Chr. Huygens | Oeuvres II | Brontekst

Briefwisseling met Mersenne (OC I)

Supplement

[ 545 ] OC

No 3 g.

Constantijn Huygens sr aan M. Mersenne.

16 augustus 1644.

        Mijnheer

    Ik kom u verslag uitbrengen van de schoten die ik in mijn afwezigheid heb laten lossen aan het zeestrand, dichtbij den Haag, onder 45 graden, hoewel dat niet naar onze voldoening is gelukt. Want dit is wat men mij geschreven heeft.  [Cf. No. 37.]

    De 20e juli heeft men in aanwezigheid van deskundige personen geschoten met hetzelfde stuk van 6 pond, geladen met 1½ pond kruit, 4 keer achtereen, zonder te hebben kunnen waarnemen waar de kogel terecht kwam, zodat deze ofwel links de zee in, ofwel rechts de duinen in geschoten is. Dit gebeurde omdat op dit gewone affuit het stuk zo hoog lag dat men het niet kon beletten te slingeren, en er zou expres een toestel voor gebouwd moeten worden.

    Het 5e schot is waterpas genomen (nog steeds met dezelfde lading). Toen was de eerste val van de bal

op . . .  398 passen
de eerste sprong  op . . .  790
de tweede op . . . 1065
de derde op . . . 1244
de vierde op . . . 1394
de vijfde op . . . 1475
de zesde op . . . 1548
de zevende op . . . 1626
de 8e en laatste op . . . 1750   waar de bal
is blijven liggen.

    Ik denk dat dat deze laatste overeenkomt met zijn rolafstand.

    Voor het 6e schot heeft de meester het stuk weer laten oprichten tot 45 graden, en hij is zelf naar voren gegaan om te proberen de kogel waar te nemen, en hij is zo ver naar voren gelopen dat hij slechts met grote moeite de rook van het kanon kon zien. Toen door een gelukkig toeval de kogel juist achter hem kwam vallen (waar hij maar een klein gat maakte en slechts 1½ voet de grond in ging), werd dan deze afstand bevonden op 3225 passen.

    Daarna werden nog andere schoten gelost, maar de kogel is niet teruggevonden.

[ 546 ]

    Zodat we, Mijnheer, het nu moeten doen zonder meting van de tijd, maar ik merk op dat, daar u hebt bekend gemaakt dat de kogel bij een vertikaal schot tot 3072 voet zou moeten zijn gekomen, en dat hij onder 45 graden twee keer zo ver zou moeten gaan, dit hier vrij nauwkeurig uitkomt. Want onder 45 graden vinden we 3225 passen, elk van welke passen twee voeten omvat (de passen zijn die van de gewone gang van een mens), zodat u een middel hebt om uit de afstand enigszins de tijd af te leiden.*)

    En hier beëindig ik ons kanonieke onderhoud, waarvan ik hier dag en nacht zo veel meer rond mijn oren heb (wat wederzijds voortdurend armen en benen afhouwt), dat ik niet meer de vrijheid heb om deze materie op een luchthartige manier te behandelen. Wanneer uw koninklijke kanonniers teruggekeerd zullen zijn van het veld, zal ik afwachten tot u hen te Parijs een proef laat doen op hun manier, opdat we de onderzoeksresultaten kunnen vergelijken. Want men weigert zoiets gerings niet aan mensen van de kerk, ook gezien de achting die u geniet wegens uw grote verdiensten.

    Het mooie physico-mathematische boek [Cogitata] dat u me laat verwachten is nog niet gekomen. Ik zie het met ongeduld tegemoet, zoals ik geneigd ben waarde te hechten aan alles wat uit uw geleerde handen komt.

    Evenzeer hebt u me het water in de mond doen lopen met de verhandeling over de natuurkundige oorzaken van het wereldstelsel [Cosmographia] maar tot nu toe laat alles nog op zich wachten. U zult, hoop ik, het simpele presentje †) hebben ontvangen dat ik u via Calais heb gestuurd, neemt u het mij niet kwalijk.

    De filosofie van de heer Descartes [Principia] is me zojuist aangeleverd, en 8 dagen lang zal ik niet de tijd hebben er in te kijken. Ik zou willen dat ik het u kon doen toekomen°), maar ik zal eerst afwachten tot ik weet dat mijn adres in Calais betrouwbaar is; want ik heb reden er aan te twijfelen wat betreft enkele pakketjes die ik daarlangs heb laten gaan, en waarover ik niets meer hoor. Blijft u mij de eer van uw vriendschap geven, ik zal trachten die voor een deel waard te zijn, als zijnde

        Mijheer

Uw zeer ootmoedige dienaar
C. Huijgens.


    In het kamp voor Sas van Gent, een dappere en sterke plaats, die zich alleen schijnt over te geven bij stukjes en beetjes die niet zonder kruit zijn, niet als ze waterpas zijn, en niet onder 45 graden.

    16 augustus 1644.


    [ *)   Maar: "De passen syn geweest van 4 inde Roede" (>), d.w.z. 1 pas = 3 voet.]
    [ )   Twee gedichten die Huygens gestuurd had (Correspondance du P. Marin Mersenne XIII, 195, n. 4).]
    [ °)   Mersenne schreef in zijn antwoordbrief (20 aug. 1644): "Ik verzeker u dat ik, als ik evenveel vernuft in de poëzie had als u, de Physica van Descartes in verzen zou zetten, zoals Lucretius gedaan heeft met die van Democritus ...".]

[ 547 ]

    Hier is het, dat ik wilde dat ik niet kon schrijven, om me te kunnen onttrekken aan de verplichting u het droevige nieuws te brengen van het overlijden van de heer Ban, die plotseling is weggenomen door een ontsteking en een zwakte die optrad in de nacht toen hij meende dat hij zijn ziekte te boven gekomen was; zijn ouders, die hem waren komen opzoeken had hij teruggestuurd. Van Gratiën en Muzen is dit geweeklaag, en de wetenschappen verliezen veel aan hem, met name die welke hij zo sterk omarmde, want zoals ik altijd heb gezegd, er zaten opmerkelijke dingen in zijn grondbeginselen; hoewel de praktijk niet slaagde onder zijn handen, want het goed kennen van de prosodie [^] is iets anders dan een goede dichter te zijn. Kortom, een goede vriend verloren, maar God heeft het gedaan.
    [ *)   Mersenne had Joan Albert Ban met waardering genoemd in Cogitata, 356, 367.]




No 11a.

Constantijn Huygens sr aan [M. Mersenne].

12 september 1646.

        Mijnheer

    Als uw brillenmaker uit Nevers*) maar wat beuzelt na zulke strenge aanzeggingen als u hem heeft gedaan, zal ik hem niet een advocaat van kwade zaken ['mauvaises causes'] noemen, maar wat erger is, een zeer slechte prater ['mauvais causeur']. Bezie toch, als het u belieft, hoe deze zaak verder verloopt, zonder hem op adem te laten komen of hem rust te gunnen.

    Ik had me vergist in het aantal van mijn Psalmen; en ik zend u met deze gewone post de 20e  a)  die 1)  ik speciaal gemaakt heb om aan te vullen wat ontbrak, en ik heb bij deze gelegenheid geenszins berouw, evenmin als mijn Harmonische vrienden hier. Als u wist hoeveel ik nu produceer zou u een wonderschone opinie hebben over mij. Maar vleiers geloof ik niet. Ik ken mijn beperkingen. De komende week zullen dan de Franse liederen volgen, en drie regels voorwoord aan een Nederlands-Engelse dame 2)  die ik u misschien eens genoemd heb als de


    [ *)   De Meru, die zei het geheim gevonden te hebben lenzen zo te slijpen dat hun werking "niet meer afhankelijk is van de lengte, maar alleen van de breedte en opening van het glas"; hij was 'advocaat'. Zie Correspondance du P. Marin Mersenne, XIV, 240, 448.]
    a)   Op de woorden van 119. "Hoe lief heb ik uwe wet! Zij is mijne betrachting den ganschen dag" etc. [C. H.]
    1)   No. XIV van de 'Pathodia Sacra' [1647].
    2)   Utricia Ogle werd door Constantijn Huygens genoemd "zijn zeer waardige en zeer geleerde leerlinge", "zijn Sirene", "het sieraad van de eeuw" [afbeelding bij 'Essential Vermeer'].

[ 548 ]

meest volmaakte zangeres die er is, in elke soort stijl en taal, zoals wijlen haar vader 3), een aanzienlijk Ridder in Engeland en eertijds hier kolonel en Gouverneur van Utrecht, hartstochtelijk liefhebber van muziek, niets spaarde om haar te doen vervolmaken; in het bijzonder ook op het spinet, waarop ze wonderen verricht, en ze heeft les gehad van de heer de Chambonniere 4)  die u niet onbekend zal zijn. Houdt deze beschrijving aan voor wanneer men u in Frankrijk zal kunnen vragen wie deze Utricia Ogle is (de stad Utrecht heeft haar bij haar doop deze nieuwe naam gegeven) aan wie ik mijn composities opdraag. Zes maanden geleden is ze getrouwd met een Engels edelman 5), de meest warme en gepassioneerde en kundige muziekliefhebber die ik tot nu toe gezien heb van zijn positie. Ik kan hem wel noemen de vroedman van mijn Psalmen, want hij heeft er nooit genoeg van willen krijgen me ze te zien maken, en zonder zo'n 'slavendrijver' zou ik me er nooit met zoveel naarstigheid op toegelegd hebben. Als uw musici zouden horen hoe zijn dappere vrouw en ik bezig zijn met deze Psalmen, met haar uitstekende stem, mijn Bas en mijn Theorbe, denk ik dat ondanks de geringe welwillendheid die men in Frankrijk heeft voor dingen uit den vreemde, ze zich zouden laten overhalen te oordelen dat onze concerten te verdragen zijn.

    Het boek van Regius 7)  zal u bevallen wat de methode betreft. Het is verdeeld in hoofdstukken waarvan u hier de titels zult vinden, die ik heb laten kopiëren voor zolang het niet in druk is; en deze hoofdstukken spreken met heel duidelijke artikelen, die bovendien vergezeld worden door een keten van noten in de kantlijn: zodat het lezen ervan aangenaam en gemakkelijk zal zijn, meer dan dat van de meer omvangrijke verhandelingen van de heer Descartes. Wanneer u me op dit ogenblik vraagt hoe hij uitleg geeft van eb en vloed, de magneet, dan doet u eigenlijk als de Fransman die zich aangewend heeft, laten we zeggen, te vragen welk uur de klok zal slaan, zonder het geduld te hebben om de slagen te tellen. Wacht dus nog wat; binnenkort zal aan uw wensen voldaan worden.

    De heer Saumaise zal zijn krijgskunde 8)  uitbrengen, naar wat de heer Rivet me erover meldt, maar u weet hoe lang deze belofte al duurt. Zijne Hoogheid heeft me er vandaag nog met ongenoegen over gesproken, en er is slechts het nieuwe boek De mutuo 9)  van uw advocaat 10)  voor nodig om ons weer jaren lang teleur te stellen aangaande dit stuk 11).


    3)   Sir Ogle, vader van Utricia Ogle en kolonel in het leger van de Verenigde Provincieën, zal in 1640 zijn overleden.     4)   Zie brief No. 230, noot 7.
    5)   Ridder William Swann, sinds 14 december 1645 legerkapitein in de Nederlanden. Hij stond in relatie met het hof in den Haag, en werd belast met diplomatieke missies.
    7)   Fundamenta Physices [zie I, 21Correspondance du P. Marin Mersenne XIV, 413: Descartes niet tevreden].
    8)  Dit werk verscheen pas later [1657].
    9)   Replicatio adversus Salmasii refutationem de mutuo, 1646.     10)  Charles Annibal Fabrot.
    11)   J. O. Tabor, Elenchus 'ektheseôs' de Mutuo, 1644. Hiertegen publiceerde Saumaise 3 geschriften.

[ 549 ]

    Ik heb twee jongelingen, mijn oudste en degene die op hem volgt, die zeer begerig zijn naar uw kwadratuur van de hyperbool en uw middelpunten van stoot, en om u aan te geven dat zij in staat zijn erover te oordelen, heb ik een brief 12)  laten kopiëren die de jongste (17 jaar) schreef aan zijn genoemde oudste broer (die hier bij mij in dienst is) over het onderwerp van zijn wiskundestudie, waarin deze jongen uitstekend slaagt, zoals in alle andere dingen, die kunnen uitgaan boven wat u zou geloven, als ik ze u zou opnoemen. Misschien zal ik de komende winter besluiten deze twee kinderen naar Frankrijk te laten gaan, waar (naar ik me durf te verzekeren) u wel een oogje op ze zult houden, en hun conversatie soms wel zult willen vergeven.

    Ik weet niet of u heeft horen spreken over een Oranje-College, en een Illustere School die zijne Hoogheid mijn meester pas gesticht heeft in Breda 13); we hebben er


    12)   Zie brief No. 11, en de afbeelding ervan aan het eind van deel 1.  [Betere afb.]
    13)   De Illustere School van Breda (die slechts enkele jaren heeft bestaan) wordt genoemd in de brieven Nrs. 15, 26, 43.

[ 550 ]

5 of 6 uitstekende professoren laten komen, onder wie één voor de wiskunde, de Engelsman Pell 14), een zo beroemd man dat ik ervan verzekerd ben dat u hem van naam kent, en een edelman uit deze landen 15)  Groot-Jager van Holland onder Zijne Hoogheid; de heer Rivet en ik zijn benoemd tot Curator van deze Academie in wording, waarvan de inauguratie zal plaats vinden met de vereiste plechtigheden op de 16e van deze maand 16), maar deze andere roeping hier is belangrijker en staat me niet toe erbij aanwezig te zijn, trans-substantiatie of geen trans-substantiatie*) naar het oude leven.

    Het is genoeg, ik bespaar u mijn gebabbel en verblijf als altijd

        Mijnheer

Uw zeer ootmoedige en zeer toegenegen dienaar
C. Huijgens.        

    In het kamp van Saint Gilles, 12 september 1646.
    14)   Zie over John Pell de brief No. 9, noot 2.
    15)   Johannes Polyander à Kerckhoven, heer van Heenvliet. Zie de brief No. 26, noot 1.
    16)   Zie brief No. 26, noot 3.
    [ *)   Cf. Correspondance du P. Marin Mersenne XIV, 412: Saumaise, 'De Transsubstantiatione liber', 1646.]



[ No. 12 ]



No 18a.

Constantijn Huygens sr aan M. Mersenne.

26 november 1646.

Den Haag, 26 Nov. 1646.    

        Mijnheer

    Daar mijn scholier 1)  zich hier bevond bij de komst van uw brieven, heb ik gezien hoe hij de uwe 2)  met vreugde en gretigheid ontving; maar omdat hij verplicht was plotseling terug te keren naar de Academie 3),


    1)   Christiaan Huygens.     2)   Brief No. 17.     3)   D.w.z. de universiteit te Leiden.

[ 551 ]

en tijdens mijn afwezigheid, hebben we geen enkele mogelijkheid gehad van gedachten te wisselen over wat u hem schrijft. U hebt wel gelijk dat u hem helderziend noemt; want inderdaad dringt hij vlug door in alles wat anderen duister of moeilijk toeschijnt, en hij drijft graag de spot met de kunstenmakerij van die mensen, die weinig stof opzienbarend maken met grote toerustingen als diepdruk en andere verfraaiingen, waarvoor zoals u weet onder anderen de Jezuïeten ontvankelijk zijn, en met hoeveel inspanning brengen ze niet vaak grote ledigheden te voorschijn. Getuige het grote werk van Kircher 4), waarin die armzalige zonnewijzerkunde, door deze mensen zo vaak behandeld en opnieuw behandeld, alleen al 2/3 deel inneemt van zijn boek. In tegenstelling tot wat hij zegt, dat er niets brandt onder water, is het voor ons een bekende zaak om bij het vuurwerk bepaalde vuurballen op de bodem van een vijver te zien gooien en ze wel 7 of 8 minuten later nog steeds gloeiend eruit te zien komen. Deze zelfde jezuïet geeft op de volgende pagina toe dat kamfer dit doet.°)

    Als tegenprestatie voor de reis naar het paradijs die u me meedeelt noem ik u iets dat nogal vreemd is hoewel het waar is, dat mensen van serieuze leeftijd en positie verklaren een gevangene in Antwerpen te hebben gezien, gedurende onze eerste oorlogen, een man die het vermogen had door kleren heen te zien, mits er helemaal geen rood was; toen de vrouw van zijn cipier hem met andere vrouwen kwam opzoeken, om hem te troosten in zijn rampspoed, waren ze heel verbaasd hem te zien lachen, en toen ze bij hem erop aandrongen te zeggen wat daarvan de oorzaak was, antwoordde hij koeltjes "omdat er onder u één is die geen hemd draagt", wat werd toegegeven. Beredeneer dat eens, en zorg ervoor dat Kircher het niet vergeet in zijn 2e druk 5), want dat kan wel bij uitstek een 'Grote kunst' genoemd worden.


    4)   Het gaat hier om het voorblad van Ars Magna Lucis et Umbrae. Zie brief No. 240, noot 1.
[ Zonnewijzers kon Christiaan H. in 1646 kort uitleggen, cf. OC XI, 64-7. ]

    [ °)  Brand onder water: Ars magna, 823-5.  Kircher verwijst naar Mersenne, Cogitata (1644), 255.]
[ Kamfer genoemd in Mathematische Vermaecklyckheden (1644) III, 29.]

    5)   Ath. Kircher bracht een 2e druk uit in 1671.

[ 552 ]

U neemt de moeite te vragen naar de leeftijd van mijn zoon 6), en doet hem teveel eer; hij is zijn 17e jaar ingegaan en als ik let op wat hij weet belooft hij me veel, wees niet bevreesd dat ik hem geestelijk onder druk zet. Dat heb ik nooit gedaan bij mijn kinderen, evenmin als mijn ouders bij mij 7). Het boekje over het gemeenschappelijk goed is bij me aangekomen; ik zal het gretig lezen en het er later over hebben. Tassin meldt me dat de heer Ballart 8)  zou gaan beginnen met mijn druk. Ik zal heel blij zijn er een drukproef van te zien. Ik ga zo meteen schrijven aan de heer Luigi 9), in zijn taal zoals u wenst, maar ik moet nader ingelicht worden over zijn kwaliteiten, en of er veel 'molto illustre' bij moet of nog meer; ik verzoek u zo spoedig mogelijk te antwoorden. De heer Keurvorst van Brandenburg 10)  is hier gekomen om onze oudste dochter 11)  te huwen. Ik begin navragingen te doen over zijn muziek die nog niet is aangekomen, maar in Kleef gebleven met een onmetelijk en luisterrijk gevolg dat deze Prins voert overeenkomstig zijn staat. Men zegt me dat de opmerkelijke Stiphelius 12)  ertoe behoort, die meer wonderen verricht op de viola da gamba dan iemand ooit gedaan heeft, dat een ander er nog meer doet op de viool die achterop de greep en elders koperen snaren heeft, een derde nog meer op wat ze noemen de dulciaan 13), een blaasinstrument. Ik zal u berichten over wat ik ervan te weten kom.
    6)   De schrijver heeft het hier over zijn tweede zoon, Christiaan Huygens [geb. 14/04/1629].
    7)   De ouders van Constantijn Huygens waren: Christiaan Huygens [1551 - 1624], vanaf 1578 secretaris van de prins van Oranje Willem I; en Susanna Hoefnagel [1561 - 1633].
    8)   Robert Ballard publiceerde in 1647 de Pathodia Sacra van Constantijn Huygens.  [Brief 4707, 25 nov. 1647.]
    9)   Luigi Rossi, geboren te Napels, woonde in 1620 te Rome, kwam naar Parijs; werd beroemd componist.
    10)   Friedrich Wilhelm. Zie bief No. 126, noot 1.
    11)   Louise Henriette [1627 - 1667], oudste dochter van prins Frederik Hendrik en Amalia van Solms. Men heeft van haar vier lofzangen, in gebruik bij de evangelische kerken in Duitsland.
    12)   Stiphelius is misschien de zoon van Laurentius Stiphelius, die Cantor was te Nauenberg en die publiceerde: Compendium Musicum, Nauenb. 1609 [1614].
    13)   De dulciaan is een hoge schalmei, de oude Duitse hobo, of bassone.

[ 553 ]

    Ik eindig om me weer bezig te gaan houden met de sluiting van dit mooie huwelijk 14), waarbij ik benoemd ben in een commissie van drie samen met de grote Kamerling 15)  van deze keurvorst, grootmeester van de Teutoonse orde, en andere intimi 16)  van deze keurvorstelijke hoogheid. Na dergelijke zaken zullen volgen huwelijksfeest en muziek om ons geheel dronken te maken, en verder ben ik

        Mijnheer

Uw zeer ootmoedige dienaar
C. Huijgens.        


    14)   Dit huwelijk vond plaats op 7 december 1646.
    15)   Otto Christoph von Rochow.     16)   Konrad Alexander Magnus von Burgsdorf.




[ No. 20 ]



[ 554 ]

No 23a.

Constantijn Huygens sr aan M. Mersenne.

23 december 1646.
        Mijnheer

    Voortaan zal ik u nog slechts dienen als adres voor de briefwisseling tussen u en mijn kleine wiskundige 1), die u hierbij een vrij lange brief zendt 2)  maar over een materie die hij had kunnen uitwerken tot een formele verhandeling, als hij er niet tevreden mee was geweest aan u als goed verstaander een half woord te zenden.
    Beziet u of het, op de leeftijd die hij heeft, niet is beredeneerd met voortreffelijkheid en op meesterlijke wijze.


    1)   Christiaan Huygens.     2)   Zie de volgende brief No. 23b.

[ 555 ]

    De musicus 3)  die de heer Gobert voor me heeft uitgekozen is aangekomen en komt bijna overeen met mijn verwachting. Als hij doorgaat met verstandig en gematigd te zijn zal hij hier met voldoening kunnen leven en heel gewild zijn bij mensen van stand. Ik zou willen dat u hem mijn Psalmen hoorde intoneren met mij. Het lijkt me dat we erin slagen, en hij is gedienstig voorzover ik kan zeggen. Ik zou een eerste blad willen zien van de druk van de heer Ballart. Als hij er aan toe is, en u.
lantaarn Hier is nog een afbeelding van mijn lantaarn, zowel van voren als van opzij, een onbeduidend en eenvoudig dingetje zonder glas, maar de vlam blijft bestand tegen stormen en alles, omdat er slechts aan de voorkant een opening is. Het kan zijn dat men ze in Parijs heeft, waar alle dingen samenkomen. De zaak is te gering om u er meer over te zeggen, maar de diensten die het bewijst worden hier op prijs gesteld.

    Het is nu al 17 jaar dat Apollonius in handen is van professor Golius 4), die niet nalaat het te beloven aan wie het hoopt te zien, en het steeds maar niet laat verschijnen. Een zeergeleerd persoon 5), raadsheer van Zijne Hoogheid en getrouwd met een van mijn zussen, bracht het hem uit het Oosten ten bate van de gemeenschap. Misschien komt hij teveel problemen tegen. Onze Pellius 6)  zou het graag hebben en zou het prompt ten einde brengen, maar hoe haal je het weg bij de eerste zonder hem te pikeren of ernstig te beledigen.

    We hebben te Leiden een bekwaam man 7)  die bezig is aan een boek 8)  om te bewijzen dat de Griekse en Latijnse taal, en andere, evenals onze Germaanse blijkbaar en klaarblijkelijk zijn afgeleid van de oude Scythische. Dat is nog eens wat nieuws. Waar zijn uw beschaafde behouders van de Franse taal, of die van de Italiaanse of Spaanse? Het is niet meer de moeite waard op ze te letten, behalve voor


    3)   Avril. Zie brief No. 24, noot 4.
    4)   Golius heeft het werk niet laten uitgeven. Zie brief No. 547, noot 5.  [Cf. R. Vermij, The Calvinist Copernicans, p. 24.]
    5)   David le Leu de Wilhelm, gehuwd met Constantia Huygens.
    6)   John Pell, hoogleraar wiskunde aan de Illustre School te Breda. Zie brief No. 9, noot 2.
    7)   Marcus Zuerius van Boxhorn. Zie brief No. 179, noot 2.
    8)   Postuum verschenen: Originum Gallicarum Liber, 1654.

[ 556 ]

rotte takken van het Grieks en Latijn, die nog hun oorsprong moeten gaan hebben waar u ziet. Zo staan de zaken, we zullen komische verhandelingen zien en heel geleerde, ondersteund met onbetwistbare voorbeelden, naar zeggen van de auteur. Ik zal u het motet van de collega 9)  van de heer Gobert zenden. We hebben het uitgeprobeerd en gevonden dat het mooi lawaai maakt, waaraan deze heren naar mijn mening bij uitstek werken, vleugel van het woord als het God behaagt, en zo is alles aan het trappelen of galopperen, wat een vreemde soort devotie is, die misschien de harten van het S. P. Q. R. meer raakt dan de onze, maar desondanks laat de auteur wel merken dat hij zijn vak verstaat, en als hij ermee bezig zou willen zijn op een andere manier (die misschien heden ten dage niet meer zo in de mode is) zou hij het perfect doen, want werkelijk, de harmonie ervan is mooi. We zullen ook die van de heer Gobert proberen te doen.

    Ik zal u graag een 5- of 6-stemmig motet zenden van mijn hand om het te laten uitproberen in Rome, waar mijn stijl misschien evenzeer de gestemdheid van de natie zou uitdrukken als die van de betere katholiek uit Rome, maar hoe kan ik wat meer aan zulk tijdverdrijf denken nu mijn vrije tijd zo is versnipperd dat ook deze brief er nauwelijks af kan?

    Ik ken tegenwoordig in deze streken hier geen enkele Griek die ons kan inlichten over de muziek waarvan u spreekt, en blijf

        Mijnheer

Uw zeer ootmoedige dienaar,
C. Huijgens.        

Den Haag, 8 dagen voor het nieuwe jaar
M D C XLVII, god geve dat het
zeer voorspoedig en gelukkig is.

    9)   Luigi Rossi zond Huygens op 17 oktober enkele Italiaanse liederen, via Gobert [cf. No. 18a, note 9].

[ 557 ]

No 23b.

Christiaan Huygens aan M. Mersenne.

23 december 1646.
        Mijnheer

    U zult me verontschuldigen over het feit dat ik zo lang gedraald heb zonder u te zenden wat ik gevonden heb betreffende de inzakking van de ketting, als u wel bedenkt wat ik u ga zeggen. Dat is dat wanneer ik iets nieuws heb gevonden in de Wiskunde, ik het niet onverwijld op schrift stel, maar het is me voldoende dat ik het kan doen wanneer ik wil, of wanneer men me om het bewijs ervan vraagt. Zo had ik dus nog niets geschreven over deze zaak van de ketting, behalve een of twee stellingen, en daarom heeft het me enige tijd gekost om de andere theorema's in orde te brengen die nodig waren voor een volledig begrip ervan. Er zijn veel andere dingen die ik zo in mijn hoofd heb zonder ze nog te hebben opgeschreven, maar alleen berekend met letters, zoals de zwaartepunten van veel dingen en onder andere van de bol, de cirkel, de hyperboloïde, en hun segmenten; de raaklijnen, kwadraturen en zwaartepunten van de parabool en van ruimtes omvat door de krommen waarover u schrijft in het zeer geleerde werk [Cogitata] physicomathematica, in het voorwoord van de mechanica [^]. Een ander bewijs*) van wat staat in het boek van Archimedes, 'De sphaera et cylindro', en 'de Conoïdibus et sphaeroidibus'; maar nog niets over wat betreft de stootmiddelpunten, waarover u me hebt geschreven in uw laatste brief, ik zal nochtans niet verzuimen alles te doen wat ik kan om er het bewijs voor te vinden, hoewel het me tot op dit ogenblik toeschijnt dat dit het bevattingsvermogen van mijn geest verre te boven gaat. Het vinden van 100000000000 getallen, waarvan geen een priemgetal is en die elkaar onmiddellijk opvolgen, dat is wel iets heel moeilijks.

    Er is een ander probleem in dezelfde materie, dat gemakkelijker is, dat ik nochtans niet kan oplossen, te weten: een priemgetal te vinden dat groter is dan een gegeven getal zoals 1000000, zonder het echter te onderzoeken door deling, want zo is het heel gemakkelijk. Het is heel zeker dat als er een middel is de oplossing te vinden van deze problemen en van talloze soortgelijke,


    [ *)  Zie T. XI, p. 76, noot 1.]

[ 558 ]

dat het moet zijn met behulp van de Algebra met letters, waarvan ik de werkzaamheid even hoog schat als het geluk om te zijn

        Mijnheer

Uw zeer ootmoedige en zeer gehoorzame dienaar,
Christiaan Huygens.        

    Den Haag, 23 december 1646.




[ No. 24 ]




No 27a.

Constantijn Huygens sr aan M. Mersenne.

14 januari 1647.
        Mijnheer

    U hebt een te hoge dunk van mijn Archimedes, maar ik weet wel dat hij nooit het oordeel zal logenstraffen dat u over hem moet hebben. Ik zal hem het titelblad zenden van de Selenographia van Hevelius 1); als deze auteur mij niet een stukje geeft van deze nieuwe wereld doet hij afbreuk aan het voorrecht dat me er al verleend is 2), door de indeling van de wiskundige uit Brussel 3); u zult zijn tekening gezien hebben 4), daar het immers iets is dat ook u aangaat 5)  voor wat betreft uw aandeel.

    Wat de brillenmaker uit Napels 6)  zal publiceren van zijn waarnemingen, gedaan met zijn telescoop van 15 of 20 voet, is aannemelijker dan wat uw schurkachtige advocaat [<] doet verwachten met zijn instrument dat korter is dan andere, en meer uitgestrekt van zicht, wat tegen de opica ingaat.

    Ik zou willen dat deze Napolitaanse waarnemingen 7)  ons bereikten,


    1)   Zie brief No. 40, noot 2. [No. 24, n. 5.]
krater Hugenii     2)   Op de maankaart van noot 4, staat bij de noordwestrand [rechtsboven] een krater 'Hugenii'; Hevelius noemde deze 'Lacus hyperboreus inferior' en Riccioli 'Mercurius', de huidige naam. [Een Huygens-krater ontbreekt nu.]
    3)   Michael Florentius van Langeren [van Langren]. Zie brief No. 24, noot 8.
    4)   Het pamflet 'Plenilunii Lumina Austriaca Philippica', Brux. 1645.  [descr., fig.]
[ H. Bosmans, 'La carte lunaire de Van Langren', in Revue des Questions scientifiques 3-4 (1903) 108-39.
E. Puteanus (ed. J.J. Moreau), 114 Ned. brieven ... aan ... van Langren, 1957;  no. XC: "Aengaende de naemen ...";  Huygens genoemd in no. XCVIII, CVII en CIX.]

krater Mersenne     5)   Rechts van het onderste deel van de verticale as staat een krater genoemd 'Mersenne'.  [Nu is Mersenius een andere.]
    6)   Francesco Fontana. Zie brief No. 24, noot 6.         7)  Id. noot 7.

[ 559 ]

en als u de mogelijkheid hebt voor mij soms andere dergelijke nieuwe uitgaven te verkrijgen in een of andere afdeling van de filosofie of wat voor andere materie dan ook, zult u mij aan u verplichten als u ze me laat kopen, zonder op de prijs te letten die ik gaarne voldoe, en ik verwacht vervolgens de nieuwe filosofie 8)  in 4o die u me belooft. De heer Tassin zal met genoegen het geld verschaffen, en ik zal opdracht geven het terug te betalen. Nu mijn jeugd is aangekomen bij het vermogen te oordelen over wat mooi is en verheven, is dit voor mij meer dan ooit een welkome afleiding. Onze musicus 9)  blijft zich verstandig gedragen, en is al druk bezet met bijna 20 leerlingen, daarenboven hoop ik mettertijd nog iets goeds voor hem te doen. Onze grote violisten 10)  zijn vertrokken met de familie van mijnheer de Keurvorst, naar Kleef; maar de beste van de twee zal terugkomen. Zijne Hoogheid heeft het gevraagd aan mijnheer de Keurvorst, en ik hoop dat we eraan toe zullen voegen de uitstekende bespeler van het spinet, Beer 11)  die ik u eerder heb genoemd en geroemd. Dat zullen twee goede bouwstenen zijn, om er een groter concert op te bouwen, dat ik overweeg te organiseren, als God aan Zijne Hoogheid leven geeft. De violist heet Stephelius 12), en heeft een gigantische bekwaamheid op dit instrument, waarop ik meen vroeger te hebben uitgeblonken in onze Provinciën*), maar ik acht me niet waardig zijn laarzen uit te trekken. U hebt veel goede dingen gehoord, maar dit zou u verbazen. Ik zie dat we met enig geduld moeten wachten, nu eens op de tijd, dan weer op de gezondheid van de heer Ballard, en daar de zaak niet van hoog belang is pas ik me er gaarne bij aan, behalve wat betreft de moeite die u ervoor doet. Ik verzoek u te zeggen of met een briefje te melden aan de heer Gobert (ik kan hem deze keer niet schrijven) dat ik enkele bassen zal transponeren, waarvan ik gezien heb dat ze hem aanstoot geven omdat ze boven het thema uitgaan°). Ik zal dat naar zijn smaak geven, want voor mezelf denk ik er anders over, maar het is niet de moeite waard het uiteen te zetten in een brief.

    Ik wens u insgelijks een goed nieuw jaar, als ik daarin tekortgeschoten ben, wat nooit zal gebeuren waar ik de mogelijkheid heb u te betuigen dat ik blijf

        Mijheer

Uw zeer ootmoedige en zeer toegenegen dienaar
C. Huygens.        

    Den Haag, 14 januari, 1647.
    8)   Zie noot 9 van brief No. 24 [Fabri].         9)   Avril. Zie brief No. 24, note 4.
    10)   Zie brief No. 18a, pag. 552.         11)   Zie brief No. 67, noot 6.
    12)   Zie brief No. 18a, noot 12.
    [ *)   Zie bij 'Essential Vermeer'.     °)  Citaat uit brief van Gobert in Astrid de Jager, 'Huygens - Pathodia'.]




No. 30



[ 564 ]

No 47a.

Constantijn Huygens sr aan M. Mersenne.

6 april 1648.

        Mijnheer

    Ik heet u van harte welkom in de nieuwe staat van herstel. Schep welbehagen in deze uitkomst met matiging van werk, en zodra u bent aangesterkt gaat u zonder angstvalligheid met volle zeilen voort. Het mooie weer dat er even was had me ook doen beginnen te doen denken aan de proeven met het kanon, maar we hebben een terugval gemaakt, en we zitten hier opnieuw niet alleen in de wolken, maar een beetje in de hagel, en wat er gewoonlijk mee gepaard gaat, gedurende de maand maart. Mijn Archimedes zal binnenkort hier zijn en ik zal hem uitgebreid onderhouden over uw wiskundige vertogen.

[ 565 ]

Blijf erop aandringen bij de jonge Pascal 1)  dat hij ons het lichaam 2)  geeft waarvan hij ons het skelet 3)  heeft laten zien. Men moet blijven doordringen in dat hele mysterie van het kwik dat daalt in de buis. Maar geloof me dat er tenslotte alleen de fenomenen van de heer Descartes zijn die het geheel zullen doen verdwijnen. Elk ander beginsel is me te grof, sinds ik zijn fundamenten heb leren waarderen, waarbij ik me aangewend heb het Italiaanse spreekwoord te zeggen: "Si non e vero, e ben trovato"*).

    Ik zou u niet meer omstandigheden kunnen zeggen over de wonderbaarlijke acrobaten van Indië °); mijn zegslieden wonen ver van hier. Bij gelegenheid zal ik me uitgebreider informeren, en zeker wacht ik op de vliegmachine 4), maar, zoals ik meen u gezegd te hebben, wel meer nog op de ware getuigenissen van de proeven die in Polen gedaan zijn. Er komt me niets nieuws in gedachten waarmee ik u kan onderhouden, ik kom dus terug op deze oude uitdrukking, maar die nooit zal verouderen, dat ik met alle genegenheid ben

        Mjnheer

Uw zeer ootmoedige dienaar
C. Huygens.        

    Den Haag, 6 april, 1648.

    Een Engelse heer heeft me uit Frankrijk een mooi oude grote luit 5)  van Bologna doen toekomen, de beste die ik ooit aangeraakt heb. Denkt u zich eens in hoe het geschenk me in verrukking bengt. In de holte ervan heerst de zachtste donder die men kan horen.
    Ik zou het u niet beter kunnen uitbeelden.

    U hebt me nog niet willen zeggen welke luitvorm naar uw oordeel de mooiste resonantie moet geven, en waarom. Ik weet iets uit ervaring, die me zelden bedriegt, maar mijn Archimedes krijgt de taak over de theorie ervan te redeneren.


    1)   Zie over Blaise Pascal brief No. 46, noot 3.
    2)   Recit de la grande expérience de l'équilibre des Liqueurs. Paris 1648.
    3)   Zie het werk geciteerd in brief No. 46, noot 4.         4)   Zie brief No. 46
    5)   Deze luit werd hem uit Londen gezonden door de luitbouwer J. Gaultier; de prijs was 30 pond sterling.  [Zie Const. H. brief 3953, en 3958.]
    [ *)   Als het niet waar is, is het goed gevonden.]
    [ °)   Correspondance du P. Marin Mersenne, XVI, 152: "charlatans die van de grond opstijgen tot de eerste verdieping van de huizen".]

[ 566 ]

No 47b.

Christiaan Huygens aan M. Mersenne.

20 april 1648.
        Mijnheer

    Gekomen uit Breda hier in den Haag, ter gelegenheid van de paasvakantie, heb ik het boek van S. Vincentio 1)  gevonden dat ik heel graag al eerder op mijn gemak had willen bekijken, te meer omdat ik zag dat alle wiskundigen met wie ik erover gesproken had verhinderd bleken de problemen die ze ermee hadden weg te werken, en ze durfden niet beslist te zeggen of hij op de kwadratuur is gestuit of niet.

    Eerst dus heb ik ervan kennis genomen wat hij bedoelt met 'ductio plani in planum' [p. 704], en daarna, beginnend met stelling 53 van boek 10 over de kwadratuur van de cirkel, heb ik heel wat moeilijkheden gevonden in enkele stellingen waarnaar hij me verwees. De genoemde 53e is wel met gemak te begrijpen; vandaar moet men komen bij de 52e die eraan voorafgaat, die nog gemakkelijk is; vandaar bij de 44e die duister is, maar omdat het nodig is dat alles wat helpt bij het bewijs waar is, en hij zich aan het begin ervan bedient van stelling 43, ging ik daar naartoe, en vandaar verwezen naar corollarium 2 van de 42e, ben ik gestopt aan het eind hiervan, waar hij zegt "Habita cubatura totius solidi ABQE ducto in APCB, eodem artificio obtinebitur cubatura solidi quod fit ex segmento PPZZ ducto in segmentum ZRRZ" a).
Het lijkt me dat dit nogal sterk rammelt; en ik begrijp echt niet die kunstgreep waarover hij het hier heeft, want het is heel wat anders een kubus te maken, gelijk aan de hele parabolische 'ungula'*) die voortgebracht wordt door een 'ductio' [vermenigvuldiging] van parabool ARB met zichzelf, dan een kubus te maken die gelijk is aan het gedeelte van dezelfde 'ungula', voortgebracht door 'ductio' van segment ZRRZ op zichzelf. Dus als er iemand is onder uw Archimedessen die het anders opvat, zou ik heel graag hun mening erover vernemen; zoals ook hun oordeel over heel dit grote boek dat ze ongetwijfeld allang gelezen hebben. Maar ik ben hier pas aangekomen, zonder het verder ooit gezien te hebben dan enkele malen bij de heer Pell 2)  te Breda, die het me nooit heeft willen lenen, en me ook niet een definitieve uitspraak heeft willen geven, ook al heeft hij het al vrij lang. Toch heb ik er vrij aardige dingen in gevonden, zoals de kuberingen van cilindrische en parabolische 'ungulae', hoewel ik ze niet allebei daar voor het eerst heb gezien, want van de eerste weet de heer Pell heel goed dat ik hem die aangeduid heb voordat het boek was gekomen. Maar wat betreft de kwadratuur, ik verzeker u dat ik me nauwelijks kan voorstellen dat de schrijver zelf gelooft dat hij die heeft gevonden,


parabolische ungula (hoef)     1)   Opus geometricum quadraturae circuli, Antv. 1647. Zie brief No. 25, noot 6.  [XI, 276-.]
    [ *)  Ungula: hoef; zie de figuur in Chr. Huygens, Theoremata de quadratura, 1651, p. 38. Vgl. Opus geometricum, p. 1032, 2e figuur.  Stefano degli Angeli, De superficie ungulae ..., 1661.]
    2)   John Pell was hoogleraar wiskunde te Breda. Zie brief No. 9, noot 2.
[ In 1693 schreef Chr. Huygens (X, 401): "ik heb de heer Pell niet als leraar gehad, behalve dat ik 2 of 3 van zijn openbare lessen te Breda bijwoonde."]

[ 567 ]

want terwijl hij de middelen geeft om de verhouding van de cirkel tot een rechte lijn te weten, waarom laat hij die dan niet ook zien, want dat zou voor hem makkelijker zijn dan voor wie ook om die te berekenen, lijkt me; op zijn minst had hij zijn moeite beter kunnen besteden dan alle kegelsneden met hun eigenschappen bijeen te brengen, en veel andere overbodige dingen.

    Het is een mooie proef, die van de blaas in het luchtledige, die u hebt meegedeeld aan mijn vader 3), maar ik twijfel er helemaal niet aan dat degenen die hem gedaan hebben, voordat ze de uitkomst zagen, wel degelijk de oorzaak ervan hebben geweten: dat is de lucht die in de blaas is gebleven, die gedwongen wordt uit te zetten om gelijkelijk te worden verdeeld over de hele lege ruimte, zoveel als mogelijk is. Ik verzoek u wanneer u er andere van deze aard zult hebben gedaan — zoals met de bel [in het luchtledige] en over de zwaarte van lucht — mij er deelgenoot van te maken, en te geloven dat ik ben

        Mijnheer

Uw zeer ootmoedige dienaar
Christiaan Huygens.   

    20 april 1648.
    a)   De volgende stelling vergelijkend met dit corollarium zal men zien dat men moet schrijven ZQQZ in plaats van ZRRZ  [Huygens?] 4).

    3)   Zie brief No. 46  [en No. 49].         4)   Huygens heeft goed gekopieerd.




[ No. 48 ]




No 49a.

Constantijn Huygens sr aan M. Mersenne.

3 mei 1648.

        Mijnheer

    Daar ik maar weinig stof en nog minder tijd heb om u deze maal te onderhouden, wil ik u in drie woorden iets zeggen over de moeilijkheid die, naar ik zie, u bezig houdt betreffende de platte blaas die opzwelt in het luchtledige, en die mijn Archimedes als volgt oplost:

[ 568 ]

de lucht, die kennelijk in deze afgeplatte blaas is, zwelt op of zet uit zoveel hij kan, om de natuur te hulp te komen in dit luchtledige (of zo goed als luchtledige) dat in de buis is. Beziet u of deze knaap naar uw mening slecht redeneert. Het is niet te zot gesproken, en misschien zal men moeite hebben om iets deugdelijkers te vinden. Of het moest iets van uw gave zijn, geleerde heer.

    Laten we echter bezien wat de jonge Pascal heeft voortgebracht als het openbaar is [<]; dat zou te lang duren om te worden uitgesteld tot onze komst naar Frankrijk, die vooralsnog niet zo zeker is. Ik zal bericht zenden naar Amsterdam om te informeren naar wat u van Blau 1)  vraagt, en blijf

        Mijnheer

Uw zeer ootmoedige dienaar
C. Huygens.    

    Den Haag, de 3e mei, 1648.
    1)   De boekhandelaar Joan Blaeu. Zie brief No. 46, noot 19.




[ No. 50 ]




No 57a.

Constantijn Huygens sr aan M. Mersenne.

20 juli 1648.

        Mijnheer

    Bij gebrek aan een beter gespreksonderwerp zal één van uw vrienden u kunnen hebben ingelicht hoe, door een plotseling opkomende ongesteldheid, mijn reis naar Bourgondië is vervlogen 1). Dientengevolge zullen wij elkaar niet binnenkort ontmoeten. Wat we er ook van zeggen, laten we ons schikken naar het lot, en doorgaan met elkaar te ontmoeten op papier, naar de gelegenheden die zich zullen voordoen.

    Wat u me schreef over het kanon, dat is niet afgesteld maar uitgesteld; maar sinds ik weer op de been ben, zijn de regens en stormen zo voortdurend aan onze kusten, dat sinds mensenheugenis niet zo'n ontregelde zomer is gezien.


    1)   Zie brief No. 55 [en 54].         2)   Zie brief No. 48.

[ 569 ]

Ik denk dat u er deel aan hebt zoals alle buurlanden, maar vraagt u zich met mij verwonderd af of het waar is, zoals men zegt, dat in Polen al het koren verbrandt en verdroogt op de velden. Wij maken ons klaar 3)  om een reis te maken om aanwezig te zijn bij de doop 4)  van de jonge prins keurvorst van Brandenburg 5)  te Kleef; bij terugkomst zal ik me heel goed op uw artillerie gaan toeleggen.

    Hier is intussen een woord 6)  van mijn Archimedes, die nog enkele weken niet hier zal zijn. Ik weet niet waarover hij u onderhoudt, en blijf onveranderlijk

        Mijnheer

Uw zeer ootmoedige dienaar
C. Huygens.    

    Den Haag, 20 juli, 1648.
    3)   Inderdaad vertrok C. H. op 30 juli naar Kleef, en op 7 aug. kwam hij terug (Dagboek).
[ Cf. brief 4854 van C. H. aan Mersenne, 14 aug. 1648.]

    4)   De doop vond plaats op 2 augustus (Dagboek).
    5)   Wilhelm Heinrich, geboren op 21 mei 1648, overleden op 24 oktober 1649.   [Vgl. No. 18a.]
    6)   Zie brief No. 57b.




No 57b.

Christiaan Huygens aan M. Mersenne.

12 juli 1648 1).

Aanhangsel bij No. 57a.


        Mijnheer

    Er is wel reden dat ik vergiffenis vraag voor het feit dat ik tot op heden niet heb geantwoord op twee van uw brieven. Als ik nog een week had durven wachten, had ik u mijn verhandeling over de ketting 2)  gezonden die ik onlangs heb herzien en verbeterd, en vermeerderd met het nieuwe bewijs van het eerste theorema, dat me bijna meer moeite gegeven heeft dan al het overige van de verhandeling,


    1)   Deze brief was ingesloten bij No. 57a.         2)   Zie de brieven Nrs. 20, 21 en 23b.

[ 570 ]


er waren 3 of 4 hulpstellingen nodig met betrekking tot kegelsneden [<] voordat ik het kon bewijzen, en toch heb ik liever al deze moeite willen nemen, dan het bewijs van Stevin*) te presenteren als toereikend, want dat is het niet, lijkt me.

    Mij blijft nu niets over dan mijn verhandeling uit te schrijven, en ik zal u deze zo spoedig mogelijk zenden, opdat u erover kunt beschikken naar uw goeddunken. Onze vakantie begint binnenkort, en wanneer ik in den Haag ben hoop ik te zien dat de proef met het kanon 3)  gedaan wordt, die geloof ik uitgesteld is door de ongesteldheid van mijn Vader of vanwege mijn afwezigheid, die ben

Uw zeer ootmoedige dienaar
Christiaan Huygens.    

    Te Breda, de 12e van juli 1648.
    [ *)   Albert Girard, Les oeuvres mathematiques de Simon Stevin (Leiden 1634), p. 508 en Stevin, 'Tauwicht', 188.]
    3)   Zie brief No. 48.




Mersenne overleed op 1 september 1648.

Constantijn Huygens over Mersenne, in brief 3723, van 30 aug. 1644, aan een correspondent in Genève (Calandrini):

Verbaas u er niet over, als ik u in Genève een monnik aanbeveel: dit is er een die men daar zeker kent, en die men daar minder zal haten dan elke andere, om zijn oprechtheid, en die grote kennis die hem tot vriend maakt van allen die houden van de schone letteren. Het is dus pater Mersenne, minderbroeder te Parijs, met wie ik — zonder hem ooit te hebben gezien — al vele jaren een zeer aangename verstandhouding per brief onderhoud.
Hij gaat een reis maken naar Rome, tegen mijn advies in, welteverstaan om den mutsaert [brandstapel], en ik heb hem die vaak afgeraden. Tenslotte, Mijnheer, is het een alzijdig persoon, maar vooral een diepzinnig denker in de muziekwetenschap, getuige enkele grote werken die hij erover geschreven heeft.

Brieven Constantijn Huygens vermeldt 30 brieven aan of van Mersenne, de eerste was van 26 aug. 1639.
In Verslagen en mededeelingen der Kon. Ak. van Wet. 3-6 (1889), p. 103 e.v. staan nog 3 andere (15 dec. 1641, 11 jan. 1644, 21 aug. 1646).




Christiaan Huygens over Mersenne, brief aan Carcavy, 1 juni 1656 (I, 428):

Pater Mersenne vereerde me met zijn correspondentie om me aan te sporen tot de studie van de wiskunde, waarvan hij zag dat ik er van nature toe geneigd was, en zond me vaak geschriften van u, illustere heren, en vooral van Mijnheer de Fermat die ik begon te begrijpen naarmate ik vorderingen maakte in deze wetenschap.
Aldus heb ik vanaf mijn eerste leertijd voor deze grote man een wonderbare achting gehad, die nog veel groter is geworden toen ik vernam, terwijl ik in Frankrijk was, dat hij, evenals in de wiskunde, uitblonk in alles waar hij zich verwaardigde zijn geest op te richten.

Correspondance du P. Marin Mersenne, XVI, p. 550.



Home | Christiaan Huygens | Oeuvres II | Mersenne, suppl. (top)