
[ * ]
Aan de zeer doorluchtige Prins M A U R I T S L A N D G R A A F van H E S S E N, GRAAF IN KATZENELNBOGEN, DIEZ, ZIEGENHAIN EN NIDDA, zijn zeer goedertieren heer. |
| Z E E R D O O R L U C H T I G E P R I N S, Ook ik achtte het tot nu toe voldoende, als ik hun voetsporen volgde, en er niet van afweek; zodat ik wist dat ook de hemel onderworpen is aan die wisselvalligheid, die we op deze aarde dagelijks ondervinden, in een zo grote veranderlijkheid van alle dingen. Maar zodra ik het zo belangrijke vraagstuk zag, door U.H.*) aan mij voorgelegd°), is me sinds die tijd alles van minder belang toegeschenen, en ik heb dan ook gemeend
*) U. H.: Uwe hoogheid (zie ondertekening hierna). Vergelijk de 'Opdracht aan Maurits' (van Oranje), † 4. °) Zie het fragment uit de brief van Landgraaf Maurits aan Snellius (1619), in: Liesbeth de Wreede, Willebrord Snellius (1580-1626), a Humanist Reshaping the Mathematical Sciences, Utr. 2007, p. 156, de parallax wordt genoemd. |
|
dat ik me met de grootste vurigheid moest richten op het onderzoek van de oorzaken ervan. Zodat als ik op dit gebied geacht kan worden iets meer te hebben gezien dan de anderen, dit vast en zeker geheel en al aan u is te danken; en nu ik gevolg heb gegeven aan uw zeer goedertieren wil, wens ik mezelf ten zeerste geluk dat dit nu afgewogen moet worden met uw heel scherpzinnige oordeel. Hoe ook deze mening door een aanwijzing van U. H. kan staan of vallen. Want het moet voor mij meer betekenen te worden ingeleid door die edele en geleerde hand, dan ook door anderen te worden geprezen. Zeker inderdaad, als de oorzaken van die dingen die bovenin de ether ontstaan en vergaan voor ons zichtbaar en bekend waren, zou het niet heel moeilijk zijn daaruit ook de plaats en de beweging ervan te bepalen. Daarentegen is het nu zo, dat we uit waarnemingen de plaats ervan kennend, daarmee pas de oorzaken nagaan en opzoeken, en ook uit de gesteldheden ervan het wezen opsporen. Bij gesteldheden denk ik aan plaats en beweging. Deze komeet van ons nu, was op zijn minst vier keer zo ver als de Maan; bij de beweging heb ik het over de baan in een of andere grote cirkel ervan, waarvan een knoop valt in 13½ graden van Schorpioen; en een veranderende snelheid in het begin, midden en eind. Over het wezen stel ik dat het materie is van een brandend lichaam van de zon, een uitbraking door kraters hiervan, zodanig dat tegelijk ook iets als een brandend afgescheurd stuk wordt uitgespuwd, dat daarbij gemaakt is, naar ik meen. De vorm: een verbranding; zolang door die kracht, die hij vanaf het ontstaan met zich meetrekt, of door stralen van hemellichamen, die aangedreven materie losbarst in klaarblijkelijk vuur. Want als de kop van de komeet niet zou worden afgevreten door zijn vuur, zou er door ons |
hier op aarde nauwelijke één worden gezien, of zou hij ons alleen de staart laten zien, van een zo wisselende en onzekere ijlheid en lengte. Deze is immers ook een uitbraking van de brandende komeet, of een vlam, door een zekere verborgen kracht naar de hemelstreek tegenover de zon gericht. Want wat ik zie dat de grootste mannen is bevallen, dat deze staart wordt gevormd door zonnestralen die door de doorzichtige bol van die komeet heengaan, dat is volstrekt onverenigbaar met de waarheid van optische theorema's. Als doel tenslotte stel ik de glorie van de allerhoogste G O D, die met een zo ongewoon wonderteken de eigenzinnige inzichten van de mensen kan opwekken tot eerbied voor hem, en weerbarstigen kastijden. Zolang als de komeet hetzij gedreven door een ingeplante hoedanigheid, hetzij door een invloed en stralen van de hemellichamen, de functies van zijn verblijf volvoert. Ik zal misschien door sommigen gezien worden als iemand die ingaat tegen de gewone mening, en die om zo te zeggen gisteren en eergisteren*) uit de hemel is neergedaald en aan de stervelingen een weliswaar aangenaam, maar toch wel ongelooflijk verhaal vertelt. Niettemin, Zeer doorluchtige Prins, al begin ik sterk te vrezen voor U. H.'s oordeel, er is bij mij zoveel aan studie en onderzoek van de waarheid, dat ik me er niet voor schaam mijn onverbloemde mening, niet voorzien van enige opsmuk van woorden, aan U.H. voor te leggen, opdat deze zich door die soort van eenvoud des te meer aannemelijk maakt. Maar als ze op het eerste gezicht minder welkom lijkt, vraag ik U. H. toe te staan uw aanwijzingen uiteen te zetten met deze vertolking, die in een omvang van weinig hoofdstukken de redenen in het midden kan brengen, waarom ik zo zo ver ben afgeweken van de mening van anderen; omdat voor mij niet de nieuwe woorden van het grootste belang zijn, maar dat U. H. gelooft dat ik me alleen heb toegelegd op de waarheid.
*) Gr.: 'echthes kai prôèn', kennelijk verwijzend naar Plato, Wetten, 3.677, Engl. (transl. R. G. Bury), Ned. (vert. School voor Filosofie, 1993, Ars floreat, 2005), p. 113:
|
Als daarbij iets verkeerds is gedaan of een fout begaan, is dit geheel afkomstig van iemand die heel gehoorzaam is aan U. H., en die zich zeer toelegt op alleen de onopgesmukte waarheid. Blijft over dat ik allerhoogste Godheid deemoedig bid, dat hij U. H. bewaart en behoedt voor alle tegenspoed, en met een hele hoop goede dingen heel lang begunstigt en toerust.
De aan Uw Doorluchtige Hoogheid |
Dat geeft één dag. Nooit opent de Natuur Van binnen zich geheel; en steeds wil zij Nog veel bewaren voor wie vaker kijkt. Dat dit echt waar is, S N E L L I U S heeft het je al, Door streven naar goddelijke wijsheid aangezet, Beloofd, waarmee hij Grieken honderdmaal en Remus' geslacht van fouten beschuldigd heeft. De snode fakkels van de behaarde ster, En oorzaak en ontstaan door diepere blik Doorzien, heeft hij de ark der waarheid nu Voor ons ontsloten; zodat wat eerst was meer Wonder dan weten, elk nu kennen kan. Maar hoe hij deze wijde baan doorliep Met losse teugels vrij naar buiten ging Door verre ruimtes heen; zo langzaam en Schroomvallig stapt hij, wandelt zelfs door vuur Waarop bedrieglijk as nog volgt, als hij Het duister lot bespreekt; uit voorgevoel Kan men als sterveling er bang voor zijn, Maar duiden kan geen kracht van wetenschap. Waarom vermoeit de valse troep van zieners zich, |
Verkopers van bedrog; vijandig volk Voor prinsen-scepters: grote huizen pleegt Het hoop en vrees te geven. Kan iets vaak Dicht ontspruiten tegen zoveel wetten in? Met nevelige nacht heeft God omhuld Toekomstige kans. De vaste hemelwet Buigt niet voor slachtoffers. Wie meegaand zal Gehoorzamen, is dienaar van Gods macht; Maar wie weerstaat, die schikt zich toch als slaaf, En gaat ten onder, dom vluchtend voor het lot. Waarom te weten, dat wat zeker blijft? Als iets verheugends komt, verbloem dan wel Je blijdschap, tot je echt geniet daarvan. Gebeurt iets ergs, wees dan niet dubbel wrak, Van geest vooreerst, dan weldra ook van lot. Te dulden kwaad niet weten, dat is zoet.
|
|
*) Petrus Cunaeus "served as a kind of private poet for Snellius, writing poems to four of his books" (de Wreede 2007, p. 92). |
| [ 1 ] | B E S C H R I J V I N G van de K O M E E T van 1618. |
|
Uiteenlopende meningen over de afstand van kometen tot de aarde, bij oude en recentere schrijvers. C A P. I. |
|
Zodat ze allemaal van oudsher met de grootste gelatenheid zich hebben laten welgevallen, dat door een zo bewonderenswaardige maker van zoveel uiterst nutteloze kringen die daarop ook nog zulke stevige zolderingen heeft aangebracht de kometen omlaag gehaald werden, bijna naar deze bekende lucht van ons, en als het ware in kerkers opgesloten. Maar als ze de ogen eveneens hadden opgeslagen naar de hoogte, en steunend op de vleugels van de wiskunde, die Lynx-ogen hadden gebruikt, zouden ze zeker hebben gevonden dat het met deze zaak heel anders zit. En ik kan mezelf er niet geheel van overtuigen dat de grootste talenten zichzelf en het bageslacht hier in de steek hebben gelaten. |
|
Welswaar getuigt Seneca*) heel duidelijk dat die uitstekende mannen Charmander,
Epigenes, Apollonius Myndius, Posidonius ook, nooit zijn overgehaald door die bij uitstek onbeduidende praatjes. Uit hun bronnen heeft hij zijn spaarbekkens gevuld. Maar aangezien het niet minder schandelijk is voor een Wiskundige, iets te zeggen zonder bewijs, dan voor een Rechtsgeleerde zonder wet: die grote Regiomontanus, hersteller van een Wiskunde, die nogal slordig werd verkregen (ook al werd hij in beslag genomen door die verderfelijk foute mening, dat kometen onder de omloopbaan van de maan ontstaan en vergaan) een methode bedacht, waarmee deze niet behoorlijk onderzochte en ingewikkelde dingen in getallen zouden komen, en hij de nabije afstand (zoals geloofd is) met een meetkundig bewijs zou bepalen. In navolging van hem heeft daarna Johannes Vogelin van Heilbronn de afstand van de komeet van 1532 bepaald op 1535 delen, zoals waarvan de halve diameter van de aarde er 895 heeft, dat wil zeggen: op niet helemaal twee halve diameters van de aarde. Maar naar ik meen op minder gelukkige manier.
*) Naturales quaestiones, Liber VII, De Cometis. Engl.: London 1910 (transl. John Clarke), Book VII. |
|
|
|
C A P. II. |
|
|
|
|
|
Loop van de komeet op zijn grote cirkel nauwkeurig door waarnemingen bepaald C A P. III. |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
verwijderd was, wegens de uiterst geringe parallax. C A P. IV.
|