Chr. Huygens | < Oeuvres XIII | Brontekst

Aanhangsel II*) bij het eerste Complement van de Dioptrica.
[ 786 ]

Toverlantaarn

(1694)
toverlantaarn
    [ laterna magica.   speculum cavum.   lucerna.   lens vitrea.   pictura pellucida.   lens altera.   paries. ]

    [ toverlantaarn.   holle spiegel.   lamp.   glazen lens.   doorzichtig plaatje.   andere lens.   muur. ]

    *)  In een notitie van ca. 1692, over de indeling van de 'Dioptrica', staat: "an et Laterna magica?" (ook de toverlantaarn?). [Zie XXII, 522.]

plaatje: skelet dat met hoofd speelt [ XXII, 197 (1659): Plaatjes voor de toverlantaarn, naar Holbeins Dodendans; vgl. I, 17. ]
[ Origineel: UB Leiden, ms Hug 10, f076v. ]

[ IV, 102 (5 april 1662, aan Lodewijk H.): "Daar is weer een bestelling van Vader, om voor hem een lantaarn in elkaar te zetten met enkele verschillende plaatjes om weer te geven.
... Je zou niet kunnen geloven welke moeite het me kost om me bezig te houden met zulke kleinigheden die voor mij al heel oud zijn, nog afgezien van het feit dat ik me ervoor schaam dat men hoort dat ze van mij komen." ]

[ IV, 197 (17 aug. 1662, aan Lodewijk H.): "... de Lantaarn, die ik heb laten maken voor mijn Vader.
... hoeveel moeite ik gedaan heb voor niets, zonder dat ik hem net zo in elkaar heb kunnen zetten als de eerste geweest is, die ik hier eerder had, waar ik lang geleden de lenzen uit gehaald heb, en ik zou nu niet kunnen terugvinden welke het geweest zijn.
... ik ben bereid voor hem een verrekijker te maken, een microscoop en alles wat hij wil, behalve de lantaarn, waarvan de uitvinding gerekend moet worden tot de verloren kunsten." ]
toverlantaarn van Petit
[ IV, 269 (28 nov. 1662 1664, P. Petit aan Chr. H.): Tekening van een "lanterne de peur". ]
[  V, 162 (11 dec. 1664): antwoord, met tekening. ]

[ "Een of andere toverlantaarn als curiositeit.", in de lijst van 'instrumenten ... die geleverd moeten worden aan degenen die naar Madagascar gaan', Procès-verbaux de l'Académie des sciences, 1667, p. 39.]



Tweede Complement van de Dioptrica.
[ ... ]

[ 790 ]

Over het oog en het zien

(1670 - 1690)

    De bouw van het oog*) en de wijze waarop het zien gebeurt zijn zo goed en zo uitgebreid beschreven door anderen°) dat men er bijna niets over kan zeggen zonder te herhalen wat in hun boeken staat.


    *)  Vgl. het stuk van ca. 1653.
    °)  Mariotte, Pecquet, Perrault, de la Hire.   [Oeuvres de Mariotte (1717) T. 2, 495-534, Lettres.]
[ 791 ]
Daar evenwel alles dat we behandeld hebben en wat ons nog rest, betrekking heeft op het gezichtszintuig, kunnen we de uitleg van het orgaan dat de natuur ervoor bestemd heeft niet achterwege laten; en het is niet één van de minste voordelen die men trekt uit de studie van de Optica, dat men daarvan de kunstige werking begrijpt.
Want van ouds en tot onze tijd toe is men in diepe onwetendheid geweest aangaande de waarneming van objecten. Sommigen zeiden dat het oog stralen uitzond om ze te gaan vinden, en om (op een manier die men niet kan bedenken) verslag ervan uit te brengen aan de geest; onder hen is Euclides, in wat hij over de optica heeft geschreven. Anderen, zoals Epicurus en Lucretius, stelden zich voor (nog absurder) dat er zich voortdurend van de stof van de objecten een soort kleine velletjes losmaakten, die de vormen en kleuren ervan naar onze ogen zouden brengen;
[ 792 ]
nog anderen zeiden dat er van de objecten zekere verschijningen of onlichamelijke beelden groeiden (zonder verder te zeggen wat ze waren), die achtereenvolgens vandaar tot in het kristalachtig vocht van de ogen zouden gaan, en ze hielden dit gedeelte voor het gevoelige orgaan van het zien, het laatste en onmiddellijke.
Het was Baptista Porta — toen hij de voorstelling van objecten beschouwde die in een donkere ruimte gemaakt wordt wanneer men een glazen lens zet bij het gat of tegen het licht — die begreep dat in het oog een dergelijke afbeelding gemaakt wordt. Toch vergiste hij zich door te geloven (zoals men algemeen deed) dat deze afbeelding in de kristallens opgevangen werd. Deze fout werd opgemerkt door Kepler, die aantoonde dat ze achterin het oog gemaakt wordt, en die overigens deze hele materie veel meer ophelderde dan enig ander voor hem gedaan had.
[ 793 ]
    Om nu te beter het kunstig werk van de natuur in de bouw van het oog te begrijpen, zal het niet zonder nut zijn om eerst een vorm van het oog voor te stellen die eenvoudiger is, maar ook minder volmaakt, dan het echte oog is, en vervolgens te laten zien wat deze wijze Architectuur eraan heeft veranderd en toegevoegd.

kleine en grote halve bol     Men stelle zich voor twee holle halve bollen tegenover elkaar, met een zelfde middelpunt, en hun grondvlakken in een zelfde vlak, zoals A en B, en dat de halve diameter van de halve bol A, die ik doorzichtig veronderstel, het derde deel is van die van B, die ondoorzichtig is.
Deze halve bollen maken een enkele holte, en als men die met water vult is het duidelijk dat in het holle oppervlak van halve bol B een afbeelding gemaakt zal worden van alle ver verwijderde objecten, van de halve omvang van de hemel, omdat — daar de breking van water van 4 tot 3 is — de samenkomst van evenwijdige stralen (zoals naar men weet de stralen zijn die van een ver verwijderd punt komen), zich zal voordoen op het holle oppervlak van halve bol B, van welke kant ze ook op de bolling van A vallen. Zo zullen de stralen die komen van de ver verwijderde punten P, Q en R zich verzamelen in S, T en V.

[ 794 ]
Maar om deze afbeelding scherper te maken is het nodig dat het grondvlak van de halve bol A alleen bij het midden doorboord is, om de stralen buiten te houden die niet dicht genoeg bij het gemeenschappelijke middelpunt lopen om zich met de andere te verzamelen in het punt van samenkomst. Als het oog met deze vorm gebouwd was zou het hebben kunnen dienen, als het alleen ver verwijderde objecten zou moeten bekijken, en als het niet beweeglijk zou behoeven te zijn. Maar daar het ene klaarblijkelijk noodzakelijk is, en het andere ook, al was het maar om afstanden te schatten met de richting van de gezichtsassen naar een zelfde plaats, heeft de natuur in deze twee zaken voorzien, want ze heeft de halve bol B omgezet in een bijna hele bol, opdat het oog zich met deze vorm gemakkelijk zou kunnen draaien in de holte waarin het is opgesloten, terwijl toch het samenkomen van de stralen nauwkeurig de afbeelding van de objecten op het boloppervlak zou blijven aftekenen. oog En de natuur heeft tussen de oppervlakken van A en B een beweeglijke lens opgehangen, met een grotere breking dan die van de vloeistof die de rest van het oog vult, om daarmee de stralen die van een nabij object komen achterin het oog te laten samenkomen, want dan wordt deze lens wat naar het hoornvlies DAD geduwd om dit samenkomen te verhaasten*). Zodanig dat de vorm van het menselijk oog (waarop die van bijna alle dieren lijken) gemaakt is zoals deze andere figuur voorstelt.
Hierin is DGD de oogbol; DAD de doorzichtige en vooruitstekende bolling van het omhulsel dat men 'hoornvlies' noemt; C de lens die men 'kristallens' noemt, met draadjes er helemaal rondom in de vorm van stralen, die men de 'ciliaire banden' noemt; B een zeer doorzichtige substantie die enige samenhang heeft, terwijl die welke de ruimte EAE vult geheel vloeibaar is (aan de eerste heeft men de naam 'glasachtig vocht' gegeven, aan de andere die van 'waterig vocht'). In DD, waar de doorzichtige bolling van het oog eindigt, is geheel rondom nog een diafragma bevestigd, van een bijzondere constructie die men de 'uvea' noemt, en waarvan de ronde opening die ze in het midden heeft de pupil maakt.

    *)  Vergelijk een notitie uit 1667 over de bouw van het oog [p. 789]:
    In onze tegenwoordigheid heeft Pecquet dissectie uitgevoerd op het oog van een vrouw [...].
    De kristallens lag dicht onder het voorste deel van de uvea, dat de pupil tot stand brengt. Bij samendrukken met de vingers bleek hij vrij zacht, zodat te geloven is dat hij veeleer van vorm verandert, als het oog naar heel nabije dingen gericht wordt, dan dat hij van plaats verandert. Dit kan hier ook nauwelijks gebeuren, aangezien hij dichter naar het hoornvlies zou moeten gaan, waar hij al zo dicht bij is, zodat deze beweging weinig kan baten. En hij stoot zeker niet tegen de pupil; omdat dit, als het zou gebeuren, aan de buitenkant te zien zou zijn voor iemand die in het oog van een ander kijkt.
    Het is opmerkelijk dat Huygens later teruggekomen schijnt te zijn van deze mening, zo goed gemotiveerd had, en volkomen juist.
[ 795 ]
oog Dit diafragma dient om overbodige stralen uit te sluiten, zoals in de voorgaande constructie het grondvlak van de halve bol A deed, en het vernauwt zich in het bijzonder bij het zien van sterk lichtgevende of heel nabije objecten.

    F is de gezichtszenuw die uitkomt in de hersenen, en waarvan de zeer fijne vezels zich uitspreiden over het hele oppervlak van de holte B, en ze ontvangen in hun uiteinden de werking van het licht, en geven zo de volgorde en de kleuren van de afbeelding der objecten door aan onze geest of innerlijk zintuig.
De wanden van deze holte zijn ten eerste bedekt met een ondoorzichtig zwartachtig weefsel, dat men 'choroidea' [vaatvlies] noemt, en daarover met een ander, doorzichtig weefsel dat het netvlies is. En men heeft onlangs erover geredetwist*) of de indruk van de lichtstralen die de gewaarwording van het zien veroorzaakt in dit laatste weefsel gemaakt wordt, of in de choroidea, waarbij naar mijn mening de sterkste argumenten waren voor de choroidea.
Maar zonder bij deze kwestie stil te blijven staan zullen we de aandacht vestigen op het feit dat, hoewel de afbeelding van de objecten zich uitstrekt over het hele oppervlak EGE, er toch een kleine plek is, als een enkel punt G, recht op de as van het oog en van het bolle gedeelte DAD, waar de afbeelding een heel ander werkzame indruk maakt op de gezichtszin dan in heel het overige deel.


    *)  Mariotte, Pequet en Perrault. (^)  [Zie ook Phil. Trans. 50 (1670), p. 1023-42.]
[ 796 ]
Wat zich door ondervinding doet kennen wanneer men leest; want men onderscheidt de woorden in het geheel niet dan naarmate men er langs loopt met de oogas, en men zo de afbeelding van de letters opvangt in het punt G. Waaruit blijkt dat de hele rest van dit tafereel slechts dient om ons in het groot voor te stellen de objecten rondom hetgene waarop we mikken, en die men vervolgens onderscheidt door de oogassen er naartoe te draaien.

oog, 2x     Wat betreft de werking van de twee ogen tegelijk, de natuur heeft op een heel bijzondere manier erin voorzien dat ze het object niet dubbel laten verschijnen. Dat is dat ze gemaakt heeft dat elk punt achterin het oog zijn overeenkomstig punt heeft achterin het andere, zodanig dat als een punt van het object wordt afgebeeld in twee van deze overeenkomstige punten, het dan slechts enkel verschijnt, zoals het is.
Laat in de hier getekende ogen de twee assen zijn AB en CD. De punten achterin de ogen, B en D, zijn de voornaamste overeenkomstige punten, en wanneer een zelfde plek van een of ander object, zoals A, in deze twee punten wordt afgebeeld ziet men hem enkelvoudig en zo scherp als het maar kan. Maar men ziet verder tegelijkertijd de andere delen van dit object enkelvoudig, of liever die welke op dezelfde afstand zijn en naast de eerste; wat aangeeft dat ook de andere punten in de omgeving, zoals E en e, waar het object K afgebeeld wordt, en die even ver van de punten B en D verwijderd zijn, met elkaar overeenkomstig zijn.
En vermeldenswaard is dat ze allebei aan dezelfde kant van de assen zijn (zoals ze noodzakelijk zouden moeten zijn), en niet gelijk opgesteld ten opzichte van de gezichtszenuwen. Evenzo zijn F en f ook overeenkomstige punten, en alle punten achterin het ene oog hebben eenzelfde verband met bepaalde punten van het andere. Maar als een punt of kleine plek van een object afgebeeld wordt op twee van deze punten die niet overeenkomstig zijn, verschijnt het object dubbel.

[ 797 ]
En hiermee is gemakkelijk in te zien waarom een ver verwijderd object dubbel moet verschijnen als men de ogen instelt om te kijken naar een ander object dat dichterbij is, en waarom andersom het nabije object zich moet verdubbelen wanneer we het andere dat verder weg is enkel zien. Want bijvoorbeeld enz.

    Als men alles overweegt wat zojuist is uitgelegd betreffende de bouw van het oog, kan het niet anders dan dat men daarin de werking opmerkt van niet alleen een bewonderenswaardige voorzienigheid, maar ook een hoog begrip van de meetkunde, en naar mijn mening duidelijker dan bij enige andere zaak die in de natuur te vinden is. Zonder dat laatste zou men noch de uitvinding kunnen bedenken van het bolle oppervlak dat dient om evenwijdige stralen in één punt te verzamelen, noch de bolvorm van het hoornvlies en van de kristallens, zó goed afgepast op de diepte van het oog dat ze maken dat het samenlopen er precies op de achterkant plaatsvindt; noch deze lens met een breking die verschilt van die van de vloeistoffen die hem bevatten, en de beweeglijkheid ervan, om te maken dat het beeld van nabije objecten in het oog even scherp zou zijn als dat van verder verwijderde.
Men herkent de voorzienigheid nog in het bijzonder in de exacte polijsting van het bolle transparante deel waardoor de stralen binnenkomen, nog ondersteund door middel van een vloeistof die zich zo effen vasthecht, dat men in het geheel niet ziet dat water of ander vocht een dergelijk effect maakt als men er een of ander oppervlak mee bevochtigt. Ze blijkt eveneens uit de volmaakte doorzichtigheid van het hele inwendige van het oog; en uit het feit dat het helemaal gevuld is met deze doorschijnende lichamen, om te vermijden dat er terugkaatsingen zouden zijn aan verscheidene oppervlakken, in het geval dat er voor en achter de kristallens een holte zou zijn. Tenslotte ziet men deze voorzienigheid in de donkerheid van het hele inwendig oppervlak van het oog, om de terugkaatsing van licht te vermijden die de beelden verstoord zou hebben.

[ 798 ]
    Behalve dit alles beschouwe men zijn vaardigheid en kennis in het gebruik van de uvea, waarvan ik op dit moment terzijde laat het kunstig maaksel, namelijk dat bij het verwijden of vernauwen van het gat van de pupil, altijd de rondheid ervan behouden blijft. Ik zeg, dat, om dit diafragma in te richten en het te plaatsen op de afstand van het hoornvlies waar het is, bekend moet zijn geweest dat een te groot deel van een boloppervlak niet voldoende nauwkeurig de stralen verzamelt die uit één punt komen; en dat, om dit oppervlak te beperken, het heel wat beter was dat het gebeurde door middel van een iets meer naar binnen gelegen gat, dan te maken dat het hoornvlies zelf maar een smalle opening zou hebben; omdat het dan de stralen niet had kunnen opvangen die komen van objecten naast ons en van boven en van onder, waartoe tegelijk zijn bolvorm noodzakelijk vereist is.
Dat verder nog bekend moet zijn geweest dat evenwijdige stralen die op een boloppervlak vallen, maar ver van de as (zoals hier de stralen doen die komen van objecten aan de zijkant), samenkomen op kortere afstanden dan die welke dichtbij de as doorgaan, om daarmee te bewerken dat de afbeelding scherp was in de hele holte van de achterkant van het oog, hoewel deze holte bijna de hele bol innam.
Wie zou kunnen zeggen dat al deze dingen voortgebracht zouden zijn, anders dan met het oog op datgene waarvoor ze moesten dienen? En welke voortreffelijke kennis moet dat geweest zijn, die zonder iets dergelijks voor zich te hebben een zo mooi toestel bedacht en gebouwd heeft, om nu maar niets te zeggen over de macht die het heeft laten voortduren en het zo wonderbaarlijk heeft laten ontstaan bij de voortplanting van dieren.

    Maar als we verder naar voren kijken, naar het eerste idee of de uitvinding van het gezichtsvermogen, wat is er meer bewonderenswaardig dan te hebben bedacht dat een gedeelte van ons lichaam waarop ver verwijderde objecten, door tussenkomst van een ontastbare materie die overal verspreid is,

[ 799 ]
een subtiele en heel lichte indruk zouden maken (ik spreek volgens de hypothese die we hierboven uiteengezet hebben*)), die de geest zou verwittigen van hun vorm, hun plaatsing, hun afstand, hun rust en beweging, ze bovendien onderscheidend door hun verschil in kleuren. Te hebben ingezien dat daarvoor niet een beweging nodig was van deze tussengelegen materie die haar van plaats zou doen veranderen, maar een klein en hevig wiebelen, dat haar overal waar ze zich uitstrekt achtereenvolgens opgelegd zou worden, afkomstig van de Zon en de sterren, of van een vuur hier beneden, en dat, terugkaatsend tegen het oppervlak van lichamen, vandaar voortgezet zou worden tot aan dit zo gevoelige gedeelte dat in ons is.
Dit werk overtreft verre dat van het zintuig van het gehoor, dat voortgebracht wordt door een dergelijk opeenvolgend schudden van de lucht, ook al heeft dit zintuig nog veel wonderlijks, hetzij dat men beschouwt de bouw ervan of de subtiliteit in het zo fijn onderscheiden van verschillende geluiden, of het nut ervan met betrekking tot het woord of het genoegen dat het geeft door harmonie. Het is zeker dat zowel de instrumenten en de manier om ze te doen werken, als het volmaakte verband met hun doel bij beide zintuigen heel duidelijk aangeven dat het geen voortbrengselen zijn van een samenloop van omstandigheden of van toevallig in beweging gebrachte materie, maar van een supreme en onbegrijpelijke intelligentie en macht.°)
    *)  Het gaat om het Traité de la lumiere, waarop het Traité de dioptrique had moeten volgen.
    °)  [Vgl. 'Wat te denken van God?'.]
[ Charles Darwin, On the origin of species (1859), Ch. VI, Difficulties of the theory, p. 186:
"To suppose that the eye ... could have been formed by natural selection, seems, I freely confess, absurd in the highest possible degree."
Zie Michael Shermer, 'The skeptic's skeptic', in Scientific American, oct. 2010, p. 65.
Maar ook: Wikipedia, 'Fallacy of quoting out of context'.
Darwin, p. 188: "... to admit that a structure even as perfect as the eye of an eagle might be formed by natural selection ...".]



Christiaan Huygens | Toverlantaarn.  Over het oog (top)