Chr. Huygens | < Oeuvres XXI | Brontekst

[ 539 ]

Bespiegelingen

over de aannemelijkheid van onze conclusies

en bespreking van de vraag over

het bestaan van levende wezens op andere planeten

[ 1690 ]*)

I.
II.
III.

IV.
  Over bewijs uit het waarschijnlijke.
Waarschijnlijke zaken over Planeten.
Dat het voortbrengen van levende wezens, van mensen in het bijzonder,
het voornaamste werk is van de goddelijke wijsheid en intelligentie.
Ongewoon schouwspel voor vreemdeling, van Jupiter aangekomen.
[ 563 Aanhangsels. ]


    *)  Manuscript G, f. 35-43. Het stuk kan van eind 1689 zijn. De volgorde van de delen I en II is omgedraaid.



[ 541 ]

I.

Over bewijs uit het waarschijnlijke

    Bijna alles is hiertoe te herleiden; misschien ook de bewijzen van de wiskundigen. En zekerheid is niet goed te vestigen op klaar en duidelijk inzicht. Het blijkt namelijk dat er van deze klaarheid en duidelijkheid om zo te zeggen verschillende graden zijn. Want ook in dingen waarvan we menen dat ze door ons volkomen helder begrepen zijn vergissen we ons vaak, en als voorbeeld dient zelfs Descartes, zoals bij de wetten van door stoot meegedeelde beweging van lichamen*); & bij die in de lucht hangende cirkel van ijs, door de weerkaatsing waarvan (naar hij beweert) de bijzonnen ontstaan [<]. Bij het goed onderscheiden van deze aannemelijkheidsgraden springen talent en juistheid van oordeel in het oog, en nergens worden zoveel fouten gemaakt als in onachtzaamheid en verkeerdheid van zo'n soort oordeel.

    Er zijn namelijk mensen die van iets, dat niet op de wijze van wiskundigen geconcludeerd is, menen dat het zodanig te betwijfelen is, dat er wel iets aanvaard kan worden dat hieraan volkomen tegengesteld is. Zoals bij het Stelsel van Copernicus: ze zien dat het van alle kanten wordt bevestigd en aanbevolen, zowel door overeenstemming met de waarnemingen, als door argumenten, en als het ware door de stem van de natuur zelf. En toch, omdat ze begrepen hebben dat Tycho Brahe een ander stelsel bedacht heeft, en omdat dat van Copernicus niet meetkundig bewezen is, denken ze zich niet méér met het ene dan met het andere te moeten inlaten; en uit oordeelszwakte herkennen ze niet het zo ontzaglijk grote verschil in aannemelijkheid.
    Dit is o.a. van toepassing op Cassini en op Roemer: zie p. 311.

    Zo hebben velen van alle tijden geloof gehecht aan de voorspellingen van astrologen en horoscopisten°), niet voldoende afwegend hoe ongerijmd en ongegrond de beginselen van hun kunst zijn. Zoals die werkzaamheid van planeten volgens de 'aspecten', dat is volgens de hoeken waaronder ze op aarde lijken uiteen te staan, en verder de regels die hieruit opgesteld zijn om voorspoed of tegenspoed vooraf te weten. En men is niet in staat te doorzien dat deze door bedriegers ten eigen bate verzonnen zijn; aangezien men de graden van waarschijnlijkheid niet weet te onderscheiden.


    *)  Zie p. 4 e.v. van deel XVI.  [<]
[ Al in 1673 gebruikte Huygens de term 'degrez de vraisemblance' in een brief aan Pierre Perrault, zie VII, 298; zie ook X, 739 (aan de Volder, sept. 1691): "zelfs in de meetkunde beeldt men zich vaak in dat men dingen heel duidelijk begrijpt die fout zijn".]
    °)  Over astrologie in het algemeen: p. 178-179 van deel XX. Cf. p. 311 en 343 [<] hiervoor.



[ 542 ]

II.

Waarschijnlijke zaken over Planeten

Wat zullen zij die onbekend zijn met Sterrenkunde en Filosofie hiertegen niet allemaal kunnen inbrengen, met bijval van het volk?

    § 1.   Degenen voor wie dit geschreven wordt moeten zich voorbereid hebben door boeken te lezen, waarin zowel de waarheid van een bewegende Aarde aannemelijk gemaakt wordt, als ook het feit dat noch deze waarheid, noch het bestaan van meer aardes, ingaat tegen de heilige Schrift. Zoals daar zijn Galilei's Dialogen, Wilkins' maanwereld*), Kepler, &c. Want wat bij zo velen gelezen kan worden wil ik niet overschrijven.
Laat ik dan ook dit verlangen, dat zij geen geringe kennis hebben van de Sterrenkunde, en vooral van het natuurkundige gedeelte ervan. Zonder deze zullen ze namelijk over dit werkje van ons niet juist kunnen oordelen, en zal in mijn ogen hun kritiek niet veel waard zijn, als ze dit afkeuren of geringschatten, en als ze het belachelijk maken. Deze schrijvers hebben ook die dingen weerlegd die tegengeworpen kunnen worden vanuit filosofische dogma's. Wij daarentegen concluderen op grond van dezelfde filosofie en met het gezonde verstand hoe aannemelijk onze mening is.


    § 2.   De stof is het bespreken waard°). Ja zelfs verbaas ik me over degenen die er trots op zijn dat ze de filosofie bestuderen, terwijl ze daarheen met het denken niet opstijgen.


    [ *)  Galilei's Dialogo ... sopra i due massimi sistemi del mondo (1632) [txt], ook als 'Dialogues' (1661) in Mathematical collections and translations van Thomas Salusbury (1667).]
    John Wilkins (1614-1672) Discovery of a new world, or a discourse tending to prove that it is probable that there may be another habitable world in the Moon, 1638 [...].
    °)  Elders (Chartae Astronomicae f. 132) schrijft Huygens:
De zaak is een onderzoek waard, zegt Seneca [QN VII, 2.3 (of de aarde stil staat of draait)], of we de traagste of de snelste plaats gekregen hebben, of hij alles om ons heen laat rond gaan, of ons zelf, &c. Nog belangrijker is mijns inziens de vraag, of alleen onze Aarde dieren draagt en met de rede begiftigde schepselen, of dat er in het heelal meer aardes zijn met even opmerkelijke bewoners.
[ Seneca's uitspraak "Digna res est ..." staat ook op het titelblad van A Discourse concerning a New Planet van Wilkins (ed. 1684, 2nd book).]
[ 543 ]
Evenals zij die op lange reizen veel rijken en volken bezocht hebben, met meer wijsheid en beter oordelen over hun vaderland, dan zij die nooit een voet daarbuiten gezet hebben, zo is het met iemand die gewend is in gedachten tussen de gesternten te vertoeven, en van daaraf dit bolletje van onze Aarde te beschouwen: hij denkt er vaak aan hoe héél klein dit deeltje van de wereld is, en eveneens aan wat er elders op zoveel duizenden aardes voorvalt. Hoe klein zijn dan deze rijken, wat een bezigheden, wat een gejaag.


    § 3.   Laten we dit planetenstelsel om de Zon beschouwen, waarvan hier een figuur geplaatst is*), alsof we er buiten geplaatst zijn: die Zon, temidden van vijf bollen, die in banen van verschillende grootte er omheen draaien. En door zijn licht worden ze alle verlicht, de dichtstbijzijnde sterker en feller, de verder verwijderde zwakker; en elk afzonderlijk draaien ze in enkele uren tijds om hun as, waardoor het gehele oppervlak in dat licht begint te blinken, afwisselend aan elke kant.

    Kan het nu iemand aannemelijk lijken, als hij opmerkt dat ze in zoveel opzichten met elkaar overeenkomen, dat bij al deze bollen die om de zon geplaatst zijn, op één daarvan (en nog wel een van de kleinere) veel wonderlijke dingen zijn — zeeën, bergen, bossen en rivieren; dieren van velerlei soort, sommige als viervoeters en andere als tweevoeters voortgaand, sommige de lucht doorkruisend en andere onder water levend; die alle op de een of andere wonderlijke manier kopieën van zichzelf voortbrengen — en dat op de overige metgezellen en deelgenoten in dezelfde reidans niets zou zijn dan materie die zonnestralen weerkaatst, zonder opvallende diversiteit, die in een woeste leegte alleen rotsen, stenen en zand aanbiedt? (Want we moeten er wel stoffelijke materie aan geven, zodat weerkaatsing van het licht optreedt.) Welke reden zou immers aangevoerd kunnen worden waarom dit alles aan één bol veeleer dan aan andere gegund is, met de overige zonder enig nut, veroordeeld tot eeuwige ledigheid en onvruchtbaarheid?

    Daar we weten dat bomen die ons bekend zijn een of andere soort vruchten of eikels dragen, twijfelen we er niet aan of ook die, welke we op onbekende eilanden in de verte in het oog krijgen, brengen behalve bladeren iets van die aard voort.

    Alleen de begeleider van de Derde Planeet vanaf de zon zal 's nachts aan levende wezens licht verschaffen, maar de vier bij de vijfde Planeet zullen van geen enkel nut zijn, en evenzo de vijf die rondom de verste gerangschikt zijn. Maar als nu een dergelijke diversiteit en schoonheid van de dingen op de overige planeten evenals op deze onze Aarde rijk voorhanden is, dan zullen ze toch geen toeschouwer missen! Zoals de elegantie en het kunstig maaksel van de dieren, en de kleuren en geuren van de bloemen, ingericht lijken te zijn voor menselijke bewondering en genot, zullen zo ook niet op deze planeten wezens bestaan die genieten van zo vele en zo aangename schouwspelen?


    § 4.   Men stelle zich voor dat de menselijke soort te gronde gegaan is en zo tot niets teruggebracht wordt. Zal dat alles dan niet zo goed als vergeefs lijken? Zal de Aarde niet verstoken blijven van alle onderhoud: verwilderd, verlaten, en een woonplaats van wilde beesten?


    *)  Er is geen figuur in het manuscript, en het zou overbodig zijn er hier een toe te voegen [ of het moest zijn die in Cosmotheoros, 13 ].
[ 544 ]
    En is nu de mens zelf, dat wezen in het bezit van de rede, niet als verreweg het voornaamste deel te beschouwen van alles wat op Aarde bestaat? Hij die voor zoveel wetenschappen ontvankelijk is; die de bewegingen en afstanden aan de hemel met de rede, en van zekere instrumenten voorzien, heeft kunnen vinden? Die met zoveel ijver huizen en schepen bouwt, kleding en werktuigen van allerlei soort vervaardigt. Die tenslotte als enige de goddelijke werken kan beschouwen en ook zich erover verwonderen. Want ofschoon voor stervelingen de doeleinden die de maker zich voor ogen gesteld heeft niet bekend zijn, blijkt toch dat het hem behaagd heeft dat er met de rede begiftigde wezens zouden zijn, die zijn oneindige wijsheid zouden kunnen vermoeden, en weldaden erkennen.

    Als dus de overige Planeten dergelijke bezielde wezens missen, zullen ze zeker veel geringer en armzaliger zijn dan deze van ons. Er is evenwel geen reden om aan te nemen dat ze minder van alle dingen voorzien zijn, ja zelfs is er een reden waarom die grotere (Jupiter en Saturnus) geacht kunnen worden voortreffelijker dingen te hebben verkregen. Niet afwezig zullen dus zijn die voornaamste wezens, te vergelijken met de menselijke soort, en misschien ook veel volmaakter.

    Dat neemt echter volstrekt niet weg dat te geloven valt, dat op de planeet Mercurius de bewoners door een tienmaal zo grote gloed als bij ons geroosterd lijken te worden; en dat ze op Saturnus, een honderdmaal zo kleine gloed ondervindend, door voortdurende vorst verstijven. Waarom zouden immers zowel dieren als bomen, en wat voor andere planten dan ook, niet aan die verschillende klimaten aangepast zijn, en ertegen gehard. Want het is onzin te denken, dat bij deze afstand tot de zon die wij hebben een gemiddelde aan warmte en licht wordt gegeven, en dat er bij die andere afstanden ofwel te veel, ofwel te weinig is. Dit wordt immers weerlegd door deze zelfde verschillen die te onderscheiden zijn op deze Aarde. Terwijl die noorderlingen de Samojeden zoveel kouder leven dan degenen die het midden van Afrika bewonen, toch klagen noch de eersten noch de laatsten over hun lot.




    § 5.   Verder is te bezien, als gesteld wordt dat er dieren zijn die hun leven op het oppervlak van de Planeten doorbrengen, of we niet iets meer over hun aard en bewustzijn kunnen bijeenzoeken.

    Als we de verschillende gedaanten van de dieren bij ons bekijken: viervoeters, vogels, vissen, kreeften, schildpadden, slangen, insecten. En weer bij elk afzonderlijk de diversiteit van vormen, zoals van paard, olifant, varken, hert, stekelvarken bij de viervoeters. Van arend, pauw, nachtuil, vleermuis, grootsnavel*), struisvogel bij de gevleugelden. Van walvis, rog, inktvis, nijlpaard, krokodil, oester, spons, schol, mossel, zeekalf°) bij de vissen of amfibieën. Tenslotte de insectensoorten.
Als we deze allemaal bekijken zullen we makkelijk geloven dat we op geen enkele manier door te raden kunnen achterhalen, welke dierengedaanten voorkomen in de zo ver verwijderde gebieden van de planeten. Vooral daar ook in de landen van Amerika andere gevonden zijn dan in de overige werelddelen, en ook de meeste planten en bomen zijn verschillend van al de onze.x)


    *)  We weten niet welke vogel Huygens hier bedoelt (pelikaan?).             °)  Zeehond.
    [ x)  Gassendi schreef iets dergelijks in Vita Peireskii (1641), 303: "Want als niet de gehele aarde alles draagt, en waargenomen is dat in Amerika dieren, planten enz. voorkomen die heel verschillend zijn van die bij ons; en daar toch Amerika en Europa delen zijn van dezelfde bol, hoeveel te meer moeten we er dan niet rekening mee houden dat alles wat op de maan ontstaat, een geheel ander gebied, verschilt van deze aardse dingen?"]
[ 545 ]
    Maar toch, wanneer we de hoofdsoorten van de ons bekende dieren nagaan, en op welke manieren ze bewegen, komt alles hierop neer dat ze ofwel in de lucht vliegen met een roeituig van vleugels, of dat ze met de voeten op de aarde voortgaan, of dat ze zonder voeten kruipen, of dat ze met een energiek buigen van lichamen of slaan van voeten zich door water een weg banen. Naast deze manieren van bewegen lijken er nauwelijks andere te geven te zijn, en ook niet voor te stellen.
Daarom zullen dieren die op de planeten leven op één van deze manieren voortgaan, of sommige ook op meer manieren tegelijk; zoals bij ons de amfibische vogels, die èn met de voeten op de aarde voortstappen, èn in het water zwemmen, èn in de lucht. Verder lijkt er naast deze geen vierde levenswijze bedacht te kunnen worden. Wat kan daar immers zijn behalve vaste grond, een vloeibaar element, en lucht of iets dergelijks? (de lucht zou namelijk veel dichter en zwaarder kunnen zijn dan deze bij ons, en daardoor geschikter voor vliegende dieren). Deze zijn zeker van zodanige aard dat voldoende duidelijk blijkt, dat niets zich kan voordoen dat hiervan afwijkend is.

    Maar hoe gelukkig die voortreffelijke en met rede begiftigde bewoners, als het zo is dat zij deze vaardigheid in drievoud beheersen. Echter zo, dat er niets kwaads uit voortkomt. Want als ze dit voordeel genieten is het noodzakelijk dat vijandschappen en oorlogen niet evenzeer bij hen voorkomen als op deze Aarde van ons, omdat ze anders niet veilig en niet rustig zouden kunnen leven, steeds blootgesteld immers aan onvoorziene aanvallen van een gevleugelde vijand.

    Huygens kon moeilijk voorzien dat in de 20e eeuw veel aanvallen van "gevleugelde vijanden" hier op onze planeet zouden plaats vinden. Vgl. XIX, 87. [ Deel 21 verscheen in 1944.]


    § 6.   Laten we het dan verder hebben over het waarnemingsvermogen van deze bezielde Planetariërs. In elk geval ben ik van niets zekerder overtuigd dan dat ze begiftigd zijn met gezichtsvermogen. Wat is immers een leven zonder gezichtsvermogen, hoe kunnen ze gevaren vermijden of voedsel zoeken als ze van dit zintuig verstoken zijn? Hierin ligt de belangrijkste bescherming van het leven, en het kan niet zo zijn dat waar dieren bestaan, ze deze allerbelangrijkste gave missen. Daarom zien we bij elke diersoort hier bij ons het gebruik van ogen, bij land-, lucht- en waterdieren, en zelfs bij insecten; behalve met uitzondering van sommige zeer armzalige, wormen en wormpjes.
En als we het belang afwegen van de goddelijke uitvinding van het licht, dat zich vanaf de Zon evenzeer tot de overige Planeten uitstrekt als tot de aarde, zullen we stellig menen dat deze wonderlijke bewegingstoestand niet minder ter wille van anderen geschapen is dan terwille van ons. Doch vóór alles is te geloven dat die genoemde toeschouwers (die in het bezit zijn van de rede) in staat zijn te zien, zodat ze kunnen genieten zowel van de wonderlijke bontheid van zaken in hun landstreken, als van de aanblik van de hemel: de gedaante van zon, manen en hemellichamen in het hele universum, waarin Gods onmetelijke macht in het bijzonder tot uiting komt. Want het aanschouwen van deze dingen zal toch niet alleen aan ons aardbewoners gegeven zijn, en zij die zich elders bevinden zullen toch niet blind zijn hiervoor?*)


    *)  In de marge: gezicht. gehoor. overige zintuigen. voortplanting. eten. taal. genot. kunstvaardigheden. wetenschappen. wiskunde noodzakelijk hetzelfde. muziek bijna hetzelfde. sterrenkunde.
[ 546 ]
    § 7.   Als de beschouwing en bewondering van de dingen in de natuur, Gods werken, aan de mensen ontnomen wordt, wat kunnen ze dan nog door het gebruik van de rede bereiken, anders dan wat beesten en vogels zonder die rede hebben. Namelijk dat ze rustig leven met elkaar, dat ze geen gebrek hebben aan voeding en kleding, noch aan zinnelijk genot.

    Ik geef wel toe dat door verreweg het grootste deel van de mensen die de Aarde bewonen de aandacht nauwelijks op deze dingen gericht wordt, of althans dat ze oppervlakkig bezien worden, omdat ook zoiets groots door langdurige gewoonte alledaags wordt. De meer verstandigen evenwel verwonderen zich herhaaldelijk, en zien hoog op tegen de ontwerper. Sommigen speuren ook diep naar elke verklaring ervan, en ook al zijn zij op elk tijdstip met weinigen, toch maakt het hele verloop van eeuwen hun aantal niet onbetekenend.




    § 8.   Zullen we dan aan die wezens niet ook ogen toekennen? Zonder twijfel lijkt de bouw van het oog, als zijnde met een verbazende opzettelijkheid ingericht, toch nauwelijks om een andere reden ondernomen te kunnen zijn, dan om duidelijke beelden van de dingen buiten weer te geven voor het bewustzijn. Stralen immers die vanaf afzonderlijke punten naar de pupilkring stromen, worden door de breking van het bolle oppervlak weer naar afzonderlijke punten verzameld, en ze werken in op het waarnemingsvermogen van de zenuwvezeltjes — die achterin het oog zeer fijn verspreid zijn, en waarvan het weefsel het zogenaamde vaatvlies [<] samenstelt — zodanig, dat het bewustzijn binnenin daaruit de ligging, afstand en kleur van de dingen bepaalt.
Ditzelfde mechanisme heeft de natuur gebruikt in elke soort levende wezens bij ons, zodat te geloven is dat de bemiddeling van het licht op geen andere manier zo goed aan de zintuigen aangepast zou kunnen zijn. Waarom zou de natuur dus niet deze zelfde manier ook in die gebieden gevolgd hebben, aangezien ze nergens minder dan de beste zou verkiezen. Die wezens hebben dus ook ogen; en ook twee, waarmee ze tegelijk hetzelfde ding kunnen zien; daar immers voor het bepalen van de afstanden van nabije dingen een snijding van stralen nodig is. Maar zonder herkenning van afstand is lopen gevaarlijker, en worden dingen niet zo goed ontweken die zullen schaden door botsing ermee.
Zij hebben ook ogen die in het bovenste gedeelte van het lichaam geplaatst zijn. Als we namelijk erkennen dat ze daar juist en verstandig geplaatst zijn, en dat het niet even goed ergens anders had gekund, zou te zeggen zijn dat het aan inzicht ontbroken had bij wie ze in het onderste gedeelte had gezet.

    Zij zullen toch ook handen hebben? Zonder een dergelijke uitrusting schijnt niets nauwkeurig vervaardigd te kunnen worden, ja ook niets passend gebruikt of opgesteld, van wat vereist wordt voor waarneming van de hemellichamen.

    Wat een heel andere gedaante van de wereld wordt aan de geest aangeboden, wanneer we ontelbare Aardes gewaarworden, en op elk van deze niet minder verscheidenheid van dingen en dieren dan die welke we hier in onze tegenwoordigheid zien. Terwijl die van ons gewoonlijk geacht werd de enige te zijn, die alles van deze aard in zich had, en de hemellichamen voor niets anders gehouden werden dan een soort lichtgevende bollen, vastgehecht aan een bolrond hemeloppervlak*).

    Hoeveel groter en voortreffelijker is dit zo veelvoudige bouwwerk, en van een oneindige verscheidenheid; en hoeveel te meer passend bij God. Het heelal wordt nu niet verdeeld in hemel en Aarde; maar wij zijn in de hemel [<], en we worden rondgevoerd in het gevolg van één grote ster, doch het is er één uit vele.


    *)  Vergelijk de twee regels (Latijn, datum onzeker) in Appendix III bij 'Cosmotheoros': Met welk doel zoveel gesternten. Waarom zo grote dingen te verschaffen voor een zo gering gebruik? Als ze niets zijn dan lichtpunten.
[ 547 ]
    § 9.   Over het plan van de voorzienigheid bij het scheppen van dingen, vooral van de ledematen van dieren. Dat gevleugelden uitmunten boven landdieren, behalve dat het gereedschap van handen vereist wordt voor werktuigen en waarnemingen van de hemel; dat voor het overige de vogels in een meer bevoorrechte positie zijn. Ooievaar. Uitnemende plaats*). Wat als op een planeet beide in één soort samengevoegd waren?

    § 10.   Wat op de planeten verschillend zou kunnen zijn van onze zaken; wat beter; zonder twijfel veel. Als we het overige in aanmerking nemen dat ons vergund is, of dat uitgevonden is, zoals de kunst van het schrijven, telescopen, het begrip van meetkunde, de analytische, rekenkunde, logaritmen, boekdrukkunst. Weliswaar is het niet makkelijk toe te geven dat deze zelfde dingen op de overige Planeten bekend zijn, maar het is waarschijnlijk dat er daar enige andere te vinden zijn die geenszins minder goed zijn, zodat we met onze zaken niet erg uitmunten.


    *)  Niet goed te lezen. Als Huygens inderdaad 'locus' geschreven heeft weten we niet welke plaats bij welke auteur hij bedoelt. De alinea bij Plinius over ooievaars ('Naturalis historia' X, 31) heeft niets opmerkelijks.
[ Zie Jonston, Historia Naturalis Animalium: De Ciconia is het eerste hoofdstuk van boek 5. Genoemd wordt ook het nestelen op schoorstenen: "Nidulari ... in summis urbium tectis, ipsis etiam fumariis".]





    § 11.   We moeten het ook hebben over het gehoorzintuig, of ook dit op die verre Aardes aan de levende wezens is toegekend (in de marge: als ze de lucht hebben, die dient om het vuur in stand te houden, nodig is om te ademen, en dient om te varen. Is buitengewoon geschikt voor het gehoor). Waar veel voor te zeggen is. Want ten eerste is deze waarneming zeer voordelig tot instandhouding van het leven, aangezien een naderend gevaar dikwijls herkend wordt aan geluid en geraas; vooral bij nacht, wanneer het hulpmiddel van de ogen ontnomen is. Bovendien roept ook elk van de dieren met een stemgeluid naar zijn gelijken, en zo geven ze elkaar veel te kennen.
Maar hoe groot en hoe bijzonder is het voordeel van stem en gehoor bij wezens die het gebruik van de rede hebben (dat deze soort ook daar te vinden is werd even eerder gezegd). Zodat niet te geloven valt dat een zo voortreffelijk zintuig, en de zo grote kunst van het spreken slechts is uitgedacht ter wille van deze Aarde en van ons; zoals immers veel ontbreekt, in vergelijking met ons geluk, aan hen die een zo groot voorrecht missen, of met welke andere zaak kan dit gecompenseerd worden.
En verder, moeten we menen dat ook de muzikale geluiden en die lieflijkste samenklanken aan ons als enigen gegeven zijn om waar te nemen, terwijl deze hele harmonisch vastgelegde en onveranderlijke natuur (om zo te zeggen) zo geordend is, dat ze nergens op andere aardes of bij andere volken niet op dezelfde wetten kan berusten? Voorzover het althans de geluidsintervallen en samenklinkende afstanden betreft.

    § 12.   Voorts heeft ook de Meetkunde ditzelfde, en ook veel duidelijker, dat ze niet anders dan gegrond op dezelfde beginselen overal te vinden is. Daarom is dit ook één van de argumenten waarom geloofd moet worden dat ze niet slechts aan onze menselijke soort verleend is en daartoe bestemd. Maar er zijn ook andere argumenten, die het nog meer bevestigen. Immers, wij bewoners van deze Aarde zullen toch niet als enigen de loop der gesternten waarnemen, en hun afstanden en de grootte van de wereld meten?

[ 548 ]
Als enigen de omloop van onze bol en het oppervlak onderzoeken? Zullen wij dan als enigen de principes van de werktuigkunde kennen; en die zo vele voordelen, die uit de beoefening hiervan voortgekomen zijn, zullen allen die ontberen behalve wij? Maar nu valt in deze dingen wel het meest in het oog het nut en de voortreffelijkheid van de redelijke geest, zodat degenen die het begrip van deze dingen meester zijn bijna evenveel uitmunten boven de overige mensen, als deze boven een lager soort wezens. Ik zie echter niet wat de bewoners van de overige planeten dan wel aan zoveel goeds ontvangen kunnen hebben, dat hiermee gelijk te stellen is.
En als we alleen maar een hemellichaam als Jupiter of Saturnus beschouwen, hoe aan de daar levenden een grotere drijfveer en gelegenheid voor de studie van de Sterrenkunde te beurt gevallen is, bij zoveel Manen die er rondom gaan, en zo vaak voorkomende verduisteringen ervan, dan zal hiermee niet in overeenstemming lijken te zijn dat daar geen kennis van deze zaken opgebloeid is, terwijl ze bij ons, zoveel minder uitverkoren, met zoveel minder pracht, zulke bewonderenswaardige vorderingen heeft gemaakt.
De zo vaak voorkomende verduisteringen van Manen en van de Zon zullen toch deze bewoners van Jupiter en Saturnus aansporen om de oorzaken van zo grote natuurwonderen te leren kennen? En ook de afwisselende en verbazende verschijningen van de Ringen van Saturnus — terwijl soms bij nacht de vorm van een geweldige lichtende cirkel gezien wordt, onderschept hij overdag gedurende vele dagen het licht van de zon — deze zo verbazingwekkende dingen zeg ik, zullen toch de Saturnusbewoners zelfs tegen wil en dank daartoe brengen? Als inderdaad de verdwijningen van onze zon en maan de mensen tot de studie van de sterren hebben opgewekt, dan zullen zulke grote afwisselingen en veranderingen het des te meer gedaan moeten hebben bij deze Saturnusbewoners.
Stellig niet alleen dit, maar ik zou denken dat de bewoners van beide planeten ook een zeer nauwkeurige Aardrijkskunde van hun bol bezitten, en de uitvinding van de Lengtegraden, wanneer ook daar de zeeën dikwijls met schepen bezocht worden. Maar natuurlijk zullen ze varen, aangezien ze het zoveel makkelijker kunnen dan wij, en met minder risico*).
    *)  De betekenis van deze passage blijkt uit wat Huygens in 1694 zal zeggen in Cosmotheoros (p. 100): "Maar vooral zou de scheepvaart op de zeeën van Jupiter en Saturnus gemakkelijk zijn wegens de rijkdom van meer Manen bij beide; onder geleide waarvan ze de zogenaamde lengtemeting, die ons niet gelukt is, gemakkelijk kunnen bereiken".




    § 13.   Maar misschien zal gezegd worden dat we deze gissing nu met al te veel overmoed uitgebreid hebben. Het volgende valt niet te ontkennen: dat deze bijna dagelijkse verduisteringen, en samenstanden van manen met een zonderlinge verscheidenheid, in die gebieden te zien zijn. Het staat ook vast dat daar voortdurende afwisselingen van dag en nacht in stand gehouden worden, aangezien wij ook weten hoeveel de lengte van de Jupiterdag en de Marsdag is. Want Jupiter stelt in bijna 10 uur zijn hele oppervlak bloot aan de zon, en Mars in ongeveer 24 uur, zoals onze Aarde. En wie kan bij Saturnus, Venus en Mercurius betwijfelen dat ze de gesteldheid van de overige volgen, ook al zijn de perioden nog niet opgemerkt? Verder ben ik er ook nauwelijks onzeker over of het onderscheid van zomer en winter op de planeet Saturnus wordt waargenomen, aangezien zowel de as van de ring als die van het hele systeem schuin staat ten opzichte van het vlak van de Saturnusbaan, onder een hoek van 30 graden, waarvan ook de bol niet veel zal afwijken.
[ 549 ]
Maar wat zijn die zomers en winters lang: vijftien van onze jaren. Op Jupiter daarentegen is er altijd eenzelfde gesteldheid van warmte of koude voor elk gebied, ook al is er een grotere warmte (of minder koude) voor degenen die dicht bij de evenaar wonen, dan meer bij de polen. Zodanig dat gedeelten van het jaar daar alleen gekenmerkt worden door de opgang van gesternten. Doch ik keer terug tot de levende wezens van deze verre aardes.

    § 14.   En als deze er zijn op de Planeten (zoals nu voldoende vast staat), zowel met rede begiftigde als wilde dieren, dan zullen ze zich toch ook voortplanten door geboorte? Er kan tenminste nauwelijks gezegd worden dat dezelfde er voortdurend blijven, als ze daar eenmaal geplaatst zijn. Dan zou het immers nodig zijn dat er op die aardes noch allerlei ongevallen, noch ongelukken, noch vijandschappen, oorlogen of moorden bestaan, waardoor de wezens zouden kunnen omkomen, en dat ze niet door ouderdom aan hun eind komen.
Doch misschien wordt hun soort volgens een heel andere methode hernieuwd dan hier bij ons. Het is zeker mogelijk. Maar toch is de manier van geboorten bij ons zo zonderling en goddelijk, dat nauwelijks geloofd kan worden dat deze zich niet verder uitstrekt dan tot dit bolletje van ons. We zien ook in de zo grote diversiteit van dieren die wij hebben, dat bijna op dezelfde manier de een uit de ander geboren wordt; en niet op de ene manier in de gebieden van Amerika, en op de andere manier in Afrika of Europa of Azië. En tenslotte dat alle bezielde wezens door een gevoel van genot tot voortplanting worden opgewekt; en dit genot overtreft verre al het overige dat met het gevoel wordt waargenomen, en het is evenzeer waar dat het gegeven is tot instandhouding van hun soort, als dat de soort zelf daartoe geschapen is, en in stand gehouden wordt, om dit genot te hebben. Want ook bij hen die de rede beheersen is het toch zo, dat een groot gedeelte van het leven en van alle vreugde besteed wordt aan deze zaken, en vervolgens aan die met betrekking tot de geliefden en de zorg voor de kinderen?
Het genot nu is de hoogste en beste gave van God, en daarom moet ook van die dingen waarin dit bovenal gelegen is, niet gemeend worden dat ze slechts aan bewoners van deze aarde zijn toebedeeld. En ik meen niet dat alleen deze genoegens, die we gemeen hebben met dieren, vergund zijn aan deze planeetbewoners die deel hebben aan de rede, maar ook die van de andere soort, voortkomend uit deugdzaamheid en natuurbeschouwing (aangezien we hun eerder [<] al een geest toegeschreven hebben die hiervoor ontvankelijk is). Zonder genot is er geen reden waarom het leven dierbaar of begerenswaardig zou zijn, noch voor mensen noch voor dieren.
En hier wordt ik niet tegengesproken door Stoïcijnen of filosofen van welke andere leerschool dan ook. Want als aller mening over het hoogste goed juist afgewogen wordt, is er niemand voor wie niet als doel vooropgesteld is het genot: voor sommigen uit eer en deugd, voor anderen niet alleen hieruit, maar ook uit gezondheid, rijkdom, overvloed van alle heerlijke zaken, en voor weer anderen tenslotte uit dingen die in betrekking staan met beloningen na de dood (in vergelijking waarmee ze al deze wereldse zaken verachten). Maar overal hetzelfde doel, genot.
Nu kan ik hier niet stilzwijgend voorbij laten gaan, hoezeer ik mij erover verwonder vanwaar het eerste idee van genot zal zijn opgekomen. Zonder twijfel is een gedeelte van het genot dat ons gegeven is, genomen uit dat eeuwige dat altijd bij God geweest is. En hoeveel moet hij ervan genieten, die dit toegedeeld heeft aan het dierenrijk, en in het bijzonder aan de menselijke soort?




    § 15.*)   Zul je dan zo aanmatigend zijn uiteen te zetten wat God verordineerd heeft in die verre hemelstreken en op die verre hemellichamen? Ik antwoord: er is niets dat ik met stelligheid bepaal of verzeker, maar ik weeg vermoedens en waarschijnlijkheid af. — Maar die kunnen zo zijn op duizend manieren die door jou niet zijn te bedenken. Ik antwoord: dit is juist wat onderzocht zal moeten worden. Hier gaat het over het gezichtsvermogen°); over het zien van de hemellichamen.
    *)  In de marge, met potlood (tot het woord 'hemellichamen'); blijkbaar later toegevoegd.
    °)  Op p. 57 van Cosmotheoros weerlegt Huygens uitgebreid het genoemde bezwaar ['duizend manieren'] met betrekking tot de bouw van het oog (vgl. § 8).
[ 550 ]
Over voedsel. Over het vuur. Over de andere kennis behalve meetkunde, muziek en sterrenkunde (waarover ik gesproken heb [<]), die daarvoor vereist is.

    Verder valt nauwelijks te betwijfelen, denk ik, dat er op het oppervlak van die planeten (of aardes) planten, struiken en bomen groeien. Niet alleen voor de sier, maar opdat daarmee dieren zich voeden. En ze kunnen zich alleen ermee voeden als er voortdurend nieuwe opkomen.

    § 16.   Als inderdaad kennis en waarneming van de verschijnselen aan de hemel verondersteld wordt, hoeveel andere dingen moeten dan niet toegekend worden! Er is immers geen waarneming van de sterren zonder instrumenten, of ze nu gemaakt zijn van metaal of van hout, of een of ander stevig materiaal dat hiervan verschilt; en om dit te doen kunnen ze ook zagen, beitels en ander dergelijk gereedschap van handwerkslieden niet missen. Dan toch ook handen of iets dat als zodanig dienst doet. Maar ook cirkelbogen worden in die instrumenten vereist, en verdeling van bogen in gelijke delen. Nodig is bovendien zowel de overlevering van het getuigenis van waarnemers aan het nageslacht, als de tijdrekening en het tijdstip, die zonder het schrift niet uitgelegd lijken te kunnen worden. Zonder tijdwaarneming kunnen ze nauwelijks zijn.

    Om dan uit het waargenomene een systeem op te maken van de dwaalsterren en van de gehele hemel, dat kan, niet anders dan bij ons, bereikt worden door steeds andere gissingen en hypothesen te verzinnen, en niet zonder de hulp van meetkundige stellingen. Want ze zijn bij lange na niet in staat de afstand van die hemellichamen op het oog te onderscheiden, aangezien bij hen, niet anders dan bij ons, alle sterren op het oppervlak van één bol deels schijnen vastgehecht te blijven en tegelijk meegevoerd te worden, deels er vanaf gedwaald schijnen te zijn. Overigens kunnen ze over de waarheid van een systeem nauwelijks ook zeker zijn, als het hun niet gegeven is duidelijk met de ogen te zien dat de vormen en grootten van de planeten veranderlijk zijn, naar gelang de verschillende blootstelling aan de zon, en de verschillende afstand van de waarnemers. Zodat zij óf met een veel scherper gezichtszintuig geboren zijn dan wij, óf ondersteund worden door een hulpmiddel met lenzen of spiegels, niet ongelijk aan onze telescopen.

    § 17.   Wat als ze niet ontstegen zijn aan barbarij en onwetendheid, zoals onze Amerikanen? Als we naar hen kijken, schijnt het dan niet dat God zich slechts tot taak heeft gesteld dat de mensen van het leven kunnen genieten, en van de goede dingen van de natuur en genoegens, en dat maar weinigen gestreefd hebben naar het opsporen van kennis anders dan de natuur verlangt? Dit kan werkelijk niet gezegd worden. Want hij heeft voorzien dat ook voor de volgende zaken scherpzinnige mensen zouden opstaan: om de hemel te doorzoeken, voor het leven nuttige kundigheden te vinden, de zee te bevaren, metalen te delven. Zou iets hiervan immers tegen de bedoeling van die grote bouwmeester kunnen gebeuren? Ja eigenlijk is het de vraag of niet van hem gezegd moet worden dat hij juist om deze zaken het gebruik van de rede aan de mens gegeven heeft. Want als hij alleen gemaakt was om te leven, en genoegens te hebben die ook dieren meestal ontvangen, waarom heeft hij hem dan een verstand gegund dat zo ontvankelijk is voor wetenschappen en ontdekking? Waarom heeft hij gewild dat de mens wijzer was dan de dieren?

[ 551 ]
    En daarom, als hij dit voorzien heeft, zijn die dingen ook met de menselijke natuur verbonden, en kan de beoefening van kunsten en wetenschappen niet gehouden worden voor iets anders dan wat de natuur verlangt. Doch als ze hier volgens de natuur is, en door Gods gunst, zal ze om dezelfde reden ook op deze overige Planeet-aardes optreden. En zelfs volmaakter en overvloediger op die welke uitmunten in grootte en aantal begeleiders.




    § 18.   Dat de Planeetbewoners van al deze dingen voorzien zijn lijkt dus in zekere zin noodzakelijk, wanneer ze tenminste evenzeer als wij het genot hebben van inzicht in de hemelverschijnselen; en dat dit aannemelijk is hebben we zojuist aangetoond.

    Toch staat één ding dit niet weinig in de weg: dat bij ons Aardbewoners geleerden in de beoefening van de sterrenkunde zo schaars blijken, en het zijn er niet veel méér die verlangen te weten wat de nauwgezetheid van de sterrenkundigen aan het licht heeft gebracht. Ten eerste immers is Europa van de vier werelddelen het enige, waar deze wetenschap beoefend wordt, want dat die voorspellende astrologie waarin zonder onderscheid de volken van Azië raaskallen, niets waard is en hier niet vermeld moet worden, zal geen verstandig iemand ontkennen [<]. Maar in de Europese gebieden is er zelfs niet één op de honderdduizend mensen die deze dingen begrijpt, of er om geeft ze te weten.
Waarom is dan bekendheid met deze dingen aan zo weinigen gegeven, als die bestemd werd voor de menselijke soort? Waarom ook gebeurde het zo laat, na het verstrijken van zoveel eeuwen waarin er of geen (of foute) kennis van de hemelverschijnselen was. Er zijn immers nog geen 80 jaren voorbijgegaan sinds door Kepler de werkelijke en eenvoudige beweging van de planeten ontdekt is*), na verwerping van de epicykel-verzinsels. Om deze reden kan het de schijn hebben dat de uiteengezette kennis van de bewegingen aan de hemel niet bedoeld is voor beschouwing door mensen, die ofwel hier ofwel op de planeten wonen, maar dat God deze voor zichzelf heeft achtergehouden, als passend bij zijn grootheid.

    Maar toch, daar hij aan enigen (ofschoon zeer weinigen) onder de mensen het begripsvermogen heeft gegund, en de vindingrijkheid om zich te verschaffen wat voor dit inzicht nodig is, kan niet ontkend worden dat deze kennis ook voor de menselijke soort bestemd is. Dit is immers niet iets waarvan God niet voorzien heeft dat het zou gebeuren. En daarom kan ook gezegd worden dat hij gewild heeft dat dit aan niet weinigen meegedeeld werd, als we denken aan een tijd van vele eeuwen, ook al was het maar aan weinigen in elke eeuw afzonderlijk. Misschien ook bevinden we ons nog slechts aan het begin, en zal de bekendheid met deze zaken na verloop van tijd veel gewoner worden.


    *)  Astronomia nova van Kepler was verschenen in 1609.
[ 552 ]
    § 19.   O wat een bewonderenswaardig schouwspel zou te beurt vallen aan iemand die naar één van de planeten zou toegaan. Want tot nu toe heb ik bijna alleen gesproken over die dingen waarvan geloofd kan worden dat ze bij hen gelijk aan de onze blijken te zijn. Maar als we nu verder behandelen wat in het begin is aangenomen — dat deze aardes getooid zijn met een geenszins kleinere verscheidenheid dan die van ons, en dat uitvindingen bij de bewoners daarvan, hetzij met betrekking tot de gemakken van het leven, hetzij met betrekking tot genot van de geest, rijk voorhanden zijn, niet geringer dan de onze of daarbij achter te stellen — wat een menigte aan voor ons nieuwe dingen zouden we daar niet aanschouwen. Want niet betwijfeld kan worden dat het hun ontbreekt aan zeer veel dingen waarvan wij ons bedienen. En aangezien ik al hiervoor [<] heb geconcludeerd dat deze tegen andere opwegen, hoe verbazingwekkend, en naar ons denken nooit verwacht, zullen de dingen zijn die zich in deze gebieden vertonen.
Dit zal als volgt het best begrepen worden: als we ons voorstellen dat iemand van de bewoners van Jupiter of Saturnus naar deze aarde van ons overgebracht wordt, onder geleide van een of andere genius (of Mercurius), en als we dan met zekerheid vaststellen dat hij een even grote verbijstering en verwondering zal ondervinden wegens de nieuwheid van de dingen, als wanneer iemand van ons naar de bollen van deze planeten weggevoerd wordt. En het is goed de aandacht te vestigen op alle dingen afzonderlijk die zich aan zo'n vreemdeling zullen vertonen, opdat we tegelijk begrijpen hoe groot het aantal is van dingen bij ons, waarvoor dingen die op de Planeten bestaan niet hoeven onder te doen. Want ook al hebben we aangetoond dat er heel wat aan beide kanten gemeenschappelijk of gelijkend zijn, toch is te geloven dat ook hierin meestal zoveel verschil overblijft, dat ze in staat zijn een zorgvuldige beschouwer te boeien. Hoeveel verscheidenheid is er immers al bij de Amerikaanse dieren en planten, vergeleken met de onze!


    § 20.   Er zijn enige universele dingen, lijkt me. Zoals water en regens om bomen en kruiden te voeden, zowel omdat een zo geregelde methode zeer goed werkt, als omdat het lijkt dat het nauwelijks anders had gekund. Als ze immers een of ander vloeibaar element zouden hebben, waarvan echter door de warmte van de Zon of door inwendige warmte van de aarde niets zou opstijgen (zoals de aard van ons kwik is), welk voedsel zouden dan planten hebben die op wat hogere delen van deze aardes groeien? Of zouden er daar soms veeleer geen groeien, maar dan zou zo bijna die hele aarde helemaal geen voedsel leveren voor dieren! Ja zelfs bomen en kruiden kunnen als iets universeels beschouwd worden; daarvan zijn er zoveel duizend soorten, en toch worden ze met dezelfde doelmatigheid stevig vastgehouden door wortels, met de vezels waarvan ze vocht van de aarde tot zich trekken, en daarmee alleen groeien ze.




    § 21.   Volstrekt nieuw in de Filosofie, en pas in onze eeuw gevonden of bevestigd, is het dogma van een groot aantal werelden, of van aardes in de wereld. Want bij de oude filosofen, ten tijde van Democritus en Philolaus [>], was er wel het vermoeden, doch de waarheid was onzeker, voor hen die nog niet met sterrenkundige methoden een Stelsel van om de Zon draaiende Planeten opstelden, en door overeenstemming met de verschijnselen juist bevonden.
[ 553 ]
Dit is immers door Copernicus voor het eerst gegeven; en door de uitvinding van de Telescoop is het met volslagen duidelijkheid zichtbaar geworden. Hierdoor is dan weer het hele denken van de Filosofie in zekere zin veranderd, daar we nu pas naar waarheid weten wie we zijn, en welk stukje van de wereld. Namelijk een soort van diertjes die rondlopen op het oppervlak van één der bollen die rondom de zon gaan; en ongetwijfeld zijn er van zulke zonnen evenveel als er sterren zichtbaar zijn (de zogeheten vaste sterren), ja zelfs zoveel als er in de immense ruimten zijn. Het is namelijk zeer waarschijnlijk dat er door ons slechts heel weinig gezien worden uit een onbegrijpelijk grote menigte [<]. En bovendien is dit waarschijnlijk: dat elk van zulke zonnen zijn begeleidende aardes heeft.
Wanneer we overdenken dat we inderdaad zó zijn, beseffen we dat we volstrekt iets anders zijn dan waarvoor we gehouden werden door de meeste oude wijsgeren, door wie deze onze Aarde gezien werd als één van de twee hoofddelen van de wereld, met de hemel als het andere. Ook dachten ze dat van de met rede begiftigden één deel bestond uit goden, een ander uit mensen. En dat met het bestuur over de laatsten voornamelijk die goden, of de bouwmeester van de wereld, zich bezig hielden.
Maar deze nieuwe bekendheid van ons met de wereld, hoeveel lager plaatst die ons dan hun beoordeling! En hoezeer verheft tegelijk het inzicht ons boven hen, wij die deze dwaling hebben kunnen ontdekken. Hoeveel groter is ook de opvatting van God die het verschaft, van de schepper van zoveel en zozeer verschillende zaken, die hij volgens zodanige wetten en met een zodanige kunde ingericht zal hebben, dat ze als even zoveel kunstig vervaardigde werktuigen vanzelf konden bewegen, hoe langdurig ook, en dat niets ze zou overkomen dat hij niet zelf voorzien had.

    Wie zal nu zeggen dat zelfs in deze Zonnen, Aardes en manen het gehele werk van God bestaat, aangezien hij ontelbaar veel andere zaken in de oneindige ruimte tot stand heeft kunnen brengen, waarvan wij op geen enkele manier kunnen uitdenken van welke aard ze zijn. Aangezien het zelfs meer overeenkomt met deze immense en onbegrijpelijke Natuur, dat hij zich wijdt aan veel meer en veel verder verwijderde dingen, dan waarvan onze zwakheid zelfs maar een vermoeden kan hebben.




    § 22.   Het begin lag hier. Dat er grote en verstandige mannen zijn geweest die tijd genomen hebben voor deze overwegingen. Anaxagoras [<], Democritus, en recenter Kardinaal Cusanus die vermoed heeft dat planeten en sterren bewoond worden [<]. Plutarchus was bij uitstek een belangrijk schrijver, met zijn boek 'Over het gezicht op de Maanschijf'*).
    *)  Op 15 februari 1692 schreef Fatio de Duillier aan Huygens (deel X, p. 257): "De heer Newton meent vrij duidelijk ontdekt te hebben dat de Ouden zoals Pythagoras, Plato &c. alle bewijzen hadden die hij geeft van het ware Stelsel van de wereld, etc.".
    In een notitie bij deze brief citeert Huygens uit 'de facie in orbe lunae' van Plutarchus (zie ook XVI, 251, noot 2).

    Huygens' antwoord op de brief van Fatio was toen nog niet bekend. Nu (mei 1942) werd onlangs een fotografische afbeelding ervan ontvangen. Het antwoord is van 29 februari 1692 [zie XXII, p. 155] en Huygens drukt zich als volgt uit:
    De heer Newton geeft de Pythagoreërs wel veel eer door te geloven dat ze goed genoeg waren in de meetkunde om zulke bewijzen te vinden als hij gegeven heeft betreffende de Elliptische Banen van de Planeten. Ik voor mij kan moeilijk geloven dat ze alleen al de beweging van Mars, Jupiter en Saturnus om de Zon gekend hebben [...], en de verhouding van hun cirkels. Omdat Plato, toen hij de Geschriften van Philolaus gekocht had [dit feit wordt genoemd door Diogenes Laërtius (^)], er het hele Copernicaanse Stelsel in gevonden zou hebben als het er geweest was, en hij zou er niet over gezwegen hebben. Maar wat betreft de middelpuntvliedende neiging die in evenwicht is met de zwaarte, ik heb er een dezer dagen een spoortje van opgemerkt bij Plutarchus, in de Verhandeling over het gezicht op de Maanschijf, waar hij zegt dat de zwaarte van de Maan haar niet naar de Aarde laat neerdalen omdat deze zwaarte opgeheven wordt door de kracht van haar cirkelvormige beweging°), te vergelijken met die welke men voelt wanneer men een steen in een werpslinger laat draaien. Dat komt naar het schijnt van een oudere filosoof.
    Men ziet dat Huygens in 1690 de verhandeling van Plutarchus al kende en waardeerde; tenzij wat we hier § 22 noemen later is toegevoegd, wat niet het geval schijnt te zijn. [...]
    [ °)  Deze vermelding bij Plutarchus is opgenomen in Cosmotheoros, 199.]
    [ Zie: On the Face in the Moon (1957).]
[ 554 ]
    § 23.   In de marge: Wat als bij de subtiliteit van de meetkundige stellingen gevoegd worden de logaritmen, de verbazende dingen van de algebra: wanneer ik dit overdenk, kan ik me er nauwelijks van overtuigen dat zulke dingen bij de bewoners van Jupiter of Saturnus aangetroffen worden [<]; aangezien deze ook op onze bol slechts in weinige gebieden bekend zijn. Maar als zij ons toch overtreffen in vindingrijkheid, waarom zouden ze dan niet zowel deze als andere zaken opgediept hebben! Of als het niet dezelfde zijn, dan toch andere en betere dan de onze. De meetkunde is toch overal noodzakelijk dezelfde; en evenzo de tonen in de muziek!



[ 555 ]

III.

Het voortbrengen van levende wezens,
van mensen in het bijzonder, is het voornaamste werk
van een Goddelijke wijsheid en intelligentie
    § 1.   Niet de massa van het geschapene moet afgewogen worden bij het beoordelen van uitnemendheid. De enorme massa van de Aarde en van een planeetbol, en van de zon zelf en van de sterren, hebben in dit opzicht niets dat te vergelijken is met het kleinste dier of insect. Want weliswaar heeft die orde van de hemelverschijnselen, en de bestendige en toch veelsoortige beweging, lang geleden een zodanige bewondering gewekt in de menselijke geest, dat men geloofd heeft hierin God te herkennen, niet alleen als maker maar ook als bestuurder en onvermoeibaar beweger; toch lijkt dit nu niet zo noodzakelijk gemeend te moeten worden, nu de enkelvoudige aard van die bewegingen bekend is, die ook zichzelf in stand houdt. Toen immers deze lichamen eenmaal samengebald waren, en in hun banen in beweging gezet (door een onbetwijfelbaar machtige bouwmeester), hebben ze vanzelf hun aangevangen omlopen kunnen voortzetten.
Nu zijn in de gebieden van de aarde wel al die grote dingen als de zee, rivieren, bergen en bossen, en ze verschaffen ons niet weinig nut. Maar aangezien de ligging van al deze zaken volstrekt onregelmatig is [<], zoals op aardrijkskundige globes blijkt, openbaren ze meer de werking van de goddelijke macht dan van de goddelijke intelligentie.
Maar wanneer we de dieren bekijken — of we nu letten op de kunstige samenvoeging van ledematen, of op de wonderlijke waarneming van de zintuigen, of op het mysterie van de voortplanting — dan zien we hier overal aanwijzingen van de fijnste kennis en van de volmaaktste kunde; zoals zelfs alleen al uit de meetkundige bouw van het oog aangetoond kan worden. Deze is, afgezien van de opperste fijnheid in meetkunde, met een zo in het oog vallende opzettelijkheid aangepast aan die beweging van de etherische materie die het licht bewerkt, dat niets ooit minder bij een mens zou opkomen, dan het idee van zo'n uitvinding [<].
En als we letten op het inwendige van de menselijke geest*), hoe ver de dingen die daarin zijn uitmunten boven alle lichamelijke zaken, en boven kunstwerken die ontleend zijn aan werktuigkunde en meetkunde. Zoals het geheugen, het begrijpen, het maken van gevolgtrekkingen, het genotsgevoel. Deze zijn zodanig, dat ze het bevattingsvermogen en de grenzen van ons verstand zeer ver te buiten gaan.
    *)  Vergelijk wat Huygens al in 1653 zegt op p. 135 van deel XIII, over de onmogelijkheid te begrijpen hoe "de afbeelding van het zichtbare, achterin het oog, vandaar naar de hersenen en onze geest overgebracht wordt".
[ 556 ]
    Aangezien dus onder de werken Gods het ontwerpen van dieren en mensen uitsteekt boven de andere, is het niet waarschijnlijk dat de voorzienigheid dit voorname werk alleen heeft ondernomen op deze Aarde van ons, en op de overige niet iets dergelijks, maar slechts die dingen waarin geen spoor blijkt van voorbeeldige kunstvaardigheid.


    § 2.   Dat met de rede niet begrepen kan worden van waar bezielde wezens komen, of hoe ze geschapen zijn.


    § 3.   Wat meer is, uit deze dingen betreffende de dieren en mensen wordt op de een of andere manier noodzakelijkerwijze die hoogste intelligentie en voorzienigheid afgeleid, terwijl van al het overige dat we zowel op aarde als aan de hemel zien, menige hardnekkige volgeling van Epicurus zal aantonen dat het ontstaan kan zijn uit de atomen en hun beweging. Maar wanneer zij bij de dieren zijn aangekomen, wringen ze zich tevergeefs in allerlei bochten, en tenzij ze dwaas zijn moeten ze bekennen dat ze de vinger Gods hierin herkennen, waarin alles zo met zorg geregeld blijkt tot een vastgesteld einddoel. Wie is immers zo onbeschaamd dat hij zegt dat vogels vliegen omdat ze vleugels hebben; en niet dat de vleugels gegeven zijn om te vliegen?*) (in de marge, doorgestreept: en dat vruchten of al het overige waarmee we ons voeden niet daartoe geschapen zijn, maar dat wij datgene eten, dat we als voedsel geschikt vinden).


    *)  Vergelijk wat Leibniz zegt in zijn 'Discours de Métaphysique' van 1686, te weten dat men zich moet "verre houden van de frasen van enige zeer aanmatigende geesten die zeggen dat men ziet omdat het blijkt dat men ogen heeft, zonder dat de ogen gemaakt zijn om te zien".


    § 4.   In bijna dezelfde benarde toestand brengen de nieuwe filosofen zich. Wanneer hij*) immers de goddelijke macht alleen maar ontleent aan de beweging die aan de materie gegeven is, met de werking en de wetten waarvan hij leert dat Zonnen en Aardes gemaakt zijn en daarop bijna alles wat we zien — ofschoon meestal met al teveel overmoed — vermeldt hij volstrekt niets over de oorsprong van dieren of mensen, of tenslotte van de kleinste insecten. En dat is ook geen wonder, aangezien op generlei wijze begrepen kan worden dat uit eenmaal zo in snelle beweging gebrachte materiedeeltjes, iets van die aard, hoedanig dan ook, tot een bezield wezen aaneengesmeed gaat worden. Wat zij openhartig hadden moeten bekennen, en daarmee dat hierin voor hen niets duidelijk was.


    *)  Huygens had in de vorige zin eerst geschreven: ... brengt Descartes zich.
[ 557 ]
    § 5.   Hiertoe werd dus een of andere bijzondere werkzaamheid van God vereist, en op welke manier deze zich voltrokken zal hebben bij het bouwen van zoveel verschillende vormen van levende wezens, en bij de verspreiding op Aarde, dat is inderdaad het hoogste en grootste van alle dingen die ik ooit verlangd heb te weten. Dit wordt door het verhaal van Mozes slechts toegeschreven aan de wil en de macht van God, wanneer het vertelt dat alles ontstaan is op zijn bevel. En verder heeft het menselijk denken of vermoeden nooit iets kunnen uitvorsen, en het zal dit ook nooit kunnen doen.



    Hier staan citaten uit de 'Dialogues' van la Mothe le Vayer, die opgenomen zijn als Appendix [>]; zie de inleiding [Avertissement, 537].




    § 6.   Wat zeggen de filosofen hier? Enigen hebben het gewaagd een eeuwige wereld en een eeuwige afstamming van de mensen te stellen, waarmee ze zowel het samenlopen van atomen als de voorzienigheid uitsluiten. Want wanneer iets er eeuwig geweest is, kan dit geen enkele maker hebben, aangezien van twee eeuwige geen van beide eerder of later dan de ander ontstaan is. Tegen hen worden gewoonlijk veel dingen aangevoerd, sommige ook op grond van de natuurlijke gesteldheid van de Aarde en de veranderlijke aanblik. Mij lijkt het volgende nieuwe argument, ontleend aan de filosofie, de voorkeur te verdienen boven andere.

    Dat alle mogelijke dingen die op een bepaalde manier zo zijn, terwijl ze van nature ook anders hadden kunnen zijn, een oorzaak hebben waardoor ze zijn zoals ze zijn. Dat er daarom een tijd geweest is toen ze niet zo waren, en dat ze dus niet van alle eeuwigheid zo geweest zijn [<].

    De Aarde heeft een bolvorm, terwijl ze ook die van een cilinder of kubus had kunnen hebben. (In de marge: Zeshoekige kristalvorm). Er is dus een of andere oorzaak die haar in deze vorm heeft samengevoegd. De materie ervan was er dus eerst, en derhalve heeft deze aardbol er niet eeuwig kunnen zijn. De Planeten gaan alle in dezelfde richting rondom de Zon, terwijl enkele in tegenovergestelde richting hadden kunnen lopen. Er is dus een of andere oorzaak die al deze kringlopen genoodzaakt heeft plaats te vinden. Bijgevolg is de orde van dit stelsel niet van alle eeuwigheid. Het geheel van de Aarde is het vijftigvoudige van de grootte van de Maan; waarom niet het honderdvoudige, of gewoon gelijk, tenzij omdat een zoveel grotere voorraad materie is samengelopen voor het vormen van de aarde. De bol zelf is er dus niet altijd geweest.

[ 558 ]
    § 7.   Maar de waarheden van de meetkunde. [<]
    Men kan zeggen dat Huygens zich hier als Pythagoreër en Platonist laat zien. [...]




    § 8.   Maar als je je de wereldruimte voorstelt, kun je niet bedenken dat deze anders kan zijn dan op één manier, namelijk dat ze uitgestrekt is tot in het oneindige. Hier moet dus geen oorzaak gezocht worden die haar zo gemaakt heeft, en volgens dit axioma staat daarom niets de veronderstelling in de weg dat ze er altijd geweest is.


    § 9.   Desniettemin heeft de rondheid van de Aarde een oorzaak, zoals een waterdruppel, of de bellen van een kind, van water gemengd met zeep. En daarom heeft zoals deze ook de aarde zich uit een gedeelte van de materie tot een bol samengepakt. Dus is ze in vorm gebracht, voordat de dieren en bomen er op gezet zouden worden. Maar hoe dit gedaan is of met welke ontwikkeling? Laten de filosofen het zeggen, als ze kunnen.

    Parmenides uit de Zon*), maar bijna allen uit de aarde; er kan immers nauwelijks gezegd worden dat ze van elders aangevoerd zijn. Maar hoe uit de aarde? Want een van slijk gemaakte diervorm, zoals ze vertelden dat de mens door Prometheus gemaakt was, staat buitengewoon ver van wat een dier is: samengesteld uit botten, spieren, zenuwen, ogen en zoveel andere ontelbare delen er binnenin. Zullen de eerste mensen soms zoals die Tages°) uit een vore in de Aarde opgedoken zijn? Het zou lang duren om alle verzinsels van volken hier weer te geven, waarin niets is dat enige schijn van waarheid heeft. Enigen hebben gemeend dat muizen uit Egyptisch leem voortkomen; en als dit zo zou zijn, zou het ook zo kunnen zijn met olifanten en mensen.
Maar dat is volstrekt niet geloofwaardig, dat uit een stukje aarde, hoe ook gemengd met water, een zelfbeweger met zo'n grote bekwaamheid tevoorschijn komt; en nu is voldoende bekend en door experimenten duidelijk dat alles uit zaad ontstaat, ja zelfs ook insecten. En als muizen uit aarde geboren worden, waarom dan niet voortdurend steeds weer andere diervormen? Of waarom wordt niet al het Egyptisch leem in muizen omgezet?


    *)  In zijn 'De vitis' etc. zegt Diogenes Laertius, sprekend over de leer van Parmenides (IX, 22): 'dat de wording van mensen eerst van de zon gekomen is. want dat deze beschikt over warmte en koude, dat alles daaruit ontstaat'. Volgens Parmenides, lijkt ons, komen de mensen niet van de zon, maar zijn ze oorspronkelijk hier beneden voortgebracht door de zonnestraling.
    °)  Cicero, 'de Divinatione' II, 50: "Van een zekere Tages wordt gezegd dat hij in een Tarquinische akker plotseling tevoorschijn gekomen is, toen de aarde beploegd werd .... zoals in de boeken der Etruriërs staat".
[ 559 ]
    Erkend moet dus worden dat, nadat de Aarde tot een bol was samengesmolten, op de een of andere wonderlijke en voor ons onbegrijpelijke manier de dieren en daarmee de mensen gevormd zijn. Het valt ook nauwelijks te betwijfelen, of de Aarde is gebouwd om er levende wezens en mensen op te plaatsen. Dus zijn ook de overige Planeten er voor een dergelijk doel; en men moet niet menen dat dit voornaamste en voortreffelijkste werk van God daar ontbreekt. Omdat de natuur immers ook met zichzelf ingenomen schijnt te zijn geweest, bij zoveel diervormen die er te vinden zijn!



[ 560 ]

IV.

Ongewoon schouwspel voor vreemdeling, van Jupiter aangekomen

    § 1.   Hoe ongewoon zou dan aanvankelijk het schouwspel zijn voor onze Reiziger die van Jupiter zou aankomen [<]: een zonneschijf die zich zoveel groter vertoont, en die zoveel helderder is dan hij hem op zijn Aarde gezien zal hebben; de diameter wordt namelijk het vijfvoudige, het schijfoppervlak en de warmte vijfentwintig keer zo groot. Wat een daglengte, want op Jupiter zijn alle dagen van 5 uren, en de nachten daaraan gelijk. Wat een afwisseling van zomer en winter, die er voor de Jupiterianen helemaal niet is. Wat een bomen en planten, alle geheel afwijkend. Wat een steden, paleizen; zoveel torens, opgebouwd door zulke kleine wezentjes.
Welk een verbazing over nooit geziene dieren die op Aarde lopen, vogels, vissen, en over zoveel verscheidenheid bij deze afzonderlijk. Zoals van het Paard, Hert, Olifant, Stekelvarken, Schildpad, Slang, Adelaar, Vleermuis, Struisvogel, Pauw, Walvis, Krokodil, Kanarie, Oester, Rog, Aal. Maar vooral van dat dier dat zich overal vertoont, dat heerst over de andere, dat uitmunt in begrip, dat zich voedt met de meeste van deze, en andere berijdt of voor wagens spant. Wat een verbazende bontheid van kleding. Wat zou hij zeggen over de vorm van de mens, het gezicht, het lopen en rennen. Wat een zeer grote schoonheid zou hij ook niet waarnemen bij de vrouw. Maar zodra hij van zijn begeleider Mercurius zoveel inzicht en begrip ontvangen zou hebben als nodig is, hoezeer zou hij dan het vermogen om te spreken bewonderen, als hij dit althans niet eerder gekend had bij de zijnen.

    Of wat zou hem de uitvinding van het schrijven toelijken, om alles mee te delen aan wie ver weg is, of om de gedachtenis aan gedane zaken en oude tijden te bewaren. En de meetkundige en rekenkundige methoden waarmee we de afstanden onderzoeken van zon en sterren, en van Jupiter zelf. Ook al hebben we immers hiervoor aangetoond, in een aannemelijk vermoeden, dat dergelijke kundigheden, welke dan ook, niet ontbreken bij de planeetbewoners, wie zal niet van mening zijn dat het met veel daarvan bij ons toch anders gesteld is? Wat te denken van werktuigen en verschillende instrumenten? En van uurwerken en automaten, en van telescopen.

    Wat een opeenstapeling van zoveel uitvindingen alleen al op de schepen en bij hun gebruik: touwen en katrollen waarmee een zo groot gevaarte door mensen bestuurd wordt. Zeilen waarmee ze zelfs tegen de wind in zwoegen, een Roer, een Doosje met een magneetnaald, kennis van de Breedtegraad uit de waarneming van de Zon.

    Wat een verschrikkelijke werking van nitraatpoeder in het bronzen geschut, en door verbrijzeling van holle ijzeren bollen. [^]

    Wat zou hij denken van de oorlogen zelf, en van de wederzijdse vernietiging van mensen. Van de ijver om de stof van verschillende metalen, hout stenen, wol, leer aan te passen aan ons gebruik; van het gereedschap van de handwerksman: zagen, vijlen, beitels, boren, de draaibank;

[ 561 ]
van het linnen van plantaardige oorsprong, van het glasmateriaal en de zo grote handigheid om dit in vorm te brengen; van de spiegels en de spiegelbeelden daarin; van de zijde, het weefsel gemaakt van het spinsel van wormen; het zaaien van het koren, wijnen uit smakelijk sap van druiven; van de brandbare wijngeest; van de nachtelijke lichten van was en kaarsen.
Hoezeer zou hij de scherpzinnigheid van het menselijk verstand bewonderen. En hoezeer aan de andere kant de diepte van de goddelijke voorzienigheid bij de verschillende manieren van voortplanting, bij het verschil van de seksen, en hoe landdieren hun jong meestal een zekere tijd binnen het lichaam voeden, en vervolgens, als ze ter wereld gebracht zijn, zogen; het geslacht der vogels brengt eieren voort. Vissen werpen evenzo eieren, maar myriaden heel kleine, die, als ze met zaad van de zee in aanraking gekomen zijn, niet anders dan door de zachte warmte van het water worden uitgebroed. Hoe verschillend hiervan zou hij ook het ontstaan en de verandering van de insecten bemerken: uit het ei een rups of wormpje, hieruit een aurelia*), hieruit komt na een lange rustperiode een vlieg of vlinder tot stand, waaruit weer eieren komen.

    Van deze dingen zou hij deels zich herinneren een zekere gelijkenis gezien te hebben op Jupiter, deels zou hij ze als geheel en al nieuw zien.


    *)  Huygens geeft blijkbaar met 'aurelia' — een woord dat ons onbekend is — de pop (nimf of chrysalide) aan. [XXII, 752: Malpighi noemt aurelia, 1669.]
[ J. Jonston, Historia Naturalis Animalium (1650): 'Aureliae' (op p. 152: "Chrysalidem, sive Aureliam"); Ned. 1660: afb., tekst (6e: "een tonnetje van een Rups, met een rode pop omwonden").
J. Goedaert, Metamorphosis naturalis, ofte Historische beschryvinghe ... (z.j.), p. 17: "gheen beweginge, ... hebben de ouden genaempt chrysalides ende aurelias".
J. Swammerdam, Van de bloedeloose Dierkens (1669), voorwoord: "Chrysalis ofte Aurelia ... somtijts goutverwig ... Gulde Popken", fig., p. 25, 28 en 132: Malpighi.
Deze werken stonden in Huygens' bibliotheek. Zie lezing Boeken ....
Bij een bezoek aan Swammerdam in 1670 had Huygens verbazende dingen gezien, zie OC VII, 45.]
    [ Tegenwoordig is 'aurelia' de naam van een vlindersoort met goudkleurige vleugels (^).]


    § 2.   Wij dan zullen, dit alles samengenomen, van mening zijn dat er op die Planeet geenszins minder of slechtere dingen bestaan, als we denken aan wat hierboven gezegd is. Ja zelfs zullen we niet zonder reden vermoeden dat er op een zoveel grotere Aarde zowel meer als betere dingen zijn.

    Dat er bij hen veel dingen zijn die ons niet in de gedachte kunnen komen. Maar dat er andere zijn die deels met de onze zijn te vergelijken, deels ervan verschillend. Op Jupiter hebben lichamen ongeveer dezelfde zwaarte als hier, zoals uit de berekening van Newton en van onszelf*) wordt opgemaakt. En daardoor vallen ze met een overeenkomstige snelheid. Toch kan de lucht bij hen dikker en zwaarder zijn, en meer weerstand bieden aan de beweging van lichamen. Het water kan zwaarder of lichter zijn dan het onze. Doch minder vloeibaar of doorzichtig kan het niet zijn, zonder dat het ook minder mooi is en minder nuttig. Wolken op Jupiter zijn vrij duidelijk waar te nemen aan de herhaaldelijke verandering van enige vlekken en zones die donkerder zijn dan de rest van het lichaam°).

    De dieren kunnen groter zijn dan de onze, maar misschien kleiner; want ook in de daglengte is de verhouding van de bollen niet aangehouden. Er kunnen meer soorten zijn die zich bedienen van de rede. Ze kunnen zich voeden niet met dieren, maar met de opbrengst die de grond schenkt. Ze kunnen minder roerig leven dan onze volken, ofschoon gezien kan worden dat armoede en de noodzaak ongemakken te beperken de oorsprong gegeven hebben aan verscheidene uitvindingen.

    Het is te geloven dat de vormen van zowel dieren als bomen en planten allemaal verschillend zijn van de onze hier, aangezien er in de gebieden van Amerika nauwelijks gevonden zijn die gelijk zijn aan de Europese, behalve van enkele vogels, die door de lucht overgestoken zullen zijn van hier naar daar, of van daar naar ons.


    *)  Zie p. 408-412.             [ °)  Recente afbeelding: apod (Cassini, 2000).]
[ 562 ]
    Dieren die daar met de rede begiftigd zijn kunnen niet handen missen, of ledematen die niet veel daarvan verschillen. Een of andere filosoof heeft deze zo nodig geacht — in de marge: Anaxagoras; zie Plutarchus, 'Over broederliefde', begin — dat hij hierin de oorzaak aangaf van van de verstandigheid van de mens. Ik denk dat hij dit bedoelde: dat mensen zonder deze handen niet gekomen zouden zijn tot ontwikkeling van de geest en wetenschap, en kennis van zaken. Want stel je voor dat in plaats van handen hoeven gegeven waren zoals aan paarden of runderen: nooit zouden ze steden of huizen opgebouwd hebben, ook al waren ze voorzien van de rede; ze zouden niets hebben om over te praten, behalve over dingen betreffende voedsel en paring; alle wetenschap zouden ze missen, alle gedachtenis aan dingen; tenslotte zouden ze weinig van beesten verschild hebben*).
    *)  Deze passage, vanaf "stel je voor", staat bijna letterlijk in Cosmotheoros: zie p. 86.



[ 563 ]

Aanhangsel I.

bij

'Bespiegelingen over de aannemelijkheid van onze conclusies' etc.


Uit de dialogen van de la Mothe le Vayer.*)
    Een ziel die uit het lichaam is verwijderd kent geen liefde en herinnering. Aristoteles, boek 1 et 3 van 'Over de ziel', cap. 6.

    Paus Gregorius de grote heeft verboden dat boeken van Cicero gelezen werden.

    Basilides onderschreef dat er niets onlichamelijks is. Sextus Empiricus, 7, 'Tegen de Wiskundigen'.

    "Zo immers is de gezindheid der mensen, zoals hun de Vader
    Aller mensen en Goden het iedre dag voorschrijft ..."
Filosofie van de Sceptici°).

    Weinigen zullen dat plan dat ze opgevat hadden geheel ten einde hebben kunnen brengen. Seneca ep. 109 [108.7].


    [ *)  François de La Mothe-Le-Vayer, ca. 1585 - 1672], Dialogues II, p. 28 (Dialogues de l'ignorance louable); 25, 41. [...]  [Reisverhaal, XXII, 547]
    °)  Dialogues I, p. 17 (Dialogue de la philosophie sceptique). Citaat uit Homerus (Odyssee XVIII, 136-137, hier uit de vertaling van Aegidius W. Timmerman) [...].
[ 564 ]
    P. Paolo had bedacht dat de menselijke soort afkomstig was van enkele Tritons en zeenimfen*). Maar vanwaar dacht hij dan dat dezen waren gekomen?

    Want we moeten niet zeggen dat dezelfde meningen van stervelingen eenmaal of tweemaal, of een willekeurig klein aantal malen voorkomen, maar oneindig vaak. Aristoteles, boek I. Meteor. c. 3.

    Omdat wanneer Epicurus zegt "Laat een wijs iemand niet toetreden tot de politiek, tenzij wanneer zich iets voordoet" dat hetzelfde is als wat Zeno uitgesproken heeft: "Laat hij toetreden tot de politiek, tenzij wanneer iets het belet". Want in werkelijkheid onderwijzen beiden de afzondering.

    Ze zullen bevonden hebben hoe hun rust meer voordelig was voor de mensen, dan het heen en weer lopen en zich uitsloven van anderen. Cicero°).

    U zult niet geloven hoeveel ik heb verloren, sinds ik wacht op deze politieke liedjes, zowel in gezondheid als in geestesgesteldheid, en in levendigheid van de hersenen. Maar daar het een lichtzinnigheid is te denken dat iets ons bezit is, kan er beter lachend aan voorbijgegaan worden dat ik het verschuldigde verlies. Uit een brief van P. Paolo.

    Verscheidenen hebben met St. Augustinus geloofd (in de marge: niet), en met de spitsvondige doctor Scotus,†) dat vrouwen niet zouden deelnemen aan de algemene opstand, dan na verandering van sekse, en met verlies van de vrouwelijke voor de mannelijke.

    De vrouw is dan nog goed, wanneer ze openlijk slecht is.


    *)  Dialogues I, p. 147 (Le banquet sceptique). [ Paolo Sarpi (1552 - 1623).]
    °)  [...] Additions, p. 894: Bij vergissing schreef Huygens 'Cicero' in plaats van 'Seneca': Het geciteerde is te vinden bij de laatste, in zijn dialoog 'Ad Serenum de Otio'. De alinea ervoor is ook ontleend aan 'De Otio', cap. III: "[... Epicurus ... Zeno ...] De één ontleent het ambteloos leven aan het voorgestelde, de ander aan een oorzaak".
    †)  Het gaat om Johannes Scotus Erigena (negende eeuw).
[ 565 ]
    Het huwelijk wordt genoemd: overspel met één. Seneca, 'De beneficijs' 3, 16.

    Epicurus noemde de wilde dieren spiegels van de natuur. Cicero, 'De finibus' 2, 32.

    Geen enkele filosoof heeft immers tot nu toe bewezen dat de menselijke ziel onsterfelijk is, geen enkele bewijsreden blijkt, maar door het geloof nemen we dit aan, en het stemt overeen met aannemelijke redeneringen. Kardinaal Cusanus, bij de uitleg van de woorden in h. 3 van Prediker, aan het eind "Wie weet of de geest van de zonen van Adam omhoog opstijgt ten hemel" &c.
    Huygens schreef bij vergissing Card. Cusanus in plaats van Card. Cajetanus (eveneens eerder dan Descartes).


De las cosas mas seguras
la mas segura es dudar.
Van de zekerste dingen
is het zekerst de twijfel.



[ 566 ]

Aanhangsel II.

bij

'Bespiegelingen over de aannemelijkheid van onze conclusies' etc.


    Om een idee te geven van de Dialogen van de la Mothe le Vayer, die blijkbaar een zekere invloed gehad heeft op Huygens, worden enkele gedeelten gegeven.

    II, p. 184 e.v. (Dialoog over Halstarrigheid):
    "Zo weinig ben ik geneigd te denken dat lange studies en diepe overdenkingen een dogmatische en bevestigende geest .. scherpzinniger maken, en beter laten oordelen over wat hij zich heeft voorgesteld te verkennen, dat ik integendeel meen dat zijn arbeid hem vaak slechts dient om zich te verwijderen van de waarheid & om hem des te halstarriger te maken tegen haar. Wat voortkomt uit wat Aristoteles zo goed bespreekt in het laatste hoofdstuk van het tweede boek van zijn 'Metafysica', te weten dat onze manier van opvatten, leren en bespreken heel vaak afhangt van de gewoonte, die ons meevoert en in dit opzicht zelfs tyranniseert, luisteren of manieren van leren gebeuren volgens de gewoonte.
Zodanig dat wie zich overgeeft aan de Wiskunde alles wil onderwerpen aan de bewijzen van zijn wetenschap, wie van fabels en mythologie houdt, spreekt & drukt zich uit in gelijkenissen. Zo bijvoorbeeld de Filosoof en Musicus Aristoxenus bij Cicero, 'Tusc. disp.', I, hij verwijdert zich niet van zijn vak, als hij beweert dat onze geest niets anders is dan een zoete harmonie*); zo ook onderwierp Pythagoras heel zijn Filosofie aan de mysteriën van zijn getallen; Aristoteles zelf aan de regels van zijn Logica; Plato aan zijn ideeën;


    *)  Tusculanae disputationes, I, X. Cicero voegt terecht toe: "en toch heeft hij [Aristoxenus] iets gezegd, dat in die zin ook veel eerder door Plato zowel gezegd als verklaard was".
[ 567 ]
Democritus & uw Epicurus aan hun Atomen of onbuigzame lichamen; de Chemici aan hun principia & fornuizen; de Kabbalisten & Rozekruisers aan hun tradities & raadselachtige figuren; Gilbert aan de magnetische werking; Copernicus (na Philolaus & Hicetas als schrijvers over deze gedachte) aan de beweeglijkheid van de aarde; kortom, elk vormt zich een redeneringsmethode, & vervolgens een afzonderlijk systeem, & op zijn manier.
Nu, zodra een denker, hoe goed hij vaak ook is, zich zo heeft laten leiden door een of andere bijzondere verbeelding & bevooroordeeld is om deze te ondersteunen, heeft hij geen energie meer voor iets anders dan zich te bevestigen & daarin te verstarren, met kracht verwerpend al wat hem schijnt te kunnen weerstreven. Hiervan heeft Bacon opgemerkt dat het zeer wel genoemd kan worden idolen van de grot in zijn 'Novum Organum' [XLII], iedereen heeft immers, zegt hij, een soort individuele grot of hol, waardoor het licht van de natuur wordt gebroken & vervormd; & we kunnen wel zeggen dat de mens in deze zin zeer idolaat is, met misschien alleen de Scepticus die zich er enigszins van kan vrijstellen te vervallen in deze vleiende idolatrie van zijn fantasieën, door zijn onbekommerde innerlijke geestesgesteldheid".

    P. 235-6 (zelfde dialoog):
    "Dogmatici, die vooringenomen zijn, zien dikwijls de dingen slechts met de scheefheid die het gevoelen dat ze verwachten begunstigt, en het is dus geen wonder dat ze vlot geneigd zijn voor het ene of voor het andere standpunt te kiezen, met zoveel gewicht dat men hen er niet meer van af kan brengen, zij die op weinig letten, spreken vanuit het gemakkelijke*). Maar wat de onzen betreft, die behoorlijk nadenken over de aannemelijkheid van alle stellingen, in plaats van zich gedachteloos te laten meevoeren volgens een standpunt, zij vertrouwen belangeloos op eigen kracht, tussen de uitersten van zoveel verschillende meningen. En dit is de mooiste & gelukkigste toestand die een Filosofische geest kan bezitten.


    [ *)  Francis Bacon, The Advancement of Learning, p. 19.7, citaat uit Aristoteles (hier ook Cicero en de musicus).]
    Zie ook r. 6-7 van p. 3 van deel XIX.



[ 568 ]

Aanhangsel III.

bij

'Bespiegelingen over de aannemelijkheid van onze conclusies' etc.


    Chartae astronomicae, f. 129.
    Het is een vreemde zaak, het idee van genot, en van het gevoel dat we ervan hebben, zowel van dat van de geest als van dat van het lichaam, dat ook aan de geest toekomt. De goddelijkheid die mensen en dieren hiermee begiftigd heeft, moet in het bezit zijn van een oneindig veel groter genot, voor ons onvoorstelbaar. [<]

    Het is waar dat niemand nog tot de ontdekking gekomen is dit onder de eigenschappen van goddelijkheid te plaatsen, behalve misschien de Epicuristen, maar ze spraken er niet in alle ernst over*).


    *)  Dit is een herhaling van § 10 op p. 528. Vergelijk wat Lucretius zegt over de goden, p. 364, noot.


    Chartae astronomicae, f. 127 v.
    Dat ik de vreugde opgemerkt heb van degenen die het ware stelsel goed begrepen en zich ervan overtuigd hebben. Nog veel meer als het hun overkomt een of andere nieuwigheid te ontdekken. Welke vreugde moet Copernicus wel niet gehad hebben toen hij zichzelf als filosoof tevreden gesteld had. Welke vreugde voor Galilei bij het zien van zijn grote ontdekkingen, vooral van de satellieten; alle om het stelsel te bevestigen.


    Zelfde plaats.
    Bij gebrek aan voldoening schenkende bezigheden geeft de geest zich over aan voorbijgaande genoegens, die er dikwijls alleen kunnen zijn ten koste van anderen.


    [Cf. XXII, 493: bij hoge uitzondering is dit met potlood geschreven, niet voor publicatie bestemd; het zijn de enige regels van Chr. Huygens waarin enige bitterheid doorklinkt. ]


    Chartae astronomicae, f. 122.
    Wij hebben een positie om ons bezig te houden met veel mooie en aangename zaken, maar we bederven ons geluk door onze dwaasheid en slechtheid.






Christiaan Huygens | Bespiegelingen ... levende wezens op andere planeten (top)