Chr. Huygens | < Oeuvres XXI > | Brontekst

Diversen , wervels , planetarium , vaste sterren , bespiegelingen


[ 349 ] OC

Smith et Chamberlain*). 12 Sept. 86.

Gemengde gedachten

[ 1686 ]

    § 1.°)   Als ik de vorm van de maanbaan om de aarde teken, die ik op een stuk van zijn grote baan zet, moet ik de dagelijkse beweging van de aarde aanduiden, en op welk interval van de grote baan ze in 24 uur een omwenteling maakt.


    § 2.)   Dat ik niet zal halt houden om de redenen te geven voor de beweging van de aarde, maar dat ik het stelsel volgens Copernicus zal aannemen.
    Kepler heeft het stelsel tot een prachtige eenvoud teruggebracht, zodat het gemakkelijk te begrijpen is.


    § 3.   De aphelia heb ik niet kunnen weergeven, en ook niet de bewegende knopen, en de dagelijkse beweging van de aarde.
    En de beweging van de aequinoxen ten opzichte van de vaste sterren.
    En de beweging van de zon om zijn as.
    En de beweging van de satellieten van Jupiter of van Saturnus.
    En de schuine stand van de ring.


    *)  We weten niet over welke Smith en over welke Chamberlain het gaat. [...]
    °)  Huygens is in gedachten nog steeds bezig met het vervolmaken van zijn planetarium; maar na van Ceulen (1681-82) schijnt hij geen andere vakman ingeschakeld te hebben om zijn projecten te verwezenlijken.
    )  Hier denkt Huygens aan een toekomstige beschrijving van het planetarium [...].  [>]

[ 350 ]

    De lichamen van zon en planeten gaan hun echte verhoudingen verre te boven, evenals ook de banen van de satellieten.
    In de marge: Er moet gezegd worden hoe men de planeten op hun plaats zet, op de gegeven dag die dient als tijdstip van waarneming.


    § 4.   Over het plezier dat de beweging van de planeten geeft, als men ze met de zwengel laat lopen.


    § 5.   Bij het uitleggen van mijn ongelijkheid van de planeten zal ik het hebben over de foute conclusie van Kepler, die beweert dat de zon ze beweegt, en ongelijk naar gelang van de afstanden.
    In de marge: Of men niet de snelheid van eenzelfde planeet zou kunnen stellen volgens de regel die ze onderling aanhouden voor hun periodieke beweging.


    § 6.   De reden te zoeken waarom de planeten ongeveer in een zelfde vlak zijn, en elk in het vlak dat door de zon gaat.
    Waarom ze om hun as draaien, met hun begeleiders, alle in een zelfde richting, en dezelfde als de grote wervel.


    § 7.   Tegen het aangrenzend zijn van de wervels van Descartes. Zijn dwaling als hij het over kometen heeft, waarvan hij denkt dat ze waargenomen worden zodra ze de begrenzingen overschrijden van onze wervel met de naburige wervels. [>]

[ 351 ]

    § 8.   Laten we ons er niet op beroemen heren van de gehele natuur te zijn. Het is al meer dan we kunnen vragen, dat we &c. Zie Power in 'Magnetical Experiments' pag. 164*).


    § 9.   Laten we er aan wennen getallen te bedenken die zoveel cijfers hebben als de aardbol aan zandkorrels kan bevatten [>].


    § 10.   Ze schijnen te vrezen dat er een waarheid gevonden wordt in strijd met de waarheid, of dat feiten niet overeenkomen met het woord van God.


    § 11.   Dat wij in de hemel zijn [>]. dit na de grote uiteenzetting.
    Dat de waarheid geworden is wat hersenschimmen leken te zijn. Democritus. Bruno, maar hoezeer heeft hij gedwaald.


    *)  Experimental Philosophy, In Three Books: containing New Experiments microscopical, mercurial, magnetical.[...]. By Henry Power [...] 1664. [...] III.4 "That the World was not made Primarely, nor Solely for the use of Man, nor in subserviency unto Him and his Faculties" heeft op p. 164:

Let us not therefore pride our selves too much in the Lordship of the whole Universe, 't is more, I am sure, than we could challenge from our Creatour, that he hath made us such Noble Creatures as we are, that he hath given us such a large Inheritance, as the whole Globe of the Earth, that he hath Subjugated all things therein to our use and service; and lastly, that he hath endued our Souls with such spiritual and prying faculties, that we can attempt and reach at the Superiour and more mysterious works of his Creation, and therein to admire those things we are not capable to understand. As for the Earth being the Centre of the World, 't is now an opinion so generally exploded, that I need not trouble you nor my self with it. Etc."  [>]

[ 352 ]

    § 12.   Argument van de middelpuntvliedende kracht voor het nieuwe stelsel.


    § 13.   Dat de grootte van de hemellichamen en de ruimten die ze innemen en hun bewegingen niet zo zeer het bestaan van een supreme intelligentie laten zien, als de dingen die we hier zien in planten en dieren, hun voortplanting, hun instandhouding [>]. En vooral in het denkvermogen van de mens.


    § 14.   En marge: .... in een of ander kort verhaal bij de automaat [<,>] waarmee we de bewegingen van de planeten nagebootst hebben te onderscheiden, of zeker bij de uitleg ervan te vermelden; ik zal velen een dienst bewijzen, naar ik meen, als ik de vorm en bouw van dat toestel van ons in woorden en met figuren zal uiteenzetten, We weten dat door de roem van zo'n toestel van Archimedes velen daarna ertoe gebracht zijn te ondernemen iets dergelijks te maken, onder wie de filosoof Posidonius genoemd wordt die ....


    § 15.   In de marge:

   180                    160
    180                    160
_________              _________
.........              .........
 32400                  25600    zonlicht tot
    25                           maanlicht.
_________ 
.........
 810000   maanlicht     810000
tot licht van          _________
Jupiter of Sirius.     .........
                      20736000000  zonlicht
                      tot licht van Sirius. [>]

[ 353 ]

    § 16.   Descartes (zie pag. 127) heeft, naar het me toeschijnt, slechts beweging gegeven aan alle materie die de vaste sterren omgeeft — d.w.z. hij heeft zijn wervels niet zo groot gemaakt als ze konden zijn, en zodat ze elkaar raken — om beweging te vinden voor kometen, eraan toevoegend dat de materie aan de uiteinden van de wervels zijn omloop maakt in misschien een maand*), en dat ze dus veel sneller is dan die bij Saturnus [>].

    In de marge: Als deze hemelmaterie in staat is de beweging van Kometen te versnellen, zoals Descartes beweert, zou ze ook, tegen hun beweging ingaand, ze kunnen doen stilstaan of zeer vertragen. Maar ik heb er gezien die tegen de beweging van de wervel ingingen.

    Ik voor mij zoek de beweging van Kometen in hun brandende toestand, zoals bij vuurpijlen. [<]

    Maar hoe kan het dat ze niet meegenomen worden door de etherische materie die de planeten draagt? Want ik ken er die tegen de stroom van deze materie ingegaan zijn. Mijn antwoord is dat het de grote vloeibaarheid van deze materie is, die gemakkelijk plaats maakt voor een lichaam dat beweging van elders krijgt, hoewel ze andere lichamen meeneemt als ze eenmaal met haar meegaan. Ze kan daarvan zelfs de beweging wat versnellen en vertragen, volgens de natuurkundige vergelijking van Kepler°).


    *)  Principia Philosophiae (ed. 1672). Op p. 127 begint Cap. III.136: "Uitleg van het verschijnen van een staart". Op p. 120, in Cap. III.129 was er sprake van de "uiteinden van de wervels, waar de hemelmaterie zo snel beweegt, dat ze binnen weinige maanden een hele omloop volbrengt, zoals boven gezegd is".
    °)  Uit de derde wet van Kepler [ T2 ~ r3 ] volgt dat bij een cirkelbaan de snelheid omgekeerd evenredig is met de wortel uit de straal. [Bij een ellipsvorm varieert de snelheid wat.]


    § 17.   Volgens de verhouding van Kepler van de perioden tot de afstanden van de zon, zou de materie dichtbij de zon onvergelijkbaar veel sneller moeten draaien dan de zonnevlekken [zoals gemakkelijk is in te zien met deze veronderstelling, en dat zonder berekening. 285 maal en meer]. En de materie bij de Aarde (de aarde zelf of het oppervlak) zou ook veel sneller moeten draaien dan ze doet; 15 of 16 keer, als we het berekenen met de periode van de Maan.
[ Maanbaanstraal is 60 aardstralen, T2 is hier 603 keer zo klein, T = 1/465 maand = 1/16 dag.]

[ 354 ]

Waardoor komt het dan dat men deze grote beweging van de ethermaterie niet bemerkt? Is het dat deze materie dichtbij de aarde op een andere manier bewogen wordt; of dat de verhouding niet tot zover doorloopt; of dat het oppervlak van de aarde in staat is de beweging van deze materie tegen te houden? Als dat zo is, en evenzo bij de zon, is dat wel geheel tegengesteld aan wat Kepler beweert, dat de zon de planeten beweegt.


    § 18.   Het is niet de cirkelbeweging van de wervel die de materie van de zon heeft bijeengebracht, noch die van de aarde, maar een andere beweging, zeer snel en in bijna alle richtingen, opeenvolgend, die de zwaarte maakt. Deze beweging heeft misschien de grovere delen naar het middelpunt doen gaan, die er ver van verwijderd waren, en die dientengevolge niet veel snelheid hadden bij het rondgaan, en vandaar dat de zon en de aarde zo langzaam om hun as draaien. Of omdat deze materie bij het gaan naar het middelpunt maar weinig van zijn cirkelvormige beweging heeft behouden.


    § 19.   Dit zijn gissingen.

armillairsfeer
    § 20.   Ik zou mijn automaat [<] kunnen laten passen in een armillairsfeer, met het vlak rakend aan de twee keerkringen, en hem met deze bol laten ronddraaien in 24 uur. Als de aarde onder het horizonvlak zou gaan, zou dit het opgaan van de zon aangeven. De as van de kleine aarde zou altijd evenwijdig zijn met de echte aardas, en door een draad te spannen van de aarde langs de planeet, zou met deze draad de plek aan de hemel zijn aan te geven waar de planeet zichtbaar zou zijn, of de maan en de zon, en hun hoogte boven de horizon, hun tijdstip van opkomst, &c.
    Maar de voorstelling zou helemaal niet overeenkomen met de werkelijkheid.

    Wanneer de draad, komend vanaf de aarde (waaraan hij vastgemaakt moet worden) en lopend langs de planeet, horizontaal zou zijn, zou de planeet op onze horizon staan. Als hij naar de aarde helde, zou de planeet onder onze horizon zijn; en als hij omhoog liep zou de planeet boven deze horizon staan.

    Aan de beweegbare cirkel aa die het toestel zou dragen zou men bij de pool een wiel bb met 365 tanden vast moeten maken, dat in beweging gezet zou worden door aan ander wiel d met 61 tanden, liggend in bb, en dat in 24 uur 6 keer zou ronddraaien. Dat zou betekenen dat het toestel in 24 uur een draai, en nog 1/365 draai, zou maken van oost naar west; omdat 6 keer 61 tanden 366 tanden maakt, die zouden grijpen in de 365 tanden van het wiel bb.

[ 355 ]

    Dat moet zo zijn, opdat de draad die komt van de aarde langs de zon, steeds midden op de dag overeenkomt met de vaste meridiaan. De as, of liever de twee eindpuntjes van de as, waarop de cirkel aa zou draaien, moeten stevig vastgemaakt zijn aan de meridiaan ee, zoals ook het gehele uurwerk waarvan het wiel d deel uitmaakt.

    In de marge: bij een gelijkmatige beweging zal het uurwerk maken dat de ecliptica en de door de draad aangegeven plaatsen van de planeten zullen overeenkomen met de echte aan de hemel, en de tijdvereffening [<] zal erin opgenomen zijn. Maar dit uurwerk zal afwijken van de zon volgens de ongelijkheid van tijd, gelijk aan de gewone tijd.

    Boven de pool zou er een cirkel zijn, verdeeld in twee maal 12 uren, met een wijzer om ze aan te duiden; deze wijzer zou draaien door middel van het uurwerk, maar niet in dezelfde tijdsduur als de cirkel aa die het toestel draagt.

    De cirkels voor evenaar en horizon moeten er niet zijn, omdat ze de bewerkingen waarbij de draad gespannen moet worden teveel zouden hinderen. Nodig zijn slechts de cirkel aa en de vaste meridiaan, en twee voeten met inkepingen om hem erin te doen, en een ander inkeping beneden.

    Op deze manier zou men het toestel eenvoudig kunnen ophangen; en om het te allen tijde in zijn werkelijke positie te zetten, moet men het draaien totdat de draad vanaf de aarde langs de zon bij de vaste meridiaan komt, en dan de wijzer die bij de pool is op 12 uur zetten. Dan opnieuw het toestel draaien totdat deze wijzer staat op het tegenwoordige tijdstip; want dan zal het vlak van het toestel evenwijdig zijn met het vlak van de ecliptica. &c.

    In het deksel kan men een kleine opening maken om de bout los te maken, wanneer men wil draaien met de zwengel.

andere ophanging
    § 21.   Men zou ook een achthoek*) kunnen ophangen door er aan de boven- en benedenkant twee bouten in te doen om hem vast te maken aan de beweegbare cirkel aa. Maar men zou hem aan de achterkant niet kunnen openen. Als men het toestel zou laten draaien op de spillen hh, dan zou men het deksel aan de achterkant kunnen openen door het eerst evenwijdig te zetten met de cirkel aa.
    Voorstellen aan broer Z[eelhem].


    [ *)  Het planetarium gebouwd door Johannes van Ceulen (1682) heeft een achthoekige kast (voorzijde afgebeeld in huygens.pdf, 39).]  [>]


    § 22.   Onder alle kennis die de mensen zich verworven hebben door hun ijver vind ik er geen die het zozeer verdient bewonderd te worden, of men nu beziet de dingen die ze omvat of de manier en de middelen die gebruikt zijn om ze te bereiken, of de kennis betreffende de bewegingen en de afstand van de hemellichamen. Want wat het onderzoek aangaat heb ik vaak de geweldige toewijding bewonderd van hen die vroeger de sterrenkunde hebben ontwikkeld, ook al hebben ze zoveel inspanningen op zich genomen die de moeite niet voldoende waard waren.

[ 356 ]

    De dingen die door langdurige ijver en nachtelijke waarnemingen, en vooral in deze onze eeuw, ontdekt zijn over de hemel en over de aangelegenheden van de hemellichamen, schijnen me van die aard dat ze verdienen dat allen, die niet geheel onverschillig staan tegenover de dingen der natuur, ze leren kennen. Want terzijde laat ik die oude zaken, ook al zijn ze schitterend, waarmee de plaatsen van de hemellichamen en hun opkomst en ondergang te bepalen zijn, de tijdstippen van verduisteringen te berekenen zijn; dit alles kon overgelaten worden aan aan de beoefenaars van de sterrenkunde en de wiskunde.
Nu echter hebben ze van de gehele wereld de inrichting, rangschikking en grootte opgespoord, en laten zien wat vaste sterren zijn en wat dwaalsterren, en welke plaats tussen de hemellichamen toegekend moet worden aan deze onze aarde die wij bewonen. En dat met die theorieën waarmee wijd en zijd geleerde en door hun verstand uitblinkende mensen instemmen. Wie dan, die de dingen der natuur bestudeert, of die wat wijzer wil zijn dan het gewone volk, zal menen dat dergelijke zaken niet door hem onderzocht moeten worden? Aangezien dit alles ...


    § 23.   In de marge: Terwijl kennis van verschillende dingen en wetenschap verkregen is door de menselijke ijver, lijkt niets hiervan me meer het bewonderen waard — of je nu kijkt naar de zaak zelf of naar de methode en manier waarvan gebruik gemaakt is om daartoe te komen — dan iets aangaande de bewegingen en afstanden van de hemellichamen, en de afmetingen van de hemelruimte, met maat en getal bepaald te hebben.

    Wat immers de aard van het onderzoek betreft, als iemand de geringheid van het menselijk lichaampje vergelijkt met de uitgebreidheid van het hemelrijk, zal hij dan niet terecht zich verwonderen over die wetenschappen die ons, mijten en mieren*), het vertrouwen gaven om het aan te durven een zo groot werk te ondernemen? Zal hij niet erkennen dat het iets goddelijks is, de meetkunde, waarvan de belangrijkste onderdelen hier zijn, die leert om met scherpzinnig bedachte driehoeken en cirkels uit het kleinste het grootste op te maken? Iedereen erkent nu de vindingrijkheid in het uitdenken en maken van instrumenten, de toewijding en nauwgezetheid om ze dienst te laten doen; en deze verzamelen het materiaal voor onderzoek van de schijnbare intervallen en zichtbare afstanden der hemellichamen, met meetkundige en rekenkundige methoden.


    *)  Huygens laat zich hier nog beïnvloeden door Henry Power [<]: "What are we then but like so many Ants or Pismires, that toyl upon this Mole-hill, and could appear no otherwayes at distance, but as those poor Animals, the Mites, do to us through a good Microscope, in a piece of Cheese?".

[ 357 ]

    § 24.   Nu ik kort geleden een automatisch toestel [<] heb uitgevonden en laten maken, dat de bewegingen van de Planeten voorstelt, waarvan de constructie een bijzondere vorm heeft en vrij eenvoudig is naar gelang het effect ervan, en overigens van groot nut voor hen die de loop der sterren bestuderen of waarnemen, hebben verscheidenen van degenen die het gezien hebben mij aangespoord en me verzocht er de beschrijving van te geven, opdat de uitvinding niet verloren gaat met het enige model dat ervan gemaakt is, maar dat men te allen tijde gelijkvormige zou kunnen laten bouwen.
En te meer doe ik het gaarne, omdat dit werkstuk een kort begrip van de gehele sterrenkunde bevat, en een gemakkelijke manier biedt om er elke bijzonderheid van te leren kennen. Ik weet dat verscheidenen zich onthouden van de studie van deze edele wetenschap, afgeschrikt door haar te grote moeilijkheid, die deels voortkomt uit de duisterheid van de schrijvers die erover gehandeld hebben, en wel het meest uit het feit dat ze niet alleen het ware stelsel van het heelal uitleggen, maar ook nog de oude leer van Ptolemaeus, en de niet zo verstandige bedenksels van Tycho Brahe, zodat ze op die manier de geest beladen met verscheidene verwarde en overbodige denkbeelden.
Zij zullen hier dan zien, als ze zich uitsluitend bezighouden met het ware stelsel, dat er geen belemmering is, en dat het een gemakkelijke en vanzelfsprekende zaak is. Het is waar dat men alleen tot deze volmaakte kennis gekomen is langs de lange en hobbelige weg van de veronderstelingen van de ouden, en dat men zelfs bewondering moet hebben voor zowel hun ijver als voor hun grote arbeid.

    Maar ons is het toegestaan van hun vindingen de vruchten te plukken zonder te dwalen over dezelfde omwegen die zij gevolgd hebben. Nadat het gebouw voltooid is verwijdert men de steigers, om de schoonheid van het gehele werk in ogenschouw te nemen. Nu zou men niet meer kunnen ontkennen dat dit gebouw van de sterrenkunde voltooid is sinds Copernicus het opnieuw heeft opgericht, evenwel gebruik makend van de oude materialen, en dat Kepler en vervolgens de gelukkige waarnemers van deze eeuw, er de top op gezet hebben en er de laatste hand aan gelegd hebben.

    Al degenen die bedreven zijn in de sterrenkunde, als ze tenminste gezond van geest zijn en vrij van vooroordelen, zouden niet meer kunnen twijfelen aan de beweging van de Aarde in 24 uur, en aan haar beweging om de zon samen met de andere planeten.


    § 25.   Het stelsel dat ik hier het ware noem is het stelsel dat de beweging van de aarde om de zon en om haar eigen as invoert, begonnen door enkele oude filosofen, door Copernicus, en verder vervolmaakt door Kepler.

    Ik weet dat noodzakelijkerwijze het onwetende volk eeuwig tegen deze opvatting zal zijn, en dat deze hun absurd zal toeschijnen. Maar zij die de bewegingen aan de hemel bestuderen vinden dat ze zo goed bevestigd wordt door ontelbare argumenten, dat ze, als ze een gezond beoordelingsvermogen hebben dat vrij is van vooroordelen, moeten erkennen dat het de waarheid zelf is, en dat men de verschijnselen niet anders zou kunnen verklaren zonder absurde dingen te stellen in de natuur.

[ 358 ]

    Ik voor mij zie de kennis van deze zaken, en van wat men nu weet over de afstanden en grootten van hemellichamen, niet alleen als één van de mooiste, aangenaamste en wonderbaarlijkste resultaten die mensen kunnen bereiken, maar ook als een kennis die ons meer begrip geeft van de grootheid en de majesteitelijkheid van de ontwerper van de wereld, en waarvan onwetendheid noodzakelijk gepaard gaat met veel absurde opvattingen.

    Ik geloof dan ook dat de moeite goed besteed is, als ik het middel kan vergemakkelijken voor wie graag wil leren te delen in een zo aanzienlijke rijkdom.


    § 26.   Voorwoord. Schoonheid van het onderwerp. Dat ik, hoewel het voldoende uitgelegd schijnt door anderen, gemeend heb dat van nut was mijn gedachten op te schrijven.
    Stelsel eenvoudig beschreven en uitgelegd. Tijden ongeveer periodiek. Verhouding van de banen. Planeten gaan sneller dichter bij de zon; bijna in eenzelfde vlak. Manen; hun banen zijn in verhouding te groot [in het planetarium]; zouden onzichtbaar zijn, en des te meer hun lichamen. Afstanden in zonsdiameters, zeker. Beweging van de planeetbollen om hun as. Wat deze beweging veroorzaakt, al naar gelang de helling van de assen ten opzichte van het vlak van de banen.
    Uitleg van dit effect bij de aarde, hoe het de verscheidenheid van de seizoenen veroorzaakt, en dag en nacht en hun verschillende lengten.
    Ik heb helemaal geen vaste sterren aangegeven, wegens hun immense afstand. Hoe ze gegroepeerd zijn. We zullen het er later over hebben.
    Dat dit het kort begrip van de sterrenkunde is, nu gemakkelijk te begrijpen; maar hoeveel tijd en arbeid het gekost heeft voordat het ontraadseld werd. Wij hebben geluk.

    Men vindt misschien dat ik met teveel stelligheid spreek over de zekerheid van deze wetenschap, terwijl verscheidenen nog twijfelen of men de waarheid in deze dingen kan begrijpen, en anderen volhouden dat deze geheel ligt in de hypothese van de onbeweeglijke aarde. Ik antwoord hun dat zij die &c.
    Ik verwijs deze mensen dus naar de schrijvers die ik zojuist genoemd heb, waar ze de bevestiging zullen vinden van deze Copernicaanse hypothese door &c.
    En anderzijds zullen ze de weerlegging vinden van alles wat men er tegenin brengt.
    In de marge: En daarentegen de onmogelijkheden van de Ptolemaeische, en de absurditeiten van de Tychoniaanse, die de beweging van de hemel in 24 uur vereist; en van de halftychoniaanse, die de beweging van de aarde toegeeft, maar die haar in het middelpunt houdt en evenals de andere de jaarlijkse beweging aan de zon geeft. Daartegen zullen we hier onder een nieuw argument aandragen dat niet één van de minst overtuigende schijnt [>].

[ 359 ]

    § 27.   Met weglating van een meer bijzondere verhandeling met betrekking tot deze argumenten zal ik verdergaan met het schetsen van het idee dat ik me voorgesteld heb.
    De verhoudingen als gedaante van de planeetlichamen geplaatst tegen de zon*). In getallen uitgedrukt. Terloops over de uitnemende grootte van de zon, en vervolgens van Saturnus-symbool en Jupiter-symbool.
    Dat ik als eerste°) deze verhoudingen heel anders heb gegeven dan de andere sterrenkundigen. Dat ik het bewijs ervan, met de methode voor de schijnbare diameters, uitstel tot later. Deze andere zijn zeker. Dat de minst zekere verhouding die van de aarde is; dat ik zal zeggen langs welke weg ik haar bepaald heb. — Doorgestreept: dat ik zie dat men haar goedkeurt, maar dat ze bevestigd is door de parallaxen van Mars-symbool en Venus-symbool door Cassini en Picard — dat uit deze verhouding van de aarde volgt dat de afstand van de zon duizend diameters groter is dan iemand gesteld had. Hoeveel kleiner men vanouds deze afstand maakte, en bijgevolg de zon. [>]
    [ *)  Zie de figuur in Cosmotheoros (1698), p. 18.]
    °)  In Systema Saturnium (1659).


    § 28.

In de marge:   Niet als tot 't laagste verblijf van een nietige aarde veroordeeld
moet je de mensen bezien, of betreuren een akelig lot.
Die aarde van ons, die verplaatst zich temidden der sterren:
hemelbewoner, met jou beweegt ook je huis, en de velden,
de bossen &c.

gedeelte van aardbaan
    § 29.   Grote idee uitgedrukt met bedachte figuur, beter dan met getallen. Aardbaan met straal van 40 voet, en de diameter van de zon 4 duim zoals in de voorgaande figuur, en de planeten evenzo.
    Klein gedeelte van deze baan met de aarde, de baan van de maan en de maan zelf, in verhouding.


    § 30.   Idee met de gelijkmatige beweging van een kanonskogel [>] beter dan de valbeweging*). Gedachten over wat de Aarde is, in vergelijking met dat machtige bouwwerk. Dat zal nog wonderbaarlijker lijken door te bedenken wat de afstand tot de vaste sterren is.

[ 360 ]

De baan van de aarde als een punt op die afstand. Met de gelijke poolshoogte in alle seizoenen; met de onveranderlijke onderlinge afstand van de vaste sterren, en van die welke dichtbij zijn met de kijker. Hooke°). Beter dan hij, bij de veronderstelling dat het zonnen zijn, en door een klein stukje van de zon te nemen in een gaatje waarin een haar past, en door er zover vandaan te gaan totdat het er uit ziet als één van de grootste vaste sterren, veronderstellend dat deze gelijk is aan de zon. [<,>]
    *)  Cosmotheoros, 176: "... Dichter Hesiodus, die, de hoogte des Hemels en de diepte van de Helle met gelijke wijdtens bepalende, schreef, dat een yzer aambeeld, uit den Hemel nedergeworpen, negen dagen en negen nachten lang onder wegen is, en den tienden dag eerst op de Aarde komt."
    °)  Huygens bedoelt ongewijfeld de brochure van Robert Hooke van 1674 An attempt to prove the motion of the earth from observations [...]. Deze beschrijft zijn (vruchteloze) pogingen ter ontdekking van de parallax van bepaalde sterren door de beweging van de aarde om de zon. Hij blijft ervan overtuigd, ondanks de mening van Tycho Brahe, Riccioli, Tacquet e.a., dat dit gebrek aan succes niet komt door afwezigheid van enige parallax, maar alleen door de kleinheid ervan (volgens hem misschien 27 of 30 seconden). Het is bijna overbodig te zeggen dat Hooke net zoals Huygens veronderstelt dat sterren zonnen zijn (p. 6): de opmerking van Huygens "Beter dan hij" slaat op de methode van Hooke om de grootte van een ster te bepalen, gebaseerd op schatting van de parallax en de even onzekere, of liever foutieve, bepaling van de schijnbare diameter. [fig.]


    § 31.   In de marge: Dat ze met eenzelfde oppervlak verschijnen is niet het geringste argument dat ze zo geplaatst zijn. Hun ongelijkheid is eerder een tegenargument. Verschijnen slechts als punten in de kijkers. Vergissing van degenen die er beduidende diameters aan geven. Ik heb laten zien wat daarvan de oorzaak kan zijn. Volgens hen zou de baan van de aarde een beduidende parallax geven. [>]


    § 32.   Hoe klein zou de zon lijken bij de eerste vaste sterren, even klein als zij bij ons. Ze kunnen dus evenmin door de zon verlicht worden als de aarde door één van de vaste sterren. Ze hebben dan ook hun eigen licht. Door te zeggen dat ze hun eigen licht hebben evenals de zon, en dat ze niet kleiner zijn dan deze, zeggen we dat het zonnen zijn.


    § 33.   Wanneer ik denk aan de voortreffelijkheid en verhevenheid van deze kennis, en hoe ver ze boven het bevattingsvermogen van gewone mensen ligt, vraag ik me af of het niet beter zou zijn haar niet aan allen te bekend te maken. En ik heb vaak gewenst dat er een middel was om deze gedachten alleen mee te delen aan wie men wilde, met uitsluiting van de anderen.

[ 361 ]

Maar sindsdien denk ik dat ze zichzelf uitsluiten, doordat ze allereerst deze bespiegelingen verwerpen als absurd, niet begrijpend dat het mogelijk is dat men erin kan slagen de inrichting of afmetingen te kennen van dingen die zo ver verwijderd zijn.
In de marge: Deze overwegingen misschien elders.


    § 34.   Natuurkundige overwegingen over de vaste sterren. Tegen Kepler die een grote ruimte rondom de zon wil, in vergelijking met die rondom de andere sterren. Hij geloofde dat hier het voornaamste gedeelte van de wereld was, wegens zijn verhoudingen van de regelmatige veelvlakken, aangetroffen in de afstanden van de planeten*). Wat van geen betekenis is, evenals de verhoudingen van de planeetlichamen die hij fout verondersteld had, zoals hij zelf erkend heeft sedert de uitvinding van de kijker.


    *)  Het is welbekend dat Kepler de afstanden van de planeten tot de zon in verband bracht met de vijf regelmatige veelvlakken in zijn Mysterium cosmographicum van 1596; een idee waaraan hij steeds gehecht bleef, hoewel later met enige reserve.


    § 35.   Tegen Descartes dat de wervels niet aangrenzend zijn. Onzorgvuldig bewijs dat hij geeft van de snellere beweging van de wervel boven Saturnus; dat hij het beweerde wegens de Kometen, waarin hij zich vergist [<], zoals ik even later zal laten zien [>].
In de marge: tegen D. Rembrantz [van Nierop].

    Invoering van de wervels. Noodzaak, omdat de rondgaande lichamen zich anders van het middelpunt zouden verwijderen. Bevestigd door het feit dat ze alle dezelfde kant op bewegen. Argument tegen Tycho dat de wervel van de zon die van de aarde zou vernielen en in zich opnemen.
In de marge: bevestigd door het feit dat de dichtstbijzijnde kortere perioden hebben.

[ 362 ]

    § 36.   Dat de planeten lijken op de Aarde. Hun beweging om hun as. De manen van Jupiter en Saturnus, ontdekt door mij en Cassini. Kijken steeds met dezelfde kant naar Jupiter en Saturnus, zoals de onze. [>]


    § 37.   In de hemel zijn we. [<]


    § 38.   De maan is anders: zonder zeeën of wolken of atmosfeer*). Wolken op Jupiter. Dat er waarschijnlijk schepselen en dieren zijn op de Planeten, zelfs redelijke. Argument voor fruitbomen, bomen op een eiland.
    Grootte van Jupiter en Saturnus.
    Die bewoners hebben de zwaartekracht, het zien, voortplanting, want alleen al door ongelukken zouden ze anders uitsterven.
    Ring van Saturnus; welke verschijningen hij maakt voor de Saturnusbewoners.


    [ *)  Zie 'Monsieur Auzout's speculations of the changes, likely to be discovered in the Earth and Moon, by their respective inhabitants', in Phil. Trans. Num. 7 (1665), p. 120-123.]


    § 39.   Planeten nog voorbij Saturnus-symbool [Saturnus] misschien. Daarvoor de sterren dichtbij de ecliptica waarnemen met kijkers.


    [ 2015, 'New Horizons': dwergplaneet Pluto.]


    § 40.   En als men zijpaden wil bewandelen om de oorzaken van zulke belangrijke dingen te onderzoeken, dan bieden zich heel veel mooie bespiegelingen aan. Wat de planeten naar de zon gebracht heeft. Hoe de hemellichamen bolvormig gemaakt zijn. Waarom de wervels die de manen dragen in dezelfde richting gaan als de grote wervel. Waarom de as van de aarde en van Saturnus scheef staan op het vlak van hun banen.

    Dat, hoewel God de dingen zo heeft ingericht, het toch zeker is dat hij handelt volgens de onveranderlijke wetten van de natuur, en dat het evenzeer geoorloofd is om in dit bouwwerk van de wereld naar het gevolg en de werking van natuurlijke oorzaken te zoeken, als in het ontstaan van eb en vloed in zee, van de donder, van de regenboog en andere degelijke zaken. [>]

[ 363 ]

    § 41.   Als we in het systeem van de wereld dingen zien die een zekere vorm hebben, terwijl ze anders hadden kunnen zijn, lijkt me toe dat we daaruit een zekere bewijsgrond kunnen halen dat ze niet van alle eeuwigheid zijn. De aarde is bolvormig bijvoorbeeld, terwijl ze kubusvormig had kunnen zijn, of ovaal of onregelmatig misvormd. Dus is er een oorzaak van haar rondheid, dat wil zeggen een of andere natuurlijke oorzaak of bewegingswet, die haar zo rond gemaakt heeft; dus is er een tijd geweest dat haar materie nog niet zo samengepakt was, dus is deze bol er zo sedert een bepaalde tijd. De aarde is van een zekere grootte, terwijl ze groter of kleiner had kunnen zijn. Ze draait in de ene richting in een zekere tijd, terwijl ze in de andere richting had kunnen draaien, of helemaal niet draaien, of langzamer of sneller draaien; dus zijn er oorzaken voor dit alles, dus is er een tijd geweest dat dit alles er helemaal niet was.
In de marge: dit weglaten, weglaten. [>]

    De zon is eveneens rond, van een zekere grootte, draait in 27 dagen om zijn as, deze as wijkt 7 graden af van de as van zijn wervel die de planeten meevoert; welke dingen anders hadden kunnen zijn, dus ook de zon is er niet altijd geweest. Daar nu de zon en de aarde en evenzo de andere planeten een begin gehad hebben, hebben de mensen, dieren, planten &c. een begin gehad. Deze redeneringen leiden ons tot de beschouwing van God, in wie naar het schijnt (volgens wat ik zojuist gezegd heb) niets te bedenken is dat anders zou kunnen zijn dan het is, omdat hij eeuwig moet zijn.
In de marge: Gezichtspunt om het te hebben over de voortbrenging van mensen en dieren.


    § 42.   Als er in de natuur niets anders was dan zonnen en bollen er omheen, samengesteld uit aarde en water en omgeven door lucht, zou men zich kunnen indenken, zoals sommigen gedaan hebben, dat God slechts eenvoudig beweging aan de materie moest geven om ons stelsel voort te brengen, en alle andere. En voor die sommigen zou het helemaal niet nodig geweest zijn om een godheid te veronderstellen, als men hun zou toegeven dat ruimte, materie en beweging van alle eeuwigheid zijn.
Maar wanneer men dieren en planten beschouwt, de bewonderenswaardige bouw van hun delen voor elk gebruik, de verbazingwekkende manier van hun voortplanting, lijkt het me onmogelijk dat enkel de aan materie gegeven beweging de oorzaak kan zijn van dat alles, zonder de medewerking van een oneindig intelligent en machtig Wezen. Zodanig dat de grootsheid van de hemelen en die onvoorstelbare afstanden van de hemellichamen, waarover ik hierboven gesproken heb, het bestaan van een voorzienigheid mijns inziens veel minder bewijzen dan het oog van een mens [>] of van een ander dier, of de vleugel van een vogel.
In de marge: de menselijke geest.

[ 364 ]

    § 43.   Welk een wonder is bovendien niet de eerste planting van dieren op aarde, en wie kan zich die voorstellen zonder een bijzondere werking van God? Laten zij die &c. me een mogelijke manier geven hoe de zaak zich heeft voorgedaan in het begin.
In de marge: tegen Lucretius*). Konden geen kinderen zijn°).
    *)  Lucretius (T. Lucretius Carus), zegt in boek V van zijn "De rerum natura" dat hij ervan overtuigd is dat de oorsprong van de dingen niet goddelijk is; aangezien de tijd oneindig is, is al het bestaande gevormd door toevallige combinaties [...]:
V. 195 - 199 [...] "dat deze wereld niet voor ons geschapen is / door goden";
V. 416 - 431 [...] "verenigen zich en beproeven alles wat / bij mooglijkheid zij kunnen scheppen met elkaar." [vert. A. Rutgers van der Loeff (Phoenix, 1966)].
    Toch wijkt Lucretius op een andere plaats in zijn gedicht af van dit systeem, door aan de atomen een zekere voorkeur of neiging te geven: "kleine wijkingen der kernenbaan" ("slight swervement of the elements"), in vers 292 in boek II, die de dichter rechtvaardigt met de woorden (II, v. 284 - 286) "... erkennen dat ditzelfde zich / bij kernen voordoet, dat bij hen gewicht en stoot / niet de énige oorzaak van beweging zijn" etc.
    Is overigens de zwaartekracht zelf niet bij Lucretius, evenals bij Democritus en Epicurus, een geneigdheid inherent aan de materie?
    We merken nog op dat Lucretius de goden niet ontkent, maar dat hij van mening is dat ze zich in het geheel niet bemoeien met onze wereld: boek II, v. 646 - 648.

    °)  D.w.z. de eerste mensen die op aarde verschenen zijn konden geen jonge kinderen zijn, die zonder ouders omgekomen zouden zijn. Vgl. Cosmotheoros, 36.

[ 365 ]

    § 44.   Verhouding van de planeetbanen in een figuur zonder maan of satellieten. Plaatsen van de aequinoxen zijn ongeveer in een zelfde vlak als de aarde.

    Verhoudingen met de zon en de planeten door middel van een figuur. Jupiter iets kleiner.

    Dat ik in mijn verhandeling over Saturnus heb aangetoond hoe deze grootten bekend worden door de schijnbare diameters, en door de bovengenoemde verhoudingen van de banen [<]. Alleen de grootte van de Aarde is enigszins onzeker, de andere staan onderling vast. Hoe ik die van de aarde bepaald heb, het grote probleem onder de sterrenkundigen (in de marge: dat ik alle anderen geërgerd heb; dat men Riccioli aangevoerd heeft, nogal onjuist) dat de waarnemers een bevestiging gegeven hebben met de parallax van Mars. Dat er anderszins enige reden zou zijn geweest om de aarde groter te maken dan Mars-symbool, Venus-symbool of Mercurius-symbool, omdat ze een satelliet heeft. Absurditeit als men met sommigen, de zon 600 keer zo groot als de Aarde zou stellen. Meting van Aristarchus*).

    Grootte van de halve diameters van de banen in diameters van de aarde, met getallen.

    Dat ik met een bedachte figuur beter dan met getallen het grote idee van het planetenstelsel ga weergeven op een grote vlakte. Aardbaan met straal van 40 voet, om hierop in het midden de zon te zetten van 4 en een halve duim; en de aarde zoals ze dan is als een mosterdzaadje. Klein gedeelte van de aardbaan hier voorgesteld, met de baan van de maan en het lichaam ervan [<]. Dagelijkse omwenteling van de aarde, hoeveel deze beslaat van haar baan.


    *)  In 'Aristarchi de magnitudinibus et distantiis solis et lunae liber ...' van Commandino [1572] — in 1688 gaf J. Wallis een nieuwe editie, met de Griekse tekst [in Opera, 1699] — berekent Aristarchus (Prop. XV en XVI) de verhouding van de diameters van zon en aarde: tussen 19/3 en 43/6, dus die van de volumes tussen 254 en 368. We weten niet waarom Huygens hier "600 keer" zegt, wat wel van dezelfde orde van grootte is. Hij citeert waarschijnlijk uit zijn geheugen.

[ 366 ]

    § 45.   Overdenking over de kleinheid van de Aarde en van de mensen. En aan de andere kant over hun grootheid, over de geest waarmee ze deze dingen begrijpen, als vergoeding. Dat er iets goddelijks in lijkt. Dat we weten dat we in de hemel zijn tussen de hemellichamen, keurig geplaatst om alles af te meten. Overdenking over het geluk dat we hebben door in deze eeuw geboren te zijn, waarin we van het werk van zoveel anderen genieten. Wat zouden de grote mannen van de oudheid wel niet gedaan hebben ... Anaxagoras ...


    § 46.   De andere banen van de planeten, hun bollen zoals boven. Afmeting van de cirkels der satellieten van Jupiter en Saturnus. De 2 binnenste, met de bollen en de ring, voorstellen op een gedeelte van hun baan. De afmeting van de cirkels zeggen; hun hele stelsels in het klein.

    Idee van de grote afstand, door een kanonskogel die met alle kracht eenparig gaat, waarvan ik stel dat hij even snel gaat als het geluid, hoewel men zegt dat de snelheid van een kogel minder groot is. 3 jaar en meer op weg van de aarde naar de zon*). 30 jaar van de zon naar Saturnus. &c.


    *)  In Cosmotheoros, 176 is dit verbeterd: 25 jaar resp. 250 jaar.


    § 47.   Over de afstand van de vaste sterren, wegens ontbrekende parallax. Deze afstand tegen Copernicus ingebracht. Het is een van de schoonheden van zijn stelsel [alinea doorgestreept].

    Met de veronderstelling van vaste sterren gelijk aan de zon: honderdduizend maal verder verwijderd dan de aarde van de zon is [<,>]. Dit zijn de meest nabije, en wie weet hoeveel miljoenen er nog meer verspreid zijn in het heelal [eveneens doorgestreept].


    § 48.   Over de wervel om de zon; wat de zon is; zijn beweging, vlekken. Planeten zwemmen in de materie. Bewijs hiervan. Want wat zou anders de planeten ervan weerhouden weg te vluchten. Wat ze beweegt. Kepler beweert ten onrechte dat het de zon is &c. Argument hieruit voor Copernicus. Perioden in verhouding met de afstanden. Nog een argument voor Copernicus.


    § 49.   De reden te zoeken waarom de planeten ongeveer in een zelfde vlak zijn, en waarom van elk het vlak door de zon gaat (we weten hoe ze zijn, maar niet de reden waarom). Waarom ze alle in eenzelfde richting draaien, en hun begeleiders, en in dezelfde richting als de grote wervel. Waarom de excentriciteiten zich niet herstellen. Ik zal in het voorbijgaan opmerken dat deze zaken een argument leveren tegen de eeuwigheid van de aarde. Want al deze zaken en die andere &c. hebben een of andere oorzaak gehad, dus een begin; dus zijn ze niet eeuwig [<].


    § 50.   Descartes had ongelijk toen hij beweerde dat een komeet opgemerkt wordt zodra hij onze wervel binnenkomt. Het scheelt veel, gezien de enorme afstand die hij dan heeft. Men ziet ze in weinige dagen verdwijnen. Dat zijn gehele theorie van kometen slecht is ontworpen [<]. Dat ze blijkbaar uit de zon ontstaan, of althans dichtbij de zon, op welke manier dan ook.

[ 367 ]

Want anders, als ze zijn wat Descartes beweert, zou het nodig zijn dat er wel heel veel kwamen, omdat we ze zo vaak zien en dichtbij ons. Hun rechte of bijna rechte baan goed bedacht door Kepler. Elegant theorema van Wren volgens deze hypothese. Dat ik geloof dat het een materie is die brandt. Dat de staart (in de marge: de staart is moeilijk te verklaren) een zeer ijle damp is, maar die dik is in vergelijking met de ethermaterie. Hij zet dan ook zo gemakkelijk de beweging voort die hij in de komeet had, en kromt zich soms enigszins.
— Kometen zouden de Aarde kunnen ontmoeten.
In de marge: Dit na gesproken te hebben over de vaste sterren.


    § 51.   Laten we terugkeren tot de vaste sterren. Laten we ons ontdoen van de verbeelding in het midden te zijn van deze verspreide sterren. Laten we beschouwen ...


    § 52.   De planeten lijken blijkbaar op de aarde. Ze draaien om hun as, schitteren slechts door het licht van de zon. Jupiter en Saturnus zoveel groter dan de aarde; ring; satellieten lijkend op onze maan. Wolken op Jupiter. Waarschijnlijk dat er levende wezens zijn, en redelijke, maar zeer verschillend van wat wij zijn, in vorm en grootte.

    Welke nieuwe diversiteit, en dingen verschillend van de onze, zou men niet zien als men er heen gebracht werd. Het lijkt dat er niets gelijk is, gezien het grote verschil van wat hier is en in Amerika. Dat er op al deze planeten zwaarte is, omdat dit de oorzaak is van de rondheid van de bollen, maar dat deze zwaarte ofwel groter ofwel kleiner kan zijn dan bij ons. De bewegingen van de dieren om van de ene plaats naar de andere te gaan, lopend, kruipend, zwemmend of vliegend, lastig een andere manier te bedenken, en dat er toch andere kunnen zijn. Sterfelijke dieren; voeding, andere voortplanting.

    Wie stelt zich niet het plezier voor, dat er zou zijn als we van nabij te weten konden komen wat er zich afspeelt op deze onbekende planeten of aardes, al was het maar op één daarvan. Hoe weinig echter beschouwt men de wonderen die zich aanbieden, hier, op de aarde die wij bewonen. Ze zijn het zeker evenzeer waard opgemerkt te worden als die op elk van de andere aardes, en dezelfde bewondering die wij zouden hebben bij het horen vertellen over de dingen op Jupiter voor iemand uit dat land, zou een bewoner van Jupiter hebben, gesteld dat die er is, als hij iemand van ons hoorde vertellen wat er hier op aarde te zien is.

[ 368 ]

Ik heb bij mijzelf ondervonden dat deze overdenking nuttig is om in mijn geest de aandacht op te wekken voor het aanschouwen van de dingen in de natuur, en om die ongevoeligheid die door gewenning ontstaat te verdrijven. Ik stel me het verslag voor dat die van de aarde teruggekeerde pelgrim zou uitbrengen op Saturnus of Jupiter. Hoe hij voor hen eerst het verschil zou uittekenen van de dingen aan de hemel, gezien vanaf hier. Dan over onze Elementen, bomen, dieren, mensen, hun vorm, kunsten, Wetenschappen, gebouwen. Voeding, regering, oorlogen. Zeden. Religie.

    Zij hebben het gezichtsvermogen om die wonderen te aanschouwen, die zeker niet gemaakt zijn voor ons alleen, en onze aanschouwing. Want het grootste deel wordt helemaal niet door ons opgemerkt, en is ons niet bekend. En van de dingen die voor ons gezichtsvermogen tentoongesteld zijn, is er één op de honderdduizend personen die ze met enige aandacht beschouwt, en zoals ze verdienen?


    § 53.   Welke sterrenkunde op Saturnus en op Jupiter. Ring; welke schijngestalten. Dat het lastig is zich voor te stellen dat ze wetenschappen hebben zoals wij, of wat ze ervoor in de plaats zouden kunnen hebben. Als ze sterrenkunde hebben, kunnen ze die niet hebben zonder instrumenten, en ook niet zonder een meetkunde gelijk aan de onze. Het licht en de warmte die ze ontvangen van de zon is voor hen voldoende, omdat ze eraan zijn aangepast. En evenzo hebben die van Venus en Mercurius het niet te warm, en worden ze niet verblind door de zonnestralen. Het is een dwaling dit alles ten opzichte van ons te bekijken, te denken dat wij de welgematigden zijn.


    § 54.   Over de maan. Dat er geen zeeën zijn, of rivieren of wolken, of atmosfeer. Bezwaar van enkele verduisteringen. Phocyl. p. 264*).

    Over mijn kijkers van 125 voet. Dat er toch ook een soort dieren en planten zou kunnen zijn die gevoed werd met een andere substantie dan water, die de zon niet in dampen kan oplossen.

    Manen van de planeten keren ook dezelfde kant naar hun leider. Dat blijkt door de buitenste van Saturnus.
    Het gaat hier over de satelliet Japetus, die de 'buitenste' bleef tot de ontdekking van Phoebe door W. H. Pickering omstreeks 1900. Cassini merkte op (1677): "Het schijnt dat een deel van het oppervlak [van Japetus] niet even goed in staat is het licht van de Zon, dat hem zichtbaar maakt, naar ons te weerkaatsen als het andere". Dit leidt tot de conclusie van "het vertonen van dezelfde helft aan Saturnus, ongeveer zoals van de Maan aan de Aarde". Maar mag Huygens hieruit opmaken dat hetzelfde het geval is voor elke andere satelliet? Het lijkt van niet. [Toch geldt het voor alle grotere manen].


    *)  Huygens citeert de Dissertatio Astronomica van [Jan Fokkes of] Johannes Phocylides Holwarda [<] (Franeker, 1640), van wie ook een "Friesche Sterre-konst" uitkwam (Harlingen, 1652/63) [en een Epitome astronomiae, Fran. 1642]. Op de genoemde p. 264 spreekt Holwarda n.a.v. de maansverduistering van 1638, van een "dampige schijf die de Maan overal omringt", d.w.z. een atmosfeer.

[ 369 ]

    § 55.   Ik heb tot hiertoe enkel en alleen gesproken over het stelsel rondom de zon, over de bollen die het insluit, en over de uitgestrektheid die het kan hebben. Dat, terwijl het groot is zoals we gezien hebben, slechts een zeer klein deel van de wereld is. Om het echte idee van de wereld te krijgen moeten we vervolgens overgaan op de vaste sterren, waarvan men tegenwoordig, en met veel reden, meent dat het even zoveel zonnen zijn, of dat elk gelijk is aan een zon. Zodat de mening van de oude filosofen Democritus, en de modernen kardinaal van Cusa*), Bruno en anderen, die vroeger doorgegaan zijn voor hersenschimmen, de waarheid zijn geworden, of zeer waarschijnlijk.

    Daarbij moet men eerst weten dat, hoewel het voor ons lijkt alsof ze alle in eenzelfde boloppervlak zijn, het toch zeer weinig waarschijnlijk is dat ze zo zouden zijn, want men weet dat deze aanblik niets bewijst, omdat daardoor de maan, de zon, en de planeten in ditzelfde boloppervlak verschijnen, hoewel ze er volstrekt niet zijn. Bovendien, omdat vast staat dat de vaste sterren hun eigen licht hebben zoals de zon, en er niets is dat verhindert te geloven dat ze even groot zijn als deze, kan men zeggen dat het inderdaad evenveel zonnen zijn, en de onze één van hun aantal. Ze zijn dus niet in eenzelfde boloppervlak, omdat anders onze zon er ook in zou zijn, wat niet het geval is.
De grote afstand nu der vaste sterren (in de marge: mening van Kepler dat de zon omgeven is door een veel grotere ruimte dan de vaste sterren; zijn redeneringen ongeldig) is in de eerste plaats daaruit duidelijk dat heel de grote baan, die de aarde doorloopt, niet groot genoeg is om enige zichtbare parallax (of verandering van aanzicht) te veroorzaken in de sterren, hoewel sommigen geloofd hebben er een gevonden te hebben, van ...


    *)  Nicolaas van Cusa, of Cusanus (1401 - 1464) spreekt in 'Over geleerde onwetendheid' o.a. over de "bewoners van andere gesternten, hoe ze ook zijn ... vermoedend dat in het gebied van de Zon de zonnebewoners meer helder & verlicht, en intellectueel zijn, met meer geest ook dan op de Maan ... vermoedend dat er geen gesternte is dat bewoners mist, alsof er evenveel bijzondere werelddelen zijn van het ene universum, als er gesternten zijn; en deze zijn ontelbaar ... behalve voor hem die alles in aantal geschapen heeft".  [>]

[ 370 ]

En als deze er zou zijn, zou hij te onderkennen zijn op meer dan één manier, ook al waren de vaste sterren alleen maar op gelijke afstanden. Maar als ze verspreid zijn, en sommige veel verder weg dan de andere, zou het gebeuren dat de schijnbare afstanden van enkele naburige sterren zichtbaar zouden veranderen, vooral tussen één van de voor ons meest nabije en één die enkele malen verder weg stond. Wat toch helemaal niet onderkend wordt, zelfs niet met telescopen.
    In de marge: Deze redeneringen beknopter, of verwijzen naar Descartes en anderen.


    § 56.   Een manier om de afstand van de vaste sterren te tellen (om zo te zeggen) is te veronderstellen dat één van de helderste gelijk is aan de zon, en te zien het hoeveelste gedeelte van het zonlicht hij maakt. Eerst het hoeveelste gedeelte de maan maakt van de zon, door een kleine opening te maken die (aan het einde van een op de zon gerichte buis) evenveel licht geeft als de maan, om letters te lezen. Dan de maan vergelijken met die ster, door een stukje van de maan te bekijken door een kleine opening aan het einde van een dergelijke buis. Dat zal uitkomen op tenminste 100000 keer de afstand van de zon. Deze afstanden in het kwadraat zijn evenredig met de helderheden. [<]

Marge:
   30' 
    60" 
108000'"
  Soo de son 100000 mael verder waer, dan soude sijn diameter 1" sijn. op 57 voet is 1 voet een graed, 1/5 duijm een minut, 1/300 duym een second. 1/18000 duijm een terce. sulcken gaetje kost men maecken van de son door te sien met een buys van 57 voet. maer men kan 't soo kleyn niet maecken en noch min meten.


    § 57.   Deze grote afstand is ingebracht tegen Copernicus voordat men de uitvinding van de telescoop had, omdat men toen de schijnbare diameters van vaste sterren (van de eerste grootte) hield voor 2 of 3 minuten, en concludeerde dat ze elk groter in diameter waren dan de grote baan van de aarde. En dat is niet meer zo, aangezien de diameters onwaarneembaar zijn met de langste kijkers; althans voor mij.


    § 58.   Het zal niet ongelegen zijn hier te spreken over de mening van Descartes betreffende de uitgestrektheid en de inrichting van de Wervels rondom elke vaste ster, waarvan hij een voorstelling gegeven heeft die mij weinig realistisch lijkt. Dat is dat hij deze wervels bijeenbrengt en omgrenst, de een met de ander, terwijl hij hun buitenoppervlakken zo maakt dat ze elkaar raken; wat me weinig juist toeschijnt, gezien de grote afstand van de vaste sterren of zonnen tot elkaar.
Want deze verhindert mij te geloven dat de omloop van de wervel bijvoorbeeld rondom onze zon, tot halverwege de ruimte komt die er is tussen de zon en de meest nabije vaste sterren. Maar ik houd het er liever op dat het ermee is zoals met een werveltje midden in het water van een of andere grote vijver, dat zich op verre na niet doet gevoelen bij de oever. En ik beschouw dan ook verschillende wervels van de vaste sterren aan de hemel als verschillende werveltjes in een meer, die het water ertussen totaal met rust laten, wat hen betreft.

[ 371 ]

De enige ongelijkheid is, dat de wervels in het meer in eenzelfde oppervlak zijn, en die van de hemel verspreid over een aan alle kanten uitgestrekte ruimte. Het schijnt dat hij niet de kleinheid van het planetenstelsel beschouwd heeft ten opzichte van de afstand van de vaste sterren, toen &c. Zie 2 pagina's terug [<] waar ik over Kometen spreek.


    § 59.   Nu zijn dit hier de meest nabije vaste sterren naar het schijnt; tot waar zullen de verst verwijderde gaan? Want wie weet wat hun aantal kan zijn, daar de wereldruimte stellig oneindig is. Als we met onze ogen maar 2 of 3 duizend sterren zien, en 20000 met de kijkers, besluiten we dat er niet veel meer zijn.
Het is niet aan ons om grenzen te stellen aan de natuur, en het is te weten dat, tot welke grootte en uitgestrektheid we haar ook beperken, die hele grootte slechts als niets zal zijn ten opzichte van de ruimte daar buiten, en tot deze een kleinere verhouding zal hebben dan een zandkorrel tot de gehele massa van de aarde. Zou de rest dan leeg zijn, en zal hij om zo te zeggen slechts een zandkorrel geschapen hebben, hij die een oneindige hoeveelheid dingen had kunnen scheppen in vergelijking daarmee?
Als bij de oneindige uitgestrektheid van de wereld het aantal sterren eindig is, is het te geloven dat er bovendien een oneindige hoeveelheid andere geschapen dingen zijn, waarvan de voorstelling ons helemaal niet in gedachten valt. Toch belet niets ons het aantal sterren zo groot te stellen als we willen, want uit het kleine aantal dat we ervan zien is volstrekt geen gevolg te trekken over hoe talrijk ze zijn.
Ik beeld me dan ook hun aantal dat ze kunnen hebben niet slechts in met miljoenen en miljarden, noch met die getallen waarmee Archimedes het enorme aantal zandkorrels in het heelal heeft overtroffen*) &c. Ik stel me getallen voor die geschreven zouden moeten worden met zoveel cijfers als er zandkorrels in de aardbol zouden gaan, of in de wereld van Archimedes. En als de sterren of zonnen elk ook hun planeten rondom zich hebben, en elk van deze planeten evenveel verscheidenheid aan schepselen als hier op de aarde, wat een onbegrijpelijke pracht vloeit er dan niet voort uit dit immense werk, en uit de macht en eeuwige wijsheid die er de meester en de architect van is [>].


    [ *)  Zie 'De zandrekenaar', vertaling van Jan Hogendijk. Zie ook Wikipedia.]




Home | Huygens | XXI | Gemengde gedachten (top) | Waarin de rede niet doordringt