Inleiding , windmolens , octrooien , brief , langzaam draaien , bewijs: 4 x meer , Bron
InleidingEen brief aan Schout en Burgemeesters van Delft geeft ons een blik op de praktische werkzaamheden van ingenieur Stevin. Het gaat hier om het omhoog malen van water.De Waterwichtdaet begint met: Nadien hier vooren beschreven sijn de Beghinselen des Waterwichts, soo soudet betamelick sijn, dat beken ick, de Waterwichtdaet te volghen, van sulcx als wy daer af connen verclaren; maer hebben om seker redenen gheschict, dat voor t'eerste niet schriftelick, maer werckelick te laten gheschienStevin stelt zich niet tevreden met het beschrijven van proeven en het maken van sommetjes. Hij wil ook laten zien dat de theorie echt werkt. Dat "werckelick te laten gheschien" wordt duidelijk in onderstaande brief, bekend gemaakt door zijn zoon Hendrik. Stevin stelt daarin voor een watermolen te laten bouwen, aan te drijven door een paard, voor de verversing ('schuring') van het water in de Delftse grachten. Het is niet bekend of de brief ook verzonden is. Er zou een houten model van een scheprad bijgevoegd worden, maar dat is helaas niet meer beschikbaar. Voor het ontwerp is hem in 1586 octrooi verleend voor twintig jaar, door de Staten-Generaal: Octroy om enige nieuwe waetermolen te mogen maecken, voor Symon StevijnHet nieuwe is: een veel breder scheprad met minder 'lepels', langzamer draaiend. In 1590 verklaart de Delftse overheid, op verzoek van "Mr. Simon Stevin Mathematicijen, wonende binnen de Stadt Leyden": dat de selve Stevin [...] vermaket heeft de oude Watermolen staende aent Duyvelsgat opte vesten teijnde de Geerwech binnen deser Stadt, ende dat de selve Molen nu twe jaren gemalen hebbende int roeren vande wateren en tochten te maken tot ververschinge van dien, se er omtrent driemael so veel wercx gedaen heeft en alsnoch doende is, als de oude Molen van te vooren plach te doenMet een zelfde succes is een tweede watermolen "staende op de Vesten teynde de nieuwe lange Dijc" ook verbouwd, "volgende sijne const ende inventie". WindmolensZulke getuigenissen als van de Delftse overheid waren nodig voor eventuele problemen bij andere opdrachten. En die deden zich voor: een windwatermolen voor IJsselstein werd te laat opgeleverd (juni 1590), en werkte slecht. Daardoor kwam er een overstroming. Lag de schuld bij de ontwerper, of bij de bouwer? Was het materiaal van de spil niet bestand tegen de grotere krachten, ten gevolge van het grotere scheprad?Jan de Groot had het contract getekend, en sprong voor Stevin in de bres. Hij zorgde voor bemiddeling door prinses Maria van Nassau, die over de baronie van IJsselstein ging. Ze was getrouwd met Philips van Hohenlohe, bij wie Jan later in dienst zou komen. Dankzij de uitgebreide briefwisseling hebben we nu dit plaatje: |

Stevins zegel met 'clootcrans', "U. E. dienstwillighe", en handtekening
(uit een brief aan de schout van IJsselstein, 3/11/1594, in PW V, fig. 23.).
De betreffende molen staat vermeld in 'Vande Molens' (gereviceert door den professor Golius, 1634). Hierin staan gegevenslijstjes en berekeningen voor zo'n twintig windwatermolens, eerst een aantal bestaande en dan die volgens Stevins ontwerp. In het eerste geval vinden we voor de breedte van de lepels: ongeveer een voet; en dit staat meestal ook opgegeven bij: 'komen onder het peil'. Maar volgens de 'nieuwe manier' zijn beide waarden om en nabij drie voet! Met verwijzing naar de voorstellen 15 en 18 uit de Beginselen des Waterwichts worden voor de eerste (bestaande) molen de volgende voorstellen beschreven:
Bij de molens was er veel wrijving tussen de kammen van het kamrad en de staven van de schijfloop. In 'Van aldervolmaecste cammen en staven' behandelde Stevin een van de oorzaken: daerom gheraeckt de cam [..] haer staef [..] maer met haer uyterste kandt, also datse daermede thoudt van de staef wech scrabt ende haerselven beschadicht, totdatse malcanderen verlaten.Dit probleem kon opgelost worden door de kammen iets naar achter te laten hellen. In een getuigschrift legt "de Eersame Pieter Aertsz" uit Rotterdam een verklaring af, op verzoek van "Ian de Groote woonende tot Delft" (april 1590): dat hy Deponent tsedert December anno negenentachtich, gemalen heeft de nieuwe Molen in Cralingen Polder [...] ende dat sedert dien tijdt inde selfde Molen noyt cam ofte staf verandert is, ende de selfde cammen ende staven geen rugge van een mes gesleten zijn, ende na sijn goetduncken de selfde cammen ende staven in twintich jaren niet sullen behoeven vernieut te werdenHet was dus gelukt. En de prestaties waren indrukwekkend: dat hy [...] veel meerder moel als de Ruychbroeksche Molen dede, die nochtans niet meer dan derdalfhondert morgen onder hem hadde, daer de voorschreve nieuwe Molen in Cralingen staende, ontrent de vijftienhondert morgen onder haer heeftIn maart 1590 was er een getuigenis, op verzoek van Stevin: vande prouf die de Stolwijcksche Molen [...] doen soude tegens de Beeyersche Molen, daer beneffens staende, in heure gemeene bosem [...]Stevin had dus niet ten onrechte zijn theoretische inzichten toegepast in de praktijk. Maar zijn vernieuwingen werden niet overal toegepast, en raakten in vergetelheid. OctrooienAan Stevin zijn octrooien verleend in 1584, '86 (het bovengenoemde), '88, en 1589.17 februari 1584, Staten van Holland: omme te mogen practiseren drie inventien,De tweede kan geweest zijn het Almachtig-werktuig. 22 februari 1584, Staten-Generaal: Reqte Simon Stevin versoeckende octroy om te moghen doen oprichten zeker instrument om water uuten Lant te malen [...]23 februari 1588, Graaf Leycester: Octroy dat nyemant die molens inden voorsz, octroye verhaelt [1586, watermolen], zal mogen binnen xviii jaeren naemaeckenIn 1589 waren er negen 'inventies', waarvan acht in verband met water. Zie: Braadspit. 18 januari 1590, Staten van Holland (Register, 1590, p. 161): Op het versoek van Simon Stevin, Ingenieur, ten einde sijn inventie van vertragende proportie der gaande Werken niet soude worden in eeniger manieren gecontrefeyt dan met contentement van den Suppliant, volgende sijn Octroy de anno 1586, gesien hebbende het ernstig versoek van Cornelis Dirksz Muys, Stads-Timmerman tot Delft, hebben de Staaten van Holland gecommitteert den Heere van Poelgeest, Joost de Menyn, eene van Delft, en den Burgemeester Dirk Dirksz 't Hoen, de Requeste van beide Parthyen te visiteeren en Parthyen te doen vereenigen, indien het doenlijk is, indien niet, de Staaten van alles te doen rapport, omme voorts in de saake gedaan te moogen worden als na behoren.Zie Principal Works V, p. 14, 29 en op p. 74: "... some conflict with Muys over the latter's patent on a new watermill of 31/10/1589, which he first believed to infringe his own patents. The matter seems to have been settled to the satisfaction of both."
Brief[ 380, P.W. V ]Aende E: Heeren, Schoutet en Burgemeesters der Stadt Delft
Hebbende Simon Stevin onlanx uytegegeven een bouck, geseyt de beginselen des waterwichts, en van wille sijnde de Daet of praktique van sulcx nu int werc te stellen, Soo is hem onder anderen voorgecommen de schuering ofte deurleyt des waters die mijn Heeren met overvloet duer de Stadt begeeren. Maer want de voornoemde Beginselen des waterwichts seker kennis geven om de voorschreve scheuring met kleyne cost en arbeyt te maken, alsoo datter een groote menichte waters loope, ongelijc al veel overvloediger dant nu doet; Soo heeft hem goet gedocht sulcx mijn Heeren an te dienen, bethoonende deur seker redenen de oirsaken, waerom dese manier dat doen can, ende d'ander niet. Maer by aldien mijn Heeren daer an twijfelen, so presenteert de voornoemde Simon sulcx tsynen laste te doen, en so teynde niet goed en viele, dat alle verloren cost, tsynder schade sal wesen.[ 382 ] want (deurt eerste Voorbeeldt des vijftiende Voorstel vande Beginselen des Waterwichts ) tegen d'een zyde sal rusten tgewicht van 500 voeten water, tegen d'ander zijde 405 voeten, welcke getrocken van de 500, rest 95 voeten, dese 65 mael (want elc voet waters weegt 65[ 384 ] Maer drajende het scheprats eens om, so keeren de wiecken 1 142/441 mael om, daerom met elcken keer der wiecken so gater voort min dan 110 voeten waters. BronnenPrincipal Works deel 5 [^]:blz 26 Octrooien, 48 Cammen en staven, 335 Vande Molens, 380 brief Delft, 387 getuigschriften. De IJsselstein-brief waarvan het slot is afgebeeld staat gedeeltelijk daar: fig. 23 (naast blz 324), en geheel in Dijksterhuis (1943) 206. Gegevens ook bij Isaac Beeckman, zie het door C. de Waard uitgegeven Journal, II, p. 406 - 416. |