Stevin | Nieuwe Sterctebou | Woordenlijst

Overzicht , Inleiding , sluizen , beren , zwaluwstaarten , heien , venen , Lingen , kaarten , Noten



Stevins Nieuwe Sterctebou

Nieuwe Maniere van Sterctebou, door Spilsluysen verscheen in 1617 bij Ian van Waesberghe te Rotterdam, en staat in deel V van Principal Works (militaire aspecten worden besproken in deel IV).

3 blz Begin Titelblad 1, opdracht aan de 'Generale Staten'.
blz  1 Kortbegryp
blz  2 - 12 Hoofdstuk 1     Vande nieuwe vondt der schuerende Spilsluysen.
blz 12 - 21     Hoofdstuk 2 Vande verstijving der gronden van Sluysen en Beeren.
blz 21 - 49 Hoofdstuk 3 Inhoudende ghemeenen reghel, van der Steden nieu manier
van verstercking, door schuerende Spilsluysen.
blz 49 - 59 Hoofdstuk 4 Voorbeelden, hoemen eenighe Steden die dadelic in wesen zijn,
door de ghemeene reghelen des 3 Hooftstucx kan verstercken.
2 blz Aenhang Voorbeeld: bij rivier en zee.



Inleiding

De titel suggereert: een vernieuwing van De Sterctenbouwing uit 1594. Maar het gaat nu niet zozeer om de vestingbouw. Stevin noemt in de opdracht wel enkele zwakke plekken in de verdediging van steden:

dat de Watersteden, gheleghen aen Zeen en groote bevaerlicke Rivieren, op beyde de eynden aen de waterkant kranc zijn, hebbende tot die plaetsen of drooge Grachten, of Beeren, buyten welcke men met leeghe wateren drooch voets aende mueren of wallen kan komen
Maar op de voorgrond staan de civiele toepassingen van een nieuwe uitvinding. Hij zegt dat:
door de nieuwe vondt der schuerende Spilsluysen onlancx te voorschijn ghekomen, de krancke plaetsen bequamelic versterct konnen worden, en datmen daerenboven de Grachten tot diepe Havens kan ghebruycken, ooc ten tijden van ijsganc de Schepen daer in berghen en verwinteren, streckende niet alleen tot verbetering der Steden en des ghemeenen Landts, maer ooc tot behoudenis van lijf en goet der varende Menschen [...].

Tis wel zoo, dat eenighe die my vermaent hebben, de zake van Sterctebou te laten uytgaen, daer af een volkomender beschrijving verwachten: Maer my heeft goet ghedocht voor eerst dit ghedeelte daer uyt te trecken, op dattet [...] te beter van velen mocht gelesen worden, en voornaemlic van zulcke diens oordeel totte zake ghelt, om het dadelic ghebruyc daer uyt te doen volghen

Toen het boek uitkwam werd er geen oorlog gevoerd in de Lage Landen, het was de tijd van het Bestand, en er was nu aandacht voor zaken als de ondiepte van de vaarten.  2
Dit probleem werd o. a. veroorzaakt door (blz 45):
de groote herdijcking der Landen kortelic deur het Bestandt gheschiet, diens Dijcken ten tijde van d'oorloogh deurghesteken waren
Maar: het "verzekeren teghen den Vyant" is een van de argumenten voor diepe vaarten, en:
Landen bequaem, om door haer Sluysen, of met deursteking der Dijcken, het Landt onder water te konnen stellen, alst noot is
Het onderwerp is dus: gebruik van de nieuwe spilsluizen.


Sluizen

Eerst wordt de bestaande situatie uitgelegd (blz 2). Er zijn drie soorten sluizen:
  1. om Havens te schueren
  2. Leeghe Landen te drooghen
  3. Schepen met staende masten door te varen
Het eerste heeft men lang gedaan:
optrekkende sluisdeur
met optreckende Sluysdeuren, ghelijc aenghewesen wordt met dese I form, waer af 'tghebruyc dusdanich is:

De Sluysdeur opghewonden zijnde, en 'tvloetwater inden houder loopende, tot dattet ten hoochsten is, men laet de deure neervallen, en ghesloten blijven tot dat d'ebbe ten leeghsten is, en alsdan de deure om hooch ghewonden zijnde, zoo valt dat opghehouden water inde drooghe leeghe Haven daer in diepte schuerende.

Grote schepen kunnen deze 'spuisluis' niet passeren.
Tweede soort, voor het drogen van lage landen:
sluis, bovenaanzicht
Sluysen met puntdeuren (die zommighe noemen swaeydeuren en steecdeuren) welcke geleyt worden onder de Dijcken, waer af de grontteyckening is ghelijc de volghende 2 Form uytwijst, wesende zoodanich dat het buytenwater leeghst zijnde, de deuren van zelfs open gaen en water loosen, maer het buytenwater hooghst wordende, sluyten van zelfs.
Buiten is in de tekening boven. Ook hier geen grote schepen: de deuren zijn in de dijk gemaakt. Het voordeel is: je hoeft ze niet "dach en nacht gade te slaen". Schurende werking is er nauwelijks bij de 'uitwateringssluis'.
Voor de schepen is er de 'schutsluis':
2 sluizen, bovenaanzicht
Zoo veel belangt de derde soorte van Sluysen, dienende tot het deurvaren der groote Schepen met staende masten, dat wort te weghe ghebrocht met twee paer steecdeuren, die niet onder den Dijc en ligghen als de tweedde soorte, maer inden Dijc zoo hooch komen als den Dijc zelf, zulcx datse van onder tot boven voor Dijc verstrecken [...]

'teerste paer deuren is A, het tweedde paer B, vervanghende tusschen beyden een kolc, sas, of verlaet, met twee waterloopkens inde zijmueren ghewrocht, diemen slecken noemt, [...] hebbende elc een Sluysdeurken.

Stevin legt duidelijk uit hoe een schip van buiten naar binnen komt.

Ook noemt hij nog twee andere typen deuren (blz 5): "die mette ebbe van zelfs neer komen te ligghen op't stortebedde" en: "diemen zijdeling int landt trect", maar die blijken "niet de bequaemste".

De grote steekdeuren bevielen goed, maar er ontbrak nog iets. Het zou zo mooi zijn als er ook havens mee geschuurd konden worden. Daarvoor moest men de deuren makkelijk kunnen openen bij een niveauverschil. sluisdeuren

Zoo hebben verscheyden persoonen hun daer me ernstelic bekommert, voornamelic hier in Hollant, alwaer in Steden, Dorpen, en platte Landen, zoo grooten menichte van Sluysen ghemaect is, en gheduerlic ghemaect worden, [...]
dat ic meen alsnu op den Aerdtbodem gheen Landt te wesen met meerder ervarenheyt in dit stof, noch daer meer kloecke verstanden doende zijn met verbetering van Sluysen te zoecken en te vinden  3
De oplossing was: in elke deur nog een 'spildeur' (draaideur) die door hoog water plotseling opengeduwd kan worden. De vertikale as (spil) van de draaideur staat iets uit het midden, en er zijn 'sponden' om de kleinste helft tegen te houden. Een draaiboom houdt de draaideur gesloten met een klink "vallende in een ysere neuse" aan het raam.
Stevin geeft informatie over het tot stand komen van de nieuwe vondst (blz 8):
Maer om nu te zegghen hoe desen grooten vondt syn oorspronc ghenomen heeft, zoo is te weten datter eerst inden Briel ghemaect wiert een spildeur

[...] zoo ist ghebeurt dat ic van die stof ter spraec komende met Adriaen Iansz overleden Stadtmeester van Rotterdam, en Cornelis Dircxsz Muys overleden Stadtmeester van Delf, elc van ons drien zeyde wat verdocht te hebben, dat hy meende goet te wesen,
en overquamen met malkander dat elc syn vondt verklaren zoude, met voorwaerde, dat zooder profijt of schade af quaem, dat wy't ghelijckelic deelen zouden, en malkander behulpich zijn. [...]

De bovenschreven manier van Adriaen Iansz, wiert daer na verbetert door Adriaen Diericxsz Timmerman tot Delf, [...] daer af hem by de Hoochmoghende Heeren Staten Octroy verleent wiert, van die alleen te moghen maken:
Na de zelve wijse isser twee ghestelt tot Maeslandtsluys; en noch een te Hellevoetsluys.


Beren

In hoofdstuk 2 kan Stevin het weer niet laten de betekenis van een woord uit te leggen  4 :
Beeren, die zommighe noemen Dodanen, eenige Daudanen, ander Daudeynen, ooc Audanen [...]
De steenen gestichten diemen inde Stadtsgrachten leght om Rivierkens tusschen beyden deur te loopen, ooc om twater inde grachten op te houden, hebbende boven een scherpen kant ghelijc den rugge van een Swijn, 'twelcmen gelubt zijnde, Beer noemt, zoo wordense Beeren geheeten:
En wantse ooc gelijckenis hebben metten rugghe van een Ezel, zoo noemense de Fransoysen Dodanes, dat is, dos de asnes, beteyckenende Ezels rugghen
Is dit de oorsprong van de naam Oudaen?  5
Dan legt hij uit hoe nodig een fundering is voor zo'n stenen beer:
zijnder tweederley voornamelicke oorzaken die hem doen omvallen:
D'eerste de diepe schuering die met zulcke onghewoonlicke hooghe wateren zomwijlen komt aenden voet des Beers [...]
D'ander oorzaec is de perssing, die met zulc ongewoonlic hooch water zoo uyter maten sterc wordt, dat de syping des hooch waters onder den Beer [...], de macht krijcht het zandt te beweghen, 'twelc daer toe komende, de beweghing wort stracx grooter en grooter, voortgaende ghelijc den brant inde huysen, die met een kleen vyerken beghinnende, terstont vermeerdert
Beeren vielen om, meer door gebrek aan oorzakelijke kennis,
dan door faute van d'Aennemers en Werclieden, die zomwijlen t'onrecht beschuldicht worden.

Zwaluwstaarten

Stevin geeft de oplossing: ontgronding en doorsijpelen van water zijn te voorkomen (blz 13)
met ingheheyde palen, die aen malkander inde langde ghehecht worden met swaluesteerten
Hij heeft er over nagedacht, en brengt ervaring in:
de onderste eynden zijn schuyns afghehouwen, om elcke pael int heyen altijt te doen drucken teghen de pael dieder gheheyt is [...]

alleenlic de twee zijden daer de swaluesteert en groeve aen komen, plat te maken, latende de boomsche rondtheyt van d'ander twee zijden blijven [...]

de swaluesteerten van bezonder houten reghelen maken, die naghelende teghen d'een platte zijde der pael, en teghen d'ander zijde twee bezonder ghenaghelde reghels, die de groeve tusschen beyden begrijpen [...]

vuyren masten, want die zijn lanc, recht, onder water als onverganckelic, en van kleenen prijs. [...]

moetense onder en boven even dic wesen, maer de boomen wassen boven dunder dan beneden [...]
de bovenschreven drie houten reghels aen't een eynde zoo veel dicker maken als de zake vereyscht

Stevin legt uit dat zijn oplossing afdoende is. Wel hadden hem "eenighe Ingenieurs" gezegd:
dat voor zommighe waterkantsche wercken in dese Landen plancken gheslaghen zijn 4 of 5 voeten diep, en alleenelic twee duym dic, met meskanten in malkander ghevoecht
Maar hij bleef bij zijn mening, want:
zulcke plancken en konnen den heybloc niet verdragen, om tot behoorlicke diepte ghesleghen te worden

Heien

Een dergelijke fundering is ook nodig bij sluizen, maar daar is heel wat meer nodig (blz 18): twee 'kaken' waartussen de waterloop is, een voor- en achterdorpel, voor- en achtervleugels, voorste en achterste stortebed, en nog twee rijen.

heipaal, met horizontaal hangende paal Dan volgen nog enkele praktische tips over heien in zand.
De eerste komt uit:

Melving in Pruyssen, alwaer den Stadtboumeester ghenaemt meester Maerten, wesende van Haerlem, my zeyde zulcx gheleert te hebben van een Polens Arbeyder, die benevens ander me heyde, welcke ziende datmen op hielt van heyen, om datmen aen't welzant ghekomen was, en niet voorder en konde, zeyde, en toonde metter daet hoemen in syn Landt dede, 'twelc toeghinc met een der palen die int water laghen te hanghen aende grontpael diemen heyde
Bij ons was het een "ghemeen zegghen" dat de palen niet dieper in wilden gaan dan tot het welzand, maar met een groot gewicht aan de paal kon het wel!
Ook goed om te weten:
Daer wiert int belegh van Ostende ghebruyct een manier van palen int zandt te krijghen door wriggheling, te weten trecking met touwen ter eender en ter ander zijde, en dat zonder stilhouden, tot datse haer behoorlicke diepte hadden, want zoo langhe stil staende dattet zandt zijn zate ghenomen heeft, men kan de pael daer na niet weerom beweghen: [...]
Dese manier nam haer oorspronc daer uyt, dattet werc by nacht moest geschien, zonder metten val des heyblocx gherucht te maken, daer den Vyandt na schoot:
De belegering van Oostende door de Spanjaarden was van 1601 tot 1604 (de stad wordt ook genoemd op blz 25, en in het Eertclootschrift: blz 185).
Maer dese palen en kanmen met zulcke wriggheling niet in krijgen, deur diense met swaluesteerten aen malkander ghehecht zijn, zulcx dat dit hier alleenelic vermaent wort tot ghedachtenis

Venen

Turf wordt op twee manieren uit het land gekregen (p. 43): van onder water met baggernetten, tot wel 20 voet diep en meer, en boven water door met spaden te steken of te graven. Bij de laatste manier worden vaarten gemaakt, enerzijds om met de turf schepen af te voeren, en anderzijds omdat de tussenliggende venen dan droger worden. Dan volgt een lesje fysische geografie:
Dit vande venen aenghemerct, en niet buyten reden schijnende, datmen tracht haer herkomst te weten, om dat zulcke kennis totte zake voorderlic mocht wesen, zoo zegh ic tot dien eynde de venen gheweest te hebben groote dicke bosschen, en dat alle teghenwoordighe groote dicke bosschen met lancheyt van tijdt venen worden zullen, welverstaende als de menschen de bosschen niet uyt en roeyen, maer daer de natuer haren loop heeft.
Bomen vergaan, eikenbomen het langzaamst (driehonderd jaar).
Maar het veen onder water dan? Daar kunnen toch geen bossen groeien?
Bedijcte landen en wassen na de bedijcking niet hoogher, de bosschen daer in staende worden venen als voren ghezeyt is, maer de buytenlanden wassen gheduerich aen, 'twelcmen tot veel plaetsen bevint op twintich of dertich jaren twee of drie voeten en meer te bedraghen ...
... daer ic eyghentlicker af gheschreven heb int 13 voorstel van't stofroersel des aertkloots,
zoo en konnen de bedijcte landen haer reghenwater niet loosen, maer blijven verwoest, en het buytenwater daer in loopende, de venen die van houten stof zijn, rijsen op zoo hooch alst water, en zinckende het zant mette kleyighe stof der hooghe wateren door het veen tot op den gront, zoo wast het landt op zulcker voeghen weerom inde hoochte, vlottende het veen op't water, 'twelc ooc d'oorzaec is waerom de diepe venen daveren alsmen daer op gaet ...

De boomen diemen al gravende ghemeenelic onder inde venen vindt, gheven ooc ghetuychnis die bosschen gheweest te hebben ...
Vermeld wordt dat bomen die niet verrotten steeds harder worden, maar fossielen of andere vondsten worden niet genoemd.
Van welker dinghen oorspronc ic voorghenomen hadde myn ghevoelen te verklaren, by aldiender de zake niet ghenoech me ghetroffen en is, 'tmach beghin zijn om naerder daer op ghelet te worden.
Zo besluit het 11e voorbeeld 'Van de schuring van vaarten door venen waar men turf steekt'. Ook in de Sterctenbouwing (p. 83) stond al een stuk over de 'anwassinghe' van de lage landen.

Lingen

Ook bij versterking van steden tegen de vijand kan de schurende kracht van stromend water te pas komen, zoals (p. 57-58):
d'ervaring tot Linghen ghebeurt, voor welcke Stadt ten tijde doen syn Vorstelicke Ghenade die in nam [1597], hooghe berghen aende grachten laghen, die over de Stadt bevalen, maer door de voordachtighe leyding der hooghe wateren van't Rivierken ghenaemt de Aa, zijn de berghen wech ghespoelt wel tot duysent voeten vande gracht, en dat met zeer kleynen kost:
Twelc gheen droomen wesende te vastelicker mach ghelooft worden, om dat de Burgherije dicwils quam uytgheloopen om te zien vallen de berghen die van onder uytghespoelt zijnde, omvielen. Tis wel zoo, dat dit t'eenemael zantberghen waren ...
Die over de stad "bevalen": die de stad overheersten (vanwaar men de stad kon bestrijken). Het kunststukje van bergen verzetten om de vijand het voordeel van een hoogte te ontnemen wordt ook vermeld in het stuk 'Waterschuring': "deurt behulp van rivierkens diemen lichtelic verleyden can".

Kaarten

Bij havens aan zee ontstaat verzanding, als grote stormen de grond bewegen. Maar bij een haven aan een rivier is de aanwas (aangroei) veel groter (p. 59):
daer af komen de groote Eylanden diemen aende monden der Rivieren ziet aenwassen, als voor de Schelde d'Eylanden van Zeelandt, en voor de Maes de Hollantsche Eylanden, als vande Vooren, Briele, Goeree, Beyerlandt, en veel ander dieder ten tijde van Ptolemeus niet en waren, en zedert zeer groote verandering ghekreghen hebben, ghelijc door syn Kaerten, en die des teghenwoordighen tijdts te zien is: Ja zoo, dat veel Steden, die doen Zee-steden waren, zedert Landt-steden gheworden zijn:
Zie een kaart van Zeeland, 1608, van Jacob van Deventer; en de Noordzeekust op Europ: IIII Tab: van Mercator, naar Ptolemaeus. Vergelijk een Germaniae descriptio Ptolemaica, waarop Leiden te herkennen is als Lugd. Ba-tavorum, bij de G van Gallia Belgica, en de Zuiderzee tussen de Batavi en de Frisii. Een Tabula nova Galliae van Servet naar Ptolemaeus toont wel Zeeuwse eilanden: Selandie, boven Brugge (aan zee), Gent en Antwerpen.
    Universalis tabula is een wereldkaart volgens Ptolemaeus.




Noten

  1. E. J. Dijksterhuis vermeldt in Simons Stevin (1943) dat het drukkersmerk van van Waesberge de Faam voorstelt, met de negen muzen. De spreuk 'Literae immortalitatem pariunt' zegt: de letteren brengen onsterfelijkheid voort.   «
        Zie ook Nieuwe Maniere van Sterctebou (Google/Universiteit Gent).
        Franse vertaling: Nouvelle maniere de fortification par escluses (1618) uitgegeven door M. en B. Elzevier; hun spreuk 'Res parvae crescunt concordia' zegt: kleine dingen groeien door eendracht.
        Duitse vertaling: Wasser-Baw, Franckfurt 1631.

  2. Problemen van verzanding worden ook behandeld in het posthuum verschenen stuk 'Waterschuyring', in: Hendrik Stevin, Wisconstich Filosofisch Bedryf (1667).   «

  3. Niet genoemd wordt Andries Vierlingh, die een Tractaet van dyckagie heeft nagelaten. Zie de bespreking in PW V, 72-73.   «

  4. Er is nu geen verwijt aan degenen die het vreemde woord 'Dodanen' gebruiken, en ook verder vertoont dit boek niet de gedrevenheid voor taalzuivering die Stevin eerder had. Op blz 47 gebruikt hij zelf onnodig een vreemd woord: "hooghe sware Dijcken tegen alle storm en extraordinaire hooge wateren". En in de Aenhang heeft hij het gewoon over "des grachts contrescharpe oft buytenkant", zonder te verwijzen naar zijn opmerkingen hier over in de Sterctenbouwing.   «

  5. In de bibliotheek van het Westlands Museum, Honselersdijk:
    'Kanttekeningen bij een ezelsrug: over de woorden oudaan en dodane', van R. Rentenaar.   «



Simon Stevin | Nieuwe Sterctebou (top) | Begin