Hortensius | Brieven vertaald | Brontekst

1633 , 1634 , 1635 , 1636 , 1637 , 1638 , 1639



Brieven van en aan

Martinus Hortensius

vertaald




M. Hortensius aan Pierre Gassendi
26 april 1633

Gassendi, Opera omnia (1658), T. 6, p. 409

Clarissimo Doctissimóque D. Petro Gassendo
Theologo ac Philosopho celeberrimo, S.

titelpagina   Zie, daar snelt naar u, zeergeleerde Gassendi, een brief van mij en daarbij een openbaar getuigenis van langdurige genegenheid, dat uw onlangs verschenen waarneming van Mercurius voor de Zon eerst uit onze pen heeft getrokken, vervolgens ook in het licht heeft geperst, ter voortdurende verering van uw naam*). En al is er tussen ons niet eerder vriendschap onderhouden, toch is het niet zo dat u eraan zult twijfelen dat u bij mij allang bekend en bemind bent, daar ik zo dikwijls een zeer prettige herinnering aan u heb vernieuwd met onze gemeenschappelijke vriend Beeckman, die mij alleen met de hoogste achting altijd alles over u vertelt, en werkelijk oprecht verkondigt°).
En met vertrouwen hierop heb ik de vrijheid genomen uw geschrift over Mercurius voor de Zon nauwkeurig te onderzoeken, en te vergelijken met mijn overwegingen, hopende dat het zo zou zijn dat u me dit niet kwalijk neemt, maar het heel gunstig opvat, u die zich altijd een zo sterk liefhebber hebt betoond van filosofische schermutselingen, en van oprecht onderzoek van de waarheid, dat ik zoveel van mijn gedachten als u wilt durf af te wegen met de weegschaal van uw zuivere geest. U zult daarin een wijd open veld zien van Physische en Optische beschouwingen, met de bekoorlijkheid waarvan u deze geest kunt verzadigen, en door vondsten bij vondsten te voegen onze wetenschap niet weinig kunt overladen en bevorderen. Ik zal me gelukkig prijzen als ik, na iemand gevonden te hebben die niet zozeer goedkeurt als wel onpartijdig en billijk kritiek geeft, me erop kan beroemen dat mijn pogingen geleerde mensen niet geheel en al mishagen.
Ik zal mezelf ook gelukwensen als ik onnodig aansporingen geef, en iemand die al ernstig bezig is met Astronomische waarnemingen zo aanvuur, dat u zich van dag tot dag meer en meer daaraan wijdt. Ik heb altijd, geloof me, van uw werk gehouden, waaruit ik heb begrepen dat er onder zoveel begoochelingen van het volk één Gassendi te vinden is, die met een edele bezieling naar deze hoogten durft te reiken, ver verwijderd van het slijk van de aardse zaken; en die bij dit reiken niet alleen de mooiste waarnemingen verkrijgt, maar ze ook publiceert, om ze bloot te stellen aan de oordelen van alle Astronomen. Hetzelfde hoop ik dat nu zal gebeuren bij u met mijn werk, dat ik met hetzelfde doel, namelijk bevordering van de Astronomie, met genoegen op me heb genomen, en met alle eer voor uw naam in het licht heb gegeven.
En ik zal dit werk niet uitvoeriger rechtvaardigen tegenover u, in wie helderheid van geest wedijvert met een zuiver oordeel, en een onbedwingbare liefde voor de waarheid. Want als ik me niet sterk vergis, zal ik een Gassendi hebben die niet alleen een Vriend is, maar die ook dankbaar is voor dit geschrift, en die de wederzijdse welwillendheid hierna meer dan gewoon koestert. Als u het niet beneden u acht, Voortreffelijke Heer, te bewerken dat deze wens van mij vervuld wordt, en mij herhaaldelijk te bemoedigen met uw zeer geleerde en aangename woorden, zal ik er moeite voor doen dat u nooit spijt krijgt van een tussen ons begonnen vriendschap, en ik zal maken dat zowel onze eigen studies, als gepubliceerde, daarvan te zijner tijd de niet te versmaden vrucht zullen zien.
Uw oordeel over mijn Dissertatie verwacht ik binnenkort, zoals ook wat u hebt waargenomen van de onlangs voorgekomen Zonsverduistering#). Door ons, toen in Middelburg verblijvend, is die noch bij het begin, noch bij het midden of einde, duidelijk gezien; maar alleen bij de een of andere fase, en dit maar korte tijd, wegens een zeer hevige storm.
Het ga u goed, zeergeleerde Heer, en wees mij genegen. Afgegeven te Leiden, 26 april 1633.
Tuus amni officio  Martinus Hortensius.    

[ *)  P. Gassendi, Mercurius in Sole visus, et Venus inuisa, Par. 1632 (Ned.).  M. Hortensius, Dissertatio de Mercurio in sole viso et Venere invisa, Leiden 1633 (Ned.).]
[ °)  Gassendi had Beeckman bezocht in 1629, zie C. de Waard, Journal tenu par Isaac Beeckman, T. III (1945), p. 123.]
[ #)  Op 8 april in de morgen, zie Fred Espenak & Jean Meeus, Canon of Solar Eclipses.]





Pierre Gassendi aan M. Hortensius
13 augustus 1633

Gassendi, Opera omnia (1658), T. 6, p. 62 *)

Viro Eximio, & Amico singulari Martino Hortensio,
Delfensi, Mathematico solertissimo
Petrus Gassendus S.

  Op welke manier moet ik u behandelen, zeer vriendelijke Hortensius, die mij zonder dat ik het wist en verdiende met zoveel aandacht hebt gevolgd? Ik voel me ook zeker niet in staat, ooit voldoende dank te bewijzen, aangezien u ineens zoveel welwillendheid hebt uitgestort, dat u me geheel hebt bedolven; en wanneer ik me voor het betuigen van dankbaarheid weer geheel zal hebben opgericht, zal ik althans op dit punt toegeven dat u eerst van mij hebt gewonnen. Maar zelf moest u niet zo overdadig zijn tegenover mij, of u meer beheersen, als u hoopte dat ik er iets tegenover zou zetten dat overeenkomt met uw verdiensten. Ik moet met stilte getuigen van de onverklaarbare genegenheid die ik voor u kreeg, of als u bovendien uitspraken wenst, alleen een schor gemompel laten horen. Wees daarom tevreden met deze aanduiding, hoe dan ook, en over wat er ontbreekt moet u weten dat de gedachte en de herinnering aan u in mij leven.
En dit zeg ik juist vooraf opdat u begrijpt, dat ik niet alleen toestem in de gemeenschappelijke vriendschap, die u zowel in het gepubliceerde geschrift als in de persoonlijke brief hebt verlangd, maar die ook eervol vind, en het aan een heel gelukkig lot toeschrijf, dat u als een zo groot man zich uit eigen beweging tot mij hebt willen wenden in uw onmetelijke vriendelijkheid. En als ik met mijn diensten en inschikkelijkheid niet rijkelijk genoeg zal beanwoorden aan de verwachting die u van me hebt, wijt het dan niet aan een gebrek aan bereidwilligheid die ten opzichte van u heel groot is, maar aan de zwakheid van krachten, die ik nogal voel.
  Om op uw Dissertatie te komen, ik aanvaard vooral het gevoel waarmee u mij bijna eindeloos met schone benamingen tooit; maar met uw verlof, die benamingen wijs ik af, daar ik ze niet herken als in overeenstemming met mijn gebrekkige toerusting. Die schat van ons is maar kool°), om het oude spreekwoord te gebruiken. U echter neemt dat wat van ons is zo aan, alsof het van enig belang is. Als u mij genegen bent, behandel mij dan als iemand voor wie niets belangrijker is dan eenvoud, en

[ *)  Franse vertaling: Sylvie Taussig, Pierre Gassendi (1592-1655) Lettres Latines, T. I (noten in T. II), Brepols 2004Review.]
[ °)  Cf. Phaedrus, Fabulae Aesopiae, V, 6.6: "Carbonem, ut aiunt, pro thesauro invenimus" (ed. 1667). Vgl. TNTL 46 (1927) 39-40 en De Gids 95 (1931) 27-29.]

p. 63
bij wie ook door een matige aanbeveling al bijna een meisjesachtige blos van schaamte opkomt. Die benamingen passen beter bij u, en met u gelijkstaande uitstekende mannen; voor mij is het meer dan voldoende, als ik uw vriend wordt genoemd, wat ik voortaan inderdaad zal zijn.
Verder, wat de zaak zelf betreft, ik vind dat alles geschreven is met zo'n vindingrijkheid, en zoveel inzicht, dat ik het volkomen met uw mening eens ben. En ik zeg dit niet alleen bij datgene, waarin ik u als een al te goedkeurende vriend heb, maar ook vooral bij datgene, waarin ik u leer kennen als een heel eerlijke beoordelaar. Wat u aanbeveelt bevalt me zeker in zoverre als u er niet ontevreden over bent. Maar wat u bekritiseert is daarom zo welkom, omdat ik én de oprechtheid herken, én op iets wordt gewezen dat beter is, dan waarvan ik tevoren bijna overtuigd was. Want hoezeer ik me ook toeleg op de gezindheid, ondervindingen te aanvaarden en redeneringen steeds te wantrouwen, en hoe terughoudend ik ook ben over enige zaak een oordeel te vellen; toch treft mij een of andere soort van waarschijnlijkheid; zodat ik soms de verdediger ervan lijk als ik gewone woorden gebruik.
Maar toch is geen waarschijnlijkheid ooit zo krachtig, dat ze me zozeer elke twijfel ontneemt, dat ik niet heel bereid ben er een aan te grijpen die voortreffelijker is. Om deze reden is het er zo ver vandaan, dat ik me eraan erger als iemand aantoont dat ik een minder waarschijnlijke mening heb aanvaard, dat ik hem veeleer als Leermeester, en als zegsman van wijsheid erken, en hem bewonder. Ja zelfs durf ik hem nauwelijks tegen te spreken, en ik doe het met enige schaamte, wanneer er een aanleiding, is en hoop, om te verdedigen; vrezend dat men denkt dat ik me de vrijheid, die vrienden tegenover mij nemen, niet kalm laat welgevallen; of dat ik een halsstarrige houding aanneem, terwijl ik me heb voorgesteld een houding te bezitten die heel vrij is, en 'onverschillig' ten opzichte van alles.
  Hoeveel denkt u daarom dat ik verschuldigd ben aan u, die de door mij opgeschreven mening over een of andere lucht die de Hemelbollen omringt zo nauwkeurig hebt onderzocht, dat u me terstond hebt doen besluiten tot één die veel waarschijnlijker is. Ofschoon ik het namelijk nog steeds heel waarschijnlijk acht, dat er een gebied is als een lucht, samengesteld uit eigen dampen of uitwasemingen, rondom uitgespreid over elke bol; toch hebt u me ertoe overgehaald niet meer te denken dat die zo groot is, dat het een zo grote kring van vals licht om de omvatte bol aanbrengt. Uw bevindingen zijn duidelijk, en de redeneringen zijn echt uitstekend; ik voeg er aan toe, dat ik inderdaad beter had moeten opletten of er een bepaalde verhouding werd aangehouden tussen de lucht en die omvatte bol. Al bedekt immers onze Aarde zich met haar lucht, die bezit ze toch verspreid tot een zodanige hoogte dat ze, verlicht door het Licht van de Zon, en uit de verte gezien, een vermeerdering van licht krijgt, die wel vanaf de Maan is waar te nemen? En inderdaad, het Licht dat aan de andere bollen word toegedicht, dat strekt zich bijna talloze malen verder uit dan de lichaampjes ervan.
Wat betreft de vuren in de nacht*), hier maakt u ook dat ik mijn vorige mening opgeef; want de echte oorzaak waarom ze zo sterk uitkomen lijkt die te zijn, die uzelf eraan toekent, en daarmee is nauwelijks in strijd wat ik had gegist op grond van Regenbogen of kringen bij lampen. Waarbij ik niet genoeg kan aanbevelen de vindingrijkheid van onze Beeckman, waarvan u melding maakt; maar hij kan werkelijk niet anders dan altijd volkomen aan zichzelf gelijk zijn.

[ *)  Dissertatio, p. 64: tot op welke afstand een kaarsvlam te zien is.]

63b
En zelf had ik inderdaad, nadat ik al een brief aan Schickard had gestuurd, en had laten drukken, toen ik nadacht over ik weet niet wat, iets opgeschreven dat eraan grenst; maar opdat ik me niet lijk te verontschuldigen, ik ben overgegaan tot een vollediger beschouwing van de zaak, door u opmerkzaam gemaakt, en heb grondiger bekeken hoe die zou zijn. En werkelijk, de zaak was meer aandacht waard geweest; daar ik vooral iets had moeten onderzoeken over de bouw van het oog, eigenschappen van licht, beelden van lichamen, en tenslotte de manier van zien.
  Bovendien heb ik bewonderd de onvermoeibare studie, en de speurzin waarmee u jacht gemaakt hebt op de schijnbare grootte van Sterren; en ik heb met respect de eenvoud gezien waarme u daarbij de meest gevestigde mening verwerpt; en ook heb ik mezelf geluk gewenst, die u door mijn waarneming een aansporing had gegeven om dit te grondvesten, dat door het nageslacht niet anders dan aanvaard zal kunnen worden. Er zal iets bijgevoegd of afgedaan kunnen worden bij zoveel details, wegens de moeilijkheid van het waarnemen; bij het afbakenen van de ware omvang van de Hemellichamen zal misschien iets veranderd worden in de door u veronderstelde afstand ervan tot de Aarde; maar dit is wat nodig is, hierbij zal het moeite kosten alles met meer geschikte Instrumenten op te sporen, hetzij om die dingen die u voorschrijft te weerleggen, hetzij om ze daarmee veiliger in stand te houden. Aangezien u verder de genoemde afstand opgeeft volgens de voorschriften van de veelgeprezen oude heer Lansbergen, kwam me in gedachten wat we onlangs, toen ik in Aix was, daarover hebben besproken samen met die voortreffelijke heer, en oude vriend van mij, Joseph Gaultier*). En het zal voor u (en zelfs ook voor de goede oude heer) welkom zijn, naar ik meen, als ik dit op deze plaats invoeg.
Toen ik dus zelf die vondst van Lansbergen aanbeval over de meting, en de afstand van de Aarde en de twee Hemellichten, en lof had voor de figuur die zowel in de Prolegomena als in het tweede boek [p. 116] van Uranometria staat, vond Gaultier die ook goed, en hij prees het bewijs, waarin de redeneringen van de andere meesters van een fout worden beschuldigd. Maar hij voegde eraan toe dat hij bij de voorbeeldige hernieuwing iets zag, dat door de scherpzinnige man over het hoofd was gezien; dat namelijk de halve diameters, zowel van de Zon als van de Aarde, waren genomen die eindigen bij de ware contactpunten van de lijn uit de top van de schaduw, gericht naar de buitenkant van de bollen, en dat de lijn naar het contactpunt met de bol van de Zon niet was getrokken uit het middelpunt zelf van de Aarde, maar vanaf het oppervlak, omdat hier, en niet daar, de schijnbare halve diameter van de Zon wordt waargenomen. Hoewel Lansbergen namelijk ondertussen laat weten dat het weinig uitmaakt (wat mijn antwoord was) dat dit alles weinig uitmaakt wegens de ontzaglijk grote afstand van de Zon tot de Aarde, toch lijkt het ook (hield hij vol) dat de zaak niet veronachtzaamd had moeten worden, van hoe weinig belang ook; en omdat deze Schaal voortaan wordt vastgelegd om de afstanden en grootten van de overige Hemellichamen te meten, kan een klein foutje dat hierbij wordt toegelaten uitgroeien tot iets groots.
En om er tegelijk bij te voegen, welk bewijs hij vijftien jaar geleden in zijn Ptolemaeus opnam (en onlangs ook in het exemplaar van Lansbergen's Uranometria door mij te Parijs aan hem verzonden),

[ *)  Zie over Gaultier de brief van Peiresc aan Hortensius van 23 jan. 1634, n. 3, 5.]

p. 64
hij haalde de boeken erbij en liet het meteen zien. De zaak zit als volgt in elkaar, voorzover mijn geheugen me helpt.
schaduwlijnen bij eclipsen   Neem de Tekening, en de uitleg ervan, zoals die bij Lansbergen staat, laat alleen de lijnen AN en BO worden toegevoegd, die loodrecht vallen naar de contactpunten van de lijn DE*), en evenzo de lijn PQ, die na het contact in Q de lijn DE snijdt in R, en de lijn AE ontmoet bij het punt E. Vervolgens de lijnen AQ en AR. Hiermee zullen we als volgt redeneren om de afstand en de grootte van de Zon te verkrijgen, en hetzelfde moet naar verhouding begrepen worden bij de Maan. Ten eerste wordt de hoek D aldus bekend: de driehoek BCI is rechthoekig, en gegeven wordt behalve hoek CBI de zijde BC, dus de lijn BI is gegeven. Evenzo is driehoek BOI rechthoekig, en daarin worden gegeven de zijden BO en BI, dus zal hoek OBI gegeven zijn. Als hierbij wordt opgeteld hoek CBI komt hoek CBO, en als deze wordt afgetrokken van de rechte hoek CBG zal GBO overblijven. Verder is aan hoek GBO gelijk de hoek BDG (of de gezochte hoek D) wegens de rechte hoeken en de gemeenschappelijke hoek bij G.
Ten tweede wordt de lijn PR aldus gevonden: van de rechthoekige driehoek OBD is behalve de hoeken bekend de zijde BO; dus zal ook de zijde DB bekend worden, en als daarbij wordt opgeteld BP komt er DP, één van de zijden van driehoek DPR, en omdat hiervan bovendien alle hoeken bekend zijn, wegens de bekende buitenhoek APQ, te weten van de schijnbare halve diameter AQ, en evenzo de binnenhoek D, daarom kan de zijde PR niet onbekend zijn.
Ten derde wordt de hoek RAP aldus verkregen: hoek EAN is gelijk aan hoek ADE wegens de rechte hoeken en de gemeenschappelijke hoek bij E; als namelijk DN gedacht wordt te zijn doorgetrokken tot de samenkomst met lijn AE.
raakpunten bij de zon[ *)  AE ⊥ AD; in de figuur van Uranometria zijn DE en BE raaklijnen, hier DN en PQ.]


64b
Evenzo is hoek EAQ gelijk aan hoek APQ, of APE, wegens rechte hoeken en de gemeenschappelijke hoek bij E. Van EAQ wordt afgetrokken EAN; dan zal overblijven hoek NAQ. Deze wordt doormidden gedeeld door lijn AR, daar deze immers de gemeenschappelijke hypotenusa is van rechthoekige driehoeken waarvan anderszins de bases AN en AQ gelijk zijn aan halve diameters. Dus als de helft van NAQ, zoals NAR wordt opgeteld bij hoek EAN, wordt gemaakt hoek EAR, waarvan het complement is de gezochte hoek RAP.
Ten vierde zal evenzo de zijde PA, oftewel de afstand van de Zon tot het oppervlak van de Aarde, daardoor gegeven worden, dat in driehoek ARP gegeven zijn alle hoeken met de zijde PR, en er moet alleen de halve diameter PB bij opgeteld worden om de ware afstand van de Zon tot de Aarde te verkrijgen.
Ten vijfde zal insgelijks de halve diameter van de Zon AQ niet anders dan gegeven kunnen worden, omdat in de rechthoekige driehoek AQP alle hoeken met de zijde AP gegeven worden.
En zo deed Gaultier het inderdaad, of het scheelde weinig.
Om terug te keren tot de kleine afmetingen van de Sterren, zowel van Daalsterren als van Vaste sterren: ik zie ten eerste met hoeveel doorslaggevende argumenten u de redenen van onze beroemde vriend Schickard verwerpt*), om te bewijzen de door mij waargenomen omvang van Mercurius niet moet worden vergroot, wegens gezichtsbedrog. Zelf had ik zeker ook iets bedacht dat erop geantwoord kon worden; maar u laat niets achterwege; en ik denk dat de voortreffelijke man, nadat hij uw antwoord aandachtig zal hebben gelezen, het met beide handen zal aangrijpen.
Vervolgens ben ik blij voor u, omdat bij u bijna dezelfde gedachten zijn opgekomen, als bij die man over wie men nimmer uitgepraat zal raken, Galilei. Zodra hij over de door mij ontdekte kleine afmeting van Mercurius las, liet hij me per brief weten dat hij allang ervan overtuigd was, dat Mercurius en de andere sterren ongelooflijk veel kleiner zijn dan gewoonlijk wordt gedacht, en dan ze lijken; en dat ik het zou zien in het boek dat al ter perse was en waarvan hij terstond een exemplaar zou sturen°). De goede oude heer hield zich aan zijn belofte, en half januari jongstleden kwam er nog een brief, aan mij en aan onze gemeenschappelijke vriend Elia Diodati geschreven#), waarin hij meedeelt dat de uitgave verboden was, en dat hij naar Rome was opgeroepen, om van zijn Boek rekenschap te geven voor het Heilig Officie, zoals men dat noemt. Hij is naar Rome vertrokken, en ik weet niet wat er nu met hem gedaan wordt.
Wel ben ik er bijna van overtuigd, dat geen enkel exemplaar van het boek bij u is aangekomen, en dat er niet veel hoop meer is, dat het binnenkort komt. Daarom zal ik hier voor u een bladzijde of twee overschrijven, waarin het gaat over de kleine afmeting van sterren; opdat u ziet op welke manier de goede man die heeft verkregen. En ik zal het in het Italiaans overschrijven, zoals dit boek is geschreven, aangezien ik erop reken dat u ook Italiaans begrijpt, omdat u het boek van dezelfde schrijver over Zonnevlekken aanhaalt, dat ook in het Italiaans is. Het boek bevat vier Dialogen over de twee Systemen, het Ptolemaeïsche en het Copernicaanse. En zo de vierde [derde] Dialoog, en wel pagina 393 [353] van het boek. De gespreks­deelnemers Sagredo en Salviati gaan als volgt verder:
  Sagr.  L'error dunque di costoro consiste+), enz. Tot aan dat Veggo, enz. Verder ook, aangezien in die brief van januari jongstleden, waarin hij zijn mening over de kleine afmeting van Venus en Mercurius herhaalde,
[ *)  Dissertatio, p. 25-29.]
[ °)  Gassendi aan Galilei, 1 maart 1632, in Le opere XIV, p. 333;  Galilei aan Diodati, 9 april 1632, XIV, p. 340.]
[ #)  Gassendi aan Galilei, 1 nov. 1632, XIV, p. 422;  Galilei aan Diodati, 15 jan. 1633, XV, p. 23.]
[ +)  Engl. 1661 (Thomas Salusbury), p. 326-328: "The errour then of these men, consisteth ...";  2001 (Stillman Drake) p. 418-421: "Then their error consists ... the halo ...";  Ned. 2012 (Hans van den Berg), p. 510-513: "... dat touw dat tussen mij en de ster hing ...".]

p. 65
een uitstekende redenering staat als antwoord op die dingen, die de Copernicanen gewoonlijk worden tegengeworpen op grond van de Heilige Schrift; zal het u veel genoegen doen, dat weet ik wel, als ik dat ook opschrijf. Ik heb het namelijk overgeschreven naar aanleiding van zowel Ant-Aristarchus, als het befaamde Probleem, u kent de boeken die onlangs geschreven zijn om de beweging van de Aarde te stoppen. Onder andere dus wordt dit gezegd*):
Quanto al N. che pur si monstra humo di grande ingegno, enz. tot aan dat alla moltitudine Populare. Tot zover Galilei.
  Het is nu twee maanden geleden, waarde Hortensius, dat ik tot hiertoe gekomen was. Ik wilde namelijk niet traag blijken in het betuigen van mijn dank aan u; maar nu blijk ik het ongewild toch te zijn, en als uw goedheid deze traagheid niet verontschuldigt, blijf ik zonder verontschuldiging. Ik zal toch openhartig het volgende zeggen. Daar ik toen ook een begin had van een antwoord aan Schickard, waarin veel waarnemingen van Hemel­verschijnselen stonden, kwam de gedachte op dat die ook voor u heel welkom zouden zijn, omdat u juist had verlangd enkele ervan te mogen zien. Dus is het zo gegaan dat, terwijl ik het uitstelde die mee te delen, totdat mijn brief aan Schickard klaar zou zijn, deze hele tijd is verstreken. En waarachtig, wat denkt u dat er gebeurt als de brief al afgesloten is? Daar volgen bezigheden van een bezoek met mijn meerdere van het gehele Diocees, die mij verhinderen meer moeite te doen voor u (wat ik het liefst gewild had).
Maar ik heb dit plan opgevat dat ik, aangezien ik nu een geschikte Amanuensis mis, naar mijn Luillier°) in Parijs schrijf, of hij zorgt voor een exemplaar van deze waarnemingen, voordat hij ze voor Tübingen bestemt, en dan dat exemplaar met deze brief naar u in Holland stuurt. En als hij er misschien ook voor zorgt dat overgeschreven wordt wat tussen de waarnemingen is ingevoegd, en zo ook, wat nog beter is, de hele brief, dan zal het mij tot voordeel zijn, dat de oorzaken van de vertraging van de brief aan u bekend worden. Dit omdat ik wil, dat u inziet dat dit of meer, of ook alles aan u gezegd wordt; ik zal deze keer niet uitvoeriger zijn.
Ik eindig dus en wens u lange en gezonde jaren toe, tot groot voordeel van de goede wetenschappen. Ik voeg er een groet bij, en ik wil graag dat u die uit mijn naam overbrengt aan de goede Lansbergen, en de dierbare vrienden Golius en Beeckman. Het ga u goed.
Geschreven te Tanaron, dorp in het diocees van Digne, op 13 augustus 1633.
[ *)  Le opere XV, p. 24-25.  N. (die zich betoont als iemand met een groot verstand) is Froidmont, de schrijver van Ant-Aristarchus, Antw. 1631.  Galilei zegt: de natuur is het werk van God, de Heilige Schrift zijn woord; de eerste is niet te veranderen door menselijke opinies en wensen, het tweede richt zich tot het volk.]
[ °)  Zie over Luillier de brief van Peiresc aan Hortensius, 23 jan. 1634, noot 2 van p. 221.]





M. Hortensius aan Pierre Gassendi
5 december 1633

Gassendi, Opera omnia (1658), T. 6, p. 417

Clarissimo Viro Domino Petro Gassendo, S. P.

  U zult niet geloven, voortreffelijke en zeergeleerde heer Gassendi, met hoeveel blijdschap ik uw antwoord op mijn brief en Dissertatie heb ontvangen, niet alleen wegens de vrees die ik had voor de lengte van de afstand waarop u van ons af bent; maar vooral wegens uw verstand en oprecht karakter; waarmee u mijn vrijheid bij het bespreken van uw geschrift niet beneden uw waardigheid hebt geacht,

p. 418
maar heel gunstig hebt ontvangen; en met uw welwillendheid hebt u bij verschillende controverses een waarschijnlijker mening aanvaard. Ik feliciteer mezelf er niet weinig mee, dat die pogingen u zijn bevallen; en dat ik in een gedeelte van uw vrienschap ben toegelaten, die ik eerder zo vaak gewenst heb, toen de naam Hortensius nog niet gehoord was door Gassendi. Maar ook van mijn kant aanvaard ik niet die titels, waarmee u op uw beurt mij onophoudelijk toevoegt aan de grootste mannen van onze tijd; ik die nauwelijks tot de eerste mijlpaal ben gekomen in dit onmetelijke veld van roem; zo niet roekeloos, dan in elk geval stoutmoedig genoeg, heb ik het tot hier toe aangedurfd mij bloot te stellen aan het oordeel van de eeuw.
Beschouwt u het zo, zeergeleerde Gassendi, dat ik een beginner ben in het doorzoeken van de geheimen der natuur, en als iemand die nog maar heel weinig jaren (ik heb er nauwelijks 28 achter me) bezig is met beschouwen van de zaken; dat ik voor mezelf zo denk, dat ik heel veel naar mijn beste weten heb gedaan, als ik maar met onvermoeibare arbeid, met weggeschopte speelballen van het onwetende volk, aldus mag verschijnen in het koor van geleerde mensen; zoals die Mercurius van u op de Zon verscheen, dat wil zeggen, zodat ik maar een heel kleine schaduw maak in het grote licht.
Hoe kunt u dus denken dat ik het lezen van uw geschriften beneden mij zou achten, omdat u als groot Filosoof het mijne zo hebt aanvaard, alsof het niet behoorde te worden verborgen, en in de schaduw gelaten; maar te worden gelezen met de ogen van grote mannen, en midden in het licht gehouden. Zeker wil ik liever dit oordeel toeschrijven aan de indruk die u hebt, dan mezelf zo vleien dat ik meen dat het zo is omdat een vriend zijn oordeel heeft uitgesproken; en in het vervolg moeite te moeten doen om, meer en meer vorderend, tenslotte naar verdienste te worden gehouden voor degene, die ik ben volgens uw al te vroege oordeel.
  Ten aanzien van een luchtsfeer die de hemelbollen omringt, ben ik blij dat u het nu anders ziet; en ik hoop als u de zaak helemaal hebt onderzocht, dat u niet slechts een zo grote hoogte ervan zult verwerpen, maar tenslotte elke aanwezigheid daar, althans op de Maan; waarvan mij tot dusver alle verschijnselen hebben overtuigd, en vooral de waarnemingen met een Telescoop. U erkent terecht met mij dat de versterking van nachtelijke vuren alleen van de ogen afhankelijk is; en wat dan als ik dezelfde oorzaak toeschrijf aan de hele versterking van de Planeten; waarom zouden we dan een luchtkring moeten hebben om ze te omringen?
Er wordt immers geen verhouding waargenomen tussen de planeetbol zelf en de omringende stralende massa; wat wel blijkt uit de schijngestalten van Venus. En toch, als een echte lichtgevende luchtkring ze zou omgeven, zou die niet alleen zichtbaar moeten zijn, maar bij verschillende Planeten een verschillende verhouding moeten aanhouden; omdat, ook al is die bij enkele van matige omvang, hij toch niet bij alle dezelfde hoogte heeft. En integendeel, soms lijken Planeten met het blote oog even groot, die als ze met een Telescoop worden bekeken, een aanmerkelijk verschil vertonen in de diameters. Wat duidelijk maakt dat de echte verschijning van de diameters niet een zó grote bijdrage krijgt van een luchtsfeer, dat ze in het oog uitgroeien tot dezelfde grootte; maar dat dit alleen van de ogen afhangt; en hieruit kan geen enkele verhouding afgeleid worden voor een luchtsfeer.
Bijvoorbeeld in de maand maart van dit jaar 1633 werd Venus met het blote oog soms groter geoordeeld dan Jupiter; terwijl de eerste toch met de Telescoop een diameter kreeg die wel een derde deel kleiner was. Als dus de vermeerdering van Venus bij nacht zou gebeuren door lucht

418b
die er omheen zit, zou die dezelfde dikte hebben als de halve diameter van de Venusbol (anders kon deze immers niet even groot worden als Jupiter), wat u in elk geval niet zult aannemen, naar ik geloof. Hetzelfde heb ik een andere keer ondervonden bij Venus en Mercurius, en als u erop let, zult u bevinden dat het zo is.
  De bewijsmethhode van de afstand van de Zon tot de Aarde, van de goede man de heer Gaultier, heb ik met veel genoegen ontvangen; maar als hij het goedvindt, ze lijkt te nauwkeurig. Als hij immers beweert dat de halve diameters van de Zon en de Maan beschouwd moeten worden zoals ze vanaf de Aarde worden gezien, en oordeelt dat Lansbergen die kleinigheden niet had moeten verwaarlozen, moet hij weten dat hij zich voor ons eerst zeker moet stellen van de halve diameters van Zon, Maan en schaduw tot op seconden, voordat het bewijs niet een zo groot verschil met zich meebrengt, als kan ontstaan door Lansbergen's verwaarlozing.
En hoe moeilijk dit is te doen, weet hij ongetwijfeld heel goed. Maar toch prijs ik zijn ijver, en ik ben blij dat hij het zo oprecht meent met mijn Lansbergen, ach dat was me iemand*), en ik zie dat er bij uw Fransen veel meer wellevendheid is, dan bij mijn tegenstanders de Denen, die tot nog toe met geen redenen zo ver hebben kunnen komen, dat ze zien dat de methode van Lansbergen echt meetkundig is, maar dat het bewijs van Tycho en van Longomontanus niet overeenstemt met de meetkunde en ingaat tegen hun eigen gegevens.
Wanneer ik de Denen mijn tegenstanders noem, wil ik dat u weet dat er voor mij nu een zaak is met een zekere Bartholin, die een Apologia voor Tycho heeft uitgegeven tegen mijn voorwoord in Commentationes van Lansbergen over de beweging van de Aarde. Als u dat boekje niet hebt gezien, zult u het te Parijs kunnen verkrijgen. Want ik weet dat de heer Mersenne het heeft gelezen. Het is onaangenaam, en afkomstig van zo iemand die de Astronomie met te ongewassen handen°) heeft behandeld, dan dat hij in het heilige der heiligen ervan heeft gekeken. Uitvoerig ben ik daar tegen de vermindering van de schaduw van de Aarde en de Maan bij verduisteringen van Zon en Maan, door dichte lucht, die Longomontanus verzint in zijn werk, evenzo tegen die van de Maan van Tycho; tegen een constante excentriciteit van de Zon, enz.; en ik hoop dat ik naar uw oordeel en dat van uw gelijken de mening van Lansbergen en mij mooi staande houd.
De uittreksels uit het boek van de heer Galilei zijn me zeer goed bevallen. Zou ik het hele boek kunnen krijgen? Geen werk zou meer welkom in mijn handen kunnen vallen. Ik zou willen weten of de zaak van Rome voor hem goed is afgelopen, en of het boek niet verboden is. Als het anders is, hebben de Copernicanen hun zaken toch behouden. Onze Willem Janszoon Blaeu heeft een heel elegante sfeer gebouwd volgens de opvatting van Copernicus, en als de Paus zelf die ziet, zal hij wel niet anders kunnen dan zich erdoor laten overtuigen. Binnenkort zal hij die uitgeven, naar ik meen, en naar Italië zenden, voor de belangrijke mensen van het Roomse hof.
Uw waarnemingen, die u in Parijs hebt laten overschrijven, verwacht ik tot nog toe tevergeefs. Door wiens schuld ze daar zo lang blijven steken, weet ik echter niet; en nu zal ik pater Mersenne vragen of hij de zorg ervoor op zich wil nemen. Als u de conjunctie van Venus en de Maan van 29 oktober hebt waargenomen, verzoek ik u de moeite te nemen de waarneming mee te delen. U kunt in ruil daarvoor iets van mij verwachten, al heb ik dit jaar weinig waargenomen door verhindering van bezigheden, reizen, en bijna voortdurende wolken, waardoor we deze zomer en herfst werden geplaagd. Uw antwoord kunt u bestemmen voor de heer Mersenne, door wie het daarna gemakkelijk
[ *)  Lansbergen was overleden in dec. 1632.]
[ °)  Zie Erasmus over Nederlandse spreekwoorden (1873), p. 37.]

p. 419
aan mij gestuurd zal worden. De heer Vossius laat u heel vriendelijk groeten, en hij zal u met een brief groeten zodra het mogelijk is, bij de bezigheden waarmee hij het nu buitengewoon druk heeft.
Maar hier is nog iets dat ik bijna vergeten was. Als u enigszins vertrouwelijk bent met de illustere Molino*), senator van Venetië, wilt u dan alstublieft mijn Dissertatie aan hem sturen en mij aanbevelen, ik zal deze dienst later bij een of andere gelegenheid weer goed maken.
Hetzelfde zij gezegd over de heer Galilei. Hoezeer ik deze man hoogacht kan ik zeker niet genoeg zeggen. Als u maar een gelegenheid hebt, verzoek ik u wegens de vriendschap, ervoor te zorgen dat met deze brief mijn Dissertatie naar hem wordt gestuurd, ik geloof dat u deze nu in Lyon of Parijs kunt verkrijgen; omdat er niet weinig exemplaren naar Frankrijk zijn verzonden°). De prijs die u ervoor betaalt zal ik hier bij een andere gelegenheid vergoeden. Ik laat alles aan u over; als ik hierbij van uw werkzaamheid gebruik mag maken, betwijfel dan niet dat u heel bereid zult vinden om meer voor u te doen,
Uw tot alles bereide Martinus Hortensius. 
  Afgegeven te Amsterdam op 5 december 1633.
Doet u de goede heer Gaultier, hoewel ik hem niet ken, mijn groeten, en wens hem het allerbeste.
[ *)  Dominico Molino, genoemd in Lettres de Peiresc, T. 4 (1893), p. 414, 419, 433, 463.]
[ °)  Gassendi stuurde een exemplaar naar Peiresc, en deze stuurde het door, Ibid. p. 427 en 428.]





Nic.-Cl. Fabri de Peiresc aan M. Hortensius
23 januari 1634

C. de Waard, Journal tenu par Isaac Beeckman, T. 4 (1953), p. 220

Carpentras, Bibl. d'Inguimbert, ms 1874, fol. 27r en v*). - Copie ...


    Monsieur,
  De rechtschapenheid van meneer Gassendi en de bijzondere genegenheid die hij mij toedraagt, hebben gemaakt dat hij me de gunst heeft willen verlenen de brief mee te delen die u hem onlangs hebt geschreven 2) over de methode van de heer Gauthier 3), voor de bijvoegsels van het bewijs van de afstanden tussen de Aarde en de Zon, omdat de genoemde heer Gauthier ter wille van mij de moeite had genomen op schrift te stellen wat hij ervan had waargenomen, een beetje uitgebreider dan hij het lang geleden in zijn Ptolemaeus had gedaan, en later in het exemplaar dat hij had van Uranometria van de heer Lansbergen 4), aan wie ik de opvattingen van de genoemde heer Gauthier erover 5) had willen sturen. Maar nu meneer Gassendi ons hier is komen bezoeken, ben ik blij dat hij er zich mee belastte u te schrijven, aangezien u als het ware het oor bent van deze eerbiedwaardige oude heer en u er geen moeite mee hebt zozeer een vriend van hem te zijn.
  Op dat moment ben ik heel blij geweest te zien dat deze werkzaamheid voor u niet minder aangenaam is geweest dan de onbevangenheid en openhartigheid van onze natie om deugdzaamheid overal te eerbiedigen waar ze verschijnt; en ik beken u oprecht dat te wensen zou zijn, zoals u zegt, dat de afmetingen van deze hemellichamen en van deze schaduwen aangetoond kunnen worden tot in het kleinste detail, aangezien de tijd er meer geschikte middelen voor zou kunnen openbaren dan we tot nu toe hebben gehad. Maar ondertussen lijkt het altijd heel goed er niets bij te veronachtzamen van alles wat de menselijke werkzaamheid aan kennis ervan heeft kunnen opdoen, waarbij nooit teveel voorzorg genomen kan worden; en in deze materie, waar de kleinste nalatigheden enorme gevolgen kunnen hebben voor de grootte.
  Nu ik heb gezien hoeveel moeite u doet om het boek van de heer Galilei 6) te zien, dat zoveel ophef heeft gemaakt, en nu de genoemde heer Gassendi me de spijt heeft betuigd die hij had

[ *)  Bibliothèque Inguimbertine (zie ook n.5 en p. 222, n.3), Ms. 1874, Fol 26: 2 voor Hortensius, 22 en 24 jan. 1634; Fol. 27 wordt niet genoemd.]
1)  Zie over hem p. 152 hiervoor [Gassendi aan Peiresc, 21 juli 1629].
2)  De brief van Hortensius aan Gassendi, Amsterdam 5 dec. 1633 (Paris, Bibl. nat., f. lat. 1637, fol. 86recto en verso of Gassendi Opera, t. VI (Lugd., 1658), pp. 417-419).
3)  Joseph Gauthier of Gaultier, in 1564 geboren te Rians wer geestelijke, maar was ook een vermaard astronoom, en leermeester van Morin, Wendelinus, Ismaël Boulliau en zelfs van Gassendi. Hij overleed in 1647 te Aix.
4)  Voor dit werk van Philippus Lansbergen zie T. III, p. 206, n.2 [notitie van Beeckman, 1631].
5)  Gaultier's voor Peiresc geschreven uiteenzetting bij Ptolemaeus, Almagest, boek V, h. 15, en bij Lansbergen's Uranometria, is te Carpentras in de Bibl. Inguimbertine, ms 1832, fol. 297 e.v. Zie ook p. 217.
6)  De Dialogo van 1632 [Ned. 2012]. Beeckman had al een exemplaar aan Mersenne gevraagd (p. 215-216 hiervoor). Hortensius vroeg het aan Gassendi in zijn brief van 5 dec. 1633.

p. 221
omdat hij er geen had om u te sturen 1), aangezien hij me het antwoord deed toekomen dat hij u stuurt om het u te doen krijgen via de heer Lhuillier 2) en de goede pater Mersenne te Parijs, ben ik ertoe gekomen het boek dat u wenst bij zijn brief 3) te doen, en ik verzoek u het te houden met evenveel genoegen als ik het u gaarne toestuur. En ik voelde me verplicht langs dezelfde weg aan u te schrijven, ik was blij met deze gelegenheid u mijn dienst aan te bieden, en ik verzoek u er vrijelijk over te beschikken in alles wat naar uw oordeel van pas komt om u er betere bewijzen van te geven.
  Van Lansbergen wisten we niet dat hij van u en ons is weggenomen, ik betreur ten zeerste het verlies voor het publiek en uit genegenheid voor u 4).
  Meer dan tien jaar geleden had ik al een sfeer volgens het systeem van Copernicus gezien, van de uitgave in uw contreien meer dan tien jaar geleden, en heel goed gemonteerd; maar er was zeker iets op aan te merken 5). Daarom wachten we respectvol op die waarvan u zegt dat hij geheel nieuw is uitgebracht door de heer Willem Janszoon 6), aangezien deze zo volmaakt is geworden dat u denkt dat hij voldoening kan geven aan die Heren van Italië, die een zo fijne smaak hebben en die op dat gebied zoveel argwaan hebben 7).
  Wat betreft de arme Galilei, u zult maar al te snel het vonnis zien van de veroordeling van zijn boek en van zijn stelling 8), aangezien men het juist gedrukt heeft te Parijs 9), tot groot leedwezen van veel eerbare mensen. Het laatste nieuws dat ik ervan heb gekregen 10) hield in dat hij nog bij de aartsbisschop van Siena is, heel eervol ondergebracht in een rijk gestoffeerde kamer en heel goed behandeld; en dat men hem de hoop gaf zich weldra met toestemming te kunnen terugtrekken in een huis van hem dichtbij Florence 11); dat hij ondertussen liet drukken enkele

1)  Over het ex. van Gassendi zie p. 215, n. 10. Sinds begin aug. 1632 was verspreiding verboden.
2)  François Luillier, rijke geleerde advocaat te Parijs die in 1629 met Gassendi naar de Nederlanden was gegaan; correspondent van Peiresc.
3)  Brief van 29 jan. 1634, in Opera, t. VI (1658), pp. 67-68.
4)  Lansbergen was eind 1632 overleden (zie p. 216).
5)  Over een dergelijk instrument dat Peiresc had, zie p. 153.
6)  Deze nieuwe sferen van Willem Jansz. Blaeu waren al aangekondigd door Gassendi in zijn brief aan Peiresc van 21 juli 1629 (p. 153). Hortensius had er ook over gesproken in zijn brief aan Gassendi van 5 dec. 1633 (Gassendi Opera, t. VI (1658, p. 417).
7)  Zulke sferen ('bellissima') waren in 1636 in Venetië aangekomen (Le Opere di Galileo Galilei, ed. naz., vol. XVI (1905) [en 1936], pp. 411, 437, 440, 442 et 446) en ook in Rome, voor kardinaal Barberini (ibid., pp. 425 et 427) [Ned.].
8)  Het vonnis stond in de Gazette van dec. 1633 (Renaudot, Recueil, 1634, p. 531).
9)  De nuntius van Keulen had een Notificatie gepubliceerd, Luik, 20 sept. 1633. Descartes gaf een uittreksel in zijn brief aan Mersenne van 14 aug. 1634.
10)  Dit nieuws had Peiresc vernomen van M.-A. Girard de Saint Amant die Galilei te Sienne had bezocht en, op terugreis van Rome naar Parijs, op 14 dec. 1633 bij Peiresc was (Lettres de Peiresc, t. IV (1893), pp. 390 et 392).
11)  Iedereen weet dat het gaat om 'Il gioiello' te Arcetri.

p. 223
brieven geschreven door een dochter van hem die non is 1) en voor enkele van zijn vrienden. Als ik er nog meer over verneem dat ik voor u wetenswaardig acht, zal ik het u heel gaarne meedelen, en ik verzoek u op mij te rekenen, als,
Monsieur,    
  A Aix,
ce 23 janvier 1634.
de vostre tres humble et tres affectionné serviteur,
De Peiresc    

Als u de heer Saumaise 2) ziet, verzoek ik u hem mijn ootmoedige groeten te doen.

Omdat het boek te omvangrijk was voor de post, heb ik het bewaard voor een vriend van me die naar Parijs gaat 3). En ondertussen dacht ik dat u het niet erg zou vinden er van te voren bericht van te krijgen, en deze brief heb ik erbij geschreven om bij die van meneer Gassendi 4) te voegen.

1)  Deze buitenechtelijke dochter, Virginie geheten (Padua, 1600), ging in 1616 het klooster in als Maria Celeste. Galilei's brieven aan haar zijn verloren gegaan; die van haar staan in A. Favaro, Galileo Galilei e suor Maria Celeste (Firenze, 1891).
2)  Claude Saumaise (Salmasius), geboren te Semur op 15 april 1588. De beroemde geleerde werd in 1631 professor te Leiden, waar hij de niet minder beroemde Joseph Scaliger opvolgde.
3)  Deze 4 regels zijn in de marge geschreven. De genoemde verzameling heeft na deze brief een briefje (kopie) van 7 regels van 24 jan. met bijna hetzelfde als dit P.S. Peiresc schijnt de verzending van het boek enige tijd te hebben uitgesteld. Hortensius vraagt er nog om op 2 juni 1634 aan Peiresc en aan Gassendi. Hij ontving het in de zomer. Aan zijn brief aan Gassendi van 5 dec. 1633, (hierboven p. 220, n. 2), had Hortensius een exemplaar gestuurd van zijn Diss. de Mercurio in Sole viso en een brief voor Galilei. Dit kan verklaren waarom deze in mei 1634 uit Livorno een exemplaar van de Dialogo stuurde, door Hortensius omstreeks dezelfde tijd ontvangen als dat van Peiresc, zoals al eerder opgemerkt (t. III, p. 356, n. 1). Zie ook Hortensius' brief aan Gassendi van 15 sept. 1634 en hierna p. 224.
4)  Brief van 29 jan. 1634. Zie hierboven p. 221, n. 3.





Pierre Gassendi aan M. Hortensius
29 januari 1634

Gassendi, Opera omnia (1658), T. 6, p. 67

Viro & Praeclaro, & summè Amico Martino Hortensio
Delfensi, eximio Mathematico
Petrus Gassendus S.

  Kort antwoord ik, voortreffelijke Hortensius, opdat ik snel antwoord. Ik krijg namelijk een gelegenheid om aan onze Fabri in Aix zowel het exemplaar van de Dissertatie te zenden, als de brief waarvan u wilde dat die naar Galilei wordt gestuurd. En ik kan dit niet doen, nu ik tegelijk naar Parijs schrijf, zonder dit blad papier voor u, dat daar vandaan moet komen, erbij te voegen. En ik zou alleen willen, dat u weet dat ik uw laatste brief heb ontvangen en dankbaar aanvaard; en vooral omdat ik te weten ben gekomen dat mijn brief u wel beviel.
Ik vind het jammer dat het afschrift van de brief, die ik tegelijk in dezelfde maand augustus voor Schickard had afgegeven, nog niet bij u is aangekomen; maar dat is niet de schuld van mijn Luillier. Daar is namelijk dat afschrift gemaakt, en door hem aan onze Mersenne toevertrouwd; maar in zijn al te grote goedheid heeft de man geloofd dat het gezien moest worden door ik weet niet wie; en vervolgens kon hij het niet zo snel als hij had gewild terugkrijgen. Doch ik ben van mening dat hij, vooral omdat hij uw brief heeft gekregen, er zich ernstig voor heeft ingespannen om te voldoen aan uw en mijn wensen.
Overigens kwam het zo uit dat ik meer dan een week geleden, naar aanleiding van Mercurius, die zowel in de maand oktober als onlangs door mij is waargenomen, nog een brief afgaf voor dezelfde Schickard, eveneens overvol met waarnemingen*). En ik schreef tegelijk naar Parijs, opdat de brief overgeschreven zou worden, waarvan u meteen een kopie zou krijgen, als die niet op dezelfde manier onderschept zou worden. En hiervoor zorg ik weer, niet omdat u onder het waargenome iets uitzonderlijks zult opmerken, maar omdat ik niet op een andere manier mijn gevoelen ten opzichte van u kenbaar kan maken. Tegelijk maakt dit me er zeker van, dat ik altijd te goeder trouw handel, zolang ik iets behandel voorzover een gelegenheid van vrije tijd, plaats of benodigdheden het mogelijk maakt.
Wat u vooral verlangt te zien, als ik iets heb waargenomen van die Conjunctie van Venus en Mercurius anderhalf jaar geleden°), u moet weten, tenzij misschien dat afschrift u eerder bereikt, dat mijn waarneming beschreven is in een brief#) aan uw Willem Jansz. Blaeu die bekende Drukker, geschreven twee maanden nadat ze gedaan is. De brief werd nog wel naar hem gebracht door die veelgeprezen Saumaise, die naar uw land kwam. U kunt dus de waarneming bij hem halen; en niet alleen die, maar ook meer andere, met name van onze Valois, die ik hem toen op aansporing van de welbekende Grotius heb meegedeeld.
Ik heb vernomen dat al onderweg is het exemplaar dat mij uit Parijs wordt gestuurd van de Apologia van Lansbergen+). Ik zal die heel graag lezen, ook al worden er vrienden in aangevallen; aangezien ik de mensen op zo'n manier omarm, dat ik niet aan hun meningen gehouden ben. Ik ben ook te weten gekomen dat zij zelf zich op een antwoord voorbereiden. Ik hoop dat elk van beiden de zaak zo behandelt, dat niet minder wordt gestreden om matiging, dan om de zaak zelf.

[ *)  Zie Gassendi aan Schickard, 13 jan. 1634, p. 66 en T. 4, p. 157-160, 164-170.]
[ °)  Hortensius vroeg naar de conjunctie van Venus en de Maan van 29 okt. 1633; die van Venus en Mercurius (31 juli 1632) wordt besproken in zijn Dissertatio, p. 90-93.]
[ #1 okt. 1632, p. 52 (zie ook T. 4, p. 105).  Grotius aan Gassendi, 12 april 1632, p. 406.]
[ +)  Jac. Lansbergen, Apologia pro commentationibus Philippi Lansbergii in motum terrae, Midd. 1633.]

p. 68
Het is verstandige mannen immers onwaardig elkaar te kwellen met beschimpingen en spotternij; en terwijl ze verzekeren het erfgoed van de Waarheid op zich te hebben genomen, hun zwakheid van geest en gebrek aan zelfbeheersing bewijzen.
Ik zal ook heel graag kennisnemen van wat u tegenover Bartholin stelt. Weliswaar heb ik zijn boek nog niet gelezen, maar ik hoop dat het zo zal zijn dat ik uit dat van u zijn karakter en talent zal leren kennen. En misschien hebt u Tycho soms wel een beetje gehekeld; maar hij zou zelf ook blij moeten zijn als hij nog in leven was, dat door u op veel dingen is gewezen, waarop hij niet voldoende heeft gelet. Zorg er dus voor, waarde Hortensius, dat wat er ook is met Bartholin, van wie ik niet weet wat voor iemand het is, in elk geval voor Tycho zijn eer altijd overblijft, zo groot als mogelijk is. Hij was werkelijk een Atlas, en allen die na hem komen zullen hem in dankbare herinnering volgen. Daarom moet er moeite worden gedaan, om niet zo tegen hem uit te varen, dat u daarmee uw naam bezoedelt.
Hij zal zich enige malen hebben vergist, maar hoe zeer is het te prijzen, dat hij die nauwkeurigheid heeft bereikt, die de Ouden nooit hadden gehoopt, en nog wel met zóveel kosten, waakzaamheid en arbeid; om er maar over te zwijgen hoe moeilijk en glibberig de bezigheid van het waarnemen is, en hoeveel makkelijker het is hierbij vooral kritiek te leveren op het werk van anderen, dan zelf iets beters te presteren. Dit wil ik gezegd hebben zoals het een vriend betaamt, in het oor gefluisterd.
Ik voeg eraan toe, dat het zo zal zijn, dat u ervaart dat er niets is afgegaan van uw plan, daar u altijd vol eerbied over de man hebt gesproken; ja zelfs dat het des te meer gewicht heeft gekregen, naarmate u alleen uit liefde voor de Waarheid lijkt te hebben geschreven. U zult ook erkennen dat het niet slechts zo zal zijn, dat het misnoegen afneemt (wat baat dit ons tenslotte?), maar dat u die materie ook met meer geluk opnieuw kunt behandelen, als u dat misschien eens zult wensen, en daarnaast u de grootst mogelijke eer verschaffen, met het bewijs van een geaardheid die overloopt van de grootste eerlijkheid.
Dat ik nog het er steeds op houd dat een of andere lucht de Hemelbollen omringt, daarvan wordt ik niet overtuigd door een bewijs, of enig merkbaar effect; maar ik word ertoe gebracht louter door gissing op grond van overeenkomst met de Aardbol. Vandaar dat ik die niet meer zo groot maak, dat het beeld van sterren erdoor aangroeit; ik houd hem voor slechts zo groot, in verhouding met elke bol, als onze lucht hier is ten opzichte van die van de Aarde. We zijn er nog te ver vandaan, dat ik in staat ben dit uit ondervindinig duidelijk te maken, maar ook dat niemand, naar ik meen, kan aantonen dat het anders is. We staan op gelijke voet met degenen, die vanaf Mars of Venus over de Aarde zouden redeneren.
En als u werkelijk een waarschijnlijke analogie maakt van het uiterlijk van de Maan met onze elementen hier, van Zeeën en Continenten, waarom zouden we dan niet aannemen dat er behalve de verschillende voortbrengselen, en het zijn er vele, op het oppervlak van de Maan, zo veel dampen rondom worden uitgewasemd, dat daarmee een omhullende Sfeer wordt gesponnen die lijkt op deze lucht van ons. Ik spreek er niet over dat er misschien een of andere gissing kan worden gekozen uit het feit dat ook met de Telescoop de buitenrand van de Maan heel aaneensluitend lijkt; omdat de ongelijkheden van dalen en

68b
bergen (alhoewel minder goed waar te nemen op zo'n grote afstand, achter elkaar geplaatst) worden bedekt door die lucht, verspreid in een heel wijde streek tot aan de randen. Maar hier zou meer over gezegd moeten worden, dan deze gelegenheid van schrijven toelaat.
Ik ben uitvoeriger geweest dan ik had gehoopt; ik weet niet of het tot winst is te rekenen. Groet nog altijd dezelfde Vrienden, en vooral de goede Vossius, met zijn voortreffelijke gezin. Het ga u goed.
Geschreven te Digne, 29 januari 1634.





M. Hortensius aan Pierre Gassendi
2 juni 1634

Gassendi, Opera omnia (1658), T. 6, p. 422

Viro Clarissimo ac Doctissimo Domino
Petro Gassendo,
Theologo Doctori, Ecclesiae Cathedralis Diniensis Canonico,
Mathematico peritissimo & Celeberrimo,
Martinus Hortensius S. D.
Vir Clarissime,
titelpagina   Ook al gaat de vierde maand voorbij waarin ik niet heb geantwoord op uw brief, ik heb toch niet nagelaten ondertussen de herinnering aan u mij weer te binnen te brengen, zo dikwijls als ik dacht aan uw Digne, of aan de gemeenschappelijke studies, die u door te schrijven, waarnemen en bespreken zonder ophouden helpt en bevordert. U zult me het uitstel vergeven bij zoveel bezigheden van mij. Ik heb Leiden verlaten en ben naar Amsterdam gegaan, in de hoop er eens in het openbaar de Wiskundige vakken te mogen doceren. Dit heb ik tenslotte verkregen en omstreeks 1 mei kwam mijn wens in vervulling, en ik heb een oratie gehouden zoals u hier ziet; omdat er nu niet iets anders bij de hand was om te geven, leek het goed de brief hierdoor te laten begeleiden. Nu doceer ik dagelijks de elementen van de Astronomie voor een vrij groot aantal Toehoorders; om enkele redenen moest hiermee begonnen worden.
Maar wonderlijk genoeg blijft mijn Urania liggen. Vanaf die tijd namelijk dat ik naar Amsterdam kwam, heb ik maar heel weinig naar de Hemel gekeken. En opdat er niets aan deze ramp zou ontbreken, hebben tijdens de recente Maansverduistering de ergste en zwartste wolken die verborgen, zodat er niets is gezien of waargenomen. De heer Schickard heeft deze vrij goed waargenomen. Wat u hebt verricht zal ik graag van u vernemen. Niet eerder zijn in Leiden de Bijzonnen gezien zoals die van Rome waren die u hebt beschreven; maar het is me nog niet gelukt de tekening*) te zien. Zodra ik hem heb gekregen zal ik geen tijd laten voorbijgaan zonder hem u mee te delen.
Nu zit ik geheel in het waarnemen van de diameter van de Zon (omdat ik andere dingen niet kan doen) door openingen, in een buis van 18 voet, en gesloten, en bovendien in een kamer die heel donker is door zwarte wanden; om te zien waar die paradox van Scheiner vandaan komt, die voorkomt in het boek over zonnevlekken, pag. 573°). Deze man maakt van de diameter van de Zon 42, 47, 52 of 56, enz. minuten, wat niet waar is en ook niet met Eclipsen overeenstemt. En toch twijfelt niemand er aan, dat hij het zo heeft waargenomen, wegens de eerlijkheid die hij lijkt te betonen bij al zijn experimenten. Ik denk na over een nauwkeurig onderzoek van deze zaak, en binnenkort (dat kan ik u toch wel zeggen) zult u een verhandeling over de diameter van de Zon krijgen.
De aanleiding heb ik uit het geschrift van Bartholin, aan wie ik iets heb tegengeworpen als antwoord, in het hoofdstuk dat gaat over de diameters van de Hemellichten. Daar moet namelijk, of ik wil of niet,

Phaenomenum 1634, die ultimo aprilis[ *)  De tekening is nog in Leiden, zie 'Codices Hugeniani' HUG 31, fol. 89v, met op 89r: "Phaenomenum spectatum Lugd. Batav. Anno Christi MD.C.XXXIV. die ultimo Aprilis circa horam XI et XII." (Verschijnsel waargenomen te Leiden, 30 april 1634, omstreeks 11 en 12 uur) en Oeuvres complètes de Christiaan Huygens, T. 17, p. 467.
Gassendi's tekening van het verschijnsel te Rome (1629) in: Journal tenu par Isaac Beeckman, T. 4, p. 150.]

[ °)  Rosa Ursina (1630); tabel op p. 575.]

p. 423
de diameter van de Zon, zoals door een buis waargenomen door Tycho, verstoten worden als zijnde de echte. Het tegendeel ervan zal ik zo duidelijk maken als de Zon zelf is. En wat u schrijft dat ik aan Tycho zijn eer moet laten zoveel als ik kan, namens hem dank ik u zeer. En ik wil niet dat u er aan twijfelt of ik in ruime mate zal doen wat uw gevoelen is. Want ik zal niet alleen Tycho heel beleefd behandelen, maar ook die tegenstander zo zachtzinnig als mogelijk is; en ik zal me alleen aan de waarheid wijden. En dingen die ik als een waarschijnlijk gevolg zal afleiden, en niet wiskundig zeker, zal ik niet verder voortzetten dan ze zelf met zich meebrengen. Ondertussen zou u zelf niet ontkennen, als u het geschrift van Bartholin had gezien, dat hij het heeft verdiend nogal hard te worden gestraft om zijn uiterste verbitterdheid.
Wat u eraan toevoegt dat het zo zal zijn dat het misnoegen afneemt; dit zou me niet veel doen als ik niet van nature heel afkerig was van twistgesprekken. Want wat dan nog? zou ik de nijd moeten verzoenen en daarbij de deugd (de waarheid) verlaten?*) Dat zij verre van mij; wat ik eerder een beetje heb gehekeld aan Tycho, is niet te veel geweest, of als het dat wel was, schrijf ik het toe aan het vuur van het schrijven en de jeugdige leeftijd, en dan zou ik willen dat het weggelaten was. Wat ik in mijn geschrift ook niet zal verhullen. Maar wat ik terecht heb bekritiseerd in het werk van Tycho, zal ik niet nalaten te verdedigen; opdat die Denen niet overmoedig worden, en zodra ze er maar iets hebben uitgeflapt, victorie kraaien vóór de overwinning; en menen dat ze met de futielste beuzelarijen alle geleerden tevreden gesteld hebben. Maar genoeg hierover, ter zake.
  Uw zeer overvloedige waarnemingen heb ik eindelijk ontvangen. Er zijn er veel die uitstekend beantwoorden aan mijn doel en aan dat van Schickard. Dit ene zit mij dwars, dat ze niet zijn genomen met een Sextant, maar met een Radius. Dat van dit instrument, ook de nauwkeurigste, niet die zekerheid verwacht kan worden, die bij hemelwaarnemingen vereist wordt, weet u even goed als ik. De Eclipsen zijn uitstekend, en ze zijn het waard de eeuwen in te gaan. Ik twijfel er niet aan dat dit ook zal gebeuren, zelfs ik kan daarvoor zorgen. Hoe kan ik immers mijn dank beter betuigen voor het zo vrijgevig meedelen?
Over de Lucht die de Planeetbollen omringt, zie ik dat we het nog niet eens zijn. Over die op de Maan (die u uit de gelijkmatige rand van de Maan haalt) ben ik heel zeker dat hij er niet is. Wat ik u zo duidelijk zou kunnen aantonen als ik bij u was, dat ik u meteen ook zou overtuigen. In de eerste plaats dat er op de lichte delen van de Maan helemaal geen dampen zijn, of helemaal geen omringende luchtsfeer, en zelfs niet op de vlekken (waar u deze vooral aanneemt, naar ik geloof), ik zet het uiteen met onweerlegbare argumenten. Om kort te zijn vermeld ik die nu niet.
De Apologie van Lansbergen hebt u ongetwijfeld ontvangen. Gretig zal ik lezen wat de heer Morin er tegenover stelt, Froidmont heeft geantwoord met spitsvondig­heden en gelach°), of als u liever wilt met spotternij. Ik zou willen dat ook Lansbergen zich hiervan had onthouden. Maar de argumenten van Froidmont zijn voor mij niet voldoende zoals ook die van Morin, tenzij hij nu iets stevigers aanvoert. Intussen is ook een ander geschrift uitgegeven van een of andere Schot [Ross], volger van Aristoteles, tegen de beweging van de Aarde, met vrij veel bitterheid; maar dat heb ik nog niet gezien.
Uw brief die u eens voor Willem Jansz Blaeu hebt afgegeven, heb ik gelezen, en ik vond de conjunctie van Mercurius en Venus van het jaar 1632, door u waargenomen. Toch verlangde ik niet deze te zien. Want die heb ik ook zelf waargenomen, zoals u in mijn Dissertatie hebt. Maar van de conjunctie van Venus en de Maan die op 29 oktober van het jaar 1633 plaatsvond wilde ik weten

[ *)  Horatius, Sermones II. 3, 13: "invidiam placare paras virtute relicta"; Johannes Smith, Salomons Prediker (1743), p. 425: "Tracht gy de nydt te versoenen, met de Deugt te verlaten?"]
[ °)  Zie Libert Froidmont, Vesta, sive Ant-Aristarchi vindex (Antv. 1634), 'Ad Lectorem': "Sommige dwazee mensen, al te licht van verbeelding, geloven dat ze in een heel snelle dubbele beweging, met de hele Aardbol, met bijna duizend Duitse mijlen per uur vliegen ... En hoewel dit misschien eerder met gelach was te weerleggen, opdat het niet met zwaarte zou worden vereerd {Tertul.} ..." — Tertullianus, 'Adversus Valentinianos', cap. VI: "Much of this should be refuted with laughter so that it will not be awarded serious consideration".]

423b
of u die hebt waargenomen. Zo niet, laat het alstublieft weten; en voegt u er anders de voortgang en de manier van waarnemen bij.
Het exemplaar van het boek van Galilei, dat de uitmundende heer Fabri van Lyon [Peiresc] naar mij had laten sturen, heb ik nog niet ontvangen, helaas! De kooplieden aan wie de kisten zijn gestuurd waarin het boek was gedaan, zijn namelijk met elkaar in onenigheid geraakt. Zodat alle koopwaar nog in Parijs blijft steken, of misschien is die al verspreid, en is het boek nog ergens. Als het onmiddellijk naar pater Mersenne zou zijn gestuurd, zodat hij het bij gelegenheid voor mij zou bestemmen, had ik het nu gekregen met uw waarnemingen. Maar aangezien dit niet is gebeurd, vraag ik u, als u of de heer Fabri op de een of andere manier kunt bewerken dat geschreven wordt naar de kooplieden in Parijs, aan wie het was gestuurd, of dit zo snel mogelijk kan gebeuren, opdat het niet verloren gaat, maar gegeven wordt aan pater Mersenne; de namen van de kooplieden waren, als ik me goed herinner, meneer du Gal en meneer Valmalette. Zelf schrijf ik nu aan Mersenne, of hij zo mogelijk wil navragen waar het boek blijft steken, en anders, of hij me bij gelegenheid een ander exemplaar verschaft. Als u aan de heer Fabri schrijft, vraag hem dan namens mij, of hij liever in het Latijn dan in het Frans terugschrijft, omdat ik uw taal niet genoeg begrijp, en niet in het Frans kan antwoorden*).
Of mijn brief die ik een andere keer voor Galilei afgaf, veilig in zijn handen is gekomen, ik geloof het nauwelijks, omdat ik hoor dat hij is gevangen genomen; probeer alstublieft iets van een antwoord van hem te krijgen. Mijn weerwoord voor Bartholin wordt bij gebrek aan papier nog niet gedrukt, maar ik hoop dat het zo spoedig mogelijk gedrukt wordt, en op de eerstvolgende boekenbeurs in Frankfurt zal verschijnen.
Ik heb geen ander nieuws dat van enig belang is. Dus maak ik er een einde aan, en ik beveel u hartelijk aan bij de Allerhoogste God. Het ga u goed, beste en rechtschapen Gassendi, en wees mij zoals gewoonlijk genegen.
Afgegeven te Amsterdam, 2 juni 1634.
  De heer Vossius laat u vriendelijk groeten, ik de heren Gaultier en Valois, uw vertrouwde vrienden, en om u zelfs niet minder de mijne.

[ *)  Zie hieronder Hortensius aan Peiresc, dezelfde dag (2 juni 1634), in het Latijn — met de naam Mavalletti i.p.v. Valmalette.]





M. Hortensius aan Nic.-Cl. Fabri de Peiresc
2 juni 1634

Le opere di Galileo Galilei, XX (1939), p. 579

Viro amplissimo, doctissimo, spectatissimo, honoratissimo,
D. Nicolai Fabricio, Petrisci Toparchae,
necnon et Consiliario in Parlamento Aquensi dignissimo,
M. Hortensius S. D.
    Vir Amplissime,
  Enige maanden geleden heb ik twee brieven ontvangen van U Edele, overvol van beleefdheid en welwillendheid, waaruit ik heb begrepen dat niet alleen enige weinig betekenende dingen van ons door UE op prijs worden gesteld, maar ook dat daaruit bij UE de goede gezindheid jegens mij is voortgekomen dat u ook gemeend hebt het boek van Galilei, dat ik zozeer verlang te zien, naar mij te moeten sturen. Deze gunst acht ik zeker zo hoog, dat ik vrees dat ik op verre na niet in staat ben de dank te betuigen die aan UE verschuldigd is, ook dan wanneer ik de grootste moeite zal geven, zoveel mogelijk dank te betuigen.
Overigens heb ik ongelukkigerwijze tot nu toe dit boek niet gezien; zelfs niet heel kort geleden, toen de eerwaarde Pater Mersenne de Schat van waarnemingen stuurde van de voortreffelijke heer Gassendi. Waar het blijft steken, of welk lot het heeft ondervonden, is mij niet bekend. Die heer De Rossi (4) uit Lyon, aan wie UE de opdracht had gegeven het boek naar Parijs te sturen, schreef me dat hij het in een of andere kist vol met linnen had gedaan, bestemd voor de kooplieden meneer Du Gal en meneer Mavalletti, en daarna te zenden naar de koopman Martinus Nuits te Amsterdam. Het is drie maanden geleden

(4)  Cfr. no. 2681 [Peiresc aan Gassendi, 6-10 sept. 1633].

p. 580
dat ik zijn brief heb ontvangen. Maar nu, als ik deze Nuits vraag of hij deze kist in Parijs heeft ontvangen, zegt hij dat hij die niet heeft ontvangen, en hij voegt eraan toe dat er ruzie is ontstaan tussen hem en meneer Du Gal; en dat de kist daarom niet naar Amsterdam mag worden gestuurd. Zo blijf ik in twijfel over wat er is gebeurd met het boek, of het verloren is gegaan, of dat het nog ergens in Parijs is. Als UE zoveel werk voor mij op zich wilt nemen om te schrijven naar Lyon of naar Parijs, zodat als het exemplaar nog behouden is, het aan pater Mersenne gegeven kan worden, zal het daarna gemakkelijk in mijn handen komen. Want als het maar bestemd was geweest voor pater Mersenne zou ik het, met de prachtige gelegenheid die zich onlangs voordeed, zonder meer hebben gekregen. Ondertussen erken ik de genegenheid van UE jegens mij, en ik zeg u de grootste dank, bereid om UE in alle gevallen van dienst te zijn en tevreden te stellen, voor iets zo waardevols waarmee UE mij aan zich verplicht heeft.
  Hier is er nauwelijks iets nieuws; behalve dat Froidmont een weerwoord heeft geschreven op de Apologie van Jac. Lansbergen (1); en dat een ander, een of andere Schot, ook een heel boek heeft gepubliceerd tegen de beweging van de aarde (2), dat ik nog niet heb gezien.
  Van Willem Jansz zullen Copernicaanse Sferen uitkomen, met uitleg van het gebruik bij de theorie van het primum mobile. Van mijn hand hoop ik dat zo spoedig mogelijk zal verschijnen een astronomische verhandeling tegen een of andere Bartholinus en Longomontanus; die zou allang gedrukt zijn, als gebrek aan papier ons niet had opgehouden, wat hier onuitstaanbaar is. Het zal veel bevatten dat heel aangenaam is, over optica en astronomie.
  Ik geef nu openbare lessen in Amsterdam, wat u zult kunnen zien aan deze oratie (3), die ik heb willen bijvoegen, opdat UE van mijn dankbaarheid een getuigenis hebt, en als het niet voldoende waard is, dan is het tenminste heel zeker en echt.
  Het ga u goed, edelachtbare en zeer kundige Heer, en wees mij genegen.
    Amsterdam, 2 juni 1634.

(1)  Cfr. ... no. 2669  [Jac. Lansbergen, Apologia pro commentationibus Philippi Lansbergii in motum terrae, Midd. 1633;  Libert Froidmont, Vesta, sive Ant-Aristarchi vindex, Antv. 1634].
(2)  Alexander Ross, Commentum de terrae motu circulari, duobus libris refutatum, quorum prior Lansbergii, posterior Carpentarii, argumenta vel nugamenta potius refellit, Lond. 1634.
(3)  Oratio de dignitate et utilitate Matheseos, Amst. 1634.





M. Hortensius aan Pierre Gassendi
15 september 1634

Gassendi, Opera omnia (1658), T. 6, p. 424

Viro Clarissimo ac Doctissimo Domino
Petro Gassendo,
S. Theologiae Doctori, Philosopho ac
Mathematico Celeberrimo,
Martinus Hortensius S. D.
Vir Clarissime,
  Eindelijk heb ik het exemplaar van het boek van Galilei ontvangen, dat de edelachtbare heer Fabri zo goed was naar mij te laten sturen; als u ook de brief

p. 425
en de oratie hebt ontvangen, die ik al drie maanden geleden via pater Mersenne voor u heb bestemd, heb ik reden om me te feliciteren. Ik weet namelijk niet welke ongelukkige omstandigheid ik moet vermoeden op grond van dat lange uitstel van u, waardoor ik tot dusver niets van een antwoord ontvang. Doch u kunt namens mij die eminente heer dankzeggen voor zijn gunst, en hem al mijn diensten beloven; aangezien ik hem buitengewoon hoogacht, wegens zijn houding tegenover de letteren en alle geletterden, en dan vooral jegens mij zonder dat ik het verdiend heb. Ik heb hem toen ook uitvoerig geschreven, en overvloedig dank gezegd, maar omdat ik het boek nog niet had ontvangen, kon ik niet uit de grond van mijn hart dankbaarheid betuigen. En nu heb ik geen tijd, maar ik zal het uitstellen tot een betere gelegenheid.
Het geschrift dat ik aan het opstellen ben over de diameter van de Zon, heb ik besloten aan de heer Fabri op te dragen. Het zal mij welkom zijn als u de hoedanigheid en status van deze heer wilt aanduiden, en zijn verdiensten voor de Koning en zijn onderdanen, en verder zijn neiging tot studie, in het bijzonder de Wiskundige vakken. Zodat ik met des te meer gepastheid de opdracht kan opstellen, en zijn gunst jegens mij erkennen. Ik zie dat sommigen van de uwen hun werken aan hem hebben opgedragen*), maar zij schrijven minder dan voor mij voldoende is. Daarom vraag ik u ervan op de hoogte gesteld te worden, wat u oordeelt dat ik het beste kan zeggen; zodat ik zowel binen de grenzen van een lofrede blijf, als anderen zo weinig mogelijk aanstoot geef.
  Onlangs heb ik een Engelse reisbeschrijving gezien, naar de baai van Hudson en het land Labrador°) in Noord-Amerika, waarin enkele waarnemingen stonden over het weer, breking van het zonlicht, variatie van de magnetische naald, en dergelijke, van niet geringe waarde. De schipper was behoorlijk ervaren in de wiskundige wetenschappen, en had een rijke voorziening van wiskundige instrumenten en boeken. Het boek was in het Engels geschreven, anders zou u enige uittreksels hebben gekregen, die ik niet zal nalaten u te sturen, zodra ze door een studievriend van me in het Latijn zijn vertaald.
Ook heb ik enige waarnemingen gekregen van Zons- en Maansverduisteringen voor de heer Schickard, gedaan te Oxford in Engeland door de zeergeleerde John Bainbridge M. D. en professor in de astronomie aan de universiteit van Oxford. Ik kon niet nalaten ze aan u mee te delen, daar ik weet dat u belang stelt in zulke dingen, en al die Eclipsen misschien tezelfdertijd hebt waargenomen. Als ik tijd had, zou ik u veel van mijn Meteorologische waarnemingen kunnen doen toekomen, over regenbogen, halo's, het weer, en dergelijke, die ik eertijds in Leiden als ijverig student in de wiskundevakken heel weetgierig heb opgespoord voor eigen gebruik. Ik weet dat u niet minder aandacht hebt voor zulke verschijnselen, dan voor die hemelwaarnemingen. En ik heb me vroeger met een of andere onvermoeibare hartstocht op dit soort waarnemingen toegelegd; daar ik bij gebrek aan instrumenten de hemellichamen zelf niet kon waarnemen. Doch nu wordt ik door andere bezigheden zo in het nauw gebracht, dat ik ze niet kan opschrijven, en ook verder voortzetten, nu ik afgemat word door de last van het doceren, en over andere dingen nadenk die gedaan kunnen worden voor de Astronomie of de Optica. U zult me dus verontschuldigen, als ik het affect niet omzet in een effect; en u niet even vlot het mijne geef in ruil voor wat u onlangs als eerste hebt aangeboden.

[ *)  B.v. Samuel Petit, Eclogae chronicae, Par. 1632.]
[ °)  Lat.: "terra laboratoris", zie deze naam in Ph. Cluverius, Introductionis in universam geographiam ... Libri VI, Leiden 1629, p. 345 (Spaans: labrador - werker).
Het zal gaan om William Baffin van wie 3 stukken staan in Hakluytus posthumus, part 3 (over 'refraction': p. 720, txt). Zie ook Encyclopaedia Londinensis, vol. 17 (1820), p. 178b.]

425b
Wanneer u eens aan de heer Galilei schrijft, maak dan alstublieft melding van mijn gevoelen waarmee ik de man vereer, en stel hem in kennis van mijn dankbaarheid voor het geschenk dat hij niet zo lang geleden aan mij gaf vanuit de haven van Livorno, via de consul*) van onze natie die daar verblijft. Omdat ik dat namelijk zonder brief heb ontvangen, en ik vermoed dat hij niet veilig aan mij en anderen kan schrijven, heb ik het helemaal niet gedurfd (wat ik toch bij uitstek zou willen) hem nu ook op mijn beurt een brief sturen, om zijn studies en de veroordeling van zijn mening te betreuren. Ik vertrouw die hele zaak toe aan uw voorzichtigheid, en ik beveel u en uw studies aan bij de allerhoogste God, van harte, en volgens uw wens.
Het ga u goed, waarde Gassendi, en wees uw Hortensius altijd genegen, zoals nu. Doet u de groeten aan de voortreffelijke heren Valois en Gaultier.
Afgegeven te Amsterdam, 15 september 1634.
  Dit moet ik niet weglaten, dat er nu een Sextant met een straal van 7 voet wordt gemaakt voor de heer Blaeu en door mij te gebruiken. Daarmee hoop ik deze winter uitstekende waarnemingen te verkrijgen. Maar als onze burgemeesters zich eens verwaardigen mij openlijk te hulp te komen, twijfel er dan niet aan dat we iets groots zullen presteren, en met onze instrumenten zelfs Tycho zullen overtreffen. Nogmaals, het ga u goed.

[ *)  Le opere XVI, p. 90, 100: Gillio Reynier Cons.]


Zonsverduisteringen waargenomen te Oxford in Engeland
I.
31 mei, of 10 juni 1630.
  Het begin was toen de Zon 18 grad. 20 min. hoog stond; het einde bij 3 grad. 7 min.; na de midag.
II.
29 maart, of 8 april 1633.
  Het begin was toen de Zon 31 grad. 10 min. hoog stond; even voor het einde 14 grad. 55 min.; na de middag.

Maansverduisteringen op dezelfde plaats waargenomen
I.
10 of 20 januari 1628.
  Spoedig na het begon stond de Maan met de bovenrand 29 grad. 55 min. hoog; bij het begin van het verblijf in de schaduw 37 grad. 27 min.; bij het einde van dit verblijf was de hoogte van Regulus 32 grad. 29 min. en bij het einde van de eclips 40 grad. 16 min.
II.
29 oktober, of 8 november 1631.
  Bij het begin van de eclips was de hoogte van Aldebaran 28 grad. 50 min.; bij het einde van het verblijf was de hoogte van de rechter schouder van Orion 34 grad. 30 min.; en bij het einde van de eclips 41 grad. 20 min.
III.
17 of 27 oktober 1632.
  Bij het begin van de eclips stond de Maan met de bovenrand 44 grad. 50 min. hoog
  De Poolshoogte van Oxford is, heel nauwkeurig volgens circumpolaire sterren, 51 grad. 46 min.
  Deze waarnemingen zijn zorgvuldig gedaan en te goeder trouw vermeld door John Bainbridge M. D. en professor in de Astronomie aan de Universiteit van Oxford.





M. Hortensius aan Pierre Gassendi
15 juli 1635

Gassendi, Opera omnia (1658), T. 6, p. 429  (Ned.)

Viro Clarissimo Doctissimóque
D. Petro Gassendo,
Ecclesiae Cathedralis Diniensis Canonico, Theologo,
& Mathematico Celeberrimo,
Martinus Hortensius S. P. D.
Integerrime Gassende,
  Weer snelt een brief van ons naar u toe, waarmee ik wilde proberen of ik met een laatste poging in staat zou zijn deze traagheid van u bij het antwoorden tenslotte te overwinnen. Een heel jaar is voorbij gegaan waarin er geen brief van u naar mij is gebracht. En toch weet u heel goed hoeveel invloed u hebt met uw bemoediging, en hoe graag ik met u wil overleggen over Astronomische of Physische studies. Ik heb u enige Engelse waarnemingen van Eclipsen toegestuurd, en mijn recente van de Maansverduistering van dit jaar [3 maart]. Als u ze in goede staat hebt ontvangen, waarom laat u het dan niet weten, en waarom deelt u niet uw waarneming mee?
Al vele maanden geleden heb ik van pater Mersenne begrepen, dat u bezig bent met het verkennen van de aard van het Zien, en met experimenten die daarop betrekking hebben. Dezelfde belangstelling trekt aan mij; en ik zou heel graag met u samenwerken bij het doorzoeken van al die geheimen, die zich hier voordoen. Tegenwoordig wordt ik in beslag genomen door de Dioptrica en het vervaardigen van een Telescoop. Zo God wil, breng ik grotere dingen tot stand dan tot dusver zijn gezien bij welke vaklieden dan ook. Mijn Astronomische bezigheden liggen stil, omdat ik heb gezien dat men hier die dingen van de hemel geringschat; en dat er geen enkele hoop is van overheidswege instrumenten te verkrijgen.
Hoe is met met de illustere Fabri, en met Valois, laten ze niets gebeuren in uw belang? Gaat die tuinman niet door met het waarnemen van de Sterren? Ik wens het ten zeerste; en zeker dat hij gebruik maakt van wat nauwkeuriger instrumenten.
Er is nog niet begonnen met het drukken van mijn weerwoord op Bartholin, wegens zeer ernstige schaarste aan papier. Ik heb hem heel ingetogen weerlegd, en aan de heer Tycho alle eer betoond.
Tegenwoordig geef ik aan ons Gymnasium les in de Optica; maar het is voor heel weinig Toehoorders. Zozeer geringschatten ze hier deze verheven studies. Ze houden allemaal van geld, niet van wetenschappen; ze zwelgen in overdaad en lichamelijk prachtig getooid, maar geestelijk onontwikkeld en ruig lopen ze voorbij; zo is de smaak ter plaatse. Geen enkele belangstelling raakt ze, geen nieuwsgierigheid, voor mooie dingen; ze verkiezen Bacchus en Ceres. Wat moet ik doen? Ik verdraag het, en dikwijls denk ik aan u en andere eerlijke Franse geesten. Als ik het geluk zou hebben onder hen te kunnen leven, zou ik ook zelf er meer toe worden gebracht te filosoferen, en ik zou voortreffelijke vondsten met meer eer over de wereld verbreiden. Deze stad heeft de faam van een stad waar enige waarde wordt gehecht aan studies en geleerde mensen, maar ze heeft slechts de faam, en allerminst de zaak zelf. Vrij dikwijls heb ik er spijt van dat ik, toen ik overwoog waar ik zou gaan wonen, niet de voorkeur heb gegeven aan Parijs boven Amsterdam. De eerste is de bloem der steden, en bijna een kleine Wereld; de laatste is alleen vol dwaze en gierige mensen.

429b
titelpagina Ik heb onlangs geprobeerd de studie van de Optica aan te wakkeren met een oratie, ik ben er niets mee opgeschoten. Ze vonden het nauwelijks de moeite waard te komen luisteren. Niettemin twijfel ik er niet aan dat u, zodra u deze gelezen hebt, zult oordelen dat ze zo'n plaats waard is. En ik wil vragen of via u de edelachtbare heer Fabri het ene exemplaar kan krijgen, met een serieuze vermelding van mijn dienstbaarheid, en van de achting die ik voor hem heb; het andere is voor uw vriend de heer Valois, beschermheer van onze wetenschap. Ik verzoek u vooral uw oordeel erover uitvoerig aan mij te schrijven, en als u iets hebt aan vermeldenswaardige waarnemingen, hetzij bij u, hetzij bij de heer Valois, ze tegelijk mee te delen. Misschien zal ik eens nadenken over een uitgave, als het u uitkomt.
Het ga u goed, waarde Gassendi en wees mij genegen.
Amsterdam, 15 juli 1635.





Pierre Gassendi aan M. Hortensius
1 maart 1636

Gassendi, Opera omnia (1658), T. 6, p. 83

Viro Clarissimo, Amicissimóque
Martino Hortensio Delfensi,
ac apud Amsterodamenseis Mathematico Celeberrimo,

Petrus Gassendus S.

  Nu moet de stilte worden verbroken, vriendelijke Hortensius, en schaamte moet dan tenslotte de verlamming opheffen. Ik erken namelijk oprecht hoeveel ik heb gezondigd ten opzichte van u, en die vriendschap van ons, zolang ik na eenmaal te zijn aangesproken, en nog eens, niets heb teruggezegd. Maar u, die een goed mens bent, zult iemand vergeven die helemaal niet slecht is, en die uit louter slapheid uw zorgvuldigheid niet heeft geëvenaard.
Ik bied geen verontschuldiging aan, omdat ik er geen heb; en als die er al is, is er iets tegen in te brengenen. Beter is vergiffenis, weliswaar af te smeken, maar volgend uit die natuurlijke goedheid, waarmee u mij het vertrouwen hebt gegeven te kunnen zondigen. Aangezien ik niet zo onverschillig zou zijn geweest, als niet het doorzien van uw aard mij op kwijtschelding heeft doen hopen. En niet zelden heb ik wel op het punt gestaan u terug te schrijven; maar altijd was er een of ander onbelangrijk voorval om het te verschuiven naar de volgende weken, en het gevolg is tenslotte dat, terwijl het ene uitstel het andere uitlokte, die verdaging niet slechts op maanden, maar ook op jaren is uitgekomen.
Ook nu scheelde het weinig, of ik had het schrijven nog uitgesteld, daar het ook gedaan zou kunnen worden in Aix, waarheen ik over enkele dagen zal vertrekken. Maar toch doe ik het nu, omdat ik de waarneming van de recente Eclips [20 febr.] zou sturen, en verder omdat ik aan onze Diodati had beloofd eindelijk een brief aan u te sturen. Daarom wilde ik er liever enkele regels bijvoegen, dan dat het aan een nog langer voortgezet uitstel zou worden onderworpen. Verder zult u zien, op welke manier ik de waarneming gedaan heb; en u zult in elk geval tenminste mijn trouw, liefde voor de waarheid, en ijver goedkeuren. U, als u ditzelfde hebt waargenomen, deel het dan op uw beurt mee, samen met waargenomen Eclipsen van vorig jaar; een brief waarop u doelt*) waarin ze staan, heb ik namelijk niet ontvangen. Of u zelf ook mijn waarnemingen daarvan niet hebt gekregen, is mij onbekend; dat u ze zou krijgen wilde ik zeker, en via vrienden aan wie ik ze heb gestuurd, heb ik er zorg voor gedragen dat ze niet eerder aan Schickard zaliger zouden sturen wat ik voor hem had bestemd, dan dat overgeschreven zou zijn een exemplaar dat naar u gestuurd zou worden.
Maar u kent de overledene, en weet welk laatste lot die uitnemende man heeft ondergaan; en hoeveel gevoel van gemis hij heeft achtergelaten bij ons vrienden, en bij alle geletterden, en vooral bij onderzoekers van hemelverschijnselen. Ach ik zou willen dat u, zoals u bent, zoveel verdienste hebt, dat het lijkt dat hij de fakkel aan u heeft overgedragen. Legt u zich er op toe, alstublieft, en let erop hoe zeldzaam weinig mensen er nog over zijn, voor wie dat verborgen binnenste van Urania zo toegankelijk is, dat ze iets kunnen beschrijven dat een onsterfelijke naam waard is. Van mij zal het niet afhangen, of onze Diodati er zorg voor zal dragen dat die rijke schat van zijn aantekeningen verkregen wordt, en aan u toevertrouwd. En u weet met hoeveel ijver hij deze, toen hij leefde, overal vandaan heeft bijeen gezocht, en geordend°); als die geweldige oorlogsverliezen ze maar ongedeerd hebben gelaten.
Maar hierover een andere keer, zoals ook over die uitstekende Oratie van u, met een exemplaar waarvan u me hebt verblijd; en de lezing waarvan mij buitengewoon veel genoegen deed. Valois heeft gekregen, wat u wilde dat hem meegedeeld zou worden; en ik denk dat hij u zijn dankbaarheid al heeft betuigd. Ik verneem dat Argoli zijn werk zal gebruiken voor de uitgave van zijn nieuwe Ephemeriden#). Van u zou ik willen weten dat u mij te kennen geeft, wat er te hopen lijkt van de Ephemeriden, die in het vooruitzicht worden gesteld in het voorwoord van de Tabulae van Lansbergen. Geef ook te kennen alstublieft, of u de uitgave hebt uitgesteld van het werk over

[ *)  Brief van 15 juli 1635.  Maansverduisteringen: 3 maart en 28 aug. 1635.]
[ °)  Taussig, n.1652: Wenen, ONB mss. 10653, 10887, 10888.]
[ #)  Andrea Argoli, Ephemerides iuxta Tychonis Hypotheses et Coelo deductas observationes, T. 2 (1656-1680), Pat. 1638.]

p. 84
de diameter van de Zon, zodat ik, als de zaak nog onbeslist is, kan bijdragen wat u van mij verlangde over de opdracht*). Het ga u goed, en houd nooit op mij genegen te zijn, ook al verdien ik het niet.
Digne, 1 maart 1636.

[ *)  Brief van 15 sept. 1634.]





M. Hortensius aan Pierre Gassendi
16 mei 1636

Gassendi, Opera omnia (1658), T. 6, p. 431  (Ned.)

Viro Clarissimo atque Erudissimo
D. Petro Gassendo,
S. Theologiae Doctori. Insigni Philosopho & Mathematico,
Martinus Hortensius S. P. D.
Vir Doctissime,
  Uw brief en de afbeelding van de laatste Maansverduistering heb ik heel dankbaar ontvangen. Voor mij in Amsterdam was het niet mogelijk zo gelukkig te zijn, maar alleen het einde is opgetekend, om 2 h. 32 min. De Eclips in de maand augustus van vorig jaar heb ik gedeeltelijk waargenomen, maar die is nu niet bij de hand om te beschrijven.
Op 21 februari*) 1635 is door ons te Amsterdam gezien het begin om 6 h. 43 min. toen Regulus naar het oosten 62° 8' van de top verwijderd was. De intrede om 7 h. 51 min. toen Regulus 52° 36' van het Zenith af was. De uittrede was om 9 h. 30 min. toen de staart van de Leeuw 50° 28' van de top verwijderd was. Het einde was om 10 h. 34½ min. toen Arcturus naar het oosten 59° 14' van het Zenith af was.
Te Danzig heeft de voortreffelijke heer Crüger met een uurwerk waargenomen het begin om 7 h. 39 min., de intrede om 8 h. 47 min. De uittrede om 10 h. 35 min., het einde om 11 h. 39 min. Maar bij de laatste twee fasen bekent hij dat de betrouwbaarheid van het uurwerk niet voldoende vaststaat.
Te Londen zag de voortreffelijke heer Gellibrand het begin om 6 h. 20 min., de intrede om 7 h. 37 min. De uittrede om 9 h. 9 min., het einde om 10 h. 21 min. Ik meen echter dat hier geschreven moet worden 10 h. 11 min.
Van de voortreffelijke heer Golius heb ik begrepen dat de illustere heer Peiresc ervoor heeft gezorgd dat de Eclips van 27 augustus 1635 op veel plaatsen in Europa is waargenomen°); als ik die waarnemingen via u kan krijgen, zal niets aangenamer zijn. Zodra ik de mijne zal hebben teruggekregen zal ik die aan de illustere heer meedelen. Ik zou willen dat u ook de waarneming van de Eclips van 21 februari*) 1635 erbij zou doen, en naderingen van de Maan tot vaste sterren en planeten, die u intussen van de hemel hebt kunnen verkrijgen.
Met verdriet heb ik kennis genomen van de dood van Schickard, en ik heb er ook een gedicht aan gewijd, dat ik aan de heer Diodati heb gegeven#). Als ik via u zijn waarnemingen zou kunnen krijgen, weet u hoeveel het voor mij zou betekenen, en hoezeer ik gestimuleerd zou worden iets te presteren dat onsterfelijke roem waard is. Dus verzoek ik u mij ter wille te zijn, en de illustere heer Fabri tot deze dienst aan te zetten. Ik verlang vooral de geografische beschrijving van het hertogdom van Wittenberg, met delen waarvan hij al een begin had gemaakt, en die hij beloofd had aan onze Blaeu; als die behouden is, zijn onze zaken ook behouden. Niet minder belangstelling heb ik voor de theorie van Mercurius, en voor zoveel Eclipsen die hij had verzameld; als ik er gebruik van zou kunnen maken, zou ik niets hoger schatten.
De weledele heer Valois heeft al vriendelijk naar mij geschreven, en betuigd dat mijn Oratie over het oog hem bevallen is. Maar wat uw oordeel is of dat van de beroemde heer Peiresc hebt u nog niet te kennen gegeven. Van Ephemeriden, berekend uit de Tabellen van Lansbergen, is niets te verwachten, en Argoli kan veilig doorgaan met zijn voornemen. Mijn werkje over de diameter van de Zon is nog niet klaar; maar ik zou

[ *)  3 maart, zie de brief aan Boulliau van maart 1637.]
[ °)  Zie John Blair, The History of the Rise and Progress of Geography (1784), p. 131: Aleppo bleek 15° westelijker te liggen dan gedacht; de Middellandse Zee werd 1000 km korter.]
[ #)  'Elegia', in Wilhelmi Schickardi ... memoria et eulogia, Tub. 1636, p. 43-45; Gassendi: p. 38-39.]

p. 432
niettemin willen dat u mij nauwkeurig de hoedanigheid en status van de heer Peiresc te kennen geeft, zodat ik dit of iets anders aan hem kan aanbieden; aangezien dit voornemen bij mij geheel vaststaat. Deze Held verdient het dat zijn naam vereeuwigd wordt met eerbewijzen van geleerde mensen; en dat van ons ben ik ook in het bijzonder aan hem verplicht. Gedrukt wordt hier het geschrift van Chiaramonti over de plaats van Kometen onder de Maan*); zodra dat klaar is, moet naar ik meen dat van mij tegen Bartholin gedrukt worden; ik heb besloten intussen, als God het geeft, dat over de diameter van de Zon te voltooien, dat (zoals ook het andere) mooie dingen zal hebben over Optica en Astronomie.
Beschouwingen over Dioptrica heb ik weer opgegeven, en ik ben teruggekeerd tot de Astronomie, maar niet zonder een uitstekend resultaat te hebben verkregen bij de Telescoop, dat ik mettertijd zal publiceren. Wat hebt u over de theorie van het Zien, of andere stof tot filosoferen? Ik verzoek u iets mee te delen, van mij kunt u evenveel verwachten.
Morin, goede God, hoeveel kabaal maakt hij niet met de uitgave van zijn vondst van de lengtebepaling!°)  Ik heb al voor de tweede keer aan hem geschreven, en verschillende moeilijkheden opgeworpen, waarover hij me niet tevreden stelde. Mijn slotconclusie was, en is, dat zijn uitvinding op zee geheel onmogelijk is wat betreft nauwkeurige uitvoering. Ik zie dat hij de tekening van de heer Gaultier aan de orde heeft gesteld over het bewijs van de afstand van de Zon tot de Aarde, die u een keer aan mij hebt gestuurd [<]; en dat hij die van Lansbergen in Uranometria afkeurt, als niet Meetkundig. Waarvan ik zeker niet weet om welke reden hij dit heef gedaan.
Want om hier nog iets meer te zeggen over de tekening van de heer Gaultier, behalve wat ik een andere keer aan u schreef: als je de gelijkheid van de diameters van Zon en Maan in het Apogeum er uitneemt, heeft die niets buiten het bewijs van Lansbergen. En dat de diameters van Zon en Maan in het Apogeum gelijk zijn, heeft Ptolemaeus gesteld, en Kepler, maar geen van beiden heeft het met een stevige redenering bewezen, en zonder twijfel is het onjuist. Hij belooft ook wonderlijke dingen over de parallax van de Zon, de tijdsvereffening, theorieën van Planeten, enz. Maar ik vertrouw al die dingen volstrekt niet voordat de experimenten zijn gedaan. Wat u ervan vindt zal ik gretig van u vernemen.
Het ga u goed, mijn beste heer Gassendi, en als u mij genegen bent schrijft u mij dan zo dikwijls mogelijk terug. Zorg er vooral voor dat ik zo snel mogelijk (omdat mijn zaken dit vereisen) op de hoogte wordt gesteld van de status van de heer Fabri, wat ik bij uitstek van uw vriendschap verwacht.
Afgegeven te Amsterdam, 16 mei 1636.

[ *)  Scipione Chiaramonti, De sede sublunari cometarum opuscula tria, in supplementum Anti-Tychonis cedentia, Amst. 1636, apud J. Ianssonium — niet bij Blaeu.]
[ °)  Jean-Baptiste Morin, Longitudinum Terrestrivm ... Pars 6, 1636; Hortensius genoemd op p. 166, 175, 180, 199, 215 en later in Pars 7 (1638), p. 279, met een gedeelte uit een brief van Hortensius van 10 okt. 1635.  Tekening naar Gaultier en Lansbergen: p. 217.]





Ismaël Boulliau aan M. Hortensius
10 juli 1636

BNF Ms Fr. 13026 f. 2 *)

Hortensio
Clarissime Vir
  Al lang had ik ernaar uitgezien aan u bekend te worden, en te beginnen met een vriendschap door een gemeenschappelijke verbinding van studies, en met een Briefwisseling die als enige middel overblijft voor wie niet bij de ander kan zijn; en na een begin die ook in stand te houden. Maar hoe het komt, of door welk lot het anders is uitgevallen, zou ik niet kunnen zeggen; ik ben me geheel bewust van het gevaar van een te lang uitstel, dat zich heeft uitgestrekt tot steeds weer andere vertragingen, alsof gelegenheden om aan te grijpen zich heel dikwijls zouden voordoen. Ik zou het zeker een zonde vinden als u ons niet een of andere dienst, hoedanig ook, zou bewijzen, daar ik een heel toegedane vriend ben van de heer Gassendi die zeer met u bevriend is; en daar ik u ken uit uw geschriften, zowel gepubliceerde, als brieven aan hem, en ik u steeds zeer heb hooggeschat.
Ik denk dat het voor u niet onaangenaam zal zijn als ik uw aanbeveling en zorg verlang om een voortbrengsel van ons te koesteren. Philolaus is het Licht van de oude Pythagoreïsche school, dit boekje van mij heb ik te lezen aangeboden aan de excellente en beroemde heer Grotius, gezant van de Zweedse regering, omdat ik begrepen had dat het hem welkom zou zijn. Door diens aansporing werd ik stoutmoediger, en tenslotte heb ik het, toen de redenen weggenomen waren die tegen dit voornemen ingingen, afgegeven ter publicatie, met weglating van mijn naam, wegens enige oorzaken die ik achterwege laat en die zijn op te maken uit de zaken van de voortreffelijke Galilei.
U zult zien dat ik dat probleem met een nieuwe bewijsvoering oplos, niet steunend op physische gissingen, maar dat ik uit de veronderstelde onbeweeglijkheid van de aarde de beweeglijkheid opdiep; het zal hard lijken voor onze Peripatetici, die liever een natuurkracht willen invoeren dan af te wijken van de dwaasheden van hun Coryfee. Wat ze kunnen antwoorden zie ik niet; wie van hen immers deze taak op zich zal nemen°), moet ook een zeer ervaren Astronoom zijn, de drie Stelsels begrijpen en een meer dan gewone Opticus en Meetkundige zijn, en toch ben ik niet bang voor iemand die in deze vakken is onderwezen (een zeldzame vogel bij de Peripatetici). Mijn grondslagen zijn de eerst bekende, en dit beginsel dat ik aanneem kan niet worden omgestoten: Uit het verschil van twee bewegingen kan niet een derde voortkomen#). De beroemde Philippus Lansbergen heeft twee argumenten afgeleid van de Maan en andere planeten, ze zijn heel sterk als hij de Epicykels en equanten afgeschaft zou hebben+).
Met dit werkje streef ik er niet zozeer eerzuchtig naar mijn naam en faam maken, als wel de Astronomische zaken te dienen, en eindelijk te bewijzen wat het ware Stelsel van de wereld is; dus verlang ik en verwacht ik deze dienst van u en uw vriendelijkheid, dat u dit boekje van ons begunstigt, koestert, en ervoor zorgt dat het keurig gedrukt wordt. Een groot deel van de winst die ik ervan had gehoopt, heb ik zeker al behaald doordat ik de goedkeuring en toejuiching van de excellente en beroemde heer Grotius heb verkregen. Als het ook aan uw zeer strenge oordeel voldoet, zal ik de hele door mij gehoopte beloning genieten; en ik zal met meer moed het begonnen vijfde boek afmaken, over de opnieuw te tekenen vorm van de Planeetbaan.
Ontvang gezond en wel onze wensen, waarmee we voor de geleerde mensen en de Republiek der Letteren wensen dat u een lang leven zult hebben, en dat god maakt dat we altijd uit het diepst van ons hart onze gebeden tot hem richten. Wees ons ook genegen, overeenkomstig de verering die wij voor u hebben.
Hij schreef het te Parijs, op 10 juli in het jaar 1636 van de gewone christelijke jaartelling.
Ik schrijf een brief aan de heer Blaeu, waarin ik mijn boekje aanbeveel aan hem, meester van zijn Archimedische Sfeer, zodat ik die voor hem in dezelfde envelop doe als die voor u.

*)  Concept. Maakt deel uit van BNF Ms Français 13019-13059: 'Correspondance et papiers politiques et astronomiques d'Ismaël Boulliau (1605-1694)'.
°)  Scipione Chiaramonti, Antiphilolaus, Caes. 1643.
#)  Zie Philolaus (Amst. 1639), p. 158.
+Philolaus, p. 130-131 ('Landsbergius' ook op p. 20).





Pierre Gassendi aan M. Hortensius
4 augustus 1636

Gassendi, Opera omnia (1658), T. 6, p. 91

Viro Clarissimo, Amicissimóque
Martino Hortensio Professori,
Matheseos Amstelodami Doctissimo, atque Celeberrimo,

Petrus Gassendus S.

  En ook nu schrijf ik heel weinig, vriendelijke Hortensius, ongetwijfeld zal ik meer uitvoerig schrijven zodra ik in Digne zal zijn, ik bereid me erop voor morgen bij het aanbreken van de dag daarheen te zijn vertrokken. Ondertussen vraag ik die beroemde en beste Fabri, aan Wendelinus de brief die ik hem toevertrouw niet eerder te geven, dan dat hij ervoor heeft gezorgd dat is overgeschreven een exemplaar van wat met dit blad aan u kan worden gestuurd. Ik wil namelijk dat u iets krijgt van mij over de diameters van de Hemellichten, terwijl u andere waarnemingen verwacht, en opmerkingen over de manier van zien uit mijn Aantekeningen die te Digne worden bewaard.
Het deed me heel veel genoegen dat ik nog hier was, toen die edele heer Tilly*) de illustere Fabri bezocht, zodat we over u konden horen, en aangename woorden wisselen. Want u moet weten dat, zoals mij niets dierbaarder is dan uw vriendschap, zo is niets aangenamer dan zelfs alleen het noemen van uw naam. Ik hoop dat ik in de maand oktober eindelijk in Parijs zal zijn. Daarvandaan zal, als God het wil, de communicatie makkelijker en veelvuldiger zijn
Het ga u ondertussen goed, zeer geleerde en bevriende Hortensius, en zoals u begonnen bent mij genegen te zijn, ga zo verder door in het vervolg. Het ga u goed.
Aix, 4 augustus 1636.

[ *)  Taussig: Charles le Jay, baron de Thilly; misschien verward met Nicolas le Jay, baron de Tilly, zie Dictionnaire de la noblesse (1774), T. 8, p. 220.]





M. Hortensius aan Pierre Gassendi
12 oktober 1636

Gassendi, Opera omnia (1658), T. 6, p. 432

Viro Clarissimo, Doctissimóque Domino
Petro Gassendo,
Amico unicè colendo,   S. P.
Vir Clarissime,
  Ik heb de waarnemingen ontvangen van de Maansverduistering van 27 augustus 1635, die u aan onze Diodati had gegeven, daarvoor zeg ik u, en de illustere Fabri, heel veel dank. Werkelijk, de liefde en ijver voor onze wetenschap van die Held is met één mond niet genoeg te prijzen. Maar ach, had nu maar met een zo lofwaardig voornemen*) de vereiste nauwgezetheid van alle waarnemers overeengestemd! Als de Romein, de Egyptenaar, de Napolitaan, de Syriër meer geschikte instrumenten hadden gehad, was iets zekerders vast te stellen over de verschillen van de meridianen; terwijl daarin nu alleen de poging te waarderen is.


...



[ *)  Zie over de Eclips van 27 aug. 1635: Hortensius aan Gassendi, 16 mei 1636, p. 431. Waarnemingen in Caïro en Aleppo staan in Wendelinus, Eclipses lunares (1644), p. 103, met een lengte-tabel voor steden, van Toledo tot Babylon, op p. 17nulmeridiaan in het midden van de Atlantische Oceaan.]





M. Hortensius aan I. Boulliau
10/20 maart 1637

BNF Ms Fr. 13037, f. 94


Eruditissimo atq. Amicissimo Viro Do Ismaeli Boullialdo
S. P.
  Eindelijk beantwoord ik uw brief, zeer geleerde Boulliau, tot nu toe was ik door zoveel en zo belangrijke zaken verhinderd, dat ik het niet sneller heb gekund.
  Ik heb uw boek*) gezien en met genoegen gelezen. Het beviel me, ja het beviel me zeer. U hebt er heel goed aan gedaan, dat u als astronoom bij het behandelen van deze controverse, onzekere uiteenzettingen van Physici hebt veronachtzaamd. En zo ben ik inderdaad al lang van mening dat die Hypothese van Copernicus nodig is, en op veel punten hebt u dezelfde mening als ik. Maar ik heb een paar dingen waarbij ik uw gedachte niet goed begrijp, of waarbij het me toescheen dat u zelf afwijkt van de gedachte van anderen. De tijd ontbreekt om dit te behandelen, maar ik zal het uitstellen tot een betere gelegenheid en nu alleen uw beide brieven doornemen.
  Ik heb uw werkje aan de heer Blaeu aanbevolen. Hij is bereid de uitgave op zich te nemen, maar uitstel zal nodig zijn, daar hij nu heel druk bezig is met het drukken van geschriften van anderen. Hij denkt over de bouw van een nieuwe drukkerij. Zodra die klaar zal zijn, begon hij te beloven, zou hij echt over uw geschrift gaan nadenken. Maar hij wilde dit ene van u vragen: of het namelijk niet mogelijk is, om kosten te besparen, enige tekeningen te gebruiken die al gemaakt zijn, en die in Astronomia Danica staan, met verandering van wat nodig is in uw tekst, vooral bij een zo groot aantal daarvan? Ik denk niet dat u op dit punt moeilijk zult doen, en deze verzorging zal ik zelf op me nemen. Als u anders oordeelt, zult u het te zijner tijd bekend kunnen maken.
  Zeer welkom was voor mij de waarneming van Gassendi te Marseille, maar waar hij de waarneming van Pytheas vandaan heeft, kan ik niet raden. Ik weet dat ik iets over Pytheas gelezen heb bij Plinius en Strabo, maar niets van die aard. Als het echter waar is wat Gassendi zegt, ziedaar dan een geheel onweerlegbaar argument voor de veranderde helling van de Dierenriem, die enigen, zoals ook Kepler zelf in Tabulae Rudolphinae ten onrechte in twijfel getrokken hebben.
  Wat u over het tweede deel van uw werk belooft, lijkt zeker heel mooi, als u stevig genoeg kunt bewijzen dat het zo is. Ik ben het met u eens dat de hemelmaterie vloeibaar is, de Zon een gloeiende massa, dat de Planeten niet worden rondgevoerd door de Zon. Maar ik zie niet hoe u erin kunt slagen te bewijzen dat er bij de planeten nog wat eigen licht is behalve dat van de zon. U zegt te zullen bewijzen dat hun weg Elliptisch is; en toch houdt u staande dat daarin de gelijkmatige beweging is, die Kepler heeft verworpen, stellend dat de beweging van een Planeet bij gedeelten ongelijkmatig is in de eigen baan. Ik ben dus benieuwd hoe u de gelijkmatigheid van beweging in een Ellips zult verdedigen, en ondertussen toch voldoen aan de waarnemingen van de Meesters, waarbij het voor Kepler altijd in de kleinste dingen ophield°). Vooral bij de Maan denk ik dat meer dan één moeilijkheid voor u zal optreden, als u die eenmaal aan striktere regels van de hypothese begint te binden. Want het is niet de enige Variatie die u een probleem zal geven, maar ook iets, ik weet niet wat, bij de Anomalie, en de tijdsvereffening.

*)  Manuscript van Philolaus, zie brief van Hugo Grotius aan G. J. Vossius, 9 juli 1636.
°)  Lat.: "Keplero semper aqua haesit"; zie G. Dorn Seiffen, Latinae loquendi formulae (Utr. 1856), p. 6: "Aqua haeret mihi, ik kan niet meer voortgaan met spreken, ik blijf steken", met noot: "Van de redenaars, die naar den tijd van den clepsydra of waterlooper voor het geregt moesten spreken, door Pompeius het eerste ingevoerd."

f. 94v
  En nu een vermelding van de Variatie passend was, moet u weten dat ook mijn waarnemingen me vaak iets anders hebben geleerd dan wat ik vroeger op aansporing van Lansbergen tegen Tycho had geschreven. Daarom denk ik er nu anders over, en ik veroordeel die jeugdige onstuimigheid, waarmee ik toen in opdracht van mijn Leermeester tegen een zo groot man ben opgestaan. Die zeker niet te goeder trouw ten opzichte van mij heeft gehandeld, aangezien hij wilde dat zijn wiebelende theorie van de Maan (zoals ik later pas heb gemerkt, toen dit niet veranderd kon worden) met zoveel kabaal boven die van Tycho werd gesteld; zelf was hij zeker van zijn goede naam, terwijl er een spelletje werd gespeeld ten koste van mij, en mijn naam werd prijsgegeven aan de pennen en tongen van zoveel tegenstanders. Want tot nu toe wordt ik daarover niet weinig gehekeld onder aanhangers van Tycho, die denken dat dit alleen door mijn onbezonnenheid is gedaan, alsof ik enige roem zou willen behalen uit het hoge aanzien van de tegenstander, zo ze niet overwegen dat alleen de eerzucht van Lansbergen er de oorzaak van is geweest; terwijl ik in andere gevallen altijd buitengewoon gunstig over Tycho heb gedacht en gesproken.
  Maar om hierbij niet langer stil te staan, ik zou willen dat u zo over mij denkt, dat u nooit iemand hebt gezien met een vrijere mening, en die niets minder kent, dan op de woorden van een Meester te zweren; wat ik eens met Gods wil in het openbaar zal laten zien bij de voornaamste controversen over de Zon en de Maan.
  Ondertussen bedank ik u voor de bijgevoegde waarnemingen, ik hoop dat het meedelen van de mijne tot op zekere hoogte een vergoeding kan zijn. Dat er geen lucht is rondom de Maan heb ik allang kunnen bewijzen met heel sterke argumenten; enige staan ook verspreid in de Dissertatie met Gassendi over symbool Mercurius op de symbool Zon [Mercurius op de Zon]. Kijkt u alstublieft eens in uw Aantekeningen, of u niet de symbool conjunctie van symbool Mars en symbool Venus [conjunctie van Mars en Venus] hebt waargenomen in februari van het jaar 1635, en of deze is te vinden bij andere Mathematici, zoals Valois en Gassendi. Door belemmeringen weet ik niet wat ik bij die symbool conjunctie niet heb gevonden. Maar een of andere Duitser*) in Leiden zegt dat hij met voldoende toewijding heeft waargenomen, en dat symbool Mars nergens meer verschenen is, en dit lang voordat hij op die plaats door de Zon onzichtbaar gemaakt kon warden. Ik heb namelijk onlangs een Italiaanse Verhandeling°) gelezen over een dergelijk ongewoon onzichtbaar worden van symbool Mars waarvan gezegd werd dat het gebeurde in het jaar 1615 op 20 augustus, en dat het door een ervaren Mathematicus is waargenomen. Er zou iets met meer zekerheid vastgesteld kunnen worden als de heer Gassendi of de waarnemer van Valois, Feroncaeus#), op die symbool conjunctie hebben gelet; ik zou willen dat u daar zo nauwkeurig mogelijk onderzoek naar doet.
  Dat u bij de welbekende familie de Thou verblijft, daarmee feliciteer ik u, en ik betreur het dat het mij niet gegeven is zo gelukkig te zijn. Beveelt u alstublieft aan de zeer edelmoedige heren mijn diensten hoe dan ook gunstig aan.
  Ik ga over tot het afhandelen van de door u waargenomen Maansverduistering van het jaar 1635 [27/28 aug.]. Daaruit maak ik op een verschil van de Meridianen tussen Parijs en Amsterdam van 19' of daaromtrent, terwijl ik een andere keer uit de waarneming van mij en van Gassendi van een symbool conjunctie van symbool Luna en symbool Mars [conjunctie van Maan en Mars] had afgeleid 14' op zijn hoogst. Als u terdege zeker bent van een nauwkeurige optekening van de fasen, wordt ik ertoe gebracht zoveel aan te nemen. De vergelijking van de waarnemingen met elkaar is namelijk als volgt:
Dig. 7  Dig. 9  Immers.  Medium  Emers.
 Lutetiae  13 37'  13 48'  14   4' 1/2  14 52' 1/4   15 40'
 Amstelodami   13 54 3/4   14   9 2/3   14 23 2/3   15 11  15 58 1/2 
 Diff. Meridd. scr. 17' 3/4 21 2/3  19 1/6  18' 3/4  18' 1/2
En om elke twijfel weg te nemen, vraag ik of u voortaan alle fasen heel zorgvuldig wilt waarnemen. Van mijn kant zal ik het, als God het geeft, niet nalaten. En als u

*)  Waarschijnlijk Georg Marggrafe of Samuel Kechel.
°)  Bonaventura Capridoni, Consideratione del Sig. Mesto Bassobruti da Lanciano, Intorno all' occultatione insolita, & incognita, di Marte, occorsa l'Anno 1615. Osservata dal signor Bartolomeo Pantalonio, Ven. 1616.
#)  Valois en zijn 'Olitor' (tuinman) Elziarius Feronceus staan vermeld in P. Gassendi, Opera, T. 4 (1658), p. 106, bij 1632. En in T. 6 op p. 51, in een brief aan W. J. Blaeu, 1 okt. 1632:
... een waarnemer genaamd Elziarius, hij is wel een Tuinman; maar werkelijk, geen andere heeft ooit meer goede dingen gezegd.
Ook Gassendi kende het spreekwoord waarmee Kepler in 1630 Hortensius typeerde [<].
Jacques de Valois (1582-1654) en 'Elzéar Féronce' in Ciel et Terre, 56 (1940), p. 15, n.3.
'Ozias Feroncaeus' in Ismael Boulliau, Astronomia philolaica (Par. 1645), p. 17. Hier ook:
En hoewel Philippus Lansbergen niet altijd te goeder trouw heeft gehandeld, maar veel heeft genegeerd, en ook de geschiedenis van waarnemingen heeft verdraaid, is hij toch bij de voornaamste Astronomen te rekenen. Een leerling van hem was Martinus Hortensius die vele en voortreffelijke dingen zou hebben geleverd, als hij langer had geleefd.

f. 95
de andere van het jaar 35, en de enige van het jaar 36 hebt waargenomen, hier is voor u mijn waarneming om die met de uwe te vergelijken, die ik op mijn beurt van u verwacht. Op 3 maart was het begin 6 h. 43', de intrede 7 h. 51', de uittrede 9 h. 30', het einde 10 h. 34' 1/2. Op 19 [20]*) februari 1636 was het echte einde om 11 h. 32'. Als hieruit hetzelfde verschil van de Meridianen voortkomt, zullen we zeker zijn; zo niet, dan zullen zorgvuldig andere waarnemingen gedaan moeten worden. Want uit één Eclips is nooit iets te verwachten dat vaststaat, bij een zo gering verschil van Meridianen.
  Het ga u goed, waarde Boulliau, en werk met zorg aan uw Urania voorzover het weer het toelaat.
Amstelodami 1637 die
  10/20 Martij
Totus tuus  Martinus Hortensius

handtekening van Hortensius

*)  Nacht van 20/21 febr. 1636; zie de 'Canon of Lunar Eclipses' van Fred Espenak en Jean Meeus, bij NASA, of zoek de eclips met Skyview.





M. Hortensius aan Constantijn Huygens
10 oktober 1637

De vero telescopio inventore (1655) lib. 2, p. 56 *)

AMPLISSIME  DOMINE.   Ik heb een brief ontvangen uit Parijs, die mij ervan in kennis stelt dat de heer Gassendi naar Italië wil gaan, om Galilei te bezoeken. Die Gassendi is (zoals u weet) een voortreffelijke Mathematicus en goed bekend met mij, woont in de Provence, en is in alle studies heel druk bezig, met een heel goede naam, nu al vele jaren uitblinkend door Astronomische waarnemingen en zijn vermogen het beste oordeel te geven.
Hoe wenselijk zal het voor mij zijn Galilei zelf te kunnen spreken over zo belangrijke en heel nuttige zaken! Bevordert u alstublieft, mijn Heer, deze eer voor onze eeuw en zelfs voor u, die onder de Mecenassen van studies en Bevorderaars van deze wetenschap van de hemel deze dingen als eerste onder de voorname mensen van de Uitvinder zult vernemen. Het ga u goed.
Afgegeven te Amsterdam op 10 oktober 1637.  Was getekend Martinus Hortensius.

*)  Aan Const. Huygens volgens Le opere di Galileo Galilei, XVII (1937), p. 196.





Elia Diodati aan M. Hortensius
21 november 1637

Le opere di Galileo Galilei, XVII (1937), no. 3603, p. 222 *)

Clarissimo Viro Dn. Martino Hortensio,
Matheseos in Ill.ri Collegio Amstelodamensi Professori,
Helius Donatus S. P. D.
    Clarissime Vir,
  Twee brieven heb ik van u ontvangen, voortreffelijke heer, en toen de laatste mij verwittigde van het overlijden van de welbekende Reael, hield ik op met lezen, door geweldige droefheid verdoofd, de toestand van uw gemenebest overwegend, en het verlies voor onze zaak van Galilei bij de dood van deze man. Hieruit komt voor ons zeker een ernstige waarschuwing voort, als we er goed de aandacht op vestigen (naast het gevoel van gemis bij het onverwachte ongeluk); dat namelijk een dergelijke gebeurtenis, maar veel meer voor de hand liggend, en elk moment te vrezen bij onze goede en afgeleefde oude man, met afbreking van alle uitstel, dat tot dusver meer dan te lang geduurd heeft (wat u ook zelf nu uit eigen beweging erkent) door ons werkzaam en bezorgd voorop gesteld moet worden.
En daarom, nu ik zie dat bij u de nuttigheid, ja zelfs de noodzaak, van een bezoek aan hem en overleg met hem geheel en al is vastgesteld, blijft over de zorg dat u daarvan blijk geeft, en tegelijk van het onvergelijkelijke belang van de ondernomen zaak, aan de illustere Staten van Holland en de edelachtbare Burgemeesters van uw stad, door bemiddeling van de welbekende heren Boreel (1) en van Beveren (2), die u trouw bijstaan en de zaak zelf steunen; als dit gedaan is twijfelt de illustere heer Grotius er geenszins aan,

*)  Ook in De vero telescopio inventore (1655) lib. 2, p. 55.
(1)  Guilielmo Boreel.     (2)  Cornelio van Beveren.

p. 223
dat uw illustere en edelachtbare Staten en Burgemeesters uit zichzelf (zowel om tijd te winnen als om de illustere Staten-Generaal te steunen die talloze andere dringende zaken hebben) onmiddellijk over uw reis naar hem besluiten, en de daarvoor benodigde kosten, met een trots zelfvertrouwen zoals ze hebben bij belangrijke zaken, vrijgevig aan u verschaffen, die ze dan op rekening zetten van de publieke bijdragen, als voor een zaak tot nut van het algemeen van hen gevraagd.
Wat noch zonder voorbeeld (ik hoor namelijk dat dit andere keren door hen is gedaan, namelijk bij dringende gelegenheden, zoals deze is) noch, ongetwijfeld, zonder goedkeuring van de illustere Staten-Generaal, daar zij van zowel uw provincie als uw stad de autoriteit is in zaken die het gemeenschappelijk belang van alle verenigde provincies aangaan, zodat met hun mening, als de meest wijze besluiten, alle overige provincies heel gewillig instemmen. En des te meer als de zaak door hen bedachtzaam is voorzien en tot nut is gedaan, vooral in een zaak zoals deze, die de scheepvaart betreft, omdat hierin met aller overeenstemming meer dan van de andere provincies de beweegredenen van de provincie Holland, en daarvan met name van de stad Amsterdam, de voornaamste zijn.
En zo zullen, als die lange omweg, waarvoor u bang was, is afgesneden, alle in de weg liggende moeilijkheden door u worden overwonnen; en als dit in deze wintertijd door u tot stand wordt gebracht, zal er meer dan voldoende zijn gedaan, naar ik hoop. De heer Galilei namelijk herstelt langzamerhand en komt van dag tot dag op krachten, met zijn geest energie verschaffend aan het onoverwonnen lichaam; zodat gehoopt kan worden dat het zo zal zijn, dat vanaf het begin van de eerstvolgende lente een gunstige gelegenheid om de zaak goed uit te voeren voor u nog geheel aanwezig zal zijn. Breng de zaak daarom flink vooruit, en stel mij op de hoogte van het succes.
  Overigens zou ik wensen, wat ik u in een vorige brief heb aangeduid, dat u een of ander sympathievol eerbewijs had aangeboden aan onze goede oude man om medelijden te tonen voor zijn geval, in zijn brieven zo duidelijk uiteengezet. De langdurige stilte over hem wijst immers op een 'apathie', die geenszins overeenkomt met de verstandige woorden van vriendschap jegens hem die u uitspreekt, en verzwakt ongetwijfeld zijn vertrouwen, zo dikwijls door u aan hem gegeven; en pas op dat hij het vrij genieten van toekomstige gedachtenwisseling per brief over bekendmaking van die zaak niet vermindert, want alle hoop dat u hierna de zaak volbrengt hangt toch daarvan af. Pas ook op dat het tot dusver te lang uitgestelde niet verdwijnt uit al die welwillendheid, die hij naar voren had gebracht om op een geschikte tijd te betonen. Daarom, opdat wat door u op passende wijze aan hem wordt aangeboden, met vreugde door hem wordt aanvaard, is het noodzakelijk dat het zo spoedig mogelijk ten uitvoer wordt gebracht.
Gassendi heeft, door persoonlijke zaken belet (1), de voorgenomen reis waarover ik aan u had geschreven, uitgesteld, niet wetend of en wanneer, voorzover de zaak niet is afgedaan, hij deze later nog zal ondernemen.
  In de afgelopen maand oktober heb ik op de tiende aan u geschreven (2), en acht dagen geleden heb ik via Jan van Leiden, koerier van uw land, het bundeltje van Boulliau naar u gestuurd, waarin zijn boekje De natura lucis (3) zit, door hem aan u aangeboden. Volgende week zal ik, zo God wil, schrijven aan de welbekende Huygens, en de brief die ik vanwege de tijd nu niet kan optekenen, aan u sturen om aan hem te leveren. Uw antwoord op deze brief van mij zie ik met bezorgdheid tegemoet.   Het ga u goed.
    Parisiis, 21 Novemb. 1637.

(1)  Cfr. no. 3577 [p. 197].     (2)  Cfr. no. 3574 [p. 195, 10 okt.].
(3)  Cfr. no. 3588 [p. 207].





M. Hortensius aan Constantijn Huygens
1 december 1637

De vero telescopio inventore (1655) lib. 2 p. 57 *)

AMPLISSIME  DOMINE.   De brief die ik van de heer Diodati heb ontvangen zend ik u, zoals ik had beloofd; daaruit zal blijken het zeer aannemelijke herstel van de voortreffelijke Oude heer Galilei, aan wie op die ver gevorderde leeftijd vanuit de hemel genoeg krachten lijken te zijn gegeven, om die bewonderenswaardige uitvinding (die u kent) te vervolmaken. Als u door uw bemiddeling bij de edele Heren Staten-Generaal bewerkt dat ik me naar hem in Italië kan haasten, en ik de eerbiedwaardige Oude heer onder de levenden vind, verdragen zijn jaren en de onschatbare uitvinding daarna geen uitstel. Want het lot van stervelingen is onverbiddelijk. U mijnheer zult een groot deel van de roem voor de uitvinding aan uzelf kunnen toeschrijven, of tenminste ik zal het zeker heel terecht aan u toeschrijven, als u deze reis van mij bij de Illustere heren gedaan krijgt.
Ik heb mijn Betoog [Diatriba] over de wetenschap van lengtebepaling afgerond, het is helemaal klaar en ik zal het u nog deze week toesturen.
Afgegeven op 1 december 1637.

*)  Aan Const. Huygens volgens Le opere di Galileo Galilei, XVII (1937), p. 228.





Constantijn Huygens aan M. Hortensius
25 januari 1638

Briefwisseling van Constantijn Huygens (ed. J.A. Worp), deel 2, no. 1789, p. 342

  Afgeleid door zoveel zaken, zeergeleerde Hortensius, die zoals u weet voor ons de dag in stukjes hakken, heb ik het zolang uitgesteld op uw twee brieven 6) terug te schrijven, totdat de edelachtbare Boreel 7) met het uiteengaan van de vergadering bij u zou terugkeren, en ik wist dat u door hem op de hoogte was gesteld van al die dingen die hier in den Haag over de zaak van Galilei waren geregeld. Wat u verder van mij hebt gevraagd, dat ik zijne hoogheid de Prins zou aanraden de zaak te begunstigen en vooruit te helpen,

6)  Die brieven zijn verloren gegaan.
7)  Willem Boreel [ambassadeur in Frankrijk; de komst van Maria de Medici voorbereidend]; zie 1, blz. 76, en boven, blz 228.

p. 343
dit is met zoveel aandrang door mij behartigd, dat u nu makkelijk zou oordelen dat het helemaal niet nodig is een paard aan te sporen dat uit eigen beweging zo hard loopt. En er is geen twijfel aan dat, als hij geraadpleegd wordt, het resultaat van mijn werk duidelijk te merken zal zijn voor degenen die hiertoe opdracht zullen hebben. Bij verschillende gelegenheden tenslotte, en overal waar het met uitwerking lijkt te gebeuren, ga ik met alle kracht hameren op het onuitsprekelijke belang van de zaak en het door maar al te weinigen begrepen nut. Cats heb ik eindelijk enkele dagen geleden met aansporende woorden zo in beweging gebracht, dat hij het op zich nam, dat zo spoedig als het op enigerlei wijze gedaan kon worden, van Holland over uw vertrek hetzij een overweging, hetzij een besluit naar de Staten-Generaal zou worden overgebracht, opdat de zeker ernstige zaak, omdat ze betrekking heeft op de beperkingen van de schatkist, tenslotte door een senaatsbesluit bekrachtigd wordt. Ik vraag u hiervan melding te maken bij de voortreffelijke Diodati 1), als u eens aan hem schrijft. Met zoveel vrienden immers, mijn Hortensius, die mij dagelijks telkens veel brieven geven, is het geheel onmogelijk hetzelfde te doen, en ook ben ik gedwongen soms voor enkelen zo lastig te zijn, dat het voor de meesten genoeg is.
Van uw dissertatie*), ik durf me erop te beroemen, is er weinig dat ik heb geleerd, als in elk geval een niet zó onkundige nieuweling in astronomische zaken, dat ik op dit gebied een leraar nodig heb, zozeer als inderdaad naar ik geloof — u hebt ook daarop gezinspeeld — de meesten van de leidende mensen nodig zullen hebben, die met betrekking tot deze dingen erg verblind zijn en die ook, zoals men vandaag de dag leeft, zich zozeer in aardse zaken verwikkelen, dat ze zich nauwelijks voor de geest kunnen halen, als ze ertoe worden aangezet, waarom de schepper van een betere wereld aan de mens het gezicht bovenaan ..... 2), en dat ze het niet de moeite waard achten, zich met de sterren tenminste zo'n klein beetje te bemoeien, dat niet ook veronachtzaamd wordt wat van het grootste belang is voor datgene, waarmee ze op aarde bezig zijn.
Daarom, opdat u niet oordeelt dat ik als een absoluut strenge beoordelaar van mijn leraar te werk ga, zeg ik dat u op de meest gemakkelijke en begrijpelijke manier, zoals het behoorde, de onkundigen bent tegemoet gekomen, behalve dat u bij het uitleggen van de breedte en manieren om de hoogte te onderzoeken, naar het lijkt wat te lang bent blijven steken, en dat u een verhandelingetje hebt geleverd met enige hoofdstukken die niet zó nodig zijn, dat ze voor het gestelde doel niet in weinig woorden even aangeroerd hadden kunnen worden.
En zie nu eens hoe ik me al babbelend schuldig maak aan wat ik u, vriendelijke heer, heb durven verwijten. Vergeef een neerbuigende houding jegens u en wees mij genegen, ik waardeer u; al zou ik wel vaak en veel willen genieten van uw aanwezigheid, nu moet ik u echter zo ver mogelijk weg wensen, over de grimmige bergketen van de Alpen gegaan, opdat u niet te laat in Florence aankomt, en die nevelachtige ster 3) uitgedoofd vindt — wat ik vrees, met de Prins — zonder wie weinig over is van wat we over het licht van Jupiter en de satellieten beloven aan onze wereld.  Het ga u goed.
Hagae Com., IIX Cal. Feb. (= 25 Jan.) M DC XXXIIX.

1)  Zie blz. 227.
[ *)  Zie Hortensius aan Huygens, 1 dec. 1637, 'Diatriba' over lengtebepaling.]
2)  Onleesbaar.  [Ovidius, 'Metamorphosen', 1.79: "die bouwmeester van de dingen, de schepper van een betere wereld", en 1.84: "hij gaf aan de mens het gezicht bovenaan, en liet hem naar de hemel kijken".]
3)  Nl. Galilaei. Men vreesde, dat de groote geleerde zou sterven, voordat de zaak in orde was (zie blz. 232).





Staten-Generaal aan M. Hortensius
2 februari 1638

Le opere di Galileo Galilei, XIX (1938), Doc. XLII, c, 2, p. 542

  Aen Hortensius tot Amsterdam.
Den 2.n Februarij 1638.
    De Staten etc.
  Daar ons een zaak van gewicht bekend is geworden waarover wij van plan zijn met U te spreken en te vergaderen, hebben wij niet willen nalaten U hierbij aan te schrijven en te verzoeken dat U een tocht naar hier wilt maken, om ons voornemen goed te begrijpen.
  Waertoe ons verlatende etc.
    Actum 2 Februarii 1638.





M. Hortensius aan I. Boulliau
19 juli 1638

BNF Ms Fr. 13037, f. 96

Clarisso. Viro Do Ismaeli Boullialdo
M. Hortensius S. P. D.
  U hebt u beklaagd in uw brief, vriendelijke heer, dat ik sinds zo lange tijd niets aan u geschreven heb, en u meent dat ik u vijandig gezind ben. Maar als u zou weten door welke en hoeveel zaken ik afgeleid ben geweest, zou u niet zo denken. Vriendschap hangt niet af van een brief, en de gezindheid van Hortensius wordt door stilte niet veranderd.
  Uw boekje over de aard van het licht*) heb ik ontvangen, en ik bedank u voor de gave. Met genoegen heb ik uw opvattingen gelezen. Mijn oordeel schrijf ik nu niet. U zult het horen wanneer de goede God mij eindelijk eens naar Frankrijk laat gaan. En omdat ik erop had gerekend dat dit omstreeks de afgelopen lente zou zijn, heb ik zo gedraald en u niet geantwoord. Ondertussen geloof ik dat u dat boek van de heer Descartes hebt gelezen. Bij hem is dat over Breking op een heel andere manier dan bij mij. Maar het heeft mij niet helemaal overtuigd.
  Met het drukken van uw Philolaus is een begin gemaakt. Maar deze mensen vorderen met de gang van een schildpad. Ik zal erop aandringen dat ze aktiever zijn, en als ik soms uit de stad ben, zal ik de zorg ervoor op de schouders van Isaac Vossius leggen, een zeer geleerde en ijverige jongeman.
  Deze brief van u heb ik pas op 16 juli ontvangen, terwijl die afgegeven is op 4 mei. Dit gebeurt vaker wanneer er een via vrienden bezorgd wordt.
  Hoe gaat het met onze heer Gassendi? Is hij nog in leven en geniet hij van etherische lucht°? Het is al een jaar dat ik niets van hem ontvangen heb.
  Hier is uitgegeven het boek over Beweging van Galilei; misschien zijn er al exemplaren in Frankrijk aangekomen. Bij gebrek aan tijd heb ik dat nog niet gelezen. Meer voeg ik er niet aan toe, maar ik beveel u aan bij de Almachtige God. Het ga u goed.

Amstelodami  19 Julij  1638.    


*)  Ismaël Boulliau, De natura lucis, Par. 1638, ex. van The Wellcome Library, met op de titelpagina: "Clarisso. ac Doctissimo Viro Dno. Martino Hortensio Mathematicarum artium in Academia celebri Amstelod. Professori, donat Ismael Bullialdus", enkele correcties in rood (zoals op de t.p.), en kanttekeningen (mogelijk van Hortensius) op p. 19, 29, 61.
°)  Naar Vergilius, Aen. 3, 339: "superatne et vescitur aura?" (is hij er nog en ademt hij?), Aen. I, 546: "si vescitur aura aetheria" (als hij zich voedt met etherische lucht).





Ismaël Boulliau aan M. Hortensius
13 augustus 1638

BNF Ms Fr. 13026, f. 40

Clarissimo Viro Dno Hortensio in celebri
Academia Amstelodamensi Matheseos Professori eximio
Ismael Bullialdus S. P. D.
  Geheel met blijdschap en opgewektheid vervuld werd ik door uw heel eervolle brief vol wellevendheid, die u op 19 juli te Amsterdam aan mij hebt geschreven; de dank die ik zou willen en moeten betuigen, daartoe ben ik niet in staat. Maar ik wil graag dat u ervan overtuigd bent dat ik zeer veel dank voor u heb; ik verneem dat de vriendschap nog geheel onaangetast is, terwijl ik vreesde dat u, na iets verkeerd te hebben opgevat, deze tenslotte vergeten was, en het benauwde me erg, daar ik me van niets bewust was dat een oorzaak kon leveren voor deze fout. Voortaan zal ik me meer gerust voelen, aangezien ik zeker weet dat uw gezindheid blijvend is en niet afhangt van het moment.
Ik ben u veel verschuldigd voor de moeite die u hebt gedaan bij het lezen van mijn boekje De natura lucis. Ik weet dat ik niet allen tevreden heb gesteld, maar wie zal inzake de Physica ooit anderen dan zichzelf tevreden stellen. Iedereen kan de Principes nemen zoals hij wil, als ze het eens zijn bij het verklaren van het ene natuurkundige verschijnsel, zullen ze bij een ander de strijd aangaan. Daarom lijkt mij juister een Filosofie die dingen in de praktijk beschouwt, en die zo door deze volgorde wordt bepaald, en in beweging blijft, dan die welke tot het beloofde in staat wil lijken, en bluft dat ze de oorzaken van alle dingen zal onthullen. Binnen de schors en het oppervlak der dingen liggen in de afzonderlijke dingen de oorzaken verborgen, of althans hun werking, en ze ontsnappen aan de zintuigen; dus is het niet verbazend, als we daarvoor zo bijziend zijn.
Hoeveel Filosofen er tot dusver ook geweest zijn, en scholen die naam gemaakt hebben, ze hebben aanspraak gemaakt op verschillende en veelsoortige principes, aangezien ieder die volgens veelsoortige Analogieën voor zich heeft bedacht; zodat de een Atomen, de ander 'homoiomereia's*), weer een ander uit het kunstmatig beeldhouwen van een standbeeld, op zijn manier de materie, vorm en ontbering°) heeft uitgelegd bij het beschouwen van de voortbrenging van dingen; die kennis van oorzaken hangt dus veeleer af van een gissing, dan van een of ander gemeenschappelijk en universeel kennisprincipe, waarover allen het eens zijn. U weet dat in Wiskundige zaken de principes het meest zeker zijn, door allen aanvaard, en dat ze niet aan het wankelen kunnen worden gebracht met sofistische spitsvondigheden; daarom krijgen we daarin zekere bewijzen, waarmee we, gedwongen door die waarheid die ze bezitten, instemmen en tevreden zijn.
En daarom meen ik niet dat de heer Descartes in natuurkundige zaken ten uitvoer zal brengen wat hij belooft; ik zie ook dat hij het met mij oneens is bij de lichtbreking, maar wat hij voorstelt over beweging en materie van Licht bewijst hij niet beter dan de andere physici het bij hun stellingen doen. Eens zullen we zijn Le Monde zien; ondertussen erken ik dat hij een scherpzinnig iemand is, die diep nadenkt, en in de Meetkunde heel mooie dingen heeft gevonden.
Ik had in mijn bezit het probleem over het vinden van twee middelevenredigen met behulp van een cirkel en een parabool (dat over de driedeling van een hoek)#), waarvan ik wist dat het door hem was opgelost. Hetzelfde heb ik in een opkossing van een vriend van me, en een hyperbool.

*)  Lucretius, De rerum natura, I, 830, tegen Anaxagoras. Ned. (J. D. Wit, 1709), p. 85.
°)  Ph. Melanchthon, Initia doctrinae physicae (1550), p. 98: Aristoteles zegt dat er drie principes zijn, Materie, vorm, & ontbering" en p. 101v: "Aristoteles heeft gezegd, dat ontbering de oorzaak is van bederf". Ook Thomas van Aquino, 'De principiis naturae' (Engl.), caput 2.
#)  R. Descartes, La geometrie (Leiden 1637), p. 396.]

f. 40v
Dat hij de symbolische Algebra*) veel verder heeft gebracht dan de grenzen die Viète bereikt had, kan ik niet ontkennen, maar ik zou willen dat zij ons de Analyse zouden leren als hulpmiddel bij alles (in sommige gevallen is het immers voor de hand liggend, en voor iedereen makkelijk te vinden), want tenslotte moet de zaak neerkomen op een meetkundig werkende oorzaak, anders ben ik niet beter af als ik weet dat
A. q. +  B in Z.   C.   gelijk is aan  D. q.
D. q.
en andere dergelijke gevallen, want als ik de meetkundige constructie niet ken, en de manier ervan, heb ik niets dat opgelost is. Wanneer we zo gelukkig zullen zijn dat ik met u over deze dingen kan overleggen, is dit een onderwerp waarover meer te zeggen zal zijn. U moet uw vertrek naar Frankrijk niet langer uitstellen. De herfst zal immers voor u heel geschikt zijn, en als u tot in Italië wilt gaan is er geen passender of guntsiger tijd te vinden, dan heeft immers de hitte haar kracht verloren, en verzacht het aangename gematigde weer de ruwe ongemakken van de reis.
Eindelijk wordt Philolaus dus ter perse gebracht, hoe dankbaar zal de ongelukkige u zijn, zodra hij in het licht verschijnt; ik smeek u nog maar weer eens, help het verder en houd vol, anders zullen de werklieden het lange tijd uitstellen en te laat zijn. Ik hoop dat u binnenkort hierheen komt, en het drukwerk meebrengt. Als u echter eerder hierheen komt, wat ik van mijn wensen de belangrijkste vind, doe dan wat u belooft, en beveel niet alleen het boekje aan bij de heer Isaac Vossius, maar ook Boulliau, en groet hem namens mij; ik ben hem verplicht, want de zorg die hij had bij het voorthelpen van het werk, zoveel hij kon, is voor mij niet verborgen gebleven; hiervan ben ik namelijk op de hoogte gesteld door een brief aan de edelachtbare heer Hugo Grotius, gezant van de Zweden, en door een andere, geschreven aan de zeer geleerde heer Saumaise. Beveel mij ook aan bij de heer Blaeu, en spoor hem aan dat hij Philolaus zo snel mogelijk naar Frankrijk terugstuurt. En u, scheept u zich in onder gelukkige voortekenen, en haast u zich om ons te bezoeken.
De heer Gassendi wordt geheel in beslag genomen door het beschrijven van het leven van de heer Nicolas Fabri de Peiresc°), eertijds zijn heer. Op deze bezigheid legt hij zich helemaal toe, met uitsluiting van andere, en binnen enkele dagen zal hij de kroon op het werk zetten; het zal een zeer aangenaam en nuttig werk zijn, daar het immers heel veel waarnemingen zal bevatten, en de voornaamste die deze uitnemende heer in natuurkundige zaken heeft gedaan. Vandaag schrijf ik aan de heer Gassendi, en ik meld hem dat u bezorgd bent over zijn leven en gezondheid. We hebben het boek van Galilei over Beweging, ik zal het binnenkort lezen.
Het ga u goed, zeer vriendelijke heer en geniet van alle voorspoedige en gelukkige dingen, en ik wens van harte dat ze voor u langdurig ter beschikking mogen zijn.
Parijs, 13 augustus 1638.

*)  Lat. 'Algebra speciosa'. John Wallis, A treatise of algebra, Londen 1685, p. 64: "Specious Arithmetick", en p. 67: "Vieta's Characters or Species" (p. 208: Descartes). Boulliau las misschien: L'algèbre nouvelle de Mr. Viète ... traduicte en François par A. Vasset, Par. 1630.
°)  P. Gassendi, Viri illustris Nicolai Claudii Fabrici de Peiresc .. vita, Par. 1641, Den Haag 1655, Engl. 1657.





M. Hortensius aan I. Boulliau
19 januari 1639

BNF Ms Fr. 13037, f. 97

Clariss.o Viro D.o Ismaeli Bullialdo
M. Hortensius S. D.
  Weledele Heer
  Uw Philolaus*) is kort geleden voltooid. De drukker zal bij de eerste gelegenheid enige exemplaren sturen. Met de koeriers zou u er al een hebben gekregen, maar ik zag op tegen de prijs, zij zijn gewend ontzaglijk veel te vragen.
  Bij de Eclips van symbool Luna is onlangs [21 dec.'38] door ons wegens heel slecht weer niets waargenomen dat zeer betrouwbaar is. Alleen de Intrede die u uit de meridiaan-hoogte van de Hondsster met een heel onzekere waarneming afleidt als om 13 h. 23', gebeurde voor mij toen Aldebaran in het westen een hoogte had van 3° 6', dat is om ongeveer 13 h. 32'½. De Uittrede hebben we aarzelend geschat, wegens wolken, toen dezelfde ster 22° 48' hoog was, oftewel om 15 h. 9'½, ik denk dat het op zijn laatst om 15 h. 7' was. Wolken lieten nauwelijks toe het einde waar te nemen, en het was toen de bovenrand van symbool Luna in het westen een hoogte had van 35° 12', maar bij geen enkele fase was het zo betrouwbaar als bij de intrede, omdat de Maan toen in heldere lucht stond. En dezelfde intrede is waargenomen te Leiden, het gebeurde toen de hoogte van Aldebaran 37° 22' was, welke waarneming heel goed met de mijne overeenkomt.
  Dit haastige had ik aan u te schrijven, een andere keer zal ik vrijgeviger zijn.
  Afgegeven te Amsterdam
op 19 januari 1639.


*)  Ismaël Boulliau, Philolai sive dissertationis de vero systemate mundi libri IV, Amsterdam, G. & J. Blaeu, 1639.






Hortensius in Brieven van anderen



Home | Hortensius | Briefwisseling vertaald (top) | Brontekst