Chr. Huygens | Uit Oeuvres I  >

Wonderkind , tekenen , algebra , vallen , lichtgevend , muziek , Mersenne , reis , drijven , stand , beweging , breking , publicatie


Parels uit brieven 1643-54

Oeuvres Complètes,  I , 1638-56



[ 552 ]
No 3 b.

H. Bruno aan Constantijn Huygens sr.

17 juni 1643

. . .   Christianus vero, quem certè si ingenio metimur, miraculum penè pueri vocari debere fateor, et merito lubensque voco delicias domini, ad mechinica [sic] sua ευρηματα et fabricas, et machinamenta, ingeniosa quidem illa, sed απροσδιονυσα usque devolvitur. atqui non exspectas tu, domine, neque desiderat respublica (in cujus spem ad patris exemplum natus est) ut fabricando faber fiat, sed Mercurius. . . .   Christiaan echter, van wie ik zeker erken dat, als hij aan verstand wordt afgemeten, bijna een wonderkind genoemd moet worden, en die ik met recht en gaarne meneers lieveling noem, vervalt steeds in zijn werktuigkundige vondsten en maaksels, en werktuigen die wel vernuftig zijn, maar niet passend*). U verwacht toch niet, meneer, en de staat (die hoopt dat hij naar zijn vaders voorbeeld is geboren) verlangt toch ook niet dat hij door dat handwerk een werkman wordt°), maar een Mercurius.

    [ *)  Grieks 'aprosdionusa': de stemming brekend, nl. van het Dionysia-feest. Erasmus gebruikte het bij de samenspraak 'Absurda'  (txt) — Ned.]
    [ °)  Latijns spreekwoord: "fabricando fit faber" - oefening baart kunst, al doende leert men.]
[ "... Molenties en andere modellen te maeken, selfs tot een draeybank toe", vermeldt het 'Dagboek van Const. Huygens' over Christiaan in 1643 (zonder enige afkeuring), zie de Biografie in XXII, p. 402.]




[ 556 ]
No 3 e.

H. Bruno aan Constantijn Huygens sr.

23 juni 1644

. . .   Duumviri nostri majorum gentium stupendos, faciunt in Mathesi progressus. maximé tamen minor et Christianissimus fratrum (ut est ingenio ad eam rem unicè factus) excellit, . . .   Ons tweemanschap van de hogere klasse maakt verbazende vorderingen in de Wiskunde; maar het meest onderscheidt zich de kleinste en Christiaanste broer (aangezien hij door zijn aanleg bij uitstek voor deze zaak bestemd is),
teste quidem Stampioenio, nam mihi, cum ageometretatos mortalium sim, scholam istam per Samij senis legem intrare non licet, (oudeis ageometretos eisito, ajebat Pythagoras) tantum abest ut judicium vel possim vel ausim interponere. althans volgens Stampioen, want voor mij is het, aangezien ik een ongemeetkundigde sterveling ben, niet toegestaan die school binnen te gaan volgens de wet van de oude Samiër (niemand mag zonder meetkunde naar binnen, zei Pythagoras) *), het is ver van mij een oordeel te kunnen of durven invoegen.
Saltem, quod possum, longè vestigia adoro. Stupere licet, at quando non licet sequi. Tenminste vereer ik, voorzover ik kan, de voetstappen uit de verte. Verbaasd staan is mogelijk, maar volgen nu eenmaal niet.

    [ *)   Opschrift boven de ingang van Plato's Academie.]




[ XXII, 50 ]
XXII.

René Descartes aan Constantijn Huygens sr.

21 december 1644

    Estant revenu chercher un lieu de retraite icy au quartier d' Egmond où je m'estois cy devant assez bien trouvé, j'ay y rencontray le Sieur Schooten en la maison de Mr de Bergue, et voyant qu'il avoit inclination à s'en aller l'esté prochain demeurer à la Haye pour y enseigner les Mathematiques . . .     Nu ik teruggekomen ben om hier bij Egmond een schuilplaats te vinden, waar ik me eerder vrij wel heb bevonden, heb ik er de heer van Schooten*) ontmoet in het huis van de heer van Bergen, en toen ik zag dat hij van plan was de komende zomer in den Haag te gaan wonen om er wiskundelessen te geven . . .
. . .  pour donner entrée en l'Algebre à ceux de Mrs vos enfans qui y auront le plus d'inclination; car je ne sçache personne en ce païs, et je n'en connois guere aussy ailleurs, qui en soit si capable que luy. . . .  om een inwijding in de algebra te geven aan die kinderen van u die er het meest toe geneigd zijn; want ik ken niemand in dit land, en nauwelijks iemand elders, die er zo bekwaam in is als hij.
. . .  la raison pour laquelle il m'a dit ne se pouvoir resoudre à demeurer à la Haye dez cet hyver est qu'il craindroit d'avoir tant de disciples qu'il ne luy resteroit pas assez de loysir pour vacquer à sa propre instruction. Il m'a toutefois promis de vous aller offrir son service aussy tost qu'il sera à Leyde, et je luy ay voulu donner cete lettre affin de l'y obliger . . . . . .  de reden waarom hij me zei niet te kunnen besluiten al deze winter in den Haag te gaan wonen is, dat hij vreesde zoveel leerlingen te krijgen dat hem niet genoeg tijd zou overblijven om zich op zijn eigen studie toe te leggen. Hij heeft me in elk geval beloofd u zijn dienst te gaan aanbieden zodra hij in Leiden is, en ik heb hem deze brief willen geven om hem ertoe te verplichten . . .

    *)   Frans van Schooten jr. (1615 - 1660). [ Christiaan Huygens was vijftien jaar.]




[ XXII, 51 ]
XXIII.

Constantijn Huygens sr. aan René Descartes.

16 januari 1645

. . .  le bon Schooten. . . . que je luy mettray ma jeunesse entre mains absolument et sans reserve; pour leur monstrer la routte dont vos veritez sont le nord tres-fixe et invariable . . . . . .  de goede van Schooten. . . . dat ik hem mijn jongens volstrekt en zonder voorbehoud zal toevertrouwen; om hun de weg te wijzen waarvan uw waarheden het vaste en onveranderlijke noorden zijn . . .




[ 12 ]
No 7.

Christiaan Huygens aan Lodewijk Huygens

29 juni 1645

    Valde miror quare argentum Cognata non mittat quo nunc maxime indigeo, si quid enim disputare velit, faciat per me licet cum hanc rationem solverit, nihil enim in ea continetur quin Pater Constantino id solverit absque contradictione; itaque festinet rogo, diutius enim carere non possum.
    Ik verbaas me er zeer over dat Nicht*) het geld niet stuurt juist nu ik er gebrek aan heb; want als ze iets wil betwisten, laat ze het dan via mij doen, maar wel als ze dit bedrag betaald heeft; er zit namelijk niets bij dat Vader niet aan Constantijn heeft betaald zonder tegenspraak; dus laat haar alsjeblieft haast maken, want ik kan het niet langer missen.
. . .   Pingimus nos nunc coloribus siccis quod pingendi genus doeselen appellant; si videas quod hac ratione heri feci, nihili prorsus plumbum Hispanicum facias; imitatus sum effigiem senis a Rembrando factam coloribus cum oleo, ut vix differentiam videas, transmisissem artis specimen sed nimio labore et tempore constant. Vale.

29 Jun. 1645.
Monsieur Monsieur L. Huijgens, ten huijse vande heer van Zuijlichem.
In s Gravenhage.

. . .   We tekenen nu met droge kleurstoffen, wat de schilders doeselen noemen°); als je ziet wat ik gisteren op deze manier gemaakt heb, hecht je geen enkele waarde meer aan Spaans lood; ik heb een beeltenis van een oude man nagebootst die door Rembrandt is gemaakt met olieverf, zodanig dat je nauwelijks verschil ziet, ik had een voorbeeld van deze kunst willen sturen maar ze kosten teveel werk en tijd. Het ga je goed.
    *)   Catharina Suerius, nicht van vader Constantijn, (eind 16e eeuw - 10 oktober 1680). ... Na de dood (10 mei 1637) van moeder Susanna van Baerle werd zij op 28 mei 1637 huishoudster, tot 29 oktober 1668.
    [ °)  Zie: K. van Mander, Het Schilder-Boeck (1604), 10r: "Doeselen, dats crijt met boom-wol verdrijven".]
oude man
Uit: J.F. Heijbroek e.a.,
Met Huygens op reis (1982), p. 26.




[ 14 ]
No 9.

R. Descartes aan David le Leu de Wilhelm

15 juni 1646

. . .   Mr. Pell vient aussy de m'escrire d'Amsterdam qu'il a esté appelé par vos letres de la part se son Altesse a la profession en Philosophie et Mathematiques a Breda. Je me resiouis d'apprendre qu'on veuille ainsy faire fleurir les sciences en une ville ou j'ay autrefois esté soldat.

. . .   De heer Pell heeft me ook pas vanuit Amsterdam geschreven dat hij in een brief van u namens zijne Hoogheid is opgeroepen in Breda professor te worden in filosofie en wiskunde*). Het doet me genoegen te vernemen dat men zo de wetenschap wil doen opbloeien in een stad waarin ik vroeger soldaat ben geweest.  [<]

Il y a quelque tems que le Professeur Schooten m'envoya un escrit que le second fils de Mr. de Zuylichem avoit fait touchant un invention de Mathematique qu'il avoit cherchée, et encore qu'il n'y eust pas tout a fait trouvé son conte (ce qui n'estoit nullement estrange pource qu'il avoit cherché une chose qui n'a jamais esté trouveé de personne) il sy estoit pris de tel biais que cela m'assure qu'il deviendra excelent en cete science, en laquelle je ne voy presque personne qui scache rien.
. . .
Enige tijd geleden stuurde professor van Schooten me een geschrift dat de tweede zoon van de heer van Zuylichem had opgesteld, over een wiskundige ontdekking°) die hij gezocht had, en ook dat hij er niet helemaal uit was gekomen (wat in het geheel niet vreemd was, omdat hij iets had gezocht dat nog nooit door iemand is gevonden); hij had het zo kunstig aangepakt dat dit me ervan verzekert dat hij voortreffelijk zal worden in deze wetenschap, waarin ik bijna niemand zie die iets weet.
. . .

    [ *)   F. van Schooten had aan Constantijn Huygens aanbevolen: Samuel Kechelius. Zie brief 4369 (4 juni 1646), waarin ook Stampioen genoemd wordt.  Van de 'illustere school' of Collegium Auriacum was de Inauguratio op 16 en 17 september 1646.]
    °)   Het gaat om "het bewijs dat een opgehangen koord of ketting geen parabool maakt, en wat de druk moet zijn op een wiskundig koord (of een zonder zwaarte) om er een te maken" [I, 28, 34; cf. X, 811 en XI, 38, hierbij ook het ms].
[ Zie ook: R. Descartes, Brieven, vertaald door J.H. Glazemaker, 3e deel (1684), p. 380.]
 




[ 17 ]
No 10.

Christiaan Huygens aan Constantijn Huygens jr. *)

14 augustus 1646   [HUG 45]

. . .   Il n'y a pas grande commodité icy pour l'estude de droict, ce que vous ne peut pas sembler estrange, si considerez seulement comment je soye assis à la mesme table, ou l'un apprend la prosodie, l'autre la logice tout haut; et apres que ces heures sont finies que l'un ou l'autre prend la viole et me ravit l'esprit par les oreilles, comme Bruno dit une fois de meester pantser.
. . .   Er is hier niet veel gemak voor de studie van het recht, wat je niet vreemd zal lijken, als je alleen al beschouwt hoe ik zit aan dezelfde tafel waar de één hardop prosodie leert, de ander logica; en dat, nadat deze uren afgelopen zijn, iemand de viool oppakt en me de geest ontrukt via de oren, zoals Bruno een keer zei over meester Pantser°).
De sorte que le plus grand passetemps que j'aij me donne le craijonner, que j'exerce a toute force et de toute façon; J'aij peint en nostre jardin des grandes figures comme le vif, avecq du charbon mis dans de l'huijle et du craijon blancq, contre les aijs qui separent nostre jardin d'avecq celuij du Conte Maurice, ce sont des figures d'Holbeens Dodendans, que, de petites comme le petit doict qu'elles sont, j'ay aggrandies à la hauteur susdite; Mais voijcij quelque chose de plus net que je viens de faire, d'ont l'original de l'un vous est assez conneu de l'autre est la teste de mort, comme nous en avons deux icij que vous avez veu. Zodat het grootste tijdverdrijf dat ik heb komt van het tekenen met krijt, dat ik heel veel en op elke manier beoefen. Ik heb in onze tuin #) levensgrote figuren getekend met houtskool in olie en wit krijt, tegen de planken die onze tuin afscheiden van die van graaf Maurits; het zijn figuren uit Holbeins Dodendans die ik, van zo klein als een pink), heb vergroot tot de genoemde hoogte. Maar hier is iets netters dat ik pas gemaakt heb, waarbij het origineel van het ene je nogal bekend is, van het andere is het de doodskop, zoals we er hier twee hebben die je hebt gezien.

14 Aug. 1646.     Chrestien Huygens.

14 aug. 1646.     Christiaan Huygens.

A Monsieur Monsieur C. Huygens,
Secretaire de Son Altesse.
A   L'armée.

met een rolle papier.


Aan de heer de heer C. Huygens,
Secretaris van Zijne Hoogheid.
In het leger.

met een rol papier.


    [ *)  Zie over broer Constantijn Huygens jr: Ad Leerintveld, 'Het huwelijk van Constantijn Huygens Jr.'
Rudolf Dekker, 'Tijd meten en dagboek schrijven in de zeventiende eeuw'.]

    °)  Misschien Johannes Jacobus Pantser, in 1625 te Leipzig geboren, in 1649 begonnen met de rechtenstudie in Leiden.
    [ #)  Het was een lange tuin, zie de tekening hieronder, uit 1637 van Pieter Post in T. IV.]
    [ )  Zo klein, dat het misschien de letters van het alfabet waren, zie 'Dance of death alphabet'.]

huis op het Plein




[ 18 ]
No 11. *)

Christiaan Huygens aan Constantijn Huygens jr

3 september 1646

. . .   Je respons donc maintenant à vostre derniere avecq laquelle vous m'avez envoyé la question Geometrique, de laquelle vous trouverez la solution dans mes Commentaires que j'y ay faictes dessus aussi tost que je l'ay recüe: Pour vous dire la verité, vous monstrez clairement de n'avoir pas beaucoup exercé l'Algebre, au moins pas tant que moi; voicy quelques choses que j'aij trouvées par son ayde pendant que je suis icy; . . .   Ik beantwoord dus nu je laatste brief, waarbij je me het meetkundige probleem hebt opgestuurd, waarvan je de oplosing vindt in mijn commentaar dat ik erbij heb gemaakt zodra ik het ontving. Om je de waarheid te zeggen, je laat duidelijk zien dat je niet zo geoefend bent in de algebra, althans niet zoveel als ik; hier zijn enkele dingen die ik ermee heb gevonden sinds ik hier ben.

paraboloide met kegel erin

    ABCE est un corps, faict de la circonversion de la demije parabole DBCE, j'ay demonstré que ce corps est sesquialterum du cone ABE, (estant sur la mesme base et de hauteur esgale que ce corps) c'est à dire que si le cone ABE est 2, le corps, qui s'appelle Conoideparabolicum, est 3. Cecij a este demonstre d'Archimede mais d'une autre demonstration que la miene.

    ABCE is een lichaam, gemaakt door omwenteling van de halve parabool DBCE; ik heb aangetoond dat dit lichaam anderhalf maal de kegel ABE is (die op dezelfde basis is, en van gelijke hoogte, als dit lichaam), dat wil zeggen dat als de kegel ABE gelijk is aan 2, het lichaam, dat 'paraboloïde' heet, gelijk is aan 3. Dit is aangetoond door Archimedes°), maar op een andere manier dan de mijne.

kegel met omwentelingslichaam erin

    ADBEC est un corps faict de la circonversion de la figure FBEC, qui est ce qui reste du rectangle FBGC si on en tire la demie parabole BECG; j'ay demonstré que ce corps est esgal à la moitié du cone ABC, ce que je ne pense pas qu'il avoit esté demonstré cijdevant.

    ADBEC is een lichaam, gemaakt door omwenteling van de figuur FBEC, dat is wat overblijft van de rechthoek FBGC als we de halve parabool BECG eraf halen; ik heb aangetoond dat dit lichaam gelijk is aan de helft van de kegel ABC, en ik denk niet dat het hiervoor al is aangetoond.

    [ *)   Deze brief staat in facsimile aan het eind van OC I of II. ]
    [ °)  Zie T. L. Heath, The works of Archimedes (1897), p. 131.]

[ 19 ]
valbeweging, vertikaal en met horizontale beginsnelheid

    AB est une hauteur de la quelle on laisse tomber un poids C, je demonstre qu'au premier temps de sa cheute il passe un espace comme icy CD, au second temps esgal au premier, 3. de tels espaces, et vient jusques en E, au troisieme temps 5. espaces, au quatriesme 7, et qu'ainsij continuera à faire chasque fois encor de plus grands progrez, adjoustant au dernier tousjours deux fois le premier espace; mais il ne faut pas considerer la resistence de l'air, qui cause à la fin (si le poids tombe d'une fort grande hauteur, quelque pesant qu'il soit) qu'il parvient à un point, d'ou il commence en temps esgaux de faire des progrez esgaulx.     AB is een hoogte vanwaar men een gewicht C laat vallen, ik toon aan dat het in de eerste tijdsduur van zijn val een afstand aflegt zoals hier CD, in de tweede tijdsduur, gelijk aan de eerste, 3 van deze afstanden, en tot in E komt, in de derde tijdsduur 5 afstanden, in de vierde 7, en dat het zo zal doorgaan elke keer nog grotere vorderingen te maken, aan de laatste steeds toevoegend tweemaal de eerste afstand. Maar men moet afzien van de luchtweerstand, die er tenslotte voor zorgt (als het gewicht van een zeer grote hoogte valt, hoe zwaar het ook is) dat het een punt bereikt, vanwaar het in gelijke tijden gelijke vorderingen begint te maken.  [<]
Outre cecy j'ay demonstré que s'il est jetté de quelque costé, qu'il descrit une parabole; de tout cecij et encor d'une infinité de choses qui en dependent je n'aij jamais sçeu la demonstration avant que de l'inventer moij mesme, vous la trouverez à vostre retour, dans le boeckje de

Vostre tresaffectionne frere
Chrestien Huygens.

Bovendien heb ik aangetoond dat als het in de ene of andere richting wordt gegooid, dat het dan een parabool beschrijft; van dit alles, en van nog ontelbaar veel dingen die ervan afhangen, heb ik nooit het bewijs gekend voordat ik het zelf vond. Je zult het bij je terugkomst vinden in het boeckje van

Je zeer toegenegen broer
Christiaan Huygens.

3 Sept. 1646
Vous pouvez monstrer cecij a mon Pere.
Toot sçait aussi quelque chose.
3 Sept. 1646
Je kunt dit aan Vader laten zien.
Toot [Lodewijk] weet er ook iets van.

    [ In No. 37 vraagt Constantijn H. sr (in 1644) bij een horizontaal kanonschot: "Hoeverre de Cogel waterpas gaet".]
    [ Vader Constantijn heeft het gezien, en ook laten kopiëren, zie No. 11a, en de brief van Mersenne (No. 13a). Deze had een andere opvatting van de valbeweging (zie p. 55).]





[ 32 ]
No 18.

Christiaan Huygens aan Lodewijk Huygens

21 november 1646

Christianus Hugenius Ludovico fratri S.

    Accepi heri sub vesperam particulam ligni putridi, quam confestim in lectum conjeci, ubi principio quidem nullam lucem edidit sed postquam aliquandiu stetissem expectans, tenuem fulgorem laetissimus adverti, qui tantus post evasit (hodie mane nempe cum expergiscerer ut magnos impressos characteres quales in titulis librorum sunt ut in Ovidio satis bene legere potuerim.

    Ik heb gisteravond het stukje rottend hout ontvangen, dat ik terstond in de bedstede heb gebracht, waar het in het begin wel geen licht gaf, maar nadat ik het enige tijd was blijven afwachten, heb ik tot mijn grote vreugde een zwakke glans opgemerkt, die daarna zo sterk opkwam (vanmorgen namelijk, toen ik wakker werd) dat ik grote drukletters zoals die op titelbladen van boeken (als bij Ovidius) vrij goed heb kunnen lezen.

    Secunda autem observatio tua, meae adversatur, nam expertus sum de die in tenebris aeque lucere ac de nocte sed prius aliquantum temporis in tenebris vel oculis clausis fuisse oportet, cujus ratio opticis satis nota est: partim enim ex dilatatione pupillae procedit quae omnino necessaria est ad debiles luces, qualis haec est recipiendas, partim ex alijs causis quae magis a communi sensu remotae sunt.

    Maar jouw tweede waarneming is met de mijne in strijd, want ik heb ondervonden dat het overdag in het donker evenveel licht geeft als 's nachts, maar je moet eerst enige tijd in het donker zijn geweest, of met je ogen dicht. De reden hiervan is bij optici welbekend: deels immers komt die voort uit de verwijding van de pupil, die heel noodzakelijk is om zwak lichtzoals dit op te vangen, deels uit andere oorzaken die verder van het algemeen bekende liggen.

    [ Hoe rottend hout licht kan geven was een bekend vraagstuk, zie b.v. Beeckman (III, 57) die Bacon citeert.  Zie: E. Newton Harvey, A history of luminescence from the earliest times until 1900 (Philadelphia 1957), p. 461.]




[ XXII, 53 ]
XXV.

R. Descartes aan Const. Huygens sr.

1646

    Vous verrez icy la lettre musicale dont je vous avois parlé.     U ziet hier de brief over muziek, waarover ik met u had gesproken.
. . . Si vous estes assez patient pour cela, vous prendrez peutestre plaisir à voir ce qu'un homme qui n'a jamais sceu apprendre à chanter ut re mi fa sol la, ny à juger si un autre le chantoit bien, a coniecturé touchant un sujet qui ne depend que du jugement de l'oreille. Et si Mr vostre second fils se veut exercer en cete matiere, il en peut avoir occasion en nous reprenant Bannius et moy . . . . . . Als u er voldoende geduld voor hebt, zal het u misschien vermaken te zien wat iemand die nooit ut re mi fa sol la heeft leren zingen, of beoordelen of een ander het goed zingt, heeft kunnen gissen over een onderwerp dat alleen met het oor kan worden beoordeeld. En als meneer uw tweede zoon zich wil oefenen in deze stof, kan hij de gelegenheid aangrijpen om ons te verbeteren, Bannius*) en mij . . .
Car nos raisons n'estant ny mathematiques ny physiques mais seulement morales, comme j'ai dit là, il est aisé d'en trouver d'autres qui leur soient contraires. S'il escrit quelque chose sur ce sujet, je seray bien ayse de le voir . . . Want daar onze redenen niet wiskundig of natuurkundig zijn, maar alleen moreel, zoals ik daar heb gezegd, zijn er gemakkelijk andere te vinden die ermee in strijd zijn. Als hij over dit onderwerp iets schrijft, zal het mij genoegen doen het te zien . . .

    [ *)  Joan Albert Ban (1597/8 - 1644) had voor een 'volmaakt klavier' een 18-toons toonschaal ontworpen. ]




No 25.

M. Mersenne aan Christiaan Huygens

8 januari 1647
[ 55 ]

. . .   vostre demonstration manque de principe, oûtre que vous ne prouvez par induction que le grave passe par tous les degrez de tardivité: et voyez qu'au mesme moment que nous laschons une pierre en bas elle va viste. . . .   uw vertoog [<] is gebrekkig van beginsel, en bovendien bewijst u slechts door inductie dat iets zwaars alle gradaties van traagheid doorloopt; en u ziet toch dat op hetzelfde ogenblik dat we een steen loslaten, deze snel omlaag gaat.

    C'est chose bien estrange que nous voyions si peu dans la physique, et qu'il y en ayt tant qui disent, ou se vantent de voir si clair dans les choses de la religion, qui depend de ce que nous pouvons beaucoup moins aprocher que ce que nous venons de dire des choses physiques. Il n'y a remede il faut essayer d'avoir patience, puisque la divine providence nous a mis dans cet estat de vie, qui ne depend nullement de nous puisque nous nous trouvons sur la terre sans scavoir qui nous y a mis et d'où nous sommes venus, si on ne nous l'apprend 3 ou 4 ou 8 ans aprez.

    Het is wel een vreemde zaak dat we zo weinig kunnen zien in de physica, en dat er zovelen zijn die zeggen, of pochen, zo helder te zien in zaken van religie, die afhangt van wat wij veel minder kunnen benaderen dan wat we net genoemd hebben van dingen uit de physica. Er is niets aan te doen, we moeten proberen geduld te hebben, aangezien de goddelijke voorzienigheid ons in deze staat van leven heeft gezet, die in het geheel niet van ons afhangt; we bevinden ons immers op aarde zonder te weten wie ons er neergezet heeft en waar we vandaan gekomen zijn, als men het ons 3 of 4 of 8 jaar later niet leert.

    Je prie Dieu Monsieur, de vous conserver toute cette année en tresbonne santé, et que vous soyez l'Apollonius et l'Archimede de nos jours, ou plustost du siecle à venir, puisque vostre jeunesse vous peut donner un siecle entier.

    Ik bid God, meneer, u dit hele jaar te bewaren in zeer goede gezondheid, en dat u de Apollonius en de Archimedes van onze dagen wordt, of liever van de komende eeuw, aangezien uw jeugd u immers een hele eeuw kan geven.

Vostre tresaffectionné serviteur
Mersenne, M.        

    Ce 8 du nouvel an.

Uw zeer toegenegen dienaar
Mersenne, M.        

    De 8e van het nieuwe jaar.




[ II, 558 ]

No 27a.

Constantijn Huygens sr. aan M. Mersenne

14 januari 1647

    Vous avez trop grande opinion de mon Archimede mais je sçay bien qu'il ne dementira jamais celle que vous en devez avoir. Je luy envoyeray le tiltre de la selenographie de Hevelius, si cest auteur ne me donne partage dans ce nouveau monde, il faict prejudice au bon droict qui desja m'y est acquis, par la division du mathematicien de Bruxelles, dont vous aurez veu le project, puis que c'est chose qui vous touche aussi pour vostre contingent.     U hebt een te hoge dunk van mijn Archimedes, maar ik weet wel dat hij nooit het oordeel zal logenstraffen dat u over hem moet hebben. Ik zal hem het titelblad zenden van de Selenographia van Hevelius; als deze auteur mij niet een stukje geeft van deze nieuwe wereld doet hij afbreuk aan het voorrecht dat me er al verleend is*), door de indeling van de wiskundige uit Brussel; u zult zijn tekening gezien hebben, daar het immers iets is dat ook u aangaat voor wat betreft uw aandeel.
    Ce que le lunettier de Naples publiera de ses observations faictes par son telescope de 15 ou 20 pieds, .  .
    Je voudroy que ces observations Napolitaines parvinssent jusques à nous, . . .
    Wat de brillenmaker uit Napels°) zal publiceren van zijn waarnemingen, gedaan met zijn telescoop van 15 of 20 voet, . . .
    Ik zou willen dat deze Napolitaanse waarnemingen ons bereikten, . . . [>]

krater Hugenii     *)   Op de eerste maankaart met namen staat bij de noordwestrand [rechtsboven] een krater 'Hugenii'; Hevelius noemde deze 'Lacus hyperboreus inferior' en Riccioli 'Mercurius', de huidige naam. [Een Huygens-krater ontbreekt nu.]
    Michiel-Florent van Langren, 'Plenilunii Lumina Austriaca Philippica', Brux. 1645.  [andere afb.]
[ Zie: 114 Ned. brieven van E. Puteanus aan ... van Langren, 1957; vanaf no. XC: "Aengaende de naemen ..."; in no. C: "dat Caramuel gesonden worde naer de achtermane, om den rugge te observeeren".]

krater Mersenne     Rechts van het onderste deel van de verticale as staat een krater genoemd 'Mersenne'.  [Ook te vinden op p. 67 van Mapping and naming the Moon (E.A. Whitaker, Cambr. 1999). Nu is Mersenius een andere.]

    °)   Francesco Fontana, Novae coelestium, terrestriumque rerum observationes, 1646. (Van Langren genoemd op p. 13 en 15.)




[ 70 ]
No 36.

J. H. Dauber aan Constantijn Huygens sr.

24 juni 1647

. . .  pour vous dire que Monsr vostre second fils qui est logé chez nous me donne une grande satisfaction, soit pour la diligence qu'il apporte à ses estudes, soit pour l'honnesteté de ses comportemens, sans vous flatter, Monsieur, je le regarde comme un nouvel Orient, qui ne tardera pas à envoyer ses lumieres par tout. Et quand je considere l'excellence de son Esprit joint la solidité de son jugement et le plaisir qu'il prend aux estudes de droit joint le temps qu'il y employe, je ne puis que je ne vous felicite. Je ne manque pas de luy donner de l'exercice, mais il ne manque pas aussy à y bien satisfaire, en toutes noz disputes aussy que publiques que particulieres, il est presque tousjours des acteurs . . . . . .  om u te zeggen dat meneer uw tweede zoon die bij ons [in Breda] is ondergebracht mij grote voldoening geeft, zowel om de nauwlettendheid die hij aanwendt bij zijn studie, als om de betamelijkheid van zijn gedragingen; zonder u te vleien, meneer, ik beschouw hem als een nieuw opkomend licht dat niet zal dralen zijn stralen overal heen te zenden. En wanneer ik de uitnemendheid van zijn verstand beschouw, samen met de betrouwbaarheid van zijn oordeel en het behagen dat hij schept in zijn rechtenstudie en met de tijd die hij eraan besteedt, kan ik niet anders dan u feliciteren. Ik laat niet na hem oefening te geven, maar hij laat ook niet na er goed aan te voldoen, in alle disputen zowel openbare als particuliere, is hij bijna altijd onder de optredenden . . .

    [ Dauber, bij wie Christiaan in huis was, schreef in april 1648 nog meer loffelijke woorden over hem, zie de Biografie.]




[ XXII, 57 ]
XXVIII.

Constantijn Huygens sr. aan Hendrik van Nassau-Siegen

9 oktober 1649

    En suitte de l'assignation qu'il vous a pleu nous donner, je vous envoije non pas le plus cher de mes Fils, car je les aijme esgalement, mais, j'ose dire, le plus precieux des quatre, en ce qu'il excelle sur le reste en force d'esprit et de sçavoir, et je m'asseure que ceux qui le sonderont aveq cognoissance trouveront qu'il n'en manque point en aucune sorte de science dont un jeun'homme de sa condition doibt estre pourveu. Je l'estime cependant bien heureux, de ce qu'il luij est permis de faire son premier apprentissage au grand livre du monde soubs l'honneur de vos directions. . . .     Ingevolge de toewijzing*) die u ons hebt willen geven, zend ik u niet de meest dierbare van mijn zoons, want ik houd even veel van hen, maar, durf ik wel te zeggen, de meest kostbare van de vier, doordat hij uitmunt boven de anderen in geestkracht en kennis, en ik ben verzekerd dat wie hem zal peilen met kennis van zaken, zal vinden dat hij geenszins tekortschiet in welke soort kennis dan ook, waarvan een jongeman van zijn stand moet zijn voorzien. Ik vind echter dat hij veel geluk heeft, dat het hem is vergund te worden ingewijd in het grote boek van de wereld met de eer van uw aanwijzingen. . . .
. . .  je donne ce Garçon pour tres-expert non seulement en l'estude de droict, qu'il vient d'achever, mais aussi es langues Françoise, Latine, Grecque, Hebraïque, Syriaque et Chaldaïque. Mathematicien au reste par eminence, et Musicien, et Peintre; et pour conclusion du plus doux naturel qui se puisse veoir.
. . .  qu'on ne l'importune pas de boire, ce qu'il n'entend pas.
. . .  ik zeg u dat deze jongeman niet alleen zeer bedreven is in de rechtenstudie, die hij juist heeft voltooid, maar ook in de talen Frans, Latijn, Grieks, Hebreeuws, Syrisch en Chaldeeuws [Aramees]. Verder wiskundige bij uitnemendheid, en musicus, en schilder; en tot slot met het meest zachtaardige karakter dat te vinden is.
. . .  dat men hem niet lastig valt met te moeten drinken, dat is hij niet gewend.

    [ *)  Christiaan als lid van het gevolg van graaf Hendrik [>], op een reis naar Denemarken (zie volgend stukje).]
    [ Vergelijk vaders lof in zijn brief (Worp, no. 5323) van 31 dec. 1653 aan prinses Elisabeth (>); nu worden Syrisch en Chaldeeuws niet meer genoemd, maar wel Italiaans — met dank aan Kees Verduin.]




[ 113 ]
No 67.

Christiaan Huygens aan Constantijn Huygens jr.

25 december 1649

    Il ij a 5 ou 6 jours que je suis revenu de mon voyage de Dennemarck ou j'aij esté avecq Mr. le Comte Henrij comme vous sçavez. Pour luij il n'a pas esté plus loin qu'en Holsteijn, mais moij, ayant trouvé bonne compagnie j'aij eu assez de curiosité pour passer plus avant j'usques a Coppenhaghe et Elseneur ou les navires ont accoustumé de payer le tribut au Roij; et si la saison l'eust permis, j'eusse peut estre passé plus outre en Schonen et Suede pour ij voir Mr. des Cartes et la Reine dont il escrit tant de merveilles . . .     Het is 5 of 6 dagen geleden dat ik ben teruggekeerd van mijn reis naar Denemarken waar ik met graaf Hendrik was, zoals je weet. Hij is niet verder geweest dan in Holstein, maar ik had goed gezelschap gevonden, en was nieuwsgierig genoeg om door te gaan naar Kopenhagen en Elseneur, waar de schepen gewend zijn belasting te betalen aan de koning; en als het seizoen het had toegelaten, was ik misschien verder gegaan naar Schonen en Zweden om er de heer Descartes te bezoeken en de koningin over wie hij zoveel verbazende dingen schrijft . . .
. . .  a Flensburgh en Holsteijn ou la Cour estoit; la on n'avoit autre passetemps que de manger et boire danser et jouer: L'apresdiner on s'alloit divertir ins frauwenzimmer ou il ij avoit 12 damoiselles de la Reine et quelques freuleins, toutes habillées a la Francoise mais dont pas une ne parloit Francois. Apres souper d'ordinaire on ij dansa le Roij et la Reine aussi bien que le reste; la Reine n'a que 18 ans, mais pour le Roij qui en a plus de 43, j'estois bien estonné au commencement de voir qu'il s'amusoit a danser de sessies avecq nous autres.
. . .  on ij disne a 10 et souppe a 5 heures.
. . .  te Flensburg in Holstein, waar het hof was; daar had men geen ander tijdverdrijf dan eten en drinken, dansen en spelen. Na het middagmaal ging men zich vermaken in de vrouwenkamer, waar 12 jongedames van de koningin waren en enkele juffrouwen, allen op de Franse wijze gekleed, maar van wie niemand Frans sprak. Na het avondmaal ging men er gewoonlijk dansen, de koning en de koningin evenals de anderen; de koningin is nog maar 18 jaar, maar over de koning, die meer dan 43 jaar is, was ik in het begin wel verbaasd om te zien dat het hem amuseerde met ons mee te dansen.
. . .  men dineert er om 10 uur en soupeert om 5 uur.




[ 122 ]
No 76.

Constantijn Huygens jr aan Christiaan Huygens

8 maart 1650

Geneve 8. Marty 1650.    
        Mon frere,
    J'ay reçeu vostre derniere, dans laquelle vous gazouillez fort et à loisir sur ma pauvre paire des moustaches, dont vous croirez ce qu'il vous plaira, je ne m'en mets pas beaucoup en peine. J'en envoyerois bien la mesure et la grandeur si je crojois que vous en voulussiez scavoir la façon pour en faire faire des semblables, mais considerant l'estat de vostre menton tel qu'il estoit lors de mon depart (doen was gij ruijgh als een paes ey) je me suis imaginé que vous n'en aviez pas encore à faire.     Ik heb je laatste brief ontvangen, waarin je naar hartelust babbelt over mijn arme snor, waarvan je mag denken wat je wilt, het kan me niet erg schelen.
Ik zou je wel de maat en de grootte ervan opsturen als ik dacht dat je de vorm ervan zou willen weten om er net zo een te laten maken, maar gezien de toestand van je kin zoals die was bij mijn vertrek (toen was je zo ruig als een paasei) heb ik bedacht dat je er nog niet mee te maken hebt.

    J'ay fait un tour en Suisse c'est a dire en Allemagne car on n'y parle presque rien d'autre. Dans un lieu qui est entre deux a deux journees et demie d'icy on parle un langage bigarré et composé du François avec l'Allemand et ils disent Swager preste moy ton wagen et choses semblables. Cette villette s'appelle Morat, fort renommée a cause de la bataille dans laquelle le Duc Charles de Bourgoigne fut defait des Suisses [1476]. On y voit encore touts les ossements des pauvres Bourgignons entassés les uns sur les autres ad perpetuum rei memoriam.

    Ik heb een rondje gemaakt in Zwitserland, dat is in Duitsland, want men spreekt er bijna niets anders. In een plaats die twee tot twee en een halve dag hier vandaan is spreekt men een bonte taal, samengesteld uit Frans met Duits, en ze zeggen Swager preste moy ton wagen [leen me je wagen], en zulke dingen. Dit stadje heet Murten, heel bekend vanwege de slag waarin hertog Karel van Bourgondië verslagen werd door de Zwitsers [1476]. Je ziet er nog alle beenderen van de arme Bourgondiërs op elkaar gestapeld ter eeuwige nagedachtenis.

    La situation des Alpes a voir du coste du Lac Leman est fort bizarre, et justement il est a cette heure nuict sans cela je vous en donnerois le crayon mais ils sont a peu pres comme vous voyez cy dessous, toutes blanches de neige en tout temps. Adieu.

    De ligging van de Alpen, gezien van de kant van Lac Leman is heel grillig, en het is op dit ogenblik juist nacht, anders zou ik je een krijttekening ervan geven, maar ze zijn ongeveer zoals je hieronder ziet, allemaal wit van de sneeuw, altijd. Tot ziens.
Alpen


    [ Christiaan had om zo'n tekening gevraagd in zijn brief van 8 febr., p. 119.]




[ 124 ]
No 79.

Christiaan Huygens aan Constantijn Huygens jr

29 maart 1650.
Haye ce 29 mars 1650.    
        Mon frere,
    J'aij vû une lettre de M. Schoten a Mon Pere sur le subject de vos vers, que vous avez fait a sa priere, sur l'effigie de M. des Cartes qu'il va faire imprimer a cette heure que ce grand personnage est mort . . .     Ik heb een brief gezien van Mr. van Schooten aan Mijn Vader aangaande je verzen, die je op zijn verzoek hebt gemaakt, op de beeltenis van Mr. Descartes die hij gaat laten drukken nu deze grote man overleden is . . .

portret van Descartes     Het portret [gemaakt door Fr. van Schooten jr, 'Pr. Mat. ... 1644'], met de verzen, is te vinden in de 2e editie van Geometria a Renato des Cartes, 1659. Descartes was overleden op 11 februari.
[ Zie ook Fr. van Schooten aan Descartes, 10 maart 1649 in Lettres, T. 3, 1667, p. 614 (Brieven, 1684, p. 373) en het antwoord op p. 617 (Ned. p. 376):]
... het afbeeltsel ... zeer wel gemaakt is, maar de baart en kleederen gelijken niet. De gedichten zijn ook zeer goed en verplichtende: maar dewijl zy hun maker niet genoech voldoen, zo keur ik ten hoogste goed het voorneemen, 't welk gy, volgens u reedenen, hebt, om dit afbeeltsel gantschelijk niet te gebruiken, en het niet voor u boek te stellen. ...
... afkeer van de genen .. die de geboortestonden {Horoscopus} uitreekenen, aan welker doling men schijnt behulpsaam te zijn, als men iemants geboorte dag bekent maakt.
    Christiaan H. dichtte in het Frans een 'Epitaphe de des Cartes' (16 regels), zie p. 125. Op p. 126 zegt hij hierover:
... les premiers qu'aye jamais produit l'autheur, qui a peine peut escrire en bon François, quand il ne se attache point a la rime.
... de eerste gemaakt door de schrijver, die nauwelijks in goed Frans kan schrijven, wanneer hij zich niet aan het rijm houdt.
[ D. Lipstorp schrijft de verzen van Constantijn jr toe aan Christiaan, in Specimina philosophiae Cartesianae (1653), p. 93.]



No 83.

Constantijn Huygens jr aan Christiaan Huygens

Rome, 29 mei 1650.
[ 128 ]

. . .  Si vous regardez dans la moindre maison la porte estant ouverte vous verrez dans la Cour de derriere des grands orangers et trois ou quatre belles statues antiques de marbre blanc. Il y a trois jours que nous fusmes dans les Catacombes, ou Roma sotterranea dont vous avez le livre chez nous. On y entre aupres de St. Sebastien et a moins que d'avoir un bon guide on s'y esgareroit incontinent, car ces labyrinthes vont jusques dans le Royaume de Naples et par dessoubs le Tibre.

. . .   Als je kijkt in het kleinste huis waar de deur open staat, zul je er achter op de binnenplaats grote sinaasappelbomen zien en drie of vier mooie antieke standbeelden van wit marmer. Drie dagen geleden waren we in de Catacomben, of het onderaardse Rome waarvan je bij ons het boek hebt*). Je gaat er in dichtbij St. Sebastiaan, en tenzij je een goede gids hebt zou je er terstond verdwalen, want deze labyrinten gaan tot in het Koninkrijk Napels, en onder de Tiber door.

Nous passons des jours entiers en pourmenades et a voir tant d'antiquités, Vignes, Palais et quid non? Quand on est bien las on va boire dans des maisons qui sont expressement pour cela des certaines eaux refraisschissantes qu'ils font icy de toute sorte de goust comme de Cerises, de fraises, de Citrons, de l'Ambre, de Canelle &c. ils les font dans des certaines petites bouteilles qu'ils mettent dans de la neige meslée de sel et de salpetre, ce qui les fait geler incontinent tout autour, et c'est une chose delicieuse de les boire. Adieu.

We brengen hele dagen door met wandelen en het zien van zoveel oudheden, wijngaarden, paleizen en wat niet al? Wanneer we goed afgemat zijn gaan we in huizen, die speciaal daarvoor zijn, bepaalde verfrissende drankjes drinken, die ze hier maken in allerlei smaken, zoals kersen, aardbeien, citroen, amber, kaneel &c. Ze maken ze in bepaalde kleine flesjes, die ze zetten in sneeuw gemengd met zout en salpeter, wat ze terstond helemaal rondom doet bevriezen, en het is heerlijk om te drinken. Tot ziens.

    *)   Antonio Bosio, Roma Sotterranea, Roma 1632.
[ Zie in de bibliotheek van Constantijn Huygens sr, p. 18, no. 2; en in de Bibliotheca Zuylichemiana, p. 79, no. 1271: Lat. 1651.  Vgl. Roma sotterranea (1869), p. 5 e.v.]




[ 130 ]
No 85.

Fr. van Schooten aan Christiaan Huygens

27 september 1650.

. . .   Perlegeram jam duos primos libros, ex quibus satis, velut ex ungue leonem, reliqua tua similiter non tam festinanter legenda esse deprehendi, quippe quae ante a te ingeniosè excogitata, satisque perspecta ac perpensa, licèt raptim illa conscripta profitearis; tamen, quid in ejusmodi difficili materia à te praestitum sit, abunde declarant. . . .   Ik had de eerste twee boeken*) al bekeken, en daaruit heb ik voldoende begrepen — zoals men aan de klauw de leeuw herkent — dat het overige van u niet op dezelfde manier zo haastig moet worden gelezen, daar dat immers door u tevoren scherpzinnig is bedacht, en voldoende doorzien en nauwkeurig afgewogen, ook al verklaart u dat die dingen inderhaast zijn opgeschreven; toch maken ze heel duidelijk wat door u is gepresteerd in een zo moeilijke materie.
Jnter legendum hìc illic quaedam leviter annotaram, tanquam à Te non satis perspecta, mihique deinceps examinanda, quibus perpendendis accurationem tuam postea degustavi, eàque à me nimis subito fuisse reprehensa . . . Onder het lezen had ik hier en daar bij sommige dingen wat kanttekeningen gezet, als zijnde door u niet voldoende doorzien, en door mij nader te onderzoeken, maar bij het nauwkeurig afwegen ervan heb ik daarna kennis genomen van uw zorgvuldigheid, en dat die dingen door mij te schielijk waren afgekeurd . . .

    *)  Het gaat om 'De iis quae liquido supernatant' [Over dingen die drijven].




[ 147 ]
No 96.

Christiaan Huygens aan Gregorius van St. Vincent

6 oktober 1651.

. . .   diu est cum primum libros tuos evolvere coepi. Nam continuò atque editi fuere, dono missi sunt patri meo à Domino Seghers, quem tibi scio non ignotum esse, quum et Ordinis sit vestri, et pingendi arte inter primos celebris. Itaque et tum statim et sepe postea intelligere eos conatus sum, atque aliquoties difficultate et multitudine propositionum deterritus, desperavi . . . . . .   het is al lang geleden dat ik voor het eerst uw boeken*) begon te bestuderen. Want dadelijk nadat ze waren uitgegeven, zijn ze als gift aan mijn vader gezonden door de heer Seghers, van wie ik weet dat hij u niet onbekend is, daar hij van uw Orde is, en in de schilderkunst één der vermaardsten. Dus heb ik zowel toen meteen als vaak daarna getracht die te begrijpen, maar enige malen heb ik, afgeschrikt door de moeilijkheid en het grote aantal der stellingen, de hoop opgegeven . . .
. . .   quaedam ad haec spectantia in chartam conjeci, quae nonnulli suadebant ut imprimenda darem. sed ego ea ne absolvere quidem volui, priusquam tibi scripsissem atque ex te compertum haberem, me non frustra collocaturum esse, quidquid in ijs ponam temporis et studij. . . .   heb ik enkele dingen hierover op papier gezet, en enkele mensen raadden me aan om dit te laten drukken; maar ikzelf heb dit niet willen doen voordat ik u tenminste zou hebben geschreven en ook van u vernomen, dat ik de tijd en studie die ik eraan geef niet voor niets zal besteden.

    [ *)  Opus geometricum quadraturae circuli et sectionum coni, Antw. 1647.]

[ 148 ]
. . .   hoc tantum agere, ut ne imposterum calumnia duret, In ea scientia quam nos caeteris omnibus certiorem perhibemus, post annos quatuor nondum quid verum falsumve esset potuisse dijudicari. . . .   dat ik me alleen dit ten doel stel, dat niet in de toekomst de aanklacht stand houdt, dat wij in die wetenschap die we zekerder noemen dan alle andere, na vier jaar nog niet hebben kunnen uitmaken wat waar was of niet.




[ 164 ]
No 111.

Gregorius van St. Vincent aan Christiaan Huygens

6 januari 1652.*)

. . .   industriam tuam admiratus fuj. quia vero tuae sortis raros est reperire, qui successu vsque adeo felicj, studia Geometrica assequantur; praesertim cum aliquid ea Scientia dignum, de nouo promendum est: Hortor, vt per similes lucubrationes, ad plausus te compares, quos omnis posteritas industriae tuae debitos, grata parabit; si genio tuo, quem a natura studijs geometricis accommodatum sortitus es, indulgere non piguerit. . . .   ik heb me verwonderd over uw ijver; omdat werkelijk zelden mensen van uw stand worden gevonden die met een zo gelukkig succes de meetkundestudie volgen, vooral wanneer iets nieuws aan het licht gebracht moet worden dat deze wetenschap waardig is. Ik spoor u aan u met dergelijk werk voor te bereiden op toejuichingen die het gehele nageslacht aan uw ijver verschuldigd is en dankbaar zal geven; als het u niet zal spijten de vrije teugel te laten aan uw genie, geschikt voor meetkundige studies, dat u van de natuur hebt gekregen.

    [ *)  Na ontvangst van Huygens' eerste publicatie, Theoremata de Quadratura hyperboles ellipsis et circuli, Leiden 1651;  Ned.]

titelpagina



[ 167 ]
No 114.

Christiaan Huygens aan Lodewijk Huygens

19 januari 1652.

. . .   Mademoiselle Z. dit que nul Prophete est estimé en sa Patrie, aussi cela est il tres vray, et c'est une des belles et notables sentences de l'Evangile. . . .

    Mon Pere veut que je vous envoye un exemplaire de mon petit livre, peutestre que Monsieur Johnson ou quelqu'autre vous scaura dire a quel Mathematicien vous le pourrez donner. Pere Gregorius m'a a la fin respondu . . . Je commence a estre fort conneu parmi les Reverends Peres . . .
. . .   Juffrouw Z. zegt dat geen profeet wordt geëerd in zijn eigen land, en dat is ook heel waar, en het is een van de mooie en opmerkelijke zinnen van het Evangelie. . . .

    Vader wil dat ik je een exemplaar zend van mijn boekje, misschien dat meneer Johnson*) of een ander je zal kunnen zeggen aan welke wiskundige je het zult kunnen geven. Pater Gregorius heeft me eindelijk geantwoord . . . Ik begin heel bekend te worden onder de eerwaarde paters . . .

    [ *)   Lodewijk was in Engeland, zie: A.G.H. Bachrach, R.G. Collmer (eds.) The English Journal, 1651-1652, 1982 (preview). Johnson was boekhandelaar in Londen.]




[ 175 ]
No 122.

Christiaan Huygens aan Gregorius van St. Vincent

15 maart 1652.

. . .   Problematis ejusdem compositionem longe faciliorem nuper adinveni et tam bellam ut gratis tibi impertiri eam non inducar, at hoc praetio habere poteris si tribus verbis rescribas. Quoties ratio 53 ad 203 contineat rationem 5 ad 11, secundum sensum propositionis tuae 44ae Libri 10. Nihil esse potest aequius quam ut problemata problematis contra veniant?
Prostat apud me alia insignis inventio unius . . .
. . .   de veel makkelijkere opstelling van dit probleem heb ik onlangs gevonden en is zo mooi dat ik me er niet toe laat brengen u het [bewijs] gratis mee te delen, maar u kunt het krijgen tegen deze prijs, als u met drie woorden terugschrijft: Hoe dikwijls bevat de verhouding van 53 tot 203 de verhouding van 5 tot 11*), volgens de betekenis van uw stelling 44 van boek 10. Niets kan immers billijker zijn dan dat problemen komen te staan tegenover problemen?
Bij mij is nog een andere uitstekende uitvinding te koop . . .

    [ *)  Zie 'Onderzoek', p. 36 (Ned.). Gregorius had ook in zijn tweede brief na ontvangst van Huygens' boekje niet willen ingaan op de inhoud ervan.]




No 130.

Christiaan Huygens aan Fr. van Schooten

29 oktober 1652   [<,>]
[ 186 ]

. . .   Nunc autem in dioptricis totus sum, et nuperrime elegans inventum obtigit, cujus ope telescopium multo quam cetera perfectius me constructurum arbitror, si modo artificem reperire queam experientem.

. . .   Doch nu zit ik geheel in de optica*), en zeer onlangs viel me een mooie uitvinding ten deel, en ik meen dat ik met behulp daarvan een telescoop kan bouwen, veel voortreffelijker dan andere, als ik maar een ervaren vakman kan vinden.
Illud autem inventum est, quod radios ad punctum unum tendentes ope superficiei sphaericae ad aliud punctum propius vel longinquius cogi posse demonstravi, idque praecise [XIII, 49]. Et consequenter quod venientes a puncto uno, simili superficie inflectere licet quasi a puncto veniant propiori vel remotiori. Haec autem Cartesius per superficies curvas antea ignotas artificiose molitus est, sed quae nulla ratione expoliri possent. En die uitvinding is dat ik heb bewezen dat lichtstralen, gericht naar één punt, met behulp van een bolvormig oppervlak naar een ander punt (dichterbij of verder weg) kunnen worden gebracht, en wel precies [XIII, 49]. En bijgevolg dat stralen, komend uit één punt, met een dergelijk oppervlak zijn af te buigen alsof ze kwamen uit een punt dichterbij of verder weg. En Descartes heeft dit kunstig ondernomen met gebogen oppervlakken die voordien onbekend waren, maar die op geen enkele manier zouden kunnen worden geslepen.

    Si leges motus ab ipso traditas adhuc defendis, hunc unum casum quaeso mihi expedi quem nescio qua de causa omisit.

    Als u de door hem gegeven bewegingswetten°) nog verdedigt, wilt u mij dan dit ene geval ontwarren, ik weet niet waarom hij het wegliet.
bollen A en B, verbindingslijn met C erop, dichter bij B
    Corpus A fertur versus B, simulque B versus A. Estque B duplo maius quam A, sed A duplo celerius movetur quam B. Quid fiet post occursum mutuum in C.     Lichaam A gaat in de richting van B, en tegelijk B in de richting van A. En B is tweemaal zo groot als A, maar A beweegt tweemaal zo snel als B. Wat zal er gebeuren na de botsing in C?
Ego dico utrumque eadem qua venit celeritate retro actum iri. Quod si tibi quoque videtur vide qui cum caeteris conveniat. Vult enim Cartesius corpus A nullo pacto movere posse B majus existens, si hoc quiescat. Quomodo igitur ipsum repellet sibi occurrens? nam hoc quidem multo videtur difficilius. Ne te pigeat super hisce sententiam tuam depromere et Vale. Ik zeg dat elk van beide terug gaat met dezelfde snelheid als waarmee het aankomt. En als dit u ook lijkt, beziet u dan hoe het met het overige overeenstemt. Descartes beweert immers dat lichaam A op geen enkele manier B kan doen bewegen als dit groter is en in rust. Hoe zal dit dan terugstoten wat ertegen botst? want dit lijkt inderdaad veel moeilijker. Ik hoop dat u er geen spijt van zult hebben hierover uw mening te vormen, en het ga u goed.

    [ *)   Op 4 nov. vroeg Huygens informatie over het slijpen van lenzen aan Gerard van Gutschoven.]
    [ °)   Vgl. de kritiek in de eerste brief aan van Gutschoven (17 jan. 1652).  De wetten staan in 'Principia' (1644), zie samenvatting. ]




No 131.

Fr. van Schooten aan Christiaan Huygens

4 november 1652.   [<,>]
[ 187 ]

. . .   De motu quid sentiam, cum A fertur versus B, simulque B versus A. Estque B duplo maius quam A, sed A duplo celerius movetur quam B. Dico corpus B ipsi A occurrens in C debere pergere versus sinistram, ita quidem ut nullam sui motus partem amittat, nec novum motum recipiat; sed A resiliens, servata celeritate sua, retro actum iri.

. . .   Wat ik meen over de beweging, wanneer A gaat in de richting van B, en tegelijk B in de richting van A. En B is tweemaal zo groot als A, maar A beweegt tweemaal zo snel als B. Ik zeg dat lichaam B als het tegen A botst in C moet doorgaan naar links, en wel zó dat het geen gedeelte van zijn beweging verliest, en ook geen nieuwe beweging krijgt; maar dat A terugspringt en, met behoud van zijn snelheid, terug gaat.
[ 188 ] zelfde figuur: bollen A en B  
Ratio est, quia B quamvis supponatur duplo tardius moveri quam A, habet tamen aequalem quantitatem motus cum A (siquidem corpus duplo maius eadem celeritate motum qua minus duplo plus habet motus): et ideo quia B maius est, debet A reflecti. B autem nullam partem sui motus communicare debet ipsi A, quia eadem vis motus est in A quam in B: adeoque multo minus A motum aliquem tradere potest ipsi B, cum in contrariam partem reflectatur, et ejus tantum determinatio, qua ab A veniebat versus B, mutetur. De reden is omdat B, ofschoon verondersteld wordt dat hij tweemaal zo langzaam beweegt als A, toch een gelijke hoeveelheid beweging heeft als A (aangezien een tweemaal zo groot lichaam, met dezelfde snelheid bewegend als het kleinere, tweemaal zoveel beweging heeft); en daarom, omdat B groter is moet A terugketsen. Doch B mag geen deel van zijn beweging aan die A meedelen, omdat er dezelfde bewegingskracht is in A als in B; en nog veel minder kan A enige beweging overdragen aan die B, daar hij naar de tegengestelde kant terugketst, en slechts zijn bewegingsrichting, waarmee hij van A naar B toe kwam, veranderd wordt.

    [ Isaac Beeckman had in 1629 een beter inzicht (Journal III, 129): "Eén atoom zal wel de hele Aarde doen bewegen...". Hij had al in 1614 het principe "dat eens roert, roert altyt, soot niet belet en wort" (I, 44, Latijn: I, 24), zoals Huygens schreef in 1654 (XVI, 111): "Quod movetur ita pergere moveri nisi ab alio impediatur" (Wat beweegt blijft zo doorgaan met bewegen tenzij het door iets anders belemmerd wordt).]




No 135b.

Christiaan Huygens aan Frans van Schooten

7 november 1652   [<,>]
[ III, 457 ]

. . .   De motu secundum id quod respondes, teneri mihi videris neque absurdum effugere posse. Si enim B corpus ipsius A duplum ut ponebamus feratur versus C; A autem duplo velociori motu ipsi impactum non adimit ut ais quidquam de celeritate corporis B. Fateberis quoque, si A minus velociter ipsi B ut antea moto occurrat, multo minus adhuc posse corporis B celeritatem minuere. . . .   Over de beweging, volgens wat u antwoordt: het lijkt me dat u weerhouden wordt en aan het ongerijmde niet ontsnappen kunt. Want als lichaam B (het dubbele van die A zoals we stelden) naar C gaat; en A met dubbele snelheid bewegend ertegen botst, neemt deze (zoals u zegt) niet iets weg van de snelheid van lichaam B. U zult ook erkennen dat, als A minder snel tegen die B botst (die beweegt zoals tevoren), hij nog veel minder de snelheid van B kan verminderen.
zelfde figuur: bollen A en B
    At si hoc concedis ut aequum est, quid igitur fiet si ponamus A cum dimidio tantum gradu celeritatis ferri, et B sicut prius cum gradu uno. Nihil enim celeritatis amittet B in occursu; ergo perget ferri versus A cum uno celeritatis gradu. Itaque A resiliet, sed qua velocitate? certe majori quam dimidii gradus qua venit, nam alioqui daretur corporum penetratio. at si majori, jam plus motus habebit quam antea. Et habet B quantum habebat ab initio. Igitur contra principia Cartesij plus erit motus post occursum duorum corporum quam fuerat ante. Quid adhuc sis responsurus impense audire desidero.     Maar als u dit toegeeft, zoals billijk is, wat zal er dan gebeuren als we stellen dat A met maar de halve eenheid van snelheid gaat, en B zoals eerst met één eenheid? Want B zal niets van zijn snelheid afgeven bij de botsing; dan blijft hij naar A gaan met een snelheid van één. Dus A zal terugketsen, maar met welke snelheid? Zeker groter dan een half, waarmee hij kwam, want anders zou er doordringing van lichamen zijn. Maar bij een grotere heeft hij nu meer beweging dan tevoren. En B heeft zoveel als hij had vanaf het begin. Dan zal er, tegen het beginsel van Descartes, meer beweging zijn na de botsing van twee lichamen dan ervoor. Ik verlang er sterk naar te horen wat u nog zult antwoorden.

    Quod fidem mihi negasti cum de invento meo nupero te certiorem feci de cogendis radijs ad punctum unum qui ad aliud tendebant valde gavisus sum tum quod eo majoris momenti inventio visa est quam quod unam saltem aliquam occasionem nactus sum qua possim damnosum istud praejudicium tibi exigere, quo ductus in Cartesij verba jurare non dubitas. Cujus quanquam ingenium divinum semper suspiciam, non tamen tantum tribuo ut non ea sine demonstratione saepe adfirmare est solitus, ad veritatis normam exigere utile credam [>].

    Dat u me geen geloof hebt willen schenken toen ik u in kennis stelde van mijn nieuwe vondst bij het samenbrengen van lichtstralen in één punt als ze gericht waren naar een ander, heeft me zeer verheugd, zowel omdat me de ontdekking van des te groter belang scheen, als omdat ik althans één gelegenheid gekregen heb waarbij ik dat verderfelijke vooroordeel bij u kan verjagen, waardoor u niet aarzelt bij de woorden van Descartes te zweren. Hoewel ik diens goddelijk talent steeds bewonder, stel ik het niet zo hoog dat ik het niet nuttig acht om wat hij gewoonlijk vaak zonder bewijs verzekert, te onderzoeken met het richtsnoer van de waarheid [>].

    [ Zie het handschrift, Tent. UB Leiden 'Facetten van een genie', 2.4.]




[ 234 ]
No 159.

Christiaan Huygens aan Fr. van Schooten

8 juni 1653   [<,>]

. . .  Ad Tractatum meum de refractionibus quod attinet, dicebat idem Dominus Lipstorpius constare sibi Elzevirios non illibenter editionem ejus suscepturos. Sed si Dominus le Maire ista quae dicis eodem pertinentia imprimere statuit, lubenter mea quoque conferam, quandoquidem id et in rem ipsius fore existimas, et mihi simul honorificum Cartesio heroe Gutschovioque comitibus in publicum prodire. Schemata mea formam libri foliarem exigere videntur, ita pleraque in longum porrecta sunt . . . . . .  Wat betreft mijn verhandeling over de breking, dezelfde heer Lipstorp*) zei dat vaststond dat de Elzeviers niet ongaarne de uitgave ervan op zich zouden nemen. Maar als de heer le Maire heeft besloten te drukken wat u noemt over dezelfde stof°), zal ik het mijne ook graag aanbieden, aangezien u vindt dat dit er ook bij moet, en tegelijk is het voor mij eervol in het openbaar te verschijnen vergezeld door de halfgod Descartes en door van Gutschoven. Mijn tekeningen lijken het boekformaat folio te vereisen, omdat de meeste zich zo in de lengte uitstrekken . . .
. . .  Interim conabor quantocius quae conscripta habeo expolire atque absolvere; tibique gratiam habeo quod necdum inspecta, commendare tuo periculo non extimueris. Gutschovium miror nihil de Commentarijs suis mihi subindicasse, quum tamen crebra praecipuaque per epistolas de dioptricis nobis mentio fuerit[<]. . . .  Intussen zal ik trachten zo snel mogelijk wat ik op schrift heb af te werken en te voltooien; en ik ben u dankbaar dat u niet bang was voor het risico, het nog niet geziene aan te bevelen. Ik verbaas me erover dat van Gutschoven mij niets heeft laten weten over zijn commentaren, terwijl het in onze brieven toch herhaaldelijk en voornamelijk over de optica ging [<].

    [ *)   Van Schooten bezat een copie, Lipstorp schreef op 20 april dat hij daarvan een afschrift had gekregen (p. 229).]
    [ Een uitgave kwam pas tot stand na Huygens' dood, in Opuscula postuma (1703), p. 1-263.]

    [ °)   Een Latijnse vertaling van Descartes' Dioptrique door Gerard van Gutschoven, met commentaar.]




[ 237 ]
No 161.

Christiaan Huygens aan G. A. Kinner a Löwenthurn *)

9 augustus 1653

. . .  Invaletudo mea ex febri tertianâ quâ quadrimestri spatio continuo exagitatus fui . . . . . .  Mijn ziekte door derdedaagse koorts, waardoor ik vier maanden lang voortdurend heen en weer werd geslingerd . . .
. . .  Vix intelligo qui fieri possit ut Dioptrica solum Cartesij videris, Geometriam non videris, quae tamen utraque simul olim prodiere, veruntamen lingua Gallica. Sed Geometriam quoque jam quatuor ab hinc annis latinam fecit Fr. Schotenius Professor lugdunobatavus, a quo Algebram istam literariam primum edoctus fui, cujus nunc cognitione nihil aeque carum habeo. . . .  Ik begrijp nauwelijks hoe het kan dat u alleen de Dioptrica van Descartes hebt gezien, en niet de Geometria, die toch beide tegelijk eertijds verschenen zijn, echter in de Franse taal [^]. Maar ook de Geometria is nu vier jaar geleden in het Latijn vertaald door Fr. van Schooten [^], professor in Leiden, door wie ik voor het eerst ben onderricht in die Algebra met letters, de kennis waarvan ik boven alles stel.
Hanc si teneas cogitesque a Vieta et Marino Getaldo resuscitatam fuisse, et a Cartesio plenissime restitutam (nam talem quoque veteribus Geometris in usu fuisse certissimis mihi indicijs constat) tum demum merita laude horum virorum labores ingeniumque celebres. Als u deze ook hebt, en bedenkt dat ze door Viète en Marino Ghetaldi weer is opgewekt, en door Descartes ten volle hersteld (want dat zulke kennis ook bij de oude meetkundigen in gebruik is geweest staat voor mij vast door heel zekere aanwijzingen) dan pas zult u de werken en het verstand van deze mannen met verdiende lof prijzen.

    *)   P. 192: Gottfried Aloys Kinner von Löwenthurn, geboren ca. 1610 (Reichenbach, Silezië) werd doctor in de theologie, filosofie en recht, daarna leraar van aartshertog Karl Joseph te Wenen. In 1653 ging hij naar Praag. Daar gaf hij uit (zie p. 252): Elucidatio geometrica Problematis Austriaci sive Quadratura Circuli, 1653 [door Huygens ontvangen op 9 maart 1654, p. 265]. Gregorius a Sto Vincentio prijst hem in brief No. 175, p. 267.

[ 238 ]
Dioptrica uni Cartesio debet quod circa refractionis naturam certo gaudet principio sine quo eum Iridis miraculum explicari nequeat, non est putandum Marcum Antonium de Dominis aut alium quenquam, laudem ipsi pulcherrimae hujus speculationis praeripuisse. De optica heeft alleen aan Descartes te danken dat ze bij de aard van de breking zeker echt is verrijkt met het principe zonder welk dat wonder van de regenboog niet is te verklaren, en men moet niet menen dat Marco Antonio de Dominis of iemand anders hem de lof voor deze zeer mooie beschouwing heeft weggenomen*).
In tractatu meo dioptrico regulas tradidi quibus de Iride doctrina perficitur. Unam quae datâ proportione refractionis (scis quorum sinuum rationem designem) expeditè computare docet, angulum sub quo iris cerni debeat. In mijn Dioptrica-verhandeling heb ik de regels gegeven waarmee de theorie van de regenboog tot stand wordt gebracht°). Eén die bij gegeven brekingsverhouding (u weet van welke sinussen ik de verhouding bedoel) gemakkelijk de hoek laat berekenen, waaronder de regenboog moet worden gezien.
aliam quae hoc angulo dato proportionem illam exhibet, quam vel maximè utilem inveni ad inveniendam exactissime in vitro et alia quavis pellucente materia refractionis quantitatem, paratis ad hoc ex quaque materia cylindrulis sphaerulisve, solique expositis atque ita notato angulo sub quo iris in vitrea aliave pluvia conspici deberet. Verum haec ex tractatu ipso quandoque te percepturum planius spero Een andere die, als deze hoek is gegeven, de genoemde verhouding levert, en die ik wel als de meest nuttige heb bevonden om bij glas en elke andere doorzichtige stof heel nauwkeurig de mate van breking te vinden; hiertoe worden cilindertjes of bolletjes van elke stof gemaakt, en aan de zon blootgesteld, en zo is de hoek bekend waaronder een regenboog in glasregens of andere regens te zien zou moeten zijn. Maar ik hoop dat u dit een keer duidelijker zult inzien uit de verhandeling zelf.

    [ *)  In 1660 (>) schrijft Huygens dat de Dominis' werk De radiis visus et lucis in vitris perspectivis et iride tractatus (1611): "aan Descartes een begin gegeven kan hebben ...".]
    [ °)  In het voorbericht van T. XIII (p. iv) staat dat deze regels niet zijn opgenomen in het manuscript van de verhandeling; wel is er een ander stuk met berekeningen voor deze regels.]




[ 260 ]
No 171.

Christiaan Huygens aan G. A. Kinner a Löwenthurn

16 december 1653

. . .  De motu atque arcu Coelesti singulos mihi tractatus commemoras J. M. Marci, quorum mihi neutrum vidisse contigit. Ergo Tu si quidem legisti hoc saltem significa, nunquid Cartesio in ijs quae de Iride assentiat. . . .  Over beweging en over de hemelboog meldt u me aparte verhandelingen van J. M. Marci*); geen van beide heb ik onder ogen gehad. Wilt u mij dus dit aangeven, als u het tenminste hebt gelezen: of hij over de regenboog instemt met Descartes.
De motu vero hoc, an et impulsorum leges attigerit, in quibus definiendis plurimi malé decepti fuere hactenus, maximéque omnium Cartesius, ut aliquando ostensurum me confido.
Scribit is, Si sphaera verbi gratia A impingat in sphaeram sibi aequalem B et quiescentem, habeatque A quatuor partes celeritatis; quod in B unam transferet cumque tribus resiliet reliquis.
En over beweging dit: of hij ook de stootwetten heeft besproken; bij het opstellen daarvan hebben de meesten zich tot nu toe danig vergist, en het meest van allen Descartes, zoals ik eens zal aantonen, naar ik vertrouw.
Hij schrijft: als een bol, b.v. A, stoot tegen een eraan gelijke bol B die in rust is, en A heeft vier delen snelheid, dat hij er op B één zal overdragen en met de drie overige zal terugspringen.
gelijke bollen A en B
Ego vero demonstraturus sum, omnem celeritatem transituram in B, mansuramque A motus omnis expertem, quod et alij sensere experimento inducti. Ik echter zal bewijzen dat alle snelheid zal overgaan op B, en dat A zonder enige beweging zal blijven, wat ook anderen gemeend hebben, door een proef ertoe gebracht.
Quid autem contingere debeat cum inaequales sphaerae sunt, ut si C subdupla sit magnitudine sphaerae D, cui quiescenti occurrat cum quatuor celeritatis partibus, quantum transire debeat in D quantumque ipsi C relinqui, hoc à nemine adhuc determinatum vidi convenienter, aut certe ut meis rationibus consentiret. Maar wat er moet gebeuren wanneer de bollen ongelijk zijn, zoals wanneer C in grootte de helft is van bol D, die in rust is, en die hij gaat ontmoeten met vier delen snelheid, hoeveel er moet overgaan op D en hoeveel voor C overblijft, dat is (voorzover ik gezien heb) nog door niemand passend bepaald, of althans zodat het met mijn berekeningen zou overeenkomen.
kleine bol C en grote bol D
[ 261 ]

. . .  Tractatus meus de refractione et Telescopijs ad finem jam perductus est. qui licet à plurimis exposcatur dubito an non in annum saltem premendus sit, subinde incrementi nonnihil accepturus: Quem nuperrime etiam Theoremate isto quod non ex infimis est locupletiorum reddidi. Si per lentes quotlibet etc. [> . . .  Mijn verhandeling over lichtbreking en telescopen is nu ten einde gebracht. En al wordt die door zeer velen dringend verlangd, ik twijfel of die niet pas over een jaar moet worden gedrukt, allengs zal er wat bijkomen. Zeer onlangs heb ik die verrijkt met dit theorema, dat niet een van de minste is: "Als door een willekeurig aantal lenzen etc." [>
Sicut hoc novum est Theorema ita et reliqua sunt omnia, ex quibus magnam equidem voluptatem me coepisse fateor majoremque etiam percepturum scio cum Tibi atque alijs pari ingenio viris legenda offere concedetur. Vale. Zoals dit theorema nieuw is, zo zijn ook alle overige het; ik beken dat ze mij grote voldoening hebben gegeven, en ik weet dat die nog groter zal zijn wanneer het vergund zal worden ze aan u en anderen met gelijk talent ter lezing aan te bieden. Het ga u goed.

    [ *)   Jan Marek Marci, of Johannes Marcus Marci de Kronland (1595 - 1667), hoogleraar te Praag.  Werken o.a.: De proportione motus (1639), Thaumantias liber de arcu coelesti (1648), Dissertatio in propositiones physicomathematicas de natura iridos (1650).  Cf. p. 290: Huygens ontving er zeven (p. 307: kritiek erop).
Jiri Marek, 'Un physicien tchèque du XVIIe siècle', in Revue d'histoire des sciences, 21 (1968) 109-130.]




No 172.

G. A. Kinner a Löwenthurn aan Christiaan Huygens

Praag, 3 januari 1654.
[ 263 ]
bollen A, B en C, op een zelfde lijn
. . .  Marci, qui et illud in libro suo de proportione motûs addit, si in duos globulos aequales A, B, sibi contiguos directò impingat tertius C, etiam bellici tormenti violentiâ excussus, A quidem movendum in partem oppositam, B verò omnis motûs fore expertem: . . .  Marci [<], die in zijn boek over de verhouding van beweging ook dit geeft: als tegen twee gelijke bollen A en B die tegen elkaar liggen, rechtuit een derde bol C stoot, zelfs als hij afgeschoten is met het geweld van een kanon, dan zal A naar de andere kant bewegen, maar B zal zonder enige beweging blijven.
quod prorsus admirandum est, ut impetum machinae bellicae sustineat tantillus globus, cuius alias violentiae cedunt omnia. Apud eundem quoque invenies, si quotcunque globulos aequales iuxta se positos feriat alius aequalis, omnes praeter remotiorem fore immotos . . . Dat is heel verbazend, dat zo'n kleine bol stand houdt tegen de onstuimigheid van een krijgswerktuig, voor het geweld waarvan al het andere wijkt. Bij hem zult u ook vinden: als een aantal achter elkaar gelegde gelijke bollen getroffen wordt door een gelijke andere, zullen alle behalve de verste onbeweeglijk blijven . . .

kanon schiet op 2 bollen op een tafel

Detail van het voorblad van J. M. Marci, De proportione motus (1639).
Het kanon is ook afgebeeld bij de genoemde proef (vgl afb. Ernst Mach, 1912, p. 312). En er is een 'biljart'.

Andere kanonproeven: Constantijn Huygens voor Mersenne, Brouncker voor de Royal Society.
Chr. Huygens, 12 jan. 1661: kracht van verdund water.

Andere vermeldingen van het biljart: Dagboek Parijs, 31 jan. 1661 (gespeeld),
thuis, zie T. VIII, 259 (waterpas met kwikdruppel).




[ 268-9 ]

No 176.

Christiaan Huygens aan G. A. Kinner a Löwenthurn

januari 1654.

. . .  Tractatum Domini M. Marci de motu exquiram si forte nancisci possim. Hortarem autem ipsum ut ea quoque edat quae de Circuli Quadratura meditatus est. Ego sane eidem rei à paucis diebus intentus sum, atque ea quae inveni Theoremata placent mihi prae omnibus alijs quae scripsi hactenus. Si brevior hic fuero, crede non aliunde id evenire quam quod ijs in chartam conjiciendis assiduam operam dicavi, ita ut vix abstrahi me patiar donec absolveram. . . .  Ik zal nagaan of ik de verhandeling van de heer M. Marci over beweging misschien kan krijgen. En ik zou hem zelf aansporen ook uit te geven wat hij over de Cirkelkwadratuur heeft bedacht. Ikzelf ben daar sinds enkele dagen ingespannen mee bezig, en de Theorema's die ik heb gevonden bevallen mij meer dan alle andere die ik tot nu toe heb geschreven. Als ik hier kort zal zijn, geloof dan dat het door niets anders komt dan dat ik me heb overgegeven aan de gestadige moeite ze op papier te zetten, zodat ik het nauwelijks kan hebben dat ik word afgeleid totdat ik ermee klaar ben.




No 177.

G. A. Kinner a Löwenthurn aan Christiaan Huygens

Praag, 28 februari 1654.
[ 270 ]

. . .  Perge porro, Ingeniosissime Hugeni, Geometriam laboribus tuis illustrare, quos certe utilissimos suscepisti: ac ea praesertim studiose prosequere, quae dioptricam concernunt, quandoquidem in ea materia parum admodum Antiquitati debemus, et a solo Cartesio (quod ultro libens fateor) nuper lucem accepimus. Neque suaderem differri evulgationem eorum, quae sub manibus tibi sunt; audio enim a quodam Romano novam propediem expectari Opticam, per quem utique nollem aliquid de primae inventionis gloria Tibi subtractum. . . .  Ga voort, zeer scherpzinnige Huygens, de meetkunde op te helderen door uw inspanningen, zoals u die zeker met veel voordeel ondernomen hebt; en behandelt u vooral met toewijding datgene wat de optica betreft, aangezien we in deze stof zeer weinig te danken hebben aan de Oudheid, en alleen door Descartes hebben we (wat ik zelfs gaarne beken) kort geleden het licht gezien. En ik zou niet aanraden de bekendmaking uit te stellen van wat u onder handen hebt; ik hoor namelijk dat van een of andere Romein*) eerstdaags een nieuwe Optica te verwachten is — ik zou in elk geval niet willen dat u door hem iets ontnomen werd van de roem van eerste vinder.

    *)   Niccolo Zucchi (1586 - 1670), Optica philosophia : experimentis et ratione a fundamentis constituta, Pars 1: De Visibilibus, & eorum Repraesentatiuis (1652), Pars altera: De naturali Oculorum Constitutione & Usu, Apparentiarum visûs per veras causas determinatione ... (1656).   [Zucchi had eerder gepubliceerd Nova de machinis philosophia (1649), waarin ook experimenten met een kwikbuis beschreven staan (>).]




[ 284-5 ]
No 189.

Christiaan Huygens aan Fr. van Schooten

17 april 1654   [<,>]

    Remitto tibi Epistolas nuncupatorias quas perlegere me voluisti. Video autem maximè in connexione periodorum te laborare, quam proinde nonnullis locis restituere conatus sum. Etsi perdifficile fuit sensum sententiamque verborum tuorum quae sane optima est retinere ubique mutato licet ordine.     Ik zend u de opdrachtbrief*) terug waarvan u wilde dat ik die zou lezen. En ik zie dat u vooral moeite hebt met het verband van de zinnen°), en daarom heb ik op sommige plaatsen geprobeerd dit te herstellen. Al was het zeer moeilijk de bedoeling en de betekenis van uw woorden, die zeker heel goed is, overal te behouden, zij het in andere volgorde.
Equidem omnino necessarium nobis studium existimo exercendi excolendique styli utique si nonnunquam in publicum Philosophari velimus. nescio enim qua ratione, sed ita fieri animadverto ut quanto magis in Mathematicis proficimus, minus nos comitetur orationis ubertas concinnitasque. In me certe quotidie hoc experior neque tamen magni pendo, paucis praefari contentus. Inderdaad acht ik het voor ons echt nodig studie te maken van de stijl en die te verfijnen, in elk geval als we wel eens in het openbaar willen Filosoferen. Want ik weet niet op welke wijze, maar ik merk dat het zo gebeurt dat, hoe meer vorderingen we maken in de Wiskunde, des te minder het gepaard gaat met rijkdom en sierlijkheid van uitdrukking. Bij mezelf ondervind ik dit zeker dagelijks en toch hecht ik er niet zoveel gewicht aan, me beperkend tot enkele inleidende woorden.

    *)  De opdracht van het werk van Fr. van Schooten ... ['Apollonii Pergaei Loca plana restituta', in Exercitationes Mathematicae (1656), p. 193: opdracht aan Chanut.]
    [ °)  Zie b.v. op p. 131 de zin (vertaald met ingevoegde gedachtenstrepen) die begint met "Overigens". Het citaat op p. 132 laat zien dat Mersenne er ook moeite mee had.]




No 196.

Constantijn Huygens jr aan Christiaan Huygens

Den Haag, 10 augustus 1654.*)
[ 292 ]

. . .  de vous entretenir de l'Eclipse qui fait une si prodigieuse peur a beaucoup de personnes d'icy qu'ils voudroyent s'enfuir hors du monde, s'ils croyoient que là elle ne seroit point veüe. Il y en a qui disent qu'elle durera trois jours entiers, d'autres qu'il ne s'en est veu que quatre de pareilles depuis la creation du monde, et contes semblables. Si ce prodige ne devoit arriver apresdemain je vous supplierois d'en mettre vostre advis par escrit pour avoir dequoy en discourir avec fondement et solidité. . . .  je te onderhouden over de zonsverduistering die veel mensen hier zo buitengewoon angstig maakt dat ze buiten de wereld zouden willen vluchten, als ze zouden denken dat die daar niet te zien zou zijn. Er zijn er die zeggen dat ze drie hele dagen zal duren, anderen dat er slechts vier van deze soort geweest zijn sinds de schepping van de wereld, en dergelijke verhalen. Als dit wonder niet overmorgen te gebeuren stond zou ik je smeken je mening erover te schrijven, om een stevige grondslag te hebben om erover te praten.

    [ *)  Christiaan was in Spa, met vader, broer Lodewijk en neef Philips Doublet (S. Groenveld, ed. Constantijn Huygens op dienstreis, 2013). De zonsverduistering van 12 augustus 1654 was niet uitzonderlijk (zie lijst): in 1652 was er ook een geweest, eveneens bijna totaal (0,88). Twee pamfletten over die van 1654 zijn te zien bij UBU.
Kinner a Löwenthurn schreef erover aan Chr. H. (p. 297, waarnemingen uit Rome en Praag, klopten niet met de voorspellingen), waarop deze aan Fr. van Schooten om gegevens vroeg (in Spa was het bewolkt geweest, zie brief No. 199a). Antwoord aan Kinner: p. 307.

4 keer een gedeeltelijk verduisterde zon, masker Figuren in een latere uitgave:

De zon, gemaskerd door de maan, zoals gezien op verscheidene plaatsen in Europa.

Links: Venetië, Madrid, Kopenhagen, Stockholm.
Rechts: Constantinopel, Wenen, Rome, Parijs.


4 keer een gedeeltelijk verduisterde zon, masker
Jakob Balde, De eclipsi solari anno M.DC.LIV. die XII. augusti, in Europa, a pluribus spectata Tubo Optico: nunc iterum a Jacobo Balde e Societate Jesu Tubo Satyrico perlustrata. Libri duo, Monachii 1662.
(Door velen bekeken met een optische buis, nu nog eens beschouwd met een satirische buis.)
    Waarneming van de eclips in Denemarken door Louis-Henri Loménie de Brienne, Itinerarium (Par. 1662), p. 24-25: sikkelvormige zon met de hoorns naar het westen, daarna bewolkt, dan met de hoorns naar het oosten.]




[ 295 ]
No 198.

Constantijn Huygens jr aan Christiaan Huygens

Den Haag, 24 augustus 1654.

. . .   Pendant que vous estes à Spa un petit homme de vostre connoissance m'a esté voir, comment Diable a il nom? C'est un petit homme, qui demeure à Breda, et est tousjours apres a faire des verres pour les lunettes d'approche. Il me debita beaucoup de tout ce qu'il scavoit faire, et jura qu'il avoit de ces lunettes de sa propre façon dont il voyoit de Breda quelle heure il estoit à Dort. . . .   Terwijl je in Spa bent heb ik bezoek gehad van een mannetje dat jou kent, hoe voor de duivel heet hij? Het is een kleine man, die in Breda woont, en die altijd bezig is met het maken van glazen voor verrekijkers. Hij diste me veel op van alles wat hij kan, en zwoer dat hij zulke kijkers van eigen maaksel had waarmee hij vanuit Breda kon zien hoe laat het in Dordrecht was [26 km].
Il me tira de sa poche une petite Lunette d'approche pour servir dans des chambres, et qui estoit assez gentille, car on en pouvoit lire une lettre assez petite de dix ou douze pas, mais le mal estoit qu'elle estoit trop grande pour pouvoir estre cachée de la main. Aussi ayant regardé les verres de pres je trouvay qu'ils n'estoient pas polys fort magistraliter. Hij haalde voor mij een klein verrekijkertje uit zijn zak dat in een kamer gebruikt kan worden, en dat nogal aardig was, want je kon er een nogal klein briefje mee lezen op tien of twaalf pas afstand, maar het nadeel was dat het te groot was om met de hand verborgen te kunnen worden. Ook vond ik, toen ik de glazen van dichtbij bekeken had, dat ze niet heel meesterlijk gepolijst waren.
Il avoit encore en ses pochettes, qui n'estoyent qu'un magasin de belles choses, un Microscopion fait a la façon du mien mais assez lourdement, et dont les verres ne valoyent pas bien grande chose. Je luy parlay de vostre invention des petits miroirs d'acier [>] sans la luy enseigner pourtant quoy qu'il l'eust voulu scavoir de tout son coeur. In zijn zakken, die niets dan een magazijn met mooie dingen waren, had hij ook nog een microscoop, gemaakt op de manier van de mijne maar nogal onhandig, en waarvan de glazen niet erg veel waard waren. Ik sprak hem over jouw uitvinding van de stalen spiegeltjes [>] maar zonder hem die te leren, hoewel hij het heel graag had willen weten.



[ 307 ]
No 205.

Christiaan Huygens aan G. A. Kinner a Löwenthurn

26 november 1654.

. . .  Scripta Domini Marci quoniam quid mihi videretur scire desiderabas paulo attentius hinc inde percurri. Quid dicam autem, nisi plena omnia confusione et phantasticis opinionibus me reperisse. Haec si vos miramini ego invicem vestram demiror patientiam. Sed si quis Geometrarum genuinis demonstrationibus assueverit quomodo adulterinas istas probare possit, in quibus schemata utcunque geometrica sunt argumenta veró nihil habent evidentiae non equidem capio. . . .  Aangezien u verlangde te weten wat ik vond van de geschriften van de heer Marci [<], heb ik ze hier en daar wat aandachtiger doorlopen. Doch wat zal ik zeggen, behalve dat ik ze alle vol verwarring en ingebeelde meningen heb bevonden. Als dit u verbaast ben ik op mijn beurt verbaasd over uw geduld. Maar als iemand gewend is geraakt aan echte Meetkundige bewijzen begrijp ik zeker niet, hoe hij dan deze valse kan goedkeuren, waarin de figuren hoe dan ook meetkundig zijn, de argumenten echter zonder enige duidelijkheid.
Hypotheses existimo perspicuas primum inveniendas, saltem ut quid ijs petatur clarè intelligatur, deinde necessarias consequentias ad caetera ex illis deducendas. Quorum nihil penitus autor iste observasse mihi videtur. De communicatione autem motus per impulsum quid aliud attulit, quam quod omnes jam ante quoque experimentis edocti fuerant, de globis nimirum aequalibus, atque utinam ea demonstrasset. verum circa inaequales nihil prorsus definivit. Obsecro dicat tibi quid futurum sit si globi A et B aequali celeritate mutuo obvia fiant in C, sit autem A magnitudine triplus ad B. Vix puto inveniet quietem eventuram globo A; B verò duplâ ejus quam antea habuerat Ik denk dat eerst doorzichtige hypothesen moeten worden gevonden, althans zodat helder wordt begrepen wat ermee gezocht wordt, en dat daarna de noodzakelijke gevolgen voor de rest eruit zijn af te leiden. Waarvan deze schrijver in het geheel niets in acht heeft genomen, lijkt mij. Over het meedelen van beweging door stoot echter heeft hij iets anders voorgelegd, dan wat allen al eerder ook door experimenten hebben geleerd, namelijk over gelijke bollen, en ik zou dan willen dat hij dit bewezen had; maar over ongelijke heeft hij helemaal niets bepaald. Ik wil vragen dat hij u zegt wat er zal gebeuren wanneer de bollen A en B met gelijke snelheid elkaar in C tegenkomen, en als de grootte van A driemaal die van B is. Ik geloof nauwelijks dat hij zal vinden dat bol A tot rust zal komen, en dat B met tweemaal de snelheid die hij tevoren had
bollen A en B, punt C

[ 308 ]
celeritate retro actum iri. Quod ego quidem atque unà omnes alios casus demonstravi. Sed nondum ea tractatio ad finem perducta est. Interim liberum hoc nimis fortasse judicium nostrum rescissere Dominum Marcum nihil attinet. Tibi morem gessi qui sententiam meam intelligere cupijsti, cujusque curiositati acceptum feram si sine causa ille mihi inimicus fieri coeperit. Vale et me semper ama. teruggedreven gaat worden. Wat ik inderdaad heb bewezen, en ook samen met alle andere gevallen. Maar die behandeling is nog niet ten einde gebracht. Intussen is dit misschien al te vrije oordeel van ons niet bedoeld om de heer Marci af te breken. Ik ben u ter wille geweest daar u mijn mening wilde vernemen, en ik zal het aan uw nieuwsgierigheid toeschrijven als hij zonder reden mij vijandig gezind begint te worden. Het ga u goed en blijf mij steeds welgezind.




[ 313 ]
No 210.

Constantijn Huygens sr aan prinses Elisabeth van de Palts

25 december 1654

        Madame;

    Mon Archimede venant encor de mettre au jour quelque production nouvelle de son creu, je me haste de prevenir le reproche dont Vostre Altesse a voulu m'honorer par le passé, quand j'aij tardé de luij rendre compte de la naissance de quelque semblable mien petit fils chez moij.
        Mevrouw;

    Nu mijn Archimedes onlangs weer een nieuw eigengemaakt product aan het licht heeft gebracht*), haast ik mij het verwijt voor te zijn waarmee Uwe Hoogheid me in het verleden hebt willen vereren, toen ik talmde u op de hoogte te stellen van de geboorte van een dergelijk kleinkind van mij.
titelpagina
L'auteur commence tellement à detremper les chaleurs de la premiere jeunesse, qu'il tesmoigne d'entendre que c'est de couver ses ouvrages, et de laisser si bien meurir ce qu'on a conceu, que dans quelque temps apres l'on devienne juge competent de soy mesme, et qu'on soit capable de reconnoistre les defaults qui a leur premiere naissance sont peu visibles. C'est, madame, ce qui le porte à delaijer la publication d'autres pieces plus plaisantes que ceste cij qu'il a en main . . . De schrijver begint de hitte van de eerste jeugd zodanig te temperen, dat hij er blijk van geeft te begrijpen dat het is door op zijn werken te broeden, en zo goed te laten rijpen wat men bedacht heeft, dat men na korte tijd zichzelf kan beoordelen, en in staat is de gebreken te herkennen die bij hun eerste geboorte niet zo zichtbaar zijn. Dat is, mevrouw, wat hem ertoe brengt de publicatie uit te stellen van andere stukken, aantrekkelijker dan dit, die hij onder handen heeft . . .

    [ *)   De circuli magnitudine inventa, 16542e ex.Ned.]

[ 314 ]
. . .   Ce que madame Bret me rapporte des incommoditez, que Vostre Altesse rencontre en sa veuë me faict croire que dans une heure de conference je pourroy la servir d'assez bon Lunettier. Il n'y a que le medicus passivus. . . .   Wat mevrouw Bret me bericht over de ongemakken die Uwe Hoogheid ondervindt met het zien, doet me geloven dat ik u in een onderhoud van een uur zou kunnen dienen als een vrij goede brillenmaker*). Wie er zelf aan lijdt is de beste geneesheer.

    [ *)  Geschiedenis van de bril:  V. Ilardi, Renaissance vision: From spectacles to telescopes, 2007.]  [^]




No 212.

Christiaan Huygens aan Frans van Schooten

27 december 1654   [<,>]
[ 317 ]

. . .   Quod de Cardani regulis respondes earum originem a Stevinio demonstratum esse; fateor eo modo illas inveniri potuisse, sed per Cartesianam Algebram simplicior via est . . . . . .   Wat u over de regels van Cardano antwoordt, dat hun oorsprong door Stevin is aangetoond*): ik erken dat ze op die wijze kunnen zijn gevonden, maar met de Algebra van Descartes is er een eenvoudiger weg . . .

Demonstrationes meae de Perspicillis quo tardius summam manum accipiant ipsa perspicilla in causa sunt. Nuper enim hisce fabricandis animum adjeci, necessarium esse corpori exercitationem intelligens nec inveniens cui labori jucundius utiliusve vacarem. Itaque tubos mihi comparavi eximios utriusque generis alij enim ad propinquas alij ad longe dissitas res inspiciendas apti sunt. Hi decem pedem sunt longitudine illi unius tantum; utrique visae res diametrum quadragies multiplicant, superficiemque proinde millies sexenties. lunam et sidera tanto propius contueri dignum est operaepretium.

Dat ik aan mijn verhandeling over kijkers pas later de laatste hand leg, komt door de kijkers zelf. Want onlangs heb ik mijn aandacht gericht op het bouwen ervan, daar ik inzag dat lichaamsoefening noodzakelijk is en geen inspanning vond om me aangenamer en nuttiger op toe te leggen. Dus heb ik mij uitnemende buiskijkers gemaakt van elk van beide soorten, want de ene soort is geschikt voor het bekijken van wat dichtbij is, de andere voor wat ver weg is. De laatste zijn tien voet lang, de eerste maar één; beide vergroten de diameter van wat gezien wordt veertig maal, de oppervlakte dus zestienhonderd maal. De maan en de sterren zoveel dichterbij in het oog te krijgen is de moeite waard.

    Extrema in epistola rursus mihi de Regulis motus suades uti incepto operi supersedeam. Cur autem me inauditum condemnas? aut quid tibi in mentem venit ut ingratum etiam diceres sicubi falsum prodidisse Cartesium demonstrare conarer, hoc est si hominem eum fuisse contenderem. Crede mihi, eorum est non hallucinari qui nihil efficiunt.

    In uw laatste brief raadt u mij over de bewegingsregels weer aan af te zien van het begonnen werk. Doch waarom veroordeelt u me zonder me te hebben gehoord? Of wat komt er bij u op, dat u me zelfs ondankbaar noemt als ik ergens trachtte te bewijzen dat Descartes iets onwaars heeft vermeld, dat wil zeggen als ik beweerde dat hij ook maar een mens was°). Geloof me, zinsbegoocheling komt niet voor bij wie niets tot stand brengt.

    [ *)   L'Arithmetique de Simon Stevin de Bruges ... Aussi l'Algebre ..., 1585, p. 268-9. Voor Cardano zie The Principal works of Simon Stevin (^) IIB, 471, 586; diens Ars magna is van 1545.]
    [ °)   Op 23 dec. had van Schooten geschreven (312):
"ik zou willen dat u een betere en verstandiger mening had over de scherpzinnigheid van zijn verstand, en dat u anders oordeelde, opdat u niet ondankbaar zou lijken jegens zo'n groot man, die zich zo uitstekend verdienstelijk heeft gemaakt."]




Christiaan Huygens | T. I | Parels uit brieven 1643-54 (top) | 1655