Chr. Huygens | < Oeuvres XVII > | Brontekst

IV: tot 1600 , Paris , Lycosthenes , V: na 1600 , VI: Gassendi , VII: eigen waarnemingen


[ 458 ] OC

Aanhangsel IV

Waarnemingen tot 1600
    I.   Seneca lib. I. cap. 9 Nat.

    De 'roeden'*) zijn niets anders dan onvolledige regenbogen. Want hun uiterlijk is wel geschakeerd, maar ze hebben niets gekromds: ze liggen rechtuit. Verder ontstaan ze dichtbij de Zon in een wolk die vochtig is, en die zich al aan het verstrooien is. En daarom zijn ze hetzelfde gekleurd als de regenboog, alleen de vorm is anders: omdat ook die van de wolken anders is, waarop ze zich uitstrekken.


    *)  Aristoteles gebruikte in Met. III.6 het Griekse woord voor: stok, staf, roede (E: rod).   [<]


    II.   Cassius Dio Hist. Rom. lib. 45.

    Het licht van de Zon scheen soms te verminderen en uit te gaan, en straalde soms in drie cirkels; en één ervan was omgeven door een vurige krans van korenaren. En dit alles kwam voor hen duidelijk uit. Want de drie mannen waren heersers (ik spreek van Caesar en Lepidus en Antonius), en van hen behaalde Caesar de overwinning.

    Soms in drie cirkels stralen vind ik slecht uitgedrukt. Soms met drievoudige schijf stralen, waarvan één &c. zo is het beter, maar het is natuurlijk hetzelfde wonderteken als van Obsequens hierna.

[ 459 ]
    III.   Jul. Obsequens de Prodigijs*).

    Tijdens het consulaat van M. Lepidus en Munatius Plancus [p. 125].
    Hij vermeldt dat in deze tijden enkele wondertekenen gebeurden. Dan zegt hij, toen deze met offers onschadelijk gemaakt werden, zijn drie zonnen gezien omstreeks het derde uur van de dag, die zich weldra samentrokken in één kring [<].

    M. Antonius en P. Dolabella consuls [p. 122].
    Drie zonnen straalden, en rondom de binnenste zon kwam een kring tevoorschijn, lijkend op een krans korenaren, als een stadsmuur, en nadat de Zon daarna tot één cirkel teruggebracht was, was het licht gedurende vele maanden kwijnend.

[ Marge: ] misschien: middelste         spiraal         in een schijf

    P. Africanus en C. Livius consuls [p. 75].   Te Lanuvium omgaven tussen het derde en het vijfde uur twee cirkels van verschillende kleur de Zon, de ene met een rode, de andere met een witte lijn.

    Cn. Domitius en C. Fannius consuls [p. 86] .   In Gallia zijn drie zonnen en drie manen gezien.

    C. Marius en C. Flavius connsuls [p. 94].   In Picenum zijn drie zonnen gezien.

    Wel worden deze dingen daarbij verteld: een muilezelin heeft gebaard; een koe heeft gesproken.


    *)  Conrad W. Lycosthenes [>] publiceerde in 1552 te Bazel (met supplementen) het boek over wondertekens van Julius Obsequens, geschreven in een onbekende tijd en waarvan nu geen handschrift meer bekend is. De eerste uitgave (Venetië) is uit 1508.
[ 460 ]
    IV.   Uit Mattheus Paris [Historia Major, ed. 1640].

    In het jaar 1077.   Op palmzondag is rond 6 uur bij heldere hemel een zeer grote ster verschenen dichtbij de Zon.  [p. 10, r. 46]

    1093.   Grote overstroming van regens. In hetzelfde jaar is gezien dat een gloeiende staf vanaf het zuiden naar het noorden over de hemel gevoerd werd. 1 augustus.

    1094.   In dezelfde tijd heeft men zoveel sterren uit de hemel zien vallen, dat men ze niet heeft kunnen tellen. Van één is de plaats opgemerkt, er is water over gegoten, en daarvan kwam rook en gesis.

    1104.   Er verschenen in het zuiden rondom de Zon vier cirkels met een witte kleur.

    1194.   Op de zondag na het feest van St Georgius, op het tweede uur van de dag, terwijl de Zon vrij helder straalde met rosse gloed, is een of andere glans verschenen, zeer helder en ongewoon, niet verder van de Zon verwijderd dan ongeveer de lengte en breedte van het menselijk lichaam, met een in het oog vallende schittering en ook roodheid, zoals een soort van regenboog.

    1200.   Brief uit de hemel aangekomen in Jeruzalem &c. Vast wel in het Latijn*).

    1200.   In dezelfde maand, niet lang voor de geboorte van de heer, zijn 's nachts vijf manen verschenen aan de hemel omstreeks de eerste nachtwake: de eerste verscheen in het noorden, de tweede in het zuiden, de derde in het westen, de vierde in het oosten, de vijfde verscheen in het midden van deze vier manen en die had veel sterren bij zich; en deze met zijn sterren overvleugelde wel vijfmaal of meer de genoemde vier manen. En deze verschijning heeft plaatsgevonden terwijl velen toekeken en zich verwonderden, gedurende ongeveer een uur.

    1217.   Mei. Wonderbaarlijke kruisen aan de hemel op verschillende plaatsen, p. 293.

    1228.   Pag. 352 over de wandelende jood. Pag. 354: het lid van de gezant doet ons dat aan de hand°).


    *)  De tweede zin is van Huygens.
    °)  Dit rijmpje maakt deel uit van een epigram dat de koningin en de gezant van Rome belachelijk maakt.
[ 461 ]
4 zonnen     1233.   8 april. 4 zonnen met een grote cirkel van kristallijnen kleur [in breedte ongeveer twee voet, in omvang ongeveer geheel Engeland omvattend.]
Vier, afgezien natuurlijk van de ware Zon. En die waren rood gekleurd. Dit is de waarneming die in de verhandeling van Gassendi staat*).

    1236.   Op de vrijdag na de ontvangenis van Maria, werd naast de Zon een of andere schijnzon als begeleider gezien.

    1237.   In de week voor pinksteren is hagel gevallen die de grootte van wilde appels bleek te overtreffen: die ook schapen ter aarde wierp.

    1239.   Pag. 497: een komeet slechts voor een ogenblik.

    1241.   Pag. 548: walvis zwemt naar de Londense brug.

    1241.   P. 569: zeldzaam spektakel van twee Saraceense meisjes die bovenop twee bollen liepen. Ik denk dat ze aan de voeten vast gemaakt waren, maar zo dat ze konden draaien°).

    1246.   Vrouw door vrouw zwanger gemaakt en moeder van twee zoons, pag. 706.


    *)  Huygens bedoelt dat het verschijnsel van 1233 in wezen hetzelfde is als dat van 1629, het "eerste verschijnsel van Rome" [<]. In de Opuscula Postuma staat op p. 365 de waarneming uit Matthaeus Paris van 1233 [p. 385], met de figuur [fig. 20 (tab. VI).  Over de kleur zie § 31 hiervoor].
    °)  Deze laatste zin is van Huygens.


    V.   Uit de wonderkroniek van Conrad Lycosthenes*) bij het jaar 1532 [p. 545].

    Op 11 april zijn op het tweede uur van de dag drie in het oog vallende en schitterende zonnen gezien te Venetië, met twee regenbogen, niet met de uiteinden omlaag, maar van de Zon af. Van deze ging de eerste snel weg, de andere bleef klein in het midden staan, gedurende twee uur en meer; de ene als een kring, de andere als een halve cirkel even ver van het vlak van de grond, anders dan de gewone. En de zonnen zelf waren zo fel dat men er niet naar kon kijken, evenmin als naar die in het midden. Degene nu die de Zon aan zijn linkerkant had zag men veel helderder en groter en stralender, aan de zuidkant.

[ 462 ]
1551, drie zonnen En die aan zijn rechterkant stond, aan de noordkant, was kleiner en niet zo stralend, en toch hebben we opgemerkt dat deze aan het eind meer stand hield en toegenomen was. Maar zo dat men beide tegelijk zag weggaan, en dat elk van beide toch zeer veel stralen over de hemel en naar de aarde uitstrekte, terwijl de kleur van alle roodachtig was.

    In dezelfde bij het jaar 1551 [p. 614].
    Op achtentwintig februari in de bekende handelsstad Antwerpen in de Nederlanden, zijn drie zonnen gezien met bont gekleurde en gedeelde cirkels; de bijgaande tekening geeft het weer, voor wie de fysica bestudeert.°)

    Dezelfde figuur is hier bijgezet die bij de vorige waarneming op dezelfde manier is afgedrukt. #)

    In dezelfde bij het jaar 1544 [p. 583].
    Op 9 april is in Glarus, in de bekende Zwitserse stad, om elf uur voormiddag, bij geheel heldere hemel, een witte en kristallijnen cirkel gezien, waarvan het midden van rechts tot links werd ingenomen door een deel van een regenboog met zijn natuurlijke kleuren, en die door het midden van de Zon ging, gedurende vier hele uren.

1544, cirkel, kruis
    In hetzelfde jaar.
    Op 7 april om acht uur namiddag is bij heldere hemel gezien een hemels wonderteken in de stad Wyll in Torgau, namelijk de Maan op het lichaam waarvan een wit kruis [>] glinsterde.

    Een dergelijk wonderteken vermeldt dezelfde schrijver op vele plaatsen.


    *)  Lycosthenes [<] publiceerde in 1557 zijn "Prodigiorum ac Ostentorum Chronicon". N. Heinsius bracht het in maart 1662 onder de aandacht van Huygens (IV, 101).
[ Op internet wordt het veel aangehaald door liefhebbers van vliegende schotels.]
[ Vgl. Illustraties uit Die Wunder Gottes in der Natur, bey Erscheinung der Cometen... (1744), met o.a. 1532.]

    [ °)  Zie Lycosthenes: figuur, en Hans Liefrinck, 'Een seer wonderlijck Teeken', Antwerpen, 19 febr. 1552.]
    [ #)  Figuur van een overstroming, evenzo op p. 613.]
[ 463 ]
    VI.   In het jaar onzes Heren 1535, op 20 april, is in de stad Stockholm het volgende teken in de hemel gezien, vanaf ongeveer zeven uur voormiddag tot negen uur:
1535, teken


    VII.   Uit Olaus Magnus, boek I. hoofdstuk 16. 'Over de gewoonten van noordelijke volken'.*)

fig. 42, 43, 44
hele witte cirkel, regenboog, witte cirkel, donkere cirkel, zuiden
[ 464 ]
    Ook andere grote en dichte witte cirkels worden voortgebracht, eveneens een regenboog met zijn kleuren vattend, met een donkere cirkel verondersteld, die alle gezien worden door terugkaatsing van donkere wolken, en door de witheid van zeer dichte sneeuw die het opppervlak van de aarde geheel bedekt, vooral in de maand februari en maart, wegens de afstand en schuine inval van de Zon [Fig. 42]. De beschrijvingen zijn niets waard behalve door de afzonderlijke waarnemingen [Fig. 43 en 44], maar per soort gerekend.
    *)  [Olaus Magnus] In 1567 verscheen te Bazel (ex officina Henricpetrina) de: "Historia Olai Magni Gothi Archiepiscopi Upsaliensis, de Gentium Septentrionalium variis conditionibus statibusque, etc."  Het eerste boek heet: "De Ritu Gentium et natura rerum ac usu bellandi populorum Septentrionalium".
[Rome 1555, p. 29, 26, 27.]



[ 465 ]

Aanhangsel V

Waarnemingen na 1600
    I.   In het jaar 1608, op 19 mei, om 8 uur in de morgen: 6 zonnen te Prenzlau, in de Brandenburgse mark.

    II.   Ao 1609, 16 maart. Lübeck 9, 10, 11 uur. Een nachtelijke regenboog verscheen in een halfcirkelvormige figuur vanaf de oostelijke horizon naar de westelijke, met een breedte (zegt Dav. Herlicius*)) van twee el. Met witte kleur, maar de sterren schenen er doorheen. Bij heldere hemel en afnemende Maan, en toekomstige halve Maan op 18 maart, om 3 uur 's middags.

1609, halve cirkel     Deze halve cirkel heeft zich ook soms, en op ettelijke plaatsen in de lucht, uitgestrekt in de lengte als tot een boomstam of lange balk, ook alsof hij in afzonderlijke stukken verdeeld was, in het bijzonder toen hij weldra zou vergaan.

    Mensen die hem in het open veld gezien hebben, vermelden dat hij aan weerszijden waar hij op de horizon stond, in tweeën of drieën gesplitst was. De Zon was in de avond meer dan gewoonlijk rood gezien. Uit de afbeelding maak ik op dat de iris door het zenit gegaan is. En Golius en Kechel hebben verteld dat ze er ook zo een gezien hebben**).

    III.   Ao 1610, 3 april. Een aantal van 5 zonnen°).


maanregenboog     *)  [ David Herlicius, De iride lunari discursus historico-physicus, Lübeck 1609;  cf. Haloliteratur vor 1900.]
    **)  Huygens had van Samuel Kechel een boek van Herlicius geleend, via van Schooten (zie II, 198, 250, 251). Kechel had als student te Leiden sterrenkundige waarnemingen gedaan met Golius [>].

    °)  D. Herlicius, Discursus historico-physicus ... Von den Parelijs oder fünff Sonnen, so in diesem 1610. Jahre den 3. Aprilis ... gesehen worden, Stettin. 1610.

[ 466 ]
1625, 5 zonnen     IV.   Ao 1625. 28 mei (oude stijl) zijn in Stettin in Pommeren 5 zonnen gezien, vanaf zes uur 's morgens tot 8½ uur 's morgens.
Laur. Eichstadius [<] heeft het beschreven .
Bij toenemende zonshoogte is het nodig dat de iris tegenover de Zon de grote cirkel verlaat. En wel raken ze elkaar wanneer de Zon 20.45 gr. hoog is. Daarna scheiden ze van elkaar.


[ Figuur van p. 469. ]
1630, 7 zonnen


    V.   24 januari 1630 heeft Scheiner 7 zonnen waargenomen te Rome [<,>] van 10 uur 's morgens tot 2 uur 's middags. Zie Gassendi, pag. 1131 van Philosophiae Epicuri Syntagma.
    [Niet daar, wel in Opera (1658) II, 104.]

    Er wordt gezegd dat hierbij een vijfde en een vierde cirkel waargenomen is. De witte grote cirkel was geheel volmaakt. En toch waren er helemaal geen achterste zonnen. Twee zonnen op de snijpunten van de witte cirkel en twee kleinere buitenbogen die waren losgekomen van de binnenste kringen. En evenzo twee op de snijpunten van dezelfde witte cirkel en de grotere en buitenste kringen, of als het ware de benen van de iris.

    De overige twee buiten die cirkel en omhoog oftewel van de Zon af in de richting van het toppunt, de ene op het snijpunt van twee binnenste kringen. De andere op het snijpunt van de buitenste.

    De binnenkringen, niet geheel concentrisch met de Zon, sneden elkaar boven en onder. De buitenste sneden elkaar aan de bovenkant.

    Zie de brief van Scheiner aan Gassendi, pag. 401 van het laatste deel van de werken van Gassendi, en Gassendi aan Scheiner, p. 43 op dezelfde plaats [>].

[ Apart blad ]

    Hoe de witte grote ring in het verschijnsel van Rome, jan. 1630, volledig was zonder nochtans de 2 achterste zonnen te hebben. Te weten omdat de cilinders van ijs in het midden van de watercilinders die aldaar hingen ietwat dikker waren dan gewoonlijk,
[ 467 ]
en deze waren dezelfde die de 2 verste bijzonnen veroorzaakten op het snijpunt van de grootste halo en de grootste ring, en dat mede om de genoemde dikte van de binnenste cilinders. De cilinders die de 2 nevenbijzonnen maakten hebben zich zo ver niet uitgerekt.

    De kringen kunnen excentrisch zijn doordat de druppels aan de ene zijde dieper gesmolten zijn, dat is kleinere kernen hebben, dan die aan de andere zijde.


Verschijnsel 1634, 8 sept.
    VI.   Verschijnsel aanschouwd te Lesno, in het jaar van Christus 1634, op 8 september, omstreeks 11 en 12 uur.


    De tekst is niet van Huygens' hand, maar misschien van die van Golius.

Enkele cijfers en het woord 'horizon' zijn met potlood in de figuur geschreven, en ze geven aan dat de straal van de kring om de Zon 22° was en de afstand van de Zon tot de onderste boog 29°.
Deze laatste was 14° boven de horizon, dus de zonshoogte was 43°, en de afstand van de kring (als hele cirkel genomen) tot de genoemde boog 7°.

Het gaat om Lesno in Pommeren.


Verschijnsel 1634, laatste dag van april     VII.   Verschijnsel aanschouwd te Leiden, in het jaar van Christus 1634, op de laatste dag van april, omstreeks het 11e en 12e uur.


    In de figuur staan letters: u o, i e, d, c, en tekst: "Meridionaal naar het oosten, zeer nabij de verticaal", "Na ongeveer een halve cirkel kwam deze boog terug", "dit gedeelte verdween het eerst", "cd 20.52'. ou 26.34'. ie 31.18'. met de aangegeven afmetingen verschenen de bogen in het begin.".
[ De originele figuur is te vinden bij Leiden, UB, ms. HUG 31.]

De tekst is niet van Huygens' hand, maar van dezelfde als in VI. De waarneming kan gedaan zijn door Golius en Kechel die in 1632 in Leiden ging studeren [<], evenals de waarneming van 1653 waarvan sprake is in Aanhangsel II [<].


1658, Zeichen
    VII.   Anno 1658 den 20 Martij nachmittage ist dieses Zeichen am Himmel umb der Sonnen von klock halb dreij bisz halb fünff gesehn worden.

[ In het jaar 1658, de 20e maart des namiddags, is dit teken aan de hemel gezien om de Zon, vanaf half drie tot half vijf.]


    Dit is ongetwijfeld één van de waarnemingen die Huygens op zijn verzoek ontving van N. Heinsius (brief van Huygens van maart 1662, in deel IV, p. 69) die in deze tijd in Stockholm woonde.
Zie ook: Alte Halo-Darstellungen.



[ 468 ]

Aanhangsel VI

Gassendi en Scheiner

    Gassendi heeft na het zien van een ruwe schets van de bijzonnen, in het jaar 1630 door Scheiner waargenomen, een nauwkeuriger beschrijving aan hem gevraagd (Epistolae pag. 43), en hij zegt ten slotte het volgende:

    Maar omdat ik vrees dat ik anders weinig doordacht schijn te handelen, vraag ik u tenminste, dat u weergeeft (wat u zich ongetwijfeld kunt herinneren) hoe die regenbogen opgesteld waren ten opzichte van elkaar.
Ik begrijp namelijk niet goed of de grote concentrisch waren met de kleine, en of de grote elkaar zo in het toppunt sneden dat van de delen die eindigen op de getekende vertikaal, begrepen moet worden dat ze zich uitstrekten naar de noordelijke horizon (in welk geval de regenbogen veel groter moesten lijken dan de gewone, ja bijna een boog van die cirkels die op een bol grote cirkels heten). Of liever dat die twee benen die naar de horizon omlaag gingen, een of andere doorlopende halve cirkel voorstelden; en dat verder de delen van de benen naar het toppunt gingen, als het ware één boog waren van een andere, die de onderkant van de andere cirkel raakte; zoals te zien is, als we een spiegel of een wateroppervlak aanraken met een of andere boog.
Evenzo begrijp ik niet of de zo genoemde kleinere regenbogen, boven en onder in elkaar waren gelopen, of elkaar raakten of sneden; of (wat waarschijnlijker lijkt) dat ze overal even ver van elkaar waren [en of een bijzon (als die daar was) òf in het snijpunt òf in het raakpunt òf ertussen verscheen].
Ik ben niet, zeg ik, zo scherpzinnig dat ik deze dingen doorzie door alleen de figuur te bekijken. &c.


    Hierop antwoordt Scheiner, pag. 401 van hetzelfde deel 6 van de werken van Gassendi:

    Waarbij ik ook een kopie voeg van de bijzonnen, in het afgelopen jaar (1630) waargenomen, en de gevraagde uitleg ervan knoop ik hieraan vast; hoewel ik tamelijk onzeker ben, of u nu uitleg wenst van deze, of van die bijzonnen die ik in 1629 heb waargenomen [<], en die u met uw aantekeningen hebt opgehelderd. Maar hoe dan ook, bijna alles wat over het ene verschijnsel gezegd wordt geldt ook voor het andere. Ik ga dus over tot de afzonderlijke onderdelen.

[ 469 ]
Aan u is rechtstreeks een met de hand getekende figuur overgebracht, omdat ik die in Rome helemaal niet heb laten drukken. Van de regenbogen in de naaste omgeving van de Zon waren de middellijnen plus minus 45°; van de verder verwijderde, op het gedrukte blad ORP, ongeveer 95° en 20'.
[ Marge: ] nu zendt hij dus een gedrukte figuur van de waarneming uit 1630.
1630, 7 zonnen De kleuren waren als van de primaire zonneregenbogen, het purper of rood het dichtst bij de Zon, en de overige in de gewone volgorde en op de gewone manier. Van al die bogen was de dikte of breedte gelijk en dezelfde, en wel ongeveer een derde deel kleiner dan de zonnediameter, zoals de tekeningen juist aangeven; hoewel ik niet zou willen ontkennen dat de met de horizon evenwijdige melkwitte cirkel wat breder was dan de andere bogen. De schijnbare diameter daarvan is te bepalen met de zonshoogte, volgens de verhouding van kleine en grote bolcirkels. De bijzonnen van het jaar 1629 schijnen voldoende verklaard op het overgezonden blad; en die van het jaar 1630 waren net zo. Wel kwamen de twee M en N vrij helder uit en de andere twee O en P minder krachtig. M en N straalden met hun kant naar de Zon toe purperrood, en aan de andere kant wit. O en P waren geheel wit.
[ Marge: ] omdat ze lichtzwak waren, denk ik.
Al die verschijningen hadden verschillende duur. Want de verschijning P kwam zwak en zelden tevoorschijn, en werd voor alle uitgewist, doordat wat dikkere wolken zich op diezelfde plaats samenpakten. De verschijning O was ook zwak maar toch vrij bestendig, en bleef lang hangen. De twee nevenzonnen M en N zijn gedurende 3 uur steeds gezien; terwijl echter schijnzon M wegkwijnde en na veel strijd het eerst uitgedoofd was, was de andere N evenwel meer dan een uur nog aanwezig, en het uiteindelijke vergaan hiervan heb ik niet kunnen opmerken, toen ik wegging naar huis, in de zekerheid dat die met de echte Zon langdurig alleen is voortgegaan, noch door wolken, noch door dampen of uitwasemingen onderdrukt zoals de andere. Maar toen tenslotte regenbuitjes daarop volgden, hield ook die op te verschijnen.
[ 470 ]
    Dus als we het begin met het eind van de waarneming vergelijken vinden we op zijn minst 4½ uur, en daar nu bij het eerste opmerken van het verschijnsel alles zich al in volle gang vertoonde, kom ik gemakkelijk tot de overtuiging dat de gehele duur ongeveer vijf of meer uren in beslag heeft genomen.

[ Naar fig. p. 469. ]

1630, 7 zonnen, letters
    De bijzonnen Q en R staan in het vertikale vlak waar de regenbogen elkaar òf snijden, òf in omgekeerde stand raken dichtbij het toppunt, in het vertikale vlak dat door de middens van het oog F en de Zon G gaat. In de felheid van glans waarmee ze het gezicht treffen, blijven ze soms achter bij de andere en soms overtreffen ze die, regelmatig vervagen ze van vorm en helderheid en ze vertonen niet steeds de vorm met dezelfde grootte en de schildering met gelijke verfijning, maar nu eens nemen ze toe en dan weer nemen ze af, te weten naar de verschillende gesteldheid van de Zon G die het bewerkt, en de materie Q en R die het ondergaat.
Vandaar dat deze bijzonnen zich bewegen in een bijna voortdurende strijd, en fluctuatie van licht en kleuren. Ze worden meestal het eerst en het laatst gezien van de bijzonnen, hoewel in deze verschijning het beeld van zon N het 't langst uithield, naar wat ik heb waargenomen toen ik ermee bezig was.
De afstand of hoogte van het licht Q boven de horizon, was ten tijde van de eerste waarneming 49° 40'. Van licht R, 76° 10'. De zonshoogte was 28° 30', dus was de afstand van deze Q tot de Zon in de vertikale cirkel 21° 10'. En de afstand van R tot de Zon was 47° 40', op het tijdstip voor de middag waarop ik de eerste waarneming uitvoerde.
In het begin van deze waarnemingen was de wind noordelijk, maar geleidelijk is die veranderd in een oostelijke en tenslotte in een zuidelijke, en heeft hij regen veroorzaakt, maar niet veel en niet langdurig. Bijna veertien dagen daaropvolgend bleek de hemel dagelijks nogal nevelig, en dagelijks heeft de Zon 's morgens geprobeerd nieuwe nakomelingen te verwekken, evenwel zonder succes, ongetwijfeld door het ontbreken òf van materie òf van de vereiste verdeling ervan. Ik heb namelijk in de vertikale cirkel duidelijk beginnetjes gezien van bijzonnen, gedurende vrij lange tijdsintervallen; ik heb ook duidelijk het verschijnen en verdwijnen van de nevenzonnen gezien.
De regenboog ORP schijnt één deel van een cirkelboog geweest te zijn, en daarom een halve cirkel met de Zon als middelpunt, alhoewel hij naast theta en kappa niet geheel en al reikte tot de horizon AB; en de delen Okappa en Ptheta waren niet constant van grootte, nu eens langer, dan weer korter. De bogen ZQalfa, betaQgamma en deltaepsilonzeta, meest nabij de Zon, vertoonden zich wel voor het oog als één wat verwarde cirkelomtrek, niet overal even breed, en niet steeds zichzelf gelijk, maar als het ware overlopend en verschillend door een voortdurende schommeling. In werkelijkheid echter werd hij aaneengesmeed uit de bogen die in de figuur zijn weergegeven, zoals ik vanuit het instituut waargenomen heb door er zeer nauwkeurig op te letten. De hoorns HRC schijnen een segment te zijn van een kleinere halve cirkel die de grote ORP in omgekeerde stand raakt in het gemeenschappelijke knooppunt R. De bogen ZQalfa en betaQgamma snijden elkaar in het knooppunt Q, en vormen daar de bijzon Q.

[ 471 ]
De twee zonnen N en M zijn ontstaan op de gemeenschappelijke knooppunten of snijpunten M en N; de regenboog zetadeltaepsilon maakt deze met de melkwitte cirkel ONMP. Het noordelijke deel van de hemel was schoner dan het zuidelijke, dat, overtrokken met dunne en wazige dampen, een betere gelegenheid en meer materie verschafte voor deze verschijning.
En dit is wat kort geleden bij mij opgekomen is ter beantwoording van het door u gevraagde. In een werkje over de bijzonnen*) zullen misschien verscheidene dingen naar uw smaak aan het licht gebracht worden. Zeer verblijd was ik met die geleerde aantekeningen van u over mijn bijzonnen; zeker verwacht ik geenszins een nauwkeuriger hand en pen, en ik verheug me erover dat zo'n Apelles mijn schetsen te hulp is gekomen; alles is naar mijn smaak°) wat u over het ontstaan, de aard en de betekenis van dit verschijnsel betoogt, zoals u uit mijn verhandeling wel zult zien. &c.
    *)  Marge: "is dit dan dus uitgegeven?". Aan Gassendi werd gezonden: "Parheliae in quibus multa de Iridibus, Halonibus, Virgis, Chasmatis" (het is niet gedrukt).
    °)  Marge: "niet naar de mijne".
[Apelles was hofschilder van Alexander de Grote, onnavolgbaar voorbeeld voor schilders.]




Samuel Kechel, 'Eygentlicke afbeeldinge der Drie Sonnen', Leiden 1653.


[ 472 ]

Aanhangsel VII

Eigen waarnemingen

    § 1.   29 jan. 1659, 7 uur 's avonds. Halo rondom de Maan waargenomen. De binnendiameter was ongeveer 43°, de breedte 2 of 3°, want de buitenomtrek was niet zo scherp begrensd, maar zwakte geleidelijk af. De hoogte van de Maan was 47°, ik mat die met een houten zeevaarderskruis*). Er waaide een kalme zuidoostenwind, die deze dag was begonnen, nadat vele dagen een tegenovergestelde wind had gestaan. Er dreven dunne wolken, waardoor de sterren niet bedekt werden. Ik heb de halo langer dan een heel uur waargenomen, soms minder volmaakt en dan weer opnieuw hersteld. Toen dichtere wolken zich verbreidden verdween hij tenslotte. De Maan was nog niet halfvol. De kleur van de halo was wit.

    30 jan. Omstreeks dezelfde tijd verscheen er weer zo'n cirkel, ook bij een dergelijke gesteldheid van de hemel. De wind kwam echter van de andere kant, vergeleken met de vorige dag.


    [ *)  Een 'schuifkruis' of 'jacobsstaf'.]


    § 2.   4 of 3 febr. [1659], om half tien 's avonds is weer een halo rondom de Maan gezien. Met vrijwel de gehele hemel helder en alle sterren zichtbaar, was hij duidelijk te zien, maar met een lichte nevel overtrokken; de wind was zeer zacht. De halo was ook zwakker dan de voorgaande.


    [ Foto: A February Moon's Halo.]


    § 3.   Woensdag 19 maart 1659, om 3 uur na de middag, heb ik twee bijzonnen gezien, terwijl de hemel overtrokken was met dunne wolken die het licht van de ware Zon fletser maakten. Voor elk van beide was de hoogte boven de horizon dezelfde als voor de Zon in het midden. Afstand van de Zon voor elk van beide ongeveer 25°, en derhalve 50° van elkaar. Maar om half vier vond ik slechts 46°. Die in zuidelijke richting was opvallender, en had de glans en de kleuren van de regenboog, vooral roodachtig aan de kant het dichtst bij de Zon. Zo ook de andere, maar flauwer. De vorm was geenszins rond of begrensd, maar verdwijnend bij de randen. De zuidelijke had een staart, of beter gezegd een eraan vastzittend gedeelte van de (met de horizon evenwijdige) witte cirkel, ver naar het zuiden uitstekend, maar toch meer opvallend in het deel dichtbij de bijzon, want de rest werd nauwelijks onderscheiden. Rondom de Zon was geen cirkel behalve dat eenmaal te zien was dat een stukje zich uitbreidde over de zuidelijke bijzon.

[ 473 ]
Een half uur lang bleef deze bijzon bestaan terwijl ik keek, de andere was eerder vergaan. In het tegenovergestelde deel van de hemel verscheen geen spoor van de andere twee zonnen. En dat is niet verwonderlijk, daar ook deze zwak waren. Met een houten kruis mat ik de hoeken.

    De grootte van de bijzonnen was iets groter dan die van de Zon. Maar de staart was dunner dan de bijzon en veel minder glanzend.


    § 4.   7 april 1659. Om half elf begon ik twee bijzonnen bij de Zon waar te nemen, terwijl de hemel in dat deel en overal vrijwel helder was, evenwel niet zeer blauw maar witachtig. Elk van beide was langwerpig en had een lange van de Zon afgewende staart, die een deel was van de grote cirkel die evenwijdig is met de horizon, en door de Zon gaat; deze gaf evenwel slechts zwakke sporen van zijn bestaan, en zeker geen in het deel tegenover de Zon en ook niet tussen de beide bijzonnen.

2 bijzonnen
Een halo omgaf ook de Zon, maar aan weerskanten 3 of 4 graden binnen de bijzonnen. De afstand van de bijzonnen was ongeveer 56°. Het zwakke licht, als van een wolkje, neigde in de richting van de Zon naar het rood. En nog eens 56 of 57° vanaf elke bijzon, waren er op dezelfde grote cirkel twee plekken, maar ze waren eigenlijk nauwelijks te onderscheiden, wat witachtig, waarvan ik dacht dat ze een begin waren van twee andere zonnen. Maar bij toepassing van een cilindrisch glas merkte ik dat ze op een heel andere plek waren dan waar ze hadden moeten zijn.

    Omstreeks kwart over 12 waren er nog vage restanten over van zowel de halo als de bijzonnen, op dezelfde plaats als eerst, en overal dreven al dikke wolkjes.


    § 5.   1659. Op dezelfde dag 7 april, waarop ik voor de middag de bijzonnen had waargenomen, heb ik na de middag omstreeks 4 uur weer diezelfde opgemerkt. Doch er was helemaal geen halo om de Zon. De hoek voor de afstand tot de Zon heb ik niet opgemeten.
Dezelfde avond omstreeks 8 uur, terwijl de volle Maan niet ver boven de horizon stond, verscheen aan de westkant een bijmaan, van dezelfde vorm als eerder de bijzonnen. Ook was er een halo rondom de Maan, met een middellijn van 45°, en in deze halo waren bijmanen. Om 9 uur was de halo verdwenen en de bijmanen, aan de westkant; maar de andere stond aan de oostkant, zoals de vorige, 22° verwijderd van het midden van de Maan. Daarna begon ook weer een glimp van de andere te verschijnen.




Christiaan Huygens | XVII | Over kringen en bijzonnen, Aanh. IV - VII (top) | vervolg