niet dickwils gebeurende toelatinghe Godts. Maer segghe wel liever, dat hy teghen onsen gheest spreeckt gelyck de engelen teghen malkandere, op een engelsche ende onbegrypelicke wyse, gelyck oock de enghelen ende de geest Godts ons goede gedachten ingeven.

    Hieruyt soude wel schynen te volghen dat onse sielen oock also konnen de enghelen hare gedachten openbaren als sy willen. Maer dit strydt teghen de Schrifture, daerse seght dat Godt alleen de herten kendt. Want al ist, dat hier verstaen wort dat de duyvel maer de herten en kendt, als wy willen, ende Godt, of wy willen of niet, nochtans schyndt de Schrifture te spreken van onse bekommernissen, die wy, van binnen hebbende, alleen Godt willen communiceren, diet verstaen kan ende niet de duyvelen. Anders soude hy in die gelegentheyt oock hertenkender syn.

    Tot een besluydt dan moghen wy gelooven dat solanghe onse sielen aen ons lichaem hanghen, sy niet met allen noch den engelen, noch de duyvelen, noch eenighe creatuere konnen openbaren sonder instrumenten des lichaems. Ende de duyvelen en verstaen maer onse gedachten door ons gelaet, maer geven ons in op de engelsche wyse.

[ Lat. ]

[ 248 ]

Zingen

Notae musicae sex tantum esse possunt.

    Den Lofsanck Simionis*), aen de woorden "claer heb" beyde, is ut of fa, maer het eerste moet ut gesonghen worden, omdat het accoort boven is; het tweede moet fa gesongen worden, omdat het accoort onder is. Ende dat ist dat ick vooren [<] dicwils geseydt hebbe, datter maer ses noten en moghen syn, omdatter gheen diminuatien onder de ut en deughen, dewyle daer altyt een valsche quinte of quarte kompt. Also salmen bescheelick hooren, alsmen in de kercke synght het woort "claer", dat de diminuatien altyt boven syn hoogher dan "claer" ut; ende alsmen "heb" singht, leegher.
    *)  Vertaling van Jan Wtenhove [<].


Zonneschijn en regen

Solis fervor quomodo pluviam praedicat.

    Men seght gemeynelick: "de Sonne steeckt so heet, ergo het sal reghenen". De reden is, omdat in de locht veel waterachtighe dampen syn, door dewelcke de Sonne schynende, haer stralen ineendrynckt, gelyck yet, int water gesien, grooter schyndt, want de stralen uyt het dinck int water liggende, gaen also tot het oppervlack van het water, datse daer wyder vaneen staen dan se anders souden. Waeruyt ook volcht dat de straelen der Sonne, op dat pleckxken des oppervlackx vallende, alle het dinck, ondert water liggende, raken sullen; ergo het dynck wort van meer stralen onder het water gerocht dan boven. Also ist hier oock mede. Dese waterachtige dampen dan opwaerts treckende tot in het oppervlack des lochs, kommen daer byeen ende worden also reghen.
    [ > ]


Pilaren op een schilderij

Pylaren even verde van een, ofse oock even verde van een geschildert worden.

    Vincent Everdejs*) seyde den 6en July, dat Philips Lansberge [<,>] met syn sone voor hem gedefendeert hebben de opinie van schilders, die segghen dat men de evenwydighe pilaeren met het glas evenverde vaneen staende, niet even verde vaneen schilderen en moet.
[ 249 ]
Ende badt my dit volgende argument te solveren, namentlick, dat de pilaren, die verder aen den syde staen, dicht aeneen schynen te syn, daer se nochtans op onse manniere so verde vaneen geschildert werden als de middelste.

    Hierop antwoorde ick tot defentie van de opinie van Simon Stevyn [D.87], datter int schilderen altyt proportie gehouden wort tusschen de verte van het oogh ende de dadelicke pilaren, gelyck tusschen de verte van het oogh ende de geschilderde pylaren. Want gelyck de breete van de dadelicke pilaren tot de distantie van het oogh, so is oock de breette van de geschilderde pylaren tot de verte des ooghs, van waer de schilderye behoort gesien te werden. Alst dan gebeurt, datmen veel groote pylaren op een kleyn berdeken schildert, ende dat men die besiet van so verde alsmen een groot bort doet, daeruyt blyckt, dat men de rechte proportie niet en houdt. Want datmen het oock [oog?] so naby stelde als het behoorde, so soude de geschilderde pylaerkens, die verst aen deen syde staen, oock dicht aeneen schynen te syn. Of soomen so verre van de datelicke pylaren stonde naer advenant datmen het oogh sedt van het schilderytjen, so souden ons de dadelicke pylaren oock byna even wyt vaneen schynen te staen. Want dewyle alle schilderyen met één ooghe moeten gesien worden, so en konnen de geschilderde pylaren op het bert, even verde vaneen staende, ons niet even verde vaneen schynen te staen, maer het sal altyt wat schile, weynich of veel: hoe naerder dat men staet hoe meer, hoe verder hoe min; effen gelyck in de dadelicke geschiet. Die anders doen en volgen de natuere niet; kan oock niet goet, noch fray syn.


    *)  Vincent Everdeys (1596 - 1637) was zilversmid te Middelburg [>]. Zijn broer Hans was een zwager van Beeckman.
    [ < , > ]


Leren van elkaar

Collegij mei mathematici ratio.

    Het collegium mathematicum, twelck ick voorgenomen hebbe te beginnen in September, sal aldus met de beste bequaemheyt konnen gehouden worden. Ick sal overhants twee geleerde byeen ende twee ongeleerde byeen setten; doch d'een synde geleerder ende de ander ongeleerder als syn moet, sal dan al de geleerde seffens al de ongeleerde doen onderwysen.
Twelck gedaen synde, sal ick de geleerde ende ongeleerde malcanderen doen leeren, dewyle sy niet evenveel en konnen. Twelck sy al geerne sullen doen volgens myn exempel, die haer alle om niet leeren sal. Onderentusschen sal ick de geleerste ende ongeleerste konnen leeren na gelegentheyt. Also soude eenen meester hondert ende hondert discipulen konnen leeren in eenen korten tyt.
[ 250 ]

Correcte uitspraak

Pronunciatio vocum correcta.

    Maximiliaen Teelinck*), in syn repetitien, heeft een manniere van te dicwils sommighe woorden te pronuncieren, in dewelcke hy een syllabe int beginsel leeghe, ende int laeste hooghe heft, deselvighe traegh of lanck makende ende kleyn, id est exilem. Gelyck int bidden seer wel geschien mach alsmen seght: Wy heben misdàén Heere; byna seght men oock so: ick ben tot de burghmèésters genoot, te weten als men, daerover verwondert synde, sich daerom blyde vertoont. Andersins, alsmen slechs verwondert is, so wort die syllabe slechs wat hoogher ende volder, id est plenius, gepronuncieert.

    Nuperrime hîc minister quidam concionatus est, cujus vox nimis saltatoria. Saltus autem fit cum omnes, aut alternas, syllabas novo flatu excutimus in pausis, omnino suppresso spiritu. Idem in fine periodorum nimis accelerabat et attollebat syllabas tres quatuorve.
    Ad acumen et gravitatem vocis dignoscendam profuerit octo versûs pronunciare ad modum scholae, aut manûs musicae. Ita enim quamvis altitudinem in declamationibus poteris experiri. Sumantur, si lubet, octo priores versûs quarti Lib. Aeneidos, aut tales versûs, quorum initium est ut re mi fa sol la mi fa.

    [ Zeer onlangs is hier een zekere dienaar beroepen, wiens stem al te zeer springt. Een sprong dan treedt op als we alle lettergrepen, of om de andere, opnieuw aanblazen in tussenpozen, waarin de luchtstroom geheel onderdrukt is. Tevens versnelde hij te zeer aan het eind van de zinnen, met drie of vier lettergrepen op hogere toon.
    Om de hoogte en laagte van de stem te onderscheiden zou het goed zijn acht verzen voor te dragen naar de manier van de school, of van de muzikale hand [>]. Zo zul je immers iedere mogelijke hoogte bij voordrachten kunnen uitproberen. Neem, als je wilt, de acht eerste verzen van het vierde boek van de Aeneïs, of die verzen waarvan het begin is ut re mi fa sol la mi fa.]


    Thomas Cool [<], prekende den 29en July, viel int eynde van elcke halve periodus, ja altemet int eynde van een comma, de dry laetste syllaben ontrent een quarte, gelyck ick vooren van Maximiliaen Teelinck genoteert hebbe, die't maer altemets en doet. Daerenboven pronuncieert Thomas alteveel syllaben, al treckende. Gestûs videntur respondere affectibus. Observet igitur studiosus cui affectui quis gestus adhibere soleat, quis miseri, quis aversantis, quis irati, etc.
[ Gebaren lijken overeen te komen met gevoelens. De student moet er dus op letten welk gebaar zich pleegt te richten tot welk gevoel, welk tot dat van een ongelukkige, welk tot dat van een afwijzende, welk tot dat van een boze, enz.]


    *)  Max. Teelinck (ca. 1605 - 1653), zoon van de predikant Willem T. [>], was leerling van de Latijnse school te Rotterdam. Werd predikant en publiceerde verscheidene werken.
[ Lat. ]

[ 255 ]     eind juli - 12 aug. 1623

Regen na zonneschijn

Pluvia cur frequens post gratam auram.

    Nadien dattet dickwils reghent na schoon weder sonder bysondere voorgaende wint, daerdoor van andere plaetsen eenighe wolcken mochten kommen, so ist apparent dat de dampen boven de locht door de geduerighe hitte gehouden worden meughelick eenighe stadien dicke; ende syn also gestelt datter de Sonne doorschyndt onverhindert gelyck door de locht. Maer alst daerna soele wort, so vlieght de hitte uyt ende de dampen ineen, ende worden reghen ende wolcken.

    Ende men en moet niet dencken dat de Sonne door de voorsz. dampen, boven de locht synde, so qualick behoorde te schynen gelyck se door de mist doet. Want de mist wort gemaeckt van dampen tusschen in de locht schuylende ende de poros vervullende; ende also twee verscheyden lichaemkens aeneen wordende van verscheyden grootheyt ende gelegentheyt, also dat, alwaert dat de stralen der Sonne door elck int bysonder konden schynen, nochtans niet en souden konnen schynen door beyde byeengevoeght. Maer dese dampen syn boven de locht in vacuo ende derhalven aldaer van eenparighe nature; ende door de koude ineensackende, wordense wolcken ende dryven op de locht, gelyck houdt opt water.
    [ < ]

[ Lat. ]



Beeckman | Journaal - 1623 (top) | vervolg