Opdracht aan Amelis van RosendaelIn: L. van Ceulen, Fundamenta Arithmetica et Geometrica(vert. W. Snellius), Leiden 1615, p. 83-84. L. C. de Wreede, Willebrord Snellius (1580 - 1626), Utr. 2007, p. 188-205. |
Aan de zeer edelachtbare en rechtsgeleerde
|
|
niet hierbij te halen*)), op wiens naam ik oordeelde iets te moeten schrijven in dit werk van ons, u die met een diepere wetenschap van het recht een zeer nauwkeurige kennis van de Wiskundige wetenschappen hebt verenigd. Ziehier dus, zeer Edelachtbare heer, boeken met veelsoortige problemen, waarin we een behandeling van problemen van enige Meetkundigen zó aanbieden, dat we in dit gezelschap van scherpzinnigheid soms ook getallen hebben toegelaten. Want elk gemeten getal is een nauwkeurige vertolking van verhouding en evenredigheid. En als we iets van Aristoteles geloven, in cap. 2 van boek 1 van Metaphysica, zegt hij: Rekenkunde is exacter dan Meetkunde; waarmee ik het geheel eens ben als hij bedoelt dat met getallen, wegens de oneindige verdeling die de Meetkundige in werkeliijkheid niet kan bereiken, delen en deeltjes van delen nauwkeuriger zijn uit te drukken, van welke grootte dan ook.°) Om deze reden behoorden we het in deze boeken toegelichte gebruik van getallen, vooral irrationale en onuitspreekbare, de liefhebbers van leren niet te onthouden. En des te meer opdat het iedereen duidelijk is, hoe onbruikbaar die Pythagoreïsche verdeling is van de irrationale in dertien soorten #). Euclides heeft daarmee het hele 10e boek van de Elementen gevuld, terwijl die algemene telwetten niet vermelden bij welke soort dan het ene of het andere getal ingedeeld moet worden. Want er is één algemene telregel. Maar Euclides, een filosoof van de Pythagoreïsche school, heeft zich vooral toegelegd op een Pythagoreïsch toevoegsel over de vaste lichamen, zegt Proclus ^), alsof dit het hoogste goed en einddoel zou zijn. En daarom houd ik op met me erover te verbazen dat hij minder begaan was met het nut van het tiende boek. Want er is geen enkel element onder deze soorten dat ergens in Archimedes, Serenus, Theodosius, Menelaus, Ptolemaeus, Theon, Eutocius, Diophantus, en zelfs Euclides zelf buiten de Elementen, genoemd wordt of enig gebruik heeft. Daar is dus slechts een of ander kruis bij geplaatst, dat alleen al door berekening met het rekenbord heel gemakkelijk is weg te nemen. En hoewel dit ale iets subtiels kan worden bewaard in de Wiskundige bobliotheek, toch moet het worden afgezonderd van de elementen, als minder nuttig. Want als dit te gebruiken is, omvat deze hele klasse, waarvan dit boek althans een klein gedeelte aan uitleg inneemt, ongetwijfeld meer aan diep verborgen geleerdheid en kennis. Maar aangezien het zeker is dat Euclides de beshouwing hiervan heeft gebonden aan alleen lijnen en groottes (want hiervan bestaan heel betrouwbare documenten in de gehele oudheid, bij Archimedes, Eutocius, Prolemaeus, en anderen) is het geen wonder dat logici met een zuiverder oordeel, daar deze zaken onderhevig zijn aan vruchteloze muggenzifterij, de behandeling ervan verwezen hebben naar de logistica van onuitspreekbare en irrationale getallen, samen met de bekendste Wiskundigen van deze tijd. Want ook zij die zich met de grootste ijver toeleggen op deze telling, en die zich hun hele leven daarmee hebben afgetobd, wanneer getallen bovenmatig uitgroeien, en als het ware instorten onder hun eigen gewicht: leggen ze de pen neer? Bekijk eens, als u wilt, het vijfde boek hierna, waarin u zult zien dat deze leemtes door ons zijn aangevuld. Ja zelfs, wanneer zij wegens de veelvoudige ineenstrengeling van getallen zich nauwelijks losmaken, vallen ze dan niet, na een analyse te hebben gemaakt, terug op de uitlegbare getallen? Opdat namelijk niet dat derde wordt verzucht: dat begrijpen we niet. Dus moet deze behandeling van getallen in zoverre worden bewezen, dat er enig nut uit voortvloeit voor een andere. Dit heb ik daarom zo vrijmoedig met u besproken, zeer kundige heer, opdat u, aangezien u hiermee niet onbekend bent, zelf ook zult zien dat dit deel heel rechtmatig wordt afgezonderd van de elementen. En daarom, als wat we hier hebben beweerd, door u met hetzelfde gemoed wordt aanvaard, als waarmee u gewend bent mij te ontvangen, dan pas zal ik begrijpen dat ons werk nergens anders beter had kunnen worden neergelegd.
*) Amelis van Rosendael (1557-1620), raadsheer aan Hof van Holland, was oom van Maria de Langhe, Snellius' vrouw (Wikipedia). °) Zie hierover De Wreede 2007, p. 190. #) Snellius wordt hier bekritiseerd in: Joh. Kepler, Harmonia mundi (1619), 'Proœmium', p. 4: "zie hoe Snellius, de vindingrijkste van de huidige Meetkundigen, Ramus steunt ... dat die verdeling van de onuitspreekbare in dertien soorten onbruikbaar is." In Opera omnia, vol. 5 (1864): p. 83, met noot 2 op p. 471, met een uitgebreid citaat. Kepler noemt ook het even hierna genoemde "crux ... defixus", en zegt even later: "Ramus heeft het Euclidisch gebouw zijn vorm ontnomen ... Snellius haalt dus ook het cement weg". Ander commentaar op Snellius: Joh. Broscius, Apologia pro Aristotele & Euclide, Dant. 1652, p. 37. (De Wreede 2007, p. 200-203.) ^) Proclus, In primum Euclidis Elementorum librum ..., Patavii 1560 (ed. Fr. Barocius), lib. 2, cap. 4 (eind), p. 39, over Euclides:
"Nu is hij van de Platonische school, en vertrouwd met deze filosofie. Vandaar dat hij inderdaad als doel heeft gesteld van het gehele onderwijs, ook in de Elementen, de constructie van die figuren die de Platonische worden genoemd." Proclus 1560, p. 38: "Pythagoras ... heeft een constructie van werelfiguren gevonden." Zie Euclid's Elements, boek 13, prop 13-18. Figuur: Wikipedia. Liesbeth Cornelia de Wreede (2007) noemt Snellius niet voor niets "a Humanist Reshaping the Mathematical Sciences". |