Chr. Huygens | < Oeuvres XXI > | Brontekst

Natuur , God , mens . Roem . De dood . Aanhangsel


[ 513 ]

Over zaken waarin de rede niet doordringt

In de marge:   Over waarschijnlijkheid. Over onzekerheid.

[ 1690*) ]

    § 1.   Dat er een voortreffelijke en eeuwige natuur is, en dat deze voor de mensen iets is om te eerbiedigen en te bewonderen, zijn we genoodzaakt te erkennen door de regelmaat van de dingen aan de hemel, en de schoonheid van de gehele wereld, zegt Cicero — ik voeg er aan toe: en de grootte van de dingen aan de hemel, en het kunstig maaksel van de levende wezens en de voortplanting door geboorte. Eveneens de intelligentie van het menselijk verstand, en het gevoel van genot, zowel van de geest als van het lichaam. Zie Cicero aan het eind van boek 2 van 'Over voorspellingskunst': "Want om de waarheid te zeggen" &c.


    § 2.   Over de oneindigheid van de wereldruimte. Over de oneindigheid van de tijd. Als hoe groot het aantal sterren te beschrijven zou zijn, met zoveel tekens als de aardbol zandkorrels zou bevatten [<]. 6000 jaar als het kleinste tijdstip.°)


    *)  Manuscript G [HUG 7], f. 33. Misschien van eind 1689.
    °)  Chartae astronomicae [HUG 28] f. 133 v, r:

We moeten ons ontdoen van die voorstelling dat we in het midden van de wereld geplaatst zijn. We zijn in de hemel, evenals elke ster afzonderlijk. Er is helemaal geen midden in de oneindige uitgestrektheid.

De zichtbare wereld is als een punt in het oneindige, en zo zijn de eeuwen waarvan de overlevering de onze bereikte als het kortste ogenblik.

[ 514 ]

    § 3.   Over menigvuldige Aardes: er kan nauwelijks betwijfeld worden of ze voorkomen.
    De vraag wat op de planeten gebeurt of voorkomt. Laten we aannemen dat de omstandigheden daar in niets onderdoen voor wat we hier hebben; zoals het licht, het zien, &c. Of er ook slechte dingen zijn evenals mooie, en ellende.


    § 4.   Waarschijnlijk is de oneindigheid van de materie. En van de wereld, niet van onze Aarde. Wellicht heeft het aardrijk meer dan eens door een of andere instorting een ramp ondervonden, en zal zij die in de toekomst ondervinden; en wel door de binnenste delen, die ons onbekend zijn. — Vernietiging ervan schijnt geenszins te verwachten te zijn, tenzij misschien van een ontmoeting met een komeet.


    § 5.   Een dwaling van de volken is meestal geweest dat ze aan de goden menselijke lichamen toegedicht hebben. Het valt natuurlijk niet te begrijpen wat een wil is in God, en het is natuurlijk niet aan te nemen dat hij nu eens dit wil en dan weer iets anders, zoals wij. Evenmin dat hij boos wordt, of gunstig gestemd wordt, zoals wij. Of dat hij weet of begrijpt op dezelfde manier. Of dat hij overweegt, of zich afvraagt hoe hij iets zal bewerkstelligen. [<]


    § 6.   Iets dat op een bepaalde manier zo is, terwijl het volgens de natuur anders had kunnen zijn, bestaat niet vanaf het begin. Het heeft immers een oorzaak waarom het veeleer zo is, dus is het er eens niet geweest. Hieruit volgt dat niets van dien aard betrekking kan hebben op God. [<]


    § 7.   De rede kan niet vinden op welke wijze de mensen en de overige levende wezens ontstaan zijn.


    § 8.   In den beginne schiep God*). Maar sommige schepselen kunnen verloren gaan en uiteenvallen.


    § 9.   Het is waarschijnlijk dat de gehele wereld en de menselijke soort zodanig geschapen zijn dat ze daarna geen bijzondere bemoeiing van God nodig hebben; evenmin als een werktuig van een kundig vakman. Aldus de beweging van de hemellichamen, en van de aarde. Natuurlijk ook de dieren en de mensen. Niemand meent, denk ik, wanneer het regent of dondert of wanneer een huis instort, dat deze geleverde werken door God verricht worden, waarom treft hij dan immers met de bliksem kerkgebouwen en rotsen°). Of dan zeggen ze zeker dat het door een bijzonder besluit en bemoeiing van God gebeurt als een instortend huis iemand verplettert, en dat het anders toevallig ineenstort? Maar hoe vaak zien we niet ook onschuldigen zo omkomen.


    *)  Chartae astronomicae f. 123 r:

Wanneer gezegd wordt dat in den beginne God de hemel en de aarde schiep, moet men dit begin verstaan ten opzichte van wat hij schiep en van de menselijke soort, want God is van alle eeuwigheid en de tijd bijgevolg ook.

    [ °)  Zoiets ook al bij Lucretius (VI, 387, vert. A. Rutgers van der Loeff): ]

Als Jupiter en de andre goden echter zelf
de hemelse gewesten schriklijk daavren doen
en vuurge schichten schieten waarheen 't hun behaagt,
waarom dan straffen ze onbeheerste misdaad niet
[...]
Waarom treft soms hun schot een onbewoond terrein?
Is 't soms tot oefening der spieren van hun arm?
[...]
Waarom verwoest hij door den bliksem tempels zelfs,
ja ook de tempels die zijn eigen woning zijn?

[ 515 ]

    § 10.   Dat alle menselijke gedachten en handelingen door een of andere noodzaak elkaar opvolgen zoals bij werktuigen, ook al meent iedereen dat er voor zichzelf volkomen vrijheid van denken en handelen is.

Marge: Vaak zien we dat de gedachten ergens anders heen gevoerd worden dan waarheen de wil ze gericht had.

    Dat dus alles wat gebeurd is, en wat gebeurt, niet anders dan zo had kunnen geschieden.
    Dit is de beste remedie opdat niet iets van wat we gedaan hebben ons spijt, of wroeging geeft, of dat een onverstandige gedraging verdriet brengt. Daardoor moeten we evenwel geenszins afgehouden worden van de dingen die gedaan moeten worden, en van voorzorgsmaatregelen tegen schade; en het moet ons niet weerhouden kwaden te straffen. Want zoals zij noodzakelijk kwaad doen, zo is ook straf en uitroeiing van het kwaad noodzakelijk. Zo is het geoorloofd slangen en muggen dood te slaan.
Aangezien alles zo door God geregeld en vervolmaakt is, dat alleen door beweging en beweeglijkheid van lichamen tegen lichamen en tegen zielen van mensen — zelfs als deze iets onlichamelijks hebben*) — dat zo de gehele wereld en de menselijke soort kunnen bestaan en voortduren; en aangezien hij voor het behoud van de gemeenschap en van de staat een neiging tot het goede en het juiste ingeplant heeft, en andersom een afkeer van het slechte en van de misdaad, heeft God zichzelf dan niet vrij gemaakt van niet alleen de zorg voor afzonderlijke zaken, maar ook van kennis van de toekomst?
Want als hij met een zodanige wijsheid en voorzienigheid de zaken van de gehele wereld geregeld heeft, dat daarna alles afgewikkeld zou worden door afwisselend botsen en bewegen van lichamen en atomen, zullen we dan zeggen dat ook deze oneindige botsingen en weerkaatsingen van de deeltjes bij voorbaat door God uitgezocht zijn, elke afzonderlijk? Of dat het in overeenstemming met Gods waardigheid is om de voorvallen en belevenissen van mensjes vooraf te leren kennen, in die immense veelheid van werelden?
Of zeggen we dat het slechts dit is waarom hij zich bekommerd heeft en waarin hij voorzien heeft: dat de algemene toestand in orde zou zijn, en dat het goede altijd de overhand zou hebben over het kwade, in het algemeen, maar niet in alle gevallen afzonderlijk. Want zeker zien we het zo geschieden met de menselijke omstandigheden: dat vaak juist de besten onverdiend lijden; dat onschuldigen omkomen, en dit zeer dikwijls bij toeval, en zonder enige duidelijke reden waarom dit gebeurt. Toch zien we vaker dat misdadigers boeten, en dat verdorvenen gestraft worden, hetzij door de wettelijke macht, hetzij door gewetenskwellingen.
    *)  Zie over dit onderwerp de noot op p. 522.


    § 11.   Hoe ver zullen we ons dus houden van de gedachte dat astrologen, waarzeggers en zieners de toekomst voorzien; hoezeer zullen we in het geheel niet beroerd worden door alle dromen; hoe rustig zullen we tenslotte de gebeurtenissen afwachten, door noodzaak gebonden, aan niemand van te voren bekend, door niemand van te voren vastgelegd.


    § 12.   Wonderlijk en onnaspeurbaar waarvandaan het genotsidee komt. [>]
    Wie dit heeft kunnen uitvinden en toedelen aan de levende wezens, en vooral aan de mens, hoeveel en hoe oneindig moet hij er zelf van genieten.

[ 516 ]

    § 13.   Laat hij de lichamen aandrijven en bewegen door de natuurwetten, wat beslist zo is in alles dat we zien; of helpt hij wel eens een handje, wat naar men zegt blijkt uit vaak verleende bijstand, volgens de verhalen. Maar hoevelen zijn er niet die op onwaardige wijze omgekomen zijn!


    § 14.   Dit zijn niet zulke grote rampen dat hij voorzien heeft dat ze de menselijke soort kunnen overkomen. Ze zijn immers grotendeels minder ernstig dan de dood, die niets kwaads in zich heeft. Hij heeft inderdaad ook wijsheid en grootmoedigheid gegeven, waarmee we dat waartegen we geen voorzorgsmaatregelen kunnen nemen, kunnen verdragen en geringschatten.


    § 15.   Met de rede kunnen we niet bevatten tot welk doel God zo grote zaken gebouwd heeft, en misschien voortdurend bouwt. Want doet het hem enig genoegen als hij zijn werken beschouwt, zoals vindingrijke mensen wanneer ze kunstvaardig een of ander werktuig hebben vervaardigd? Waartoe dan de schadelijke dieren, muggen, vlooien, zeker niet ter wille van de mensen. Waarom voeden vissen zich met andere van hun eigen soort? Waarom voeden leeuwen en wolven zich met de zwakkere individuen onder de dieren? Doet de natuur niet enigszins afbreuk aan zichzelf op deze manier?

    Terwijl de lichamen van dieren zo kunstvaardig en zo regelmatig zijn geschapen, lijkt het wonderlijk dat de ligging van landen en zeeën volstrekt ongeordend is, en als het ware toevallig ontstaan.


[ 517 ]

Over roem

    § 1.   Ter instandhouding van het leven van levende wezens is hun de pijnzin gegeven, verdeeld over alle delen van de ledematen; evenzo de hoogtevrees, de eetlust. Maar aan de mensen bovendien: afkeer van de ondergang, huivering voor de dood, en het verlangen om te leven. En geen enkele religie heeft door zijn beloften over een toekomstig leven dit kunnen bereiken, dat mensen daarom gaarne afstand doen van het leven, ja zelfs dat ze de dood niet vrezen, behalve de weinigen die gedreven worden door een bovennatuurlijke geestvervoering. Alle overigen verlangen te leven, en zelfs ook zonder eind.

    Vandaar het eerste nadenken over onsterfelijkheid van de ziel: ze zullen immers niet gewild hebben dat ze geheel en al konden uitdoven. Vandaar het verlangen om de naam te laten voortduren na de dood; want ook op deze manier schijnt het hun toe dat ze met een deel van zichzelf nog in leven zijn. En dat zozeer, dat sommigen zelfs door een of andere misdaad naam hebben willen maken, liever dan in blijvende vergetelheid begraven te worden. En zeer velen door bedrog, zoals de alchemisten en blaasbalgblazers, die willen dat men gelooft dat ze bekend zijn geweest met de kunst van het goud maken, en met een wondermiddel voor alle kwalen.
Het verlangen naar een goede naam en onvergankelijke roem is evenwel het meest toegenomen vanaf die tijd waarin de methode van schriftelijke optekening en geschiedschrijving verwezenlijkt is. Want voordien heeft het niet de moeite waard kunnen lijken, dat ze met veel inspanning een kortstondige lof zouden verwerven, die slechts zou standhouden in het eigen tijdvak en dat van kinderen of neven en nichten. Daarom ook is er bij barbaarse volken die het schrift missen weinig of geen streven naar roem.


    § 2.   Het ligt in de natuur dat alle mensen ervan houden geprezen te worden.
    Aan sommigen is het verlangen om te heersen gegeven, en daarom ook geestkracht en standvastigheid bij gevaren. Zij verkrijgen roem als ze goed heersen; niet als ze over velen en tezeer heersen.
    Aan de besten is dit gegeven dat ze voor zoveel mogelijk anderen, of in elk geval voor hoger geplaatsten, nuttig willen zijn; zoals uitvinders in de nuttige vakken.

    Ware roem komt alleen uit weldaad. Vandaar dat hij niet voorbeschikt is voor hem die zich in scherpzinnigheid de beste getoond heeft, als hij niet door die scherpzinnigheid iets goeds tot stand gebracht heeft. Zo besteedt iemand tevergeefs talent en tijd aan fijnzinnige maar nutteloze vragen en problemen, behalve voorzover hij duidelijk maakt dat hem in die wetenschap kennis ten deel gevallen is waarvan het nut bij andere zaken bekend is.
    In de marge: Verhaal van de verdiensten van een bekend man, Cicero's Oratie voor Marcellus.

[ 518 ]

    § 3.   Er zijn mensen die van te voren na de dood gelukkig genoemd zullen worden, om het feit dat hun nagedachtenis gevierd wordt, ofwel door geschriften van voortreffelijke schrijvers, ofwel door standbeelden die men geplaatst heeft, of door de verbreiding en het voortduren van een door hen onderwezen leer. Zo werd Achilles door Alexander gelukkig genoemd*), omdat hij door Homerus bezongen werd. Zo is Erasmus gelukkig wegens het standbeeld dat door de overheid is opgericht°). Zo Pythagoras, Epicurus, Mohammed, en anderen door hun volgelingen, omdat ze opstellers van een blijvende leer waren.

    Maar tot hiertoe heeft dit betrekking op hun geluk, indien het waar is dat ze het toekomende gekend hebben, of voorzien, of althans verwacht.

    Tot het geluk van J. Caesar zou hebben bijgedragen als hij voorzien had dat de door hem uitstekend beschreven herinnering aan zijn daden zoveel invloed zou hebben dat hij, bij de gewijzigde toestand van het staatsbestuur, als eerste in een reeks keizers geplaatst zou worden, en aan alle zijn naam zou laten, in een voortdurende opvolging van 1600 jaar. Maar daarentegen heeft hij volstrekt niet geweten of deze naam na zijn dood geëerd zou worden, of dat hij als tyran naar de Tiber gesleept zou worden, en elke herinnering aan hem uitgewist en vervloekt zou worden; ja zelfs heeft hij veeleer dit moeten menen in het laatste ogenblik van zijn leven, toen hij in de Senaat door de voornaamsten van de Romeinen werd omgebracht. Maar toen hij leefde is zijn geluk dit geweest, dat hij er niet aan behoefde te twijfelen dat de herinnering aan zijn daden in alle geschiedenisverhalen vaak verteld zou worden, met vermelding van zijn vele verdiensten, en daarenboven ook dat de boeken met commentaren, die hij over zijn zaken geschreven had, de toekomstige eeuwen zouden overleven.


    *)  Dit vertelt Plutarchus in het 15e hoofdstuk van zijn Leven van Alexander.
    °)  Te Rotterdam, zijn geboortestad [verhaal].


    § 4.   O als iemand eens over roem schrijft en dit onderwerp juist behandelt — wat misschien Cicero gedaan heeft in dat boek dat er is geweest*) — niets zou nuttiger kunnen zijn, of het welzijn van de mensen meer bevorderen. Want hoeveel kwaad over de gehele aarde, welke oorlogen, welke slachtingen komen voort uit de eerzucht van vorsten? En zij weten meestal niet wat ware roem is, in plaats daarvan omarmen ze een beeld ervan en grijpen ze zelfs naar de schaduw.

    Dat door vorsten het meeste verricht wordt uit aandrang hiertoe.
    Uiteenzetten wat valse roem is, met redenen en voorbeelden.
    Evenzo wat ware roem is: is het wijd en zijd heersen, of edelmoedigheid, en wel in hoeverre; is het rijkdom?
    Wat ligt tussen goede naam en roem, en eer.
    Dat roem na de dood de levende slechts verblijdt door de verwachting van een toekomst.


    *)  Cicero noemt zijn werk 'De gloria' (in twee boeken) in 'De officiis', II. 9. Het 'Argumentum' en fragmenten zijn te vinden in de Opera (Turijn 1828), IV, II.


    § 5.   Over de oneindigheid van eeuwen na de toekomstige, waarin de nagedachtenis niet zal doordringen.


    § 6.   Aansporing tot het ware; en waarop het berust.
    Over de roem van koningen en prinsen; & van uitvinders die nuttige dingen hebben voortgebracht.

[ 519 ]

    § 7.   Of het geoorloofd is naar roem te streven en te jagen. Iemand kan zich ervan bewust zijn lof te verdienen, ja zelfs moet hij zich erop toeleggen dat die verkregen wordt. Maar niet zo dat hij zich die naar eigen oordeel lijkt toe te kennen (in de marge: Laat hij goede mensen rondom zich hebben als getuigen van zijn daden. Laat hij uitnemende verstanden koesteren, om lofredenaars te hebben van zijn deugden, als die er zijn. Maar niet zo dat hij vleiers in dienst heeft; want dit neemt elk vertrouwen in hun lofprijzingen weg. Zodat nauwelijks geduld moet worden dat deze bekendheid bij zijn leven aan de naam wordt toegevoegd).
Bijzonder is de lof als hij zodanig is dat hij nauwelijks van anderen is te verwachten.

    § 8.   Grote dingen, niet door talentvolle voorgangers onderzocht*).

    § 9.   Over de roem van degenen van wie nauwelijks iets voorhanden is behalve de naam en geschriften, zoals van Homerus. Of er de voorkeur aan gegeven moet worden dat het zo is dat de gehele levensloop bekend wordt, of alleen het lofwaardige van de levensloop.

    § 10.   Over de liefde van schrijvers voor hun boeken. Voorbeelden.

    § 11.   Over de roem van kunstenaars zoals Apelles, Phidias. Kleiner dan van dichters, aangezien hun werken slechts bekoren, hoewel gezegd kan worden dat ze door van grote mannen de gezichten te bewaren, en de daden weer te geven, het nageslacht tot lof aanvuren.


    § 12.   Roem is naamsbekendheid, met lof en bewondering, wegens uitnemendheid van geest of verstand, gewijd aan het algemeen welzijn.

    § 13.   Hoeveel het uitmaakt of hij wijd verbreid wordt. Of het bijdraagt als hij bij Indiërs en Chinezen komt. Vers van Ovidius: wat hij zegt slaat op mij, als ik ten hemel geprezen word°).


    *)  Metamorphosen van Ovidius, XV, 146. De verzen 60 - 478 gaan over Pythagoras. Vers 146 wordt ook geciteerd op p. 406 [n. 3] en 412 [n. 2] van deel XVI.
    °)  Huygens citeert blijkbaar uit het geheugen. Aan het einde van de Metamorphosen:

[...]
Nu mag het uur verschijnen, dat mij slechts mijn lichaam
ontnemen zal en mij mijn onvoorspelbaar einde brengt,
dan nog stijg ik voor eeuwig met mijn betere deel tot boven
de hoge sterren en mijn naam zal onverwoestbaar zijn. ...
[vert. M. d'Hane-Scheltema, Amsterdam 1993]

[ 520 ]

    § 14.   Schadelijk voor vorsten is de dwaasheid van geschiedschrijvers, dat ze de meeste bekendheid geven aan hen die de meeste oorlogen gevoerd hebben, en het rijk ver uitgebreid hebben, ook al was het onrechtmatig. Vredelievende echter, hoe goed ze ook heersten, achten ze gewoonlijk van weinig betekenis, daar ze niet zo verschillende en talrijke gebeurtenissen leveren om te verhalen; alsof ze werkeloos waren en weinig moed hadden. Want zij willen graag dat hun veel stof tot schrijven aangeboden wordt.


    § 15.   Ja zelfs hele volken worden gewoonlijk daardoor beïnvloed, ook al leren ze meestal tot hun eigen schade dat hun onder eerzuchtige en oorlogszuchtige vorsten de meeste ellende verschaft wordt, door belastingen, roverijen, verwoesting van steden, vernieling van velden. Maar toch nemen ze aanstoot aan een rustige toestand, en ze vervelen zich. Inderdaad brengt iets nieuws een of ander genoegen met zich mee, en verschillende verhalen en schouwspelen doen dat. De wereld is immers een toneelstuk*).
En zeker moet erkend worden dat niet het kleinste deel van het menselijk genot gelegen is in het waarnemen van dergelijke afwisselingen van gebeurtenissen en wederwaardigheden; maar dit alleen als het geen kwaad kan voor de persoon zelf. Zoet is het op de wijde zee &c.°). Daarom is het vorsten nauwelijks vergund goed te zijn, omdat ze maar met moeite ontsnappen aan geringschatting van hun onderdanen, die gewoonlijk het meeste schaadt.


    *)  Huygens heeft kunnen denken aan het opschrift van Vondel boven de ingang van de nieuwe Stadsschouwburg te Amsterdam:

De weereld is een speeltooneel,
Elck speelt zijn rol en krijght zijn deel.

    °)  Huygens citeert uit het geheugen het welbekende begin van Boek II van De rerum natura van Lucretius.

't Is zoet, als stormen woeden op de wijde zee,
aan land te kijken naar 't gevaar dat andren dreigt —
niet dat ooit iemands kwelling ons genot verschaft,
maar zoet is 't weten, welk een nood ons blijft bespaard.
't Is zoet ook op de vlakte 'n oorlogsmacht te zien,
voor strijd gereed waaraan men niet hoeft mee te doen.
[vert. A. Rutgers van der Loeff, Phoenix 1966]

[ 521 ]

Geschiedschrijvers zouden dus werkelijke verdiensten en goede dingen in vredestijd op alle manieren er uit moeten lichten, en veeleer filosofen zijn dan redenaars, en niet zo beginnen als dat "Alle mensen die ernaar streven de overige levenden te overtreffen past het, zich uit alle macht in te spannen om niet het leven door te brengen in stilte, zoals vee" &c.*)!
    *)  Sallustius, begin van Catilinae conjuratio.



[ 522 ]

Over de dood

    § 1.   We zijn slechts wat we zijn voorzover we met het geheugen het voorbijgegane verbinden met het tegenwoordige. [>]
    Zozeer dat we, als elke herinnering weggenomen wordt, zonder hoop op terugkeer, dadelijk ophouden te zijn wat we waren. En we moeten echt niet menen, omdat het lichaam hetzelfde blijft, dat wijzelf zolang in stand blijven, daar gewaarwording niet in het lichaam zit maar in de geest*).

    Als daarom een ander leven na de dood zodanig wordt voorgesteld, dat we ons volstrekt niet zullen herinneren wat ons in dit leven overkomen is, en dat we niet denken aan wie we geweest zijn, dan zal stellig dit tweede leven, ook al zal het eeuwig duren, niets met ons te maken hebben.
    Het betekent dus niets voor mij — ook al vertrouw ik erop dat ik ontzaglijk veel goeds en vreugde zal genieten — indien ik niet tegelijk zeker weet dat de herinnering aan dit leven van mij aanwezig zal zijn.


    *)  Hier lijkt de 'animus' beschouwd te worden als iets onlichamelijks, terwijl in § 10 van het vorige stuk gezegd werd dat de 'anima' misschien niets onlichamelijks had. We geloven niet dat er noodzakelijkerwijze uit geconcludeerd moet worden dat Huygens, naar het voorbeeld van andere denkers, deze twee woorden scherp onderscheidt. [...]


    § 2.   Maar over wat voor dingen gaat die herinnering, en in welke mate is het een verbanning bijna, dat hiervan die gelukzaligheid geheel afhankelijk is? Hoeveel zijn er niet die we ook graag vergeten! Ja zelfs zijn deze zodanig dat de dichters de rivier de Lethe hebben verzonnen, waaruit de zielen of schimmen moesten drinken om alles van dit leven te vergeten, en dan pas zouden ze doorgaan naar de verblijven van de gelukzaligen. Zo'n geluk dus, als dat wel een geluk is, kan iedereen zich beloven na de dood.


    § 3.   Verzin wat je maar kunt wensen dat je zal overkomen, begrip van alles, gesprekken met de voortreffelijkste en grootste mannen (hetzij die al overleden zijn, hetzij die nog zullen volgen), liefelijke plaatsen, alle soorten genoegens. Dit alles zal gebeuren, en je zult zeker wel even gelukzalig zijn als zij voor wie dit gebeurd is, met instandhouding van de herinnering van het vorige leven.

[ 523 ]

    § 4.   Tijdens de gehele levensloop leert de Natuur gewoonlijk het beste en het meest werkelijke, alleen bij de dood bedriegt ze ons. Ze dreigt immers als het ware een groot kwaad te zullen toebrengen, terwijl ze niets zeer onaangenaams van plan is, omdat het zo heeft moeten zijn tot behoud van de menselijke soort, en van de overige levende wezens. Ziekten veroorzaken ongetwijfeld vaak hevige pijnen; en wie, die gezond is, zal ontkennen dat deze een kwaad zijn? Dus wie het overkomt zonder foltering te sterven, laat hij overdenken hoeveel ongelukkiger degenen zijn aan wie deze goede dood niet gegund wordt.


    § 5.   Wie ziek is van lichaam, en kwijnend, is ook niet sterk van geest; daarom moet hij dan geen vertrouwen hebben in zijn eigen oordeel, en tegen zichzelf zeggen dat wat nu nogal zwaar en treurig schijnt, als zodanig voorkomt wegens een ziekte van de geest, dat het zich echter niet hetzelfde aan hem zal voordoen als hij gezond is. En er is geen twijfel aan dat in een welgetemperd lichaam ook de geest het best zijn dienst verricht.

    Wil je dan onsterfelijk zijn? Waarom niet, als het mogelijk zou zijn altijd door opgewekt te genieten van zowel een gezond lichaam als een gezonde geest. Maar aangezien ouderdom met zekerheid opdoemt, met lichaamsgebreken en een ergerlijke gedaante, verlies van geheugen en verstand, wie zal er dan tegen zijn dat hij ofwel weggerukt wordt van deze kwaden, ofwel afstand doet van het leven, zodra ze naderbij komen.


[ 524 ]

Aanhangsel

Bij de stukken 'Waarin de rede niet doordringt etc.'


    § 1.   Er kunnen ondoordringbare ruimten zijn van niet opgesplitste materie. Deze zullen geen licht of zicht doorlaten.
    Er kunnen geheel andere dingen zijn voorbij de uitgestrektheid van de zonnen [<], maar dan is deze hele uitgestrektheid slechts als een punt.


    § 2.   Het behoort bij de grootheid van God dat hij oneindig grote dingen heeft gemaakt. We moeten niet denken dat wij ons iets groters kunnen indenken dan wat God gemaakt heeft. Of dat onze gedachten voorbij de werkzaamheden van de voorzienigheid gaan; of voorbij de tijd waarin deze begonnen is te handelen.
Zie over de waarschijnlijke betekenis van het woord 'beginnen' de noot op p. 514.


    § 3.   Alles wat er is op één manier, terwijl het anders had kunnen zijn, schijnt een oorzaak gehad te hebben die het zo heeft doen zijn; dus is het gemaakt; dus is het niet van alle eeuwigheid [<].
    Iets, een of andere beweging van de materie, heeft de aarde rond gemaakt, heeft haar van zo'n grootte gemaakt, in zoveel tijd bewegend rond de zon, op zo'n afstand.


    § 4.   Goddelijkheid wordt veel minder bewezen door de regelmaat of grote omvang van de hemellichamen, dan door de bouw van de mens, of slechts die van het gezicht en het oog, of van de vleugel en het vliegen van een vogel [<].
    Het is noodzakelijk dat er een oneindige verscheidenheid is in de schepselen; bijgevolg is het niet noodzakelijk dat ze even uitmuntend zijn, of oneindig volmaakt.


    § 5.   Dingen die van alle eeuwigheid zijn geweest zijn zodanig dat men ze zich niet anders kan indenken dan ze zijn. Zoals de oneindige uitgebreidheid aan alle kanten. Want men kan zich niet indenken dat deze begrensd is. Evenzo de tijd, die kan men zich niet anders indenken dan oneindig, naar voren en naar achteren. Men kan zich indenken dat alles wat tijd meet vernietigd is, dat wil zeggen alle lichamen en alle beweging, maar de vernietiging van de tijd kunnen we ons niet voorstellen.

[ 525 ]

    § 6.   Veel filosofen houden vol dat God de wereld van alle eeuwigheid geschapen zou kunnen hebben. Ik stel me voor, daar hij eeuwig schepper geweest is, dat hij eeuwige aardes en zonnen gemaakt kan hebben, of andere dingen die aan ons onbekend zijn; maar niet dat deze aarde of aardes en zonnen die er nu zijn, er eeuwig geweest zijn. Dit om de hierboven aangevoerde reden, dat alles wat er is en anders had kunnen zijn, een oorzaak gehad heeft die het zo gemaakt heeft als het is, en dat er dientengevolge een tijd geweest is dat het niet zo was, zodat het niet eeuwig is.

    Door een of andere omwenteling van de materie kunnen alle sterren of planeten die we zien, en een groot aantal andere bovendien, tegelijk voortgebracht zijn. En wat betekent dat ten opzichte van de oneindige uitgestrektheid.


    § 7.   Dingen die niet te begrijpen zijn met het menselijk verstand.

    Laten we bezien hoe sommigen*) voorgeven het bestaan van God te bewijzen. Zij beginnen met de kennis en zekerheid die ze hebben dat ze zelf bestaan. Laten we hun dit bestaan toegeven.

    Ze zeggen dat ze in hun gedachten verscheidene ideeën van dingen hebben, en onder andere het idee van een Eeuwig Wezen, almachtig, alwetend, oneindig intelligent, tenslotte geheel volmaakt. En omdat in dit idee het Wezen, of het bestaan, vervat is, maken ze eruit op dat dat dit Wezen noodzakelijk bestaat. Laten we deze redenering onderzoeken.
Wanneer men zegt dat men het idee van een Eeuwig Wezen heeft, is dit hetzelfde als te zeggen dat men zich indenkt dat er iets van alle eeuwigheid geweest is. We zijn daardoor dus nog nauwelijks gevorderd in de kennis van dat 'iets'. Het idee van een eeuwig wezen, ook al leidde het tot de conclusie dat er een zodanig wezen is, dwingt niet de conclusie af dat in dit wezen die andere eigenschappen aanwezig zijn, maar alleen dat het bestaat. Wat is dat, geheel volmaakt zijn? Hij wil zeker dat met de naam 'volmaaktheid' dit alles omvat is: albegrijpend, almachtig, eeuwig, alwetend, bron van alle waarheid en al het goede, schepper van alle dingen (pag. 5 et 9)°).


    *)  Het gaat, zoals men ziet, om Descartes en cartesianen.
    °)  Principia Philosophiae, ed. 1677 [1644].

[ 526 ]

We hadden nog niets leren kennen, behalve dat wij iets waren, aangezien we dachten. En nu moet verondersteld worden dat we onze intelligentie kenden, en dat er in deze intelligentie verschillende graden van volmaaktheid kunnen zijn. Maar onmiddellijk daarvoor (p. 5) had hij gezegd dat we ermee bekend waren dat we nog geen enkele zekere kennis hadden voordat we de schepper van ons wezen onderkend hadden, die we daarna moeten gaan opsporen. We hebben dus nog lang niet het idee van de volmaakte intelligentie.
Laten we ook bezien wat we zouden kunnen verstaan onder 'almachtig'. Dat is: alles wat men wil te kunnen doen en volbrengen. Wij herkenden in ons een willen, en daarom hebben we dit ook aan God toegekend. Zo stellen we ons voor dat bij God de wil opkomt om de wereld te scheppen, een zondvloed te sturen, een boosaardige te straffen; niet bedenkend dat het niet kan passen bij dit eeuwig en alvolmaakt Wezen, dat het begint besluiten te vormen die tot dan toe uitgesteld zijn, zonder oorzaak, of dat het door iets toevalligs aangezet wordt tot willen. Tenslotte zal men zien dat dit idee van te kunnen wat men wil, evenals dat van alles te weten, aan God niets oplegt dan naar imitatie van wat wij in ons voelen.
Wat betreft bron van alle waarheid en goedheid, dat is een zeer duister idee, en het vereist dat men van te voren weet wat dat is, waarheid en goedheid. Schepper van alle dingen, wat zal men hier verstaan onder 'scheppen'. Is het: alles voortgebracht te hebben wat er is, sinds 4 of 5 duizend jaar; of: voortbrengselen gemaakt te hebben sinds alle eeuwigheid, wat een grotere volmaaktheid lijkt dan de andere. Bovenden vooronderstelt scheppen een wil en een overdenking; dit alles in vergelijking met wat we in onszelf vinden.

    De heidenen en barbaren kenden aan God een lichaam toe gelijkend op het menselijk lichaam, de filosofen kennen hem een geest toe gelijkend op de menselijke geest en gevoelens gelijkend op de onze, alleen verschillend in volmaaktheid. Ze geven hem een manier van denken, willen, begrijpen, liefhebben. Wat konden ze anders doen? Bekennen dat het de mens wel verre te boven gaat een idee te hebben van God.


    § 8.   Het is een onvolmaaktheid, zegt Descartes, deelbaar te zijn; dit om te bewijzen dat God geen uitgestrektheid heeft [<]. Het is een armzalige reden, want waarom is dat een onvolmaaktheid?

[ 527 ]

    Het behoort, zegt hij, tot de aard van het oneindige dat het niet begrepen kan worden door ons die eindig zijn. Dat zijn maar woorden. Wat is het om te zeggen dat we eindig zijn? Want hij spreekt alleen nog maar over onze geest of gedachte. Dat kan niets anders betekenen dan dat onze geest het oneindige niet begrijpt, en dat hij het daarom niet begrijpt.

    Laten we proberen te bewijzen dat er een hoogst intelligente ontwerper is, maar met een intelligentie geheel anders dan de onze, niet met deze denkbeelden, maar door het geschapene in ogenschouw te nemen, waarin zoveel kundigheid en inzicht blijkt, vooral wat de dieren betreft.


    § 9.   Descartes, p. 10. Na gezegd te hebben dat de grootte van de uitgestrektheid onbepaald is, omdat we ons haar niet zo groot kunnen voorstellen dat ze niet nog groter kan zijn, voegt hij eraan toe dat we eveneens moeten veronderstellen dat het aantal sterren onbepaald is. Dat zijn heel verschillende dingen, en uit het een volgt niet het ander. Want uitgebreidheid (of uitgestrektheid) wordt duidelijk en noodzakelijk opgevat als oneindig, en dus heeft 'onbepaald' hierin dezelfde betekenis als oneindig. Maar zo het is niet met de menigvuldigheid van de sterren, die men heel goed kan opvatten als in een zeker getal inbegrepen te zijn. En daarom kan ze eindig zijn, en dat het aantal ervan onbepaald is kan hier slechts betekenen 'onbekend', als hij tenminste niet wil beweren dat hun aantal inderdaad oneindig groot is. Het is waar dat voorzover ik weet niets ermee in strijd is dat hun menigvuldigheid oneindig zou zijn, omdat men er niet een zo groot getal voor kan geven dat er men niet nog meer van zou kunnen aannemen, in de oneindige uitgestrektheid. Maar dit bewijst niet deze oneindige menigvuldigheid van sterren.


    Twijfel kwelt het verstand. Daarom sluit iedereen zich gaarne aan bij de mening van hen die beweren zekerheid gevonden te hebben. In die mate dat ze er de voorkeur aan geven hen te volgen en zich te laten misleiden.

    Men moet niet geloven zonder dat men reden heeft om te geloven; waarom zou men anders niet in fabels geloven en in oudewijvenpraatjes, en waarom hebben de Turken dan geen gelijk om in de Koran te geloven? *)


*)  De laatste twee alinea's zijn ook § 3 van 'Wat te denken van God?'; in het manuscript staan ze hier.

[ 528 ]

    § 10.   Het is een vreemde zaak, het idee van genot, en van het gevoel dat we ervan hebben, zowel van dat van de geest als van dat van het lichaam, dat ook aan de geest toekomt. De goddelijkeid die mensen en dieren hiermee begiftigd heeft, moet in het bezit zijn van een oneindig veel groter genot, voor ons onvoorstelbaar. [<]

    Het is waar dat niemand nog tot de ontdekking gekomen is dit onder de eigenschappen van goddelijkheid te plaatsen, behalve misschien de Epicuristen, maar ze spraken er niet in alle ernst over.


    § 11.   Zonder het geheugen is er geen verstand, maar zeker wel gevoel van het lichaam. Gesteld een volledig vergeten van het hele verleden, en voor altijd, zie ik niet dat de geest blijft voortbestaan; en ook niet dat hetgene dat hem daarna zou overkomen, mij aangaat zoals ik nu ben [<]. Het is een andere zaak wanneer de herinnering terug moet komen, zoals na bewusteloosheid of een diepe slaap.

    Het is dus hetzelfde zich voor te stellen dat wij niets zullen zijn na de dood, of zich eeuwige genoegens in het vooruitzicht te stellen maar zonder de herinnering aan wat we geweest zouden zijn, en aan wat ons in dit leven overkomen zou zijn. Zonder deze herinnering kan er dus geen gelukzaligheid zijn voor ons, omdat wij het dan niet meer zijn. Dus ook geen ellende.

    Als ik dus geradbraakt zou worden, maar tevoren het geheugen zou verliezen, zou dan de pijn van deze kwelling niets met mij te maken hebben, en niet gelden als onheil? Ik geloof van niet, en dat dit hetzelfde zou zijn als wanneer een andere geest dan mijn lichaam zou bewonen.


    § 12.   Wij hebben niet de vrijheid te denken en te willen zoals we ons voorstellen, maar al onze gedachten worden aaneengeschakeld, en gaan noodzakelijk van de ene naar de andere, hoewel het ons toeschijnt dat we er ten volle over beschikken. Ze gaan hun gangetje, tenzij nieuwe dingen ze afleiden en andere wegen doen inslaan. [<]


    [ Wim Klever, 'Spinoza en Huygens. Een geschakeerde relatie tussen twee fysici', in Gewina 20-1 (1997) citeert op p. 26-28 enkele paragrafen en bespreekt de mogelijke invloed van Spinoza.]




Home | Huygens | XXI | Waarin de rede niet doordringt. Roem. De dood (top) | Bespiegelingen