Chr. Huygens | Oeuvres XV >

[ 403 ]

EUSTACHII  DE  DIVINIS SEPTEMPEDANI

BREVIS ANNOTATIO

IN

SYSTEMA  SATURNIUM

C H R I S T I A N I   H U G E N I I.

 AD 
SERENISSIMUM  PRINCIPEM
L  E  O  P  O  L  D  U  M
Magni Ducis HETRURIÆ Fratrem,

Una cum

CHRISTIANI  HUGENII

R   E   S   P   O   N   S   O,

  Ad eundem  
SERENISSIMUM  PRINCIPEM.
Drukkersmerk
H A G Æ - C O M I T I S,
Ex Typographia   A D R I A N I   V L A C Q,
ANNO  M D CLX.



Korte annotatie van Eustachio Divini*) op het Systema Saturnium van Christiaan Huygens.
Aan de doorluchtige prins Leopold, broer van de groothertog van Etrurië,
Samen met het Antwoord van Christiaan Huygens, aan dezelfde doorluchtige prins.

[ *)  Septempedanus: van San Severino.]

[ 405 ]
ed. van Huygens 1). p. 1-2.

Doorluchtige Prins

NIet zo lang geleden is mij het boek van Christiaan Huygens in handen gekomen over het systeem van Saturnus, aan uwe Doorluchtige Hoogheid opgedragen 2), waarin ik zowel één ding over mij, als het een en ander over de zaak zelf heb gevonden dat niet geheel met de waarheid overeenstemt. Ik zou niet willen dat geletterde mensen, die niet beschikken over een grotere telescoop, tot een onjuiste mening gebracht werden; aangezien ze in andere gevallen nu nogal geneigd zijn tot het opvangen, met gelovige oren of ogen, van die nieuwheid van dingen aan de hemel, die tot nu toe aan de wereld onbekend zijn geweest. Er komt bij dat de schrijver van het boekje beweert dat door hem een zodanige nauwgezetheid is betracht, dat zeker niemand daarin een grotere zou verlangen; wat werkelijk van geen klein gewicht is, om de lichtgelovigheid van de mensen te winnen, en hun een onjuiste mening in te boezemen.

Dus vond ik het op mijn weg liggen, zowel dat wat mij is toegevoegd, als die dingen die aan alle anderen gemakkelijk aanleiding zouden kunnen geven te dwalen, te weerleggen met dit korte en publieke geschrift; en wel kort, opdat het voor de lezers niet lastiger dan nodig is; en publiek, opdat de particuliere fouten van Huygens geen publieke worden, of als ze al publieke zijn geworden, opdat ze door mij publiekelijk krachteloos gemaakt worden, zodat de republiek der letteren er geen schade van ondervindt. En omdat Huygens zijn boekje onder uw auspiciën in het licht heeft gegeven, heb ik deze korte bespreking onder dezelfde auspiciën willen publiceren, met meer recht omdat ik op zoveel manieren met uwe Doorluchtige Hoogheid, en met de hele meer dan koninklijke familie der Medici, verbonden ben. {p. 2.}

  Drie dingen dus zal ik in dit geschrift leveren; ten eerste zal ik het mij aangewreven bedrog verwijderen. Vervolgens zal ik enige fouten van de schrijver aanwijzen, maar met díe gematigdheid van stijl, die ook een Christianus, en een ingenieus, om niet te zeggen Eugenieus 3) iemand betaamt. Daar nu de schrijver op pag. 1 4) heeft geschreven, dat de aard en de oorzaak van het verschijnsel Saturnus noch door Galilei, noch iemand van de sterrenkundigen begrepen was, en dat deze tenminste verklaard kan worden met een bij de bol van Saturnus gevoegde krans van een glanzende ring, zal ik — opdat het niet lijkt alsof aan Jupiter, die


1)  Zie over de originele editie te Rome: p. 392-393 [o.a. over brieven van Guisony: Divini is geen Latinist, de schrijver is Fabri]; bovendien werd Brevis annotatio herdrukt op p. 597-618 van de Opera varia [1724], het werk genoemd op p. II van het Voorwoord van T. I.
2)  Zie p. 211-219 hiervoor. [Ned.]
3)  "Christianus" [Christen] en "Eugenius" [welgeboren] houden toespelingen in op de gelatiniseerde voor- en achternaam van Huygens: "Christianus Hugenius". In de oorspronkelijke uitgave van de 'Annotatio' wordt Huygens' naam steeds geschreven als "Eugenius". Vergelijk noot 9 van p. 392.
4)  Zie p. 225. [Ned.]

[ 407 ]
ed. van Huygens. 2-3.

terecht door Mediceïsche sterretjes wordt omkranst, de krans wordt ontnomen om aan de lang geleden onttroonde Saturnus te worden teruggegeven 1) — kort een eerste begin van het systeem van Fabri 2) uiteenzetten. Daarin worden de aangevoerde verschijnselen van Saturnus verklaard met zo'n gemak, dat het volgens mij niet te overtreffen is; en wel met die hypothese van de stilstaande aarde, die de katholieke Astronomen tenminste moeten aanvaarden en verdedigen tegen heterodoxe Aristarchussen 3). Overigens zou ik willen dat dit alles dat door mij geschreven zal worden, aan uw zeer onpartijdige beoordeling en juiste oordeel wordt onderworpen; en met voordeel, meen ik, aangezien alle geletterden u vereren als Maecenas, en kunstenaars van meer verfijnde werken als buitengewoon beschermer. Maar ik kom ter zake.

  In de eerste plaats dan: Huygens geeft, voordat hij aan het systeem van Saturnus begint, een beschrijving van zijn telescoop; aangezien er namelijk, zoals hij zelf zegt, geen andere kijkers waren dan met een lengte van vijf of zes voet 4), heeft hij serieus en met de grootste ijver zijn aandacht en hand gericht op het maken van langere kijkers. Maar hij had kunnen en moeten opmerken, in die Saturnus-waarneming van mij die hij zelf aanhaalt 5), dat door mij melding is gemaakt van telescopen met verschillende lengte, die ik voor de genoemde waarnemingen had gebruikt, en wel van 15, 24 en 36 palm 6); en van deze heb ik er veel gemaakt.

De illustere ridder Digby 7), een man zowel van edele afkomst, als in het oog vallend door de scherpzinnigste aanleg en allerlei geleerdheid, heeft er zes meegenomen toen hij uit Rome vertrok{p. 3.}  Thomas Paggi 8), Engels edelman, heeft er een meegenomen; een andere is gestuurd naar Turijn; Fabrizio Guastaferri 9) te Rome, iemand die door omgang en vriendschap zeer met mij verbonden is, met veel belangstelling voor de beste dingen, heeft er één; naar Bologna heb ik er een gestuurd aan de illustere graaf Carlo Antonio Manzini 10), iemand die zeker heel bekwaam is in deze dingen, een uitstekende doctor, de verschijning van wiens Dioptrica we verwachten 11), waarin we ongetwijfeld zullen lezen wat velen tot nog toe hebben verlangd. Eén heb ik er ook gemaakt voor de illustere heer Caramuel 12), bisschop van Campania; ik heb het niet over andere, al vele jaren doe ik namelijk niets anders.

  Dan beschrijft hij 13) een door hem gemaakte telescoop, 23 Rijnlandse voet lang, en omgezet in de Romeinse palm, zoals de architecten gebruiken, geeft dit 31 palm, 4 uncia 14). De schijf van het objectief-glas (zo noemt men het gewoonlijk) heeft een open diameter van 2 en een derde duim, of 3 unc., 1 scrupul. 15) van de Romeinse palm. Het oculair-glas


1)  De god Saturnus zou verdreven zijn door zijn zoon Jupiter.
2)  Zie over Honoré Fabri: T. 3, p. 83, n.3.     3Aristarchus van Samos.
4)  Zie het begin van de tweede alinea van p. 227. [Ned.]     5)  Zie p. 279.
6)  Op het pamflet (p. 278, n.4, 1649):  24, 16, 15 (en grotere), 35 palm, en één van 45 palm.
7)  Zie over Kenelm Digby noot 2 van p. 12 van T. 2.     8)  Niet geïdentificeerd.
9)  Fabrizio Guastaferri, Cinque lettere ..., Roma 1668, over natuurwetenschap.
10)  Zie T. 3, p. 117, n.10.     11)  Ibidem, n.9: L' occhiale all'occhio, 1660.
12)  Juan Caramuel Lobkowitz, zie T. 1, p. 562, n.6.     13)  Zie p. 231. [Ned.]
14)  1 uncia = 1/12 palm.     15)  1 uncia = 24 scrupula.

[ 409 ]
ed. van Huygens. 3-5.

dat bestaat uit twee met elkaar verenigde glazen, is gelijkwaardig met een lens, en verzamelt evenwijdige stralen en brengt ze samen in een brandpunt op een afstand van 3 duim van de genoemde voet, dat wil zeggen 4 uncia, 2 scrup. van de Romeinse palm. Verder leidt Huygens daaruit af dat zijn objectiefglas uitstekend is, daar het een zo sterke lens (zoals men zegt) verdraagt, en hij beweert dat voor betrouwbare waarnemingen van Saturnus zulke kijkers en glazen moeten worden gebruikt.

  Dit had Huygens makkelijk achterwege kunnen laten; deze regels waren immers niet nodig, aangezien al lang ervoor telescopen waren gemaakt, die zowel wat betreft de lengte, als de vorm van de glazen, als ook de volmaaktheid van het werk, allerminst onderdoen voor die van Huygens; ik heb eens een buis gebruikt die 36 palm lang was, en dus 4 palm, 8 unc. langer dan die van Huygens, en de diameter van de opening was 4 unc. 2 scrup., maar met verwaarlozing van die 2 scrup. wegens het verschil in lengte, namelijk 4 palm, 8 scrup., blijft over dat de diameter van mijn glasschijf  {p. 4.}  1 unc. groter was dan de diameter van die van Huygens. En dus is mijn telescoop op dit punt wel te verkiezen boven die van Huygens, volgens een gewone en door iedereen aanvaarde regel; daar namelijk het objectiefglas om zo te zeggen een grotere opening verdraagt.

  Bovendien heeft hij geheel zonder reden twee glazen tot een dubbelbol oculairglas samengevoegd; aangezien een enkele lens voldoende is. Ik heb bij de genoemde waarnemingen een lens gebruikt die evenwijdige stralen verzamelt en projecteert in een brandpunt op een afstand van 3 unc. 2 scrup., maar deze afstand is 1 unc. kleiner dan de projectie-afstand van Huygens, dus mijn lens is sterker, terwijl de lengte van mijn kijker groter is. En daar telescopen hierop beoordeeld worden, zoals hij zelf heel juist opmerkt, leid ik zeker met hetzelfde recht daaruit af, dat mijn telescoop voortreffelijker is, en dit om drie redenen. Ten eerste, omdat hij langer is. Ten tweede, omdat hij een objectiefglas heeft dat een grotere opening verdraagt. Ten derde omdat hij een sterkere lens aan kan.

  Huygens schrijft op pag. 37 1) van zijn boekje over mij als volgt:

En zulke [hengsels van Saturnus] heeft Eustachio Divini opgetekend in de jaren 1646, 1647 en 1648; de door hem uitgegeven figuur hebben we hier bij nummer 10 weergegeven*); en daar hij voor de meest voortreffelijke kijkermaker wordt gehouden, is te geloven dat hij het aanzicht van Saturnus het zuiverst van allen heeft getekend, behalve dat hij die schaduwen, die in de figuur verschijnen, zelf heeft toegevoegd, naar ik meen.

Het is zeker zo, dat ik hem heel dankbaar moet zijn voor deze lof, waarmee hij mij heeft bestempeld als een onbekend en hoogst onnadenkend iemand; maar wat is dat "zelf toegevoegd", anders dan: de mensen op de mouw gespeld? Als het immers van mij komt, is het verzonnen, en dan heb ik Saturnus niet echt zo weergegeven als ik hem heb waargenomen; omdat ik zelf die schaduwen heb toegevoegd, die ik op Saturnus niet gezien heb, en ook niet heb kunnen zien, omdat ze er echt niet zijn op Saturnus; het is dus een fabeltje, een verzinsel; ja zelfs moet het in een zo belangrijke zaak voor mooi bedrog gehouden worden, aangezien de mensen  {p. 5.}  gemakkelijk erdoor op een dwaalspoor worden gebracht.

Maar zo ik de schaduwen al zelf heb toegevoegd, Huygens is aan hetzelfde vergrijp schuldig, die op verschillende plaatsen veel grotere schaduwen heeft toegevoegd, om zijn om Saturnus gelegde ring beter te doen uitkomen 2). Doch stellig heeft geen van ons beiden ze zelf toegevoegd; om immers een bol, dat is een
bol met ring er achter
X, tien

1)  Zie p. 279.
[ *)  Fig. links: Divini (1649), rechts: Huygens (1659); de plaat staat achterin Divini 1660 en achterin T. 15.]
2)  Divini bedoelt fig. 72 van p. 299; deze stelt geen waarneming voor, maar dient om de hypothese van Huygens uit te leggen.  [Huygens' Saturnus-waarnemingen hebben wel steeds een schaduw van de ring, behalve op p. 55.]

[ 411 ]
ed. van Huygens. 5-6.

vast lichaam, te tekenen op een plat vlak, moet er wat schaduw bijgehaald worden, zodat een vaste vorm wordt voorgesteld en verschijnt, anders wordt het een zuivere cirkel. Welke beginneling in de grafische kunst weet dit nog niet? Dat er namelijk schaduwen bijgehaald moeten worden om vaste vormen aan te duiden. Ik heb mijn schaduw dus niet zelf toegevoegd, maar ik heb een bol getekend op een vlak, die evenwel zonder behulp van schaduw niet getekend had kunnen worden. De schaduw maakt immers, dat de rest van de vorm als het ware uitsteekt, en naar voren lijkt te komen; op dit ene punt verschilt een ruimtelijke tekening van een plattegrond.
Of misschien heeft hij willen zeggen dat de holte van het hengseltje van Saturnus door mij ontsierd is met een donkerder schaduw dan behoort; terwijl die toch gezien wordt met dezelfde kleur als de rest van de hemel. Maar laat me met zijn verlof zeggen: hoeveel holtes van de hengsels we ook hebben gezien, steeds zagen we ze donkerder en zwarter dan de rest van de hemel 1), en niemand zal dit toeschrijven aan een gebrek van de telescoop. Als die hengsels namelijk inderdaad leeg zijn, en de gezichtsstralen die erdoor gaan eindigen op de de hemel zelf, zullen ze dezelfde kleur hebben als de hemel, met welke telescoop ze ook bekeken worden.
En daarom, omdat Huygens mij uit beleefdheid het stempel van voortreffelijkste vakman heeft toegekend, al geef ik niet toe dat ik de voortreffelijkste ben, ben ik hem toch dankbaar, zoals ik al gezegd heb, voor deze loftuitingen, die bij mij niet passen. Maar omdat hij om dezelfde reden waarom hij mij meer in de hoogte steekt, ook dieper de grond in boort, wanneer hij een betrouwbaar gebruik van een door mij gemaakte telescoop mist — daar deze immers de satellieten van Saturnus niet in die vorm en met dat uiterlijk toont, waarin ze werkelijk getoond zouden moeten worden — kom ik tot een ander onderwerp.
Hier zal ik helder aantonen, dat Huygens op enige plaatsen heeft gebazeld, en of dit moet worden toegeschreven aan de door hem gemaakte kijkers,  {p. 6.}  of aan de fantasie van de schrijver, zou een ander zich wellicht afvragen; ik zou zeker geen afbreuk willen doen aan de oprechtheid van de zeergeleerde heer, en daarom oordeel ik dat wat hij fout heeft gedaan ongetwijfeld aan een gebrek van de telescoop moet worden toegeschreven. En wat betreft de regels, die hij op pag. 3 en 4 heeft voorgeschreven voor zijn glazen 2), het zal voldoende zijn ze hierboven te hebben vermeld 3).

  Het staat vast dat de schrijver twee telescopen heeft gebruikt 2) bij de geleverde waarnemingen; de eerste was van 12 voet, of iets meer dan 16 palm volgens de Romeinse gewoonte, voorzien van twee bolle glazen; de andere van 23 voet, zie hierboven. Bij de laatste moeten we ons houden aan wat hij gezegd heeft, naar ik meen. Ik heb evenwel zoals gezegd een langere telescoop genomen, namelijk van zesendertig palm, zodat ik er niet aan heb getwijfeld, of deze mij Saturnus even duidelijk kan tonen; vooral aangezien de glazen door mij gewoonlijk voldoende zorgvuldig en nauwgezet worden geslepen, gevormd en gepolijst. Als ik telescopen van Huygens tot mijn beschikking had, zou makkelijk een vergelijkend onderzoek ingesteld kunnen worden, en niets belet toch zeker dat Huygens dit ook zou kunnen instellen; daar immers door mij gemaakte kijkers al over heel Europa zijn verkocht en als het ware


1)  In de uitgave van 1649 (p. 278, n.4) is de omgeving van de hengsels niet aangegeven.
2)  Zie de alinea die onderaan p. 229 begint. [Ned.]
3)  Zie de alinea die onderaan p. 407 begint.

[ 413 ]
ed. van Huygens. 6-7.

uitgezaaid, konden ze gemakkelijk in zijn handen komen. Ik vertel nu iets dat me enige dagen geleden overkwam. Al een of twee jaar zijn verstreken, sinds de eerwaarde pater Antonius Maria de Rheita 1), in Bologna komend, met buitengewoon veel ophef sprak over een telescoop die hij bij zich had, van 24 palm, en verzekerde dat er in Italië geen enkele van dezelfde lengte was, die niet onderdeed voor de zijne. Hiervan op de hoogte gesteld door de illustere graaf Car. Ant. Manzini, om het nog eens te zeggen 2) iemand die in deze dingen zeer bekwaam is en heel belangstellend, heb ik een telescoop van dezelfde lengte naar hem gestuurd, zoals hij had gevraagd; bevonden is dat beide hetzelfde vermogen hadden en even goed waren. Dit was ik al bijna vergeten toen opeens de illustere heer de Monconys 3), edelman van Lyon, aan de meesten bekend om zowel zijn verstand als zijn afkomst, onverwacht bij mij was op de dag na de begrafenis. Toen na de gebruikelijke plichtplegingen  {p. 7.}  tijdens het onderhoud sprake was van kijkers, zei hij: "Uw telescoop van 24 palm heb ik niet meer, die heel goede, die u enkele jaren geleden naar Lyon had gestuurd aan mij, al was ik u niet bekend; die heeft de goede pater Rheita mij namelijk ontfutseld met zijn dringende verzoek". "Dan heb ik dus met mezelf gestreden", zei ik, "en kinderen van dezelfde vader als vijanden tegen elkaar opgezet". Beiden barstten we in lachen uit; maar het is niet zo, dat iemand dit pater Rheita aanrekent als misslag, die uit eigen beweging erkende dat de genoemde telescoop niet door hem was vervaardigd, maar door iemand anders.
Dit heb ik geschreven opdat hiermee wel voldoende vaststaat, dat het had kunnen gebeuren dat een van mijn telescopen in de handen van Huygens was gekomen, om een vergelijkend onderzoek in te stellen; zolang dit niet gebeurt ben ik ervan overtuigd dat er niets is, waarom de mijne de hoofdprijs moeten overlaten aan die van Huygens; en derhalve dat bij dezelfde lengte de satellieten van Saturnus even helder en betrouwbaar getoond worden door de mijne als door die van Huygens.

  Met dit vooropgesteld: Huygens beweert steeds, pag. 35 4) en 36 5), dat de satellieten van Saturnus door hem nooit apart met een bolvorm gezien worden, zoals de eerste figuur toont, door hem gedrukt 6) en door mij herdrukt. Dat dit toch niet juist is verzeker ik met alle stelligheid, daar ik in het jaar 1657 — met de waarnemingen begonnen op 30 juni, en zeven of acht keer herhaald, tot de twintigste juli; hierbij gebruik makend van een telescoop van zesendertig palm, heel zorgvuldig gebouwd — de genoemde satellieten heb waargenomen als tot een bolvorm afgerond, geheel los van de bol van Saturnus, zoals de eerste figuur van Huygens ze weergeeft 6), en zoals Galileï ze al eerder had gezien 7). Hetzelfde heb ik waargenomen in het daarop volgende jaar, een telescoop van 24 palm gebruikend. Er waren zonder uitzondering belangrijke getuigen bij;


1)  Zie over Rheita T. 1, p. 84, n.8. [† 14 nov. 1659, of 1660.]     2)  Zie p. 407.
3)  Zie over Balthasar de Monconys T. 3, p. 103, n.8.
figuur 1 4)  Lees 35 [i.p.v. 25] en zie de alinea die begint onderaan p. 271.
5)  Zie p. 273-275. [Ned.]
6)  Zie de plaat genoemd op p. 270, n.4.  [Rechts: fig. 1 ervan.]
7)  Zie de alinea die begint onderaan p. 271.

[ 415 ]
ed. van Huygens. 7-9.

in de eerste plaats de voortreffelijke heer Alfonso Borelli 1), uitstekend wiskundige en meetkundige van de groothertog van Etrurië, aan de wereld voldoende bekend  {p. 8.}  door de roem van zijn kalligrafie 2).
En niemand moet ervan overtuigd zijn dat dit er door mij wordt bijgezet uit ijver om tegen te spreken; sinds die tijd namelijk dat ik de satellieten van Saturnus bolvormig heb gezien, gescheiden van de bol van Saturnus met een tussenruimte die wel klein was, maar waarneembaar voor het oog, met behulp van een telescoop, heb ik me er nooit van kunnen overtuigen dat er iemand zou zijn die zou ontkennen dat ze ooit gescheiden gezien kunnen worden.
Ik zeg dus dat ze door mij gescheiden zijn gezien; Huygens ontkent dat ze gescheiden kunnen worden gezien 3); ik voer getuigen aan, zonder uitzondering belangrijk, die het tegelijk met mij hebben gezien. Wie van ons beiden, vraag ik, moet geloofd worden? Ik houd vol dat ze gescheiden kunnen worden gezien, aangezien ik ze gescheiden heb gezien, met getuigen die zonder uitzondering belangrijk zijn; Huygens ontkent dat het gezien kan worden, omdat hij het namelijk nooit zelf heeft gezien; maar anderen hebben het gezien; toch ontkent hij dat het kan worden gezien; er zijn getuigen en ze zweren het; hij wraakt hen en doet afbreuk aan de betrouwbaarheid van telescopen van anderen. Ten onrechte, mijns inziens. Zeker hadden ze met een kortere telescoop niet onderscheiden kunnen worden, al waren ze in werkelijkheid gescheiden; dus aangezien ik ze met mijn telescoop gescheiden heb gezien, leid ik er als consequntie uit af dat deze volmaakter en beter is; en het ontbrak niet aan een telescoop van gelijke lengte, ja zelfs was er een grotere; en ook een zorgvuldige behandeling of nauwgezetheid van de vakman werd niet gemist.
De telescoop van Huygens leed dus, ook al was die langer, aan het gebrek van de kortere, daar hij ze met behulp ervan niet duidelijk gescheiden heeft kunnen zien, door dat gebrek waaraan kortere kijkers lijden, zoals ik zei. Het is dus onwaar wat hij heeft op pag. 35 3), dat ze met een telescoop korter dan ongeveer 8 palm gescheiden worden gezien, en met één die langer is dan 16 palm verbonden; zoals ik zei zouden ze juist veeleer gescheiden worden gezien met een grotere telescoop, en verbonden met een kleinere. En daar hij ze gescheiden heeft gezien met zijn kleinere telescoop, met een grotere echter uitstaand als aan beide kanten aangegroeide armen, is er een duidelijk gebrek aan de grotere telescoop, waardoor de stralen minder nauwkeurig worden geprojecteerd, en om het in gewone taal te zeggen, de begrenzing vaag wordt.  {p. 9.}  De telescoop van Huygens laat dus de hoofdprijs aan de mijne, dat moet wel; hiermee heb ik ze namelijk gescheiden gezien, terwijl hij ze met de zijne niet duidelijk heeft kunnen zien.

  Maar mij ontgaat niet de oorzaak waardoor het komt, dat Huygens halsstarrig ontkent dat ze gescheiden gezien kunnen worden. Zelf heeft hij een hypothese opgesteld van een ring die de bol van Saturnus omgeeft, met behulp waarvan hij die fasen tracht te verklaren, die bij deze planeet zijn waargenomen. En om zijn mening, of zijn verzinsel te steunen moest inderdaad door hem ontkend worden datgene dat, eenmaal aanvaard, die bedachte hypothese geheel zou doen instorten; als immers een ring Saturnus omgeeft, kunnen de satellieten nooit gescheiden worden gezien. Op een dergelijke manier verzint hij, dat de genoemde leegten 4) in de hengsels van dezelfde kleur als de rest van de hemel


1)  Zie over Giovanni Alfonso Borelli T. 2, p. 252, n.4.
2)  Voorbeelden: T. 3, p. 152, 158 en de platen tussen p. 154 en 155.
3)  Zie p. 273.     4)  Vergelijk p. 411.

[ 417 ]
ed. van Huygens. 9-10.

zijn 2), om zijn hypothese te steunen; als immers in die leegten deze ring wordt verondersteld, wordt niets anders dan de hemel gezien; maar in werkelijkheid verschijnen ze donkerder, zoals ik hierboven al zei 1), waardoor de hypothese van Huygens instort. Om dus die mening van hem zonder schade te behouden heeft hij bedacht alles te moeten verwijderen, waaruit de onjuistheid van zijn mening duidelijk zou blijken; en dit maakte hij zichzelf wijs; maar ons zal hij geenszins overtuigen, wij hebben met ooggetuigen volstrekt onomstotelijk bewezen dat de zaak anders ligt.

  Er is nog iets dat Huygens verzonnen heeft, of waarvan hij zich te gemakkelijk heeft overtuigd, wat toch van hetzelfde slag is; hij zegt namelijk dat op de bol van Saturnus een of andere zwartige band wordt gezien, die de schijf weliswaar in twee gelijke delen verdeelt wanneer alleen de bol van Saturnus verschijnt, zonder begeleiding; zodra echter de satellieten er zijn, wordt de band nu eens boven, dan weer onder de lijn van de armen gezien 3).

Maar ook dit is puur een verzinsel dat door de schrijver is bedacht, om zijn ring te steunen; want toen hem werd tegengeworpen dat als deze ring eenmaal was toegelaten, Saturnus nooit gezien kon worden zonder hetzij hengseltjes, hetzij armen, wat toch met alle waarnemingen in strijd is — immers  {p. 10.}  waar het vlak van de ring recht in het oog valt, zou de ring verschijnen als een rechte zone, in diameter gelijk aan de ring, en daarom met een diameter groter dan die van Saturnus; dan zouden twee aanhangsels als armen aan beide kanten van Saturnus hangen — toen dus die hypothese leed aan deze moeilijkheid, deze onontwarbare knoop, heeft de bedenker ervan zich voorgesteld dat het buitenste oppervlak van de ring niet in staat was licht te weerkaatsen, en dat die zwartige band dus daaruit voortkomt, en dat wegens gebrek aan teruggekaatst licht die uitstaande aanhangsels niet in onze blik vallen.
Dit heeft hij op pag. 11, 17, 61 4). Een andere oorzaak knoopt hij eraan vast op p. 70 5), gehaald uit de schuinheid van de invallende stralen, waardoor het komt dat het naar ons toegekeerde deel van de ring, slechts schuin verlicht, niet door ons wordt gezien; ja ook voegt hij dit andere eraan toe, dat het naar ons toegekeerde oppervlak van de ring heel weinig door de Zon wordt verlicht 6), en dat het daarom niet verwonderlijk is dat het heel slecht gezien kan worden. Ik had weggelaten wat hij heeft op pag 30 7) over Saturnus-bewoners.

  Dit alles wordt makkelijk omvergeblazen. Nooit heb ik namelijk die zwartige band kunnen zien, hoewel ik een uitnemende telescoop gebruikte; niemand heeft die ooit waargenomen behalve hij; en toch zou ik niet geloven dat onze telescopen slechter zijn dan die van Huygens. Die band moet dus worden beschouwd als denkbeeldig, of in elk geval toe te schrijven aan een gebrek in de glazen. En wat hij zegt, dat het buitenste oppervlak van de ring niet in staat is licht te weerkaatsen, het staat wel vast dat het onwaar is op grond van het feit, dat op de schijf van Saturnus alle delen met gelijk licht overgoten lijken te zijn. Elk naar ons toegekeerd deel is dus in staat licht te weerkaatsen.


1)  Vergelijk p. 411.
2)  Huygens zegt het nergens expliciet, maar zie Fig. 52, 62 en 78, p. 251, 252 en 311.
bol met band in het midden 3)  Zie p. 239, 241, 246, 247 [figuur: 16 jan. 1656], 251, 252, 319 en 321.
4)  Zie p. 241, 247 en 319.
5)  Zie p. 331-333.     6)  Zie p. 319.
7)  Zie p. 261; maar ook p. 341-343 (1659: p. 76-77).

[ 419 ]
ed. van Huygens. 10-12.

Bovendien, als we toegeven dat het zo is, en dat deze wat donkerder band op de schijf van Saturnus wordt gezien, dan zou toch niets verhinderen dat de armen met hetzelfde licht duidelijk zichtbaar zouden zijn; dat wil zeggen: de buitenste segmenten van de zichtbare zone, waarin de ring bij deze stand zijn gedaante projecteert, zouden uitstaand en naar buiten lopend aan beide kanten van de bol van Saturnus  {p. 11.}  gezien worden, zij het met verzwakking van dezelfde zwartige kleur.
Het is onjuist dat hij zijn toevlucht neemt tot de schuinheid van de invallende stralen; anders zou dezelfde redenering gelden bij de overige planeten; het kan toch niet zo zijn, dat een groter deel van een bol oppervlak de schuine inval van de zonnestralen niet opvangt. En tenslotte wat hij eraan vastknoopt, dat het naar ons toegekeerde oppervlak van de ring soms niet verlicht wordt door de zon 1), wordt op grond van de regels van de optica geheel weerlegd; te weten met de veronderstelling van die heel grote afstand van Saturnus, en ook de veel grotere 2) diameter van de zon, waardoor het komt dat het naar ons gekeerde oppervlak van Saturnus altijd verlicht wordt; dus is altijd de hele schijf van Saturnus zichtbaar. Over Saturnus-bewoners 3) heb ik niets te zeggen, dit verzinsel is veeleer met gelach dan met argumenten te weerleggen; er komt bij dat het tegen de katholieke dogma's ingaat, die alleen die mensen erkennen die van Adam afstammen.

  Hij heeft ook enige onjuiste dingen ingevlochten, zoals op pag. 7 4) waar hij zegt dat de banden van Jupiter helderder zijn dan de rest van de schijf; terwijl ze toch zeker donkerder worden gezien. Evenzo dat de bol van Mars bedekt is met een vrij brede band, die enigszins donker is 4); niets dergelijks is ooit waargenomen. Verder hebben we Saturnus nooit gezien met die vorm, die hij eraan toekent op p. 10, 11 en 18 5). Dat die hemelstreek bij Orion lichter is hebben we gezien, met die glinsterende sterren die hij zelf bespreekt 6).

Ook heeft hij veel uitspraken gedaan over de fasen van Saturnus, uit waarnemingen van weinige jaren, die ik niet voor zeker kan houden, totdat ze overeenstemmen met waarnemingen van volgende jaren; hij is immers met zijn waarnemingen begonnen op 25 maart 1655, en heeft ze voortgezet tot 19 februari 1656 7), maar met gebruik van een vrij korte telescoop van 12 voet; die daarom als minder betrouwbaar moeten worden beschouwd, zoals hij zelf erkent 8). We moeten ons dus houden aan de waarnemingen die daarna door hem zijn gedaan, en eveneeens herhaald, met een langere kijker, van ongeveer 23 voet, en voortgezet tot 26 maart  {p. 12.}  1659 9). Als er door hem genoteerde zouden zijn van 30 juni tot 20 juli 1657, zou ik zien of ze met de mijne zouden overeenstemmen; maar
1)  Zie o.a. de tweede alinea van p. 319. [Ned.]
2)  Wegens de polemiek hierover (zie p. 455-457 en p. 399, n.9) is deze nogal dubbelzinnige passage zo letterlijk mogelijk vertaald. Volgens Divini (of liever Fabri) [Pro sua annotatione, 1661, p. 40-41] is de betekenis: de diameter van de zon is veel groter dan die van Saturnus.
3)  Zie p. 417, n.7.     4)  Zie p. 235.     5)  Zie de figuren van p. 239, 240 en 246.
6)  Zie p. 236.     7)  Zie p. 239-247.     8)  Zie p. 241.     9)  Zie p. 247-255.

[ 421 ]
ed. van Huygens. 12-13.

ik vind er geen die gedurende deze hele periode zijn gedaan. Zijn deze weinige waarnemingen misschien voldoende om iets zekers vast te stellen? Vooral aangezien gedurende dit hele tijdsinterval, waarin ze zijn gedaan, Saturnus nauwelijks 38 graden heeft afgelegd, te weten van 20 grad. in de Maagd naar 28 in de Weegschaal zich verplaatsend; zal misschien, zeg ik, deze niet zo grote doorlopen boog voldoende zijn om een zekere en onbetwijfelde hypothese vast te stellen? Doch hij stelt dat de hengsels meer open en vrij gezien worden als Saturnus in 20 grad 30' van de Tweelingen staat en er tegenover in 20 grad. 30' van de Schutter. En bolvormig, zonder hengsels en begeleiding, in 20 grad. 30' van de Vissen. En evenzo in 20 grad. 30' van de Maagd 1). Of dit zal gebeuren zullen de volgende jaren zeker leren. Zelf heeft hij het tot nu toe waargenomen bij 20 Maagd 2), bij de andere punten heeft hij het niet gezien, en er is geen reden waarom hij waarnemingen van anderen aanvoert, waaraan hij helemaal geen geloof hecht, en daarom behoren ze hem niet te steunen. 3)
Eén ding dat hij heeft had ik besloten weg te laten; maar daar het me nu toch invalt, zal ik het althans aanwijzen; hij zegt namelijk, dat de bol van Saturnus rondgaat met een of andere draaiende beweging 4); maar dit is slechts een gissing, hij bewijst het niet; ofschoon immers de Zon deze draaiende beweging geniet, wat men gewoonlijk bewijst met de zonnevlekken, daaruit zal toch niemand rechtstreeks afleiden, dat deze beweging de overige planeten betreft. Vooral diegenen houden niet op dit te suggereren en op te dringen, die de aard-en-waterbol een beweging geven; maar tevergeefs, aangezien het heel zeker is dat de Maan niet met deze draaiende beweging rondgaat. Wat ik zeker niet zeg, alsof deze ronddraaiende beweging bij Saturnus van enig belang is, dat op deze zaak betrekking heeft; ik erken zelfs namelijk, dat het mogelijk is dat hij met de genoemde beweging rondgaat. Maar ik zeg dat het niet kan worden gehaald uit waarnemingen die tot nu toe gedaan zijn.

  Omdat ik evenwel niemand zijn roem ontnomen wil hebben, aanvaard ik en omarm ik veel andere dingen die door Huygens zijn geleverd, daar ze met de waarheid heel goed  {p. 13.}  overeenkomen:

1. Hij oordeelt terecht, dat het vlak waarin de satellieten lijken te zijn, evenwijdig is aan het vlak van de equator 5); dit had onder anderen Galileï 6) al aangegeven; en ik zou het makkelijk geloven, al voert de schrijver geen enkele reden ervoor aan 7).
2. Hij verzekert dat die hengsels aan beide kanten altijd gelijk zijn 8), en wel met recht; ook al heeft immers de ene misschien wel eens langer geleken dan de andere, die toevoeging bestaat uit iets anders dat er aan de buitenkant toevallig aan grenst.
3. Hij beweert dat er een Maan van Saturnus is (zo noemt hij die, al is het eigenlijk niet een Maan, daar deze niet een baan rondom Saturnus heeft 9)), te weten de verste van alle satellieten, vaak door hem waargenomen als een sterretje, nu eens oostelijk, dan weer westelijk, dan weer in conjunctie met Saturnus 10), die hij als eerste heeft gezien, waarvoor hij zeker de grootste
1)  Zie de tweede alinea van p. 315.     2)  Vergelijk de derde alinea van p. 327.
3)  Zelfde p. 327, laatste alinea.     4)  Zie de alinea die onderaan p. 295 begint.
5)  Zie p. 303-305.     6)  Zie de eerste alinea van p. 305.
7)  Zie echter de alinea die begint onderaan p. 303.
Saturnus met maan en ster 8)  Zie de alinea die begint onderaan p. 283.
9)  D.w.z. volgens de opvatting van Fabri, zie p. 435, XXI [hierna].
10)  Zie p. 239-255. [Ned.Figuur: 25 maart 1655, Saturnus met maan a en een ster b.]

[ 423 ]
ed. van Huygens. 13-14.

lof verdient. Toen ik al in 1657 hierover iets had gehoord van de voortreffelijke heer Michel Angelo Ricci 1), de bekendste Meetkundige van deze tijd, heb ik deze vaak waargenomen van 30 juni tot 20 juli, te weten op 30 juni heb ik hem om 2 uur 's nachts volgens de Italiaanse klok, dat is 2 en een half uur na zonsondergang, waargenomen oostelijk van Saturnus; evenzo op 2 juli, 4, 9 en 12 juli op hetzelfde tijdstip; op de 14e is hij niet verschenen; op de 20e is hij westelijk gezien. Bij de genoemde waarnemingen heb ik een telescoop van 36 palm gebruikt. En waarom die Maan van Saturnus niet door anderen is gezien vóór Huygens, is niet zozeer aan gebrekkige telescopen toe te schrijven, alswel aan onoplettendheid, of een te grote afstand ervan tot Saturnus, of de kleinheid, of een conjunctie.
4. De hengsels van Saturnus zijn door mij nooit de ene keer scherper, een andere keer stomper gezien; maar ik heb wel bevonden dat ze soms groter of breder zijn. Doch wat hij vaak en onophoudelijk benadrukt, dat al het voorgaande niet kan worden verklaard, tenzij de door hem bedachte ring de bol van Saturnus omgeeft: met zijn verlof zou ik willen zeggen dat het bezijden de waarheid is. Het ontbreekt niet aan andere manieren waarop deze zaak met een gemakkelijke opstelling te beschrijven is;  {p. 14.}  mij bevalt vooral de inrichting van het systeem van Saturnus, die pater Honoré Fabri 2) S. J. heeft bedacht, iemand die in de grootste vertrouwelijkheid met mij verbonden is; waarvan ik kort een overzicht geef.

  Hij veronderstelt:

I. de aarde staat onbeweeglijk in het centrum van de wereld, waaromheen de hemelbollen hun kringen beschrijven; deze overtuiging verdedigt hij namelijk met hand en tand, als zijnde in overeenstemming met de katholieke leerstellingen, de heilige schrift, de waargenomen verschijnselen, en het gezond verstand.
II. De werkelijke beweging van Saturnus is gelijkmatig, maar de schijnbare ongelijkmatig; het menselijk verstand is immers afkerig van een werkelijke ongelijkmatigheid van bewegingen, zoals zelfs Copernicus met inzicht opmerkt.
III. Hij veronderstelt dat bij de gelijkmatige beweging, namelijk de werkelijke beweging, in gelijke tijden gelijke afstanden worden doorlopen, hetzij recht, hetzij gekromd; en dat derhalve met dezelfde beweging een grotere baan trager wordt beschreven, een kleinere sneller.
IV. Hij veronderstelt een dagelijkse cirkelbeweging van het oosten naar het westen.
V. Een rechtlijnige beweging van het apogeum naar het perigeum, en andersom; en wel versneld, vanaf elk uiteinde tot de gemiddelde afstand, die de lijn tussen apogeum en perigeum doormidden deelt; en vertraagd vanaf de gemiddelde afstand tot elk uiteinde. Deze beweging noemt hij de eerste rechtlijnige beweging.
VI. Hij veronderstelt een andere rechtlijnige beweging, namelijk de tweede, in declinatie van het zuiden naar het noorden, en andersom. Verder zijn de grenzen verschillend bij de verschillende planeten, volgens de verschillende maximale declinatie van elke planeet. Ook deze beweging is op dezelfde manier versneld en vertraagd als de vorige, en de gemiddelde afstand is nu de positie op de equator. Uit deze drie bewegingen is de beweging van Saturnus samengesteld; of liever: het is wel een enkelvoudige beweging, bijna cirkelvormig, van de twee genoemde bepalingen voorzien of, zoals de scholastici zeggen, erdoor gewijzigd. De eerste beweging is korter, de tweede langduriger;
1)  Zie over Michelangelo Ricci T. 2, p. 48, n.3.
2)  Zie over Honoré Fabri T. 3, p. 83, n.3.

[ 425 ]
ed. van Huygens. 14-15.

de oorzaak van dit onderscheid voert hij inderdaad aan. Maar om een ruwe schets te geven,  {p. 15.}  met weglating van de tweede rechtlijnige beweging: laat B het centrum van de wereld zijn; hier plaatst hij de aarde onbeweeglijk.  {Fig. 1.}  Laat GB de afstand zijn van het apogeum van Saturnus, BO de afstand van het perigeum, BP de gemiddelde afstand. Saturnus doorloopt de cirkel, of baan met straal GB, trager dan een ster of het punt van het Primum mobile, waarmee hij overeenkomt; sneller dan dit punt echter doorloopt hij de baan met de straal BO, en even snel die met een straal BA, kleiner dan de gemiddelde afstand BP.
cirkelsector, lijnen

Met dit vooropgesteld, laat Saturnus in het apogeum G zijn, overeenkomend met het punt C van het Primum mobile, of bijvoorbeeld het begin van de Ram*), en stel dat punt C zijn cirkel beschrijft door S, met de dagelijkse beweging; evenzo Saturnus in zijn punt G, door R, te weten naar het westen. Punt C maakt zijn omwenteling sneller dan Saturnus; dus Saturnus blijft achter, naar het oosten, namelijk in een of ander punt van de kromme GH; hij daalt immers met de eerste rechtlijnige beweging geleidelijk vanaf de cirkel LR van het apogeum, naar de cirkel ZX van het perigeum totdat hij tenslotte, als vele banen gevolgd zijn, aankomt in H, en overeenkomt met het punt E van het Primum mobile, bijvoorbeeld op 20 graden van de Ram.
Zijn beweging gedurende die hele tijd wordt genoemd "in consequentia", dat is in volgorde van de reeks der tekens; in het begin is het een versnelde beweging, en aan het eind een vertraagde; in H lijkt hij stil te staan; hier maakt hij namelijk zijn omwenteling even snel als het punt E.
En omdat hij nog daalt naar het perigeum, doorloopt hij daarna zijn banen sneller dan de punten van het Primum mobile waarmee hij overeenkomt, en derhalve laat hij die achter zich, naar het oosten, en wel vanaf H tot het perigeum I, en van I tot K; vanaf hier lijkt hij terug te gaan van E naar D, die punten zijn
[ *)  In de figuur: V (boven C) voor het teken teken voor Ram (in ed. Rome 1660) voor Ram, Aries, lentepunt.]

[ 427 ]
ed. van Huygens. 15-18.

van het Primum mobile; en dit met een vertraagde beweging bij H en K, dat wil zeggen bij de punten van stilstand; versneld echter vanaf beide tot bij I. Vandaar de tweevoudige stilstand, namelijk in de punten E en D; vandaar dat de retrograde of teruggaande beweging korter duurt dan de heengaande, omdat de straal van de cirkel die even lang duurt (zo noemt hij de cirkel die de planeet aflegt, even snel als een punt van het Primum mobile de zijne) korter is dan de straal BP van de gemiddelde afstand;  {p. 16.}  hieruit volgt de bijna dagelijkse verandering van de breedte.
Maar laat het voldoende zijn dit ruwweg te hebben beschreven. Hiermee legt hij alle verschijnselen van Saturnus uit, bijna zonder moeite, met fysische oorzaken. Nu richt ik het verhaal op de satellieten van Saturnus.
Vijf neemt Fabri er aan; de kleinste en verste van alle is die welke Huygens, ik meen als eerste, binnen de gezichtskring van de mensen heeft gebracht, en die ik, zoals gezegd 1) heb gezien, door de illustere en zeergeleerde Ricci op de hoogte gesteld, met gebruikmaking van een telescoop van 36 palm, in 1657 op vele dagen in de maand juli 1), eerst oostelijk, later westelijk van Saturnus; en op de dag die ik noemde 2) is hij niet verschenen, omdat hij in conjunctie met Saturnus was.
Hier is hij dus boven Saturnus, en terwijl hij zich bij het perigeum bevindt, doorloopt hij zijn baan sneller dan Saturnus de zijne, wanneer hij bij het apogeum is, trager; en even snel bij de gemiddelde afstand, even ver van beide grenzen. Vandaar dat Saturnus hem soms achter zich laat, en dat hij soms Saturnus achter zich laat; vandaar dat hij soms oostelijk is, soms westelijk, en soms verborgen in conjunctie; vanaf de conjunctie in apogeum altijd oostelijk, vanaf de conjunctie in perigeum altijd westelijk. Wat nog meer te zeggen? Met de Mediceïsche satellieten 3) hebben we een analogie voor ogen.

  De andere vier zijn lager, al zijn ze boven Saturnus; Fabri legt het systeem ervan als volgt uit: {Fig. 2.} [Zie hieronder. p. 429.]

Stel dat A het middelpunt van de Aarde is, en van de wereld, GC de diameter van Saturnus, met B als middelpunt, en laat de rechte ABP als getrokken beschouwd worden. Stel dat er twee zijn, NH en SD, met de grootste uitwijking, van NH oostelijk, van SD westelijk, aan beide kanten gelijk, waar hun punt van stilstand is; en de gemiddelde afstand is AI; op deze plaats geef ik slechts de diameters in plaats van de bollen. Dan gaat NH naar het perigeum, en SD naar het apogeum, met een gelijke gang en met gelijke intervallen, zodat ze tegelijk aankomen, de laatste in het apogeum, de eerste in het perigeum; deze NH is tussen B en I, en die SD tussen I en O. Dan zullen beide tegelijk in conjunctie zijn, de ene van het perigeum, de ander van het apogeum, maar kort daarna stijgt NH van het perigeum naar de grootste  {p. 18.} 4)  westelijke uitwijking SD, en SD daalt van het apogeum naar de grootste oostelijke uitwijking NH; enzovoort, met herhaalde bewegingen heen en weer.
Geheel hetzelfde moet gezegd worden over de twee KL en RE 5), waarvan de gemeenschappelijke gemiddelde afstand in O is; het gemeenschappelijke perigeum tussen O en I, het apogeum boven O, even ver; de grootste uitwijking naar het oosten is KL, naar het westen RE.
1)  Zie p. 423.     2)  14 juli 1657; zie nog p. 423.     3)  Bij Jupiter.
4)  Op p. 17 staan Fig. 1 en 2.     5)  Lees: RE [i.p.v. KE].

[ 429 ]
ed. van Huygens. 18-19.

Nu is de uitwijking van die, welke hoger zijn, groter dan de uitwijking van die, welke hij lager veronderstelt; de bovenste noemt hij de lichtende, de onderste de donkere.
cirkelsector, lijnen
De lichtende bestaan uit een materie die heel geschikt is om licht terug te kaatsen, de donkere echter uit materie die tot dit doel heel ongeschikt is; en het was voor de schrijver over de natuur niet moeilijk zulke materie te vinden, daar we deze ook in onze ondermaanse streek hebben. De gemiddelde afstand is bij beide paren even ver van het apogeum als van het perigeum. Dezelfde Fabri neemt ook aan, dat de vijf satellieten dezelfde declinatie hebben als Saturnus, en dus altijd in hetzelfde vlak liggen, evenwijdig met de equator; wat gemakkelijk te verkrijgen is: als ze maar vanaf het begin dezelfde declinatie hebben gehad, en tegelijk dezelfde beweging in declinatie zijn begonnen, steeds liggend in hetzelfde vlak evenwijdig met de equator.
En er is geen reden om zich erover te verbazen dat er bij Saturnus vijf satellieten zijn, aangezien er bij Jupiter vier zijn, bij de Zon twee 2), bij de Aarde één, bij Mars misschien drie, wie weet, nog niet nagevorst; omdat ze verder uitwijken van de bol van Mars, dan de Mediceïsche van Jupiter; evenwel niet zo ver als Venus of Mercurius van de Zon. Hij neemt nog aan dat de donkere hun omwenteliing sneller voltooien, en de lichtende trager; waarvan we een analogie hebben in Venus en Mercurius.

  Met dit gestelde zijn alle fasen van Saturnus, alle verschijnselen, heel gemakkelijk te verklaren*). Soms verschijnt de bol van Saturnus alleen, zonder zijn satellieten, te weten bolvormig; en er is immers geen andere vorm aan hemellichamen gegeven. De beredenering van dit verschijnsel is daarin te zoeken, dat de twee lichtende (want over de eerste  {p. 19.}  en hoogste satelliet van alle gaat het hier niet)


2)  Te weten de planeten Mercurius en Venus.     [ *)  Museo Galileo: video.]

[ 431 ]
ed. van Huygens. 19-20.

hetzij in conjunctie zijn, dat wil zeggen de ene in het apogeum, de andere in het perigeum, hetzij door de donkere geheel bedekt worden, ook buiten conjunctie.
II. De twee lichtende worden soms geheel gescheiden gezien van de bol van Saturnus, en dan vertonen ze de bolvorm; dit komt steeds voor, wanneer de twee donkere zich in conjunctie bevinden, de ene namelijk in het apogeum, de andere in het perigeum, en de lichtende aan beide kanten uitwijken.
III. Soms verschijnen de lichtende satellieten alsof ze lichtende hengsels waren, of sikkelvormige Manen 1); dit gebeurt wanneer de donkere er wel tussenin zijn, maar niet de hele schijf van de lichtende bedekken.
IV. Zo wordt er nu eens meer en dan weer minder van een lichtende schijf door een donkere bedekt; vandaar de verschillende fase, en de verschillende vorm; en Huygens had dit niet aan een gebrek van de telescoop moeten toeschrijven, aangezien in andere gevallen heel goede zijn gebruikt door de schrijvers die hij citeert, te weten Galileï, Scheiner, Riccioli, Hevelius, Gassendi, van wie de door Huygens afgedrukte vormen zonder moeite met deze hypothese kunnen worden verklaard. Maar de elfde moet bij de andere fabels 2) van Fontana worden ondergebracht. De dertiende, waarbij de waarnemer ontbreekt 3), zou misschien, als die maar een beetje wordt veranderd, op zijn manier kunnen worden uitgelegd 4) bij een of ander voorval. De zevende, van Hevelius, is denkbeeldig 5), hij heeft gemeend dat het een sferoïde is, maar deze vorm past allerminst bij hemelbollen; tenzij we misschien zeggen dat Saturnus elliptisch wordt gezien wanneer, met de donkere in conjunctie, de lichtende een beetje van de conjunctie weggaan; maar dan verschijnen de hengsels niet.
V. Het is waarschijnlijk dat de donkere gelijk zijn aan de lichtende; niets bewijst immers, dat ze hetzij groter, hetzij kleiner zijn, ze moeten dus als gelijk beschouwd worden, totdat iets de ongelijkheid bewijst. Ja zelfs komt men eerder tot de overtuiging van gelijkheid op grond van de fasen zelf, te weten die van de vierde figuur, de vijfde, zesde, achtste enz. De sikkelbogen  {p. 20.}  van een lichtende, te weten hol en bol, lijken immers van gelijke cirkels te zijn.
VI. De lijn of diameter die de lichtende hengsels verbindt, die midden door het centrum van de bol van Saturnus lijkt te lopen, is altijd in een vlak dat evenwijdig is met het vlak van de equator. Omdat — terwijl de satellieten van Saturnus altijd dezelfde declinatie hebben als deze, en altijd gelijkmatig bewegen op een bepaalde parallel — de dagelijkse beweging immers beschouwd wordt plaats te vinden op een bepaalde parallel van het oosten naar het westen, is het niet verwonderlijk als de lijn die hun middelpunten verbindt in dat vlak is, dat evenwijdig is met het vlak van de equator. Ik heb gezegd die door het centrum van Saturnus lijkt te lopen omdat, al zijn ze in werkelijkheid hoger dan Saturnus, het oog toch oordeelt dat ze dezelfde hoogte hebben, en daarom op dezelfde lijn staan als Saturnus.
1)  Zie Fig. IV-VI van de plaat genoemd op p. 270, n.4.
2)  Vergelijk de alinea die begint onderaan p. 279. [Huygens: "monstrosas formas Martis", zie Fontana, 1646, p. 105- en Hirzgarter, 1643, p. 25.]
3)  Zie de alinea die begint onderaan p. 281.
4)  Vergelijk p. 435-437 [hierna] bij nummer XXIII.
5)  Vergelijk voor fig. VII de alinea die begint onderaan p. 277.

[ 433 ]
ed. van Huygens. 20-21.

VII. Weliswaar is de beweging van de bovenste satelliet door Huygens bepaald, als één die in ongeveer 16 dagen wordt voltooid 1), hoewel de door mij gedane waarnemingen zich er een beetje tegen verzetten; tot nu toe is evenwel niet de beweging van de vier laagste bepaald, door hem of door iemand anders, die toch uit toekomstige waarnemingen verkregen zou kunnen worden worden.
VIII. Een rondtolling van Saturnus, of van zijn denkbeeldige ring, wordt door geen waarnemingen bewezen, zoals ik al heb aangewezen 2); ofschoon immers de Zon deze draaiende beweging uitvoert om zijn middelpunt, wat overtuigend wordt bewezen door haar zonnevlekken, voor andere planeten is er toch niet zo'n ondersteunend bewijs, of enig ander bewijs.
IX. Die langwerpige aan Saturnus gehechte armen, die Huygens heeft waargenomen in 1655 en 1656 3) zijn geheel denkbeeldig, en aan een gebrek van de telescoop toe te schrijven. Waarom zouden anderen ze immers niet hebben waargenomen? Vooral aangezien de door hem hiervoor gebruikte telescoop vrij kort was, en dus niet van beter maaksel dan andere.  {p. 21.}
X. De vormen die door hem zijn afgedrukt 4), en verworpen, kunnen met deze hypothese van Fabri gemakkelijk worden uitgelegd: de 1e namelijk met de heldere satellieten bij de grootste uitwijking, en de donkere in conjunctie staand; en de 2e met de heldere rakend aan de bol van Saturnus, de donkere in conjuntie geplaatst; de 4e met de heldere bij de grootste uitwijking geplaatst, en de donkere een beetje uitstaand, zodat ze een niet zo groot gedeelte van de heldere bedekken. De 3e is dezelfde als de 4e, maar door een gebrek van de telescoop is het een puntige geworden, terwijl het een bolle had moeten zijn.
De 5e en 6e met de heldere niet helemaal uitstaand, en voor het grootste deel bedekt door de donkere, dan blijft immers een sikkeltje over; en de 5e verschilt van de 6e volgens meer en minder. De 7e is denkbeeldig, zoals ik heb gezegd 5); aangezien Saturnus niet een sferoïde is, behalve misschien op die manier die ik hierboven bij nummer IV heb uiteengezet.
De 8e met de heldere tussen de grootste uitwijking en de bol van Saturnus staand, en gedeeltelijk bedekt door een kleiner gedeelte van de donkere; dan zijn immers de sikkels groter; en wel breder naarmate ze dichter bij de grootste uitwijking komen, en smaller naarmate ze dichter bij de bol van Saturnus zijn; de 9e en 10e verschillen van de achtste alleen maar volgens meer en minder; er zijn immers veel combinaties die je hebt bij twee cirkels die elkaar beurtelings snijden; de drie laatste beschouw ik als denkbeeldig; tenzij misschien de 12e tot de 10e wordt teruggebracht en evenzo de 13e, waarover hierna meer 6).
XI. Het ene hengsel strekt zich niet verder uit dan het andere; dus de uitwijking van beide lichtende satellieten is gelijk; omdat elk het genot heeft van een gemeenschappelijk apogeum en perigeum, en
1)  Zie p. 257. [Ned.]     2)  Zie p. 421.     3)  Zie Fig. 4 en 40 van p. 239 en 246.
4)  Zie de plaat (p. 270, n.4). [Divini, ed. Huygens: idem; ed. Rome: achtergrond niet donker.]
13 vormen van Saturnus Divini, 13 vormen van Saturnus
5)  Zie p. 431 bij nummer IV.     6)  Zie p. 435-437 bij nummer XXIII.

[ 435 ]
ed. van Huygens. 21-23.

met een gelijkmatige beweging beweegt. Evenzo hebben de donkere het genot van eenzelfde apogeum en perigeum; hieruit volgt noodzakelijk een volmaakte gelijkheid van hengsels en armen.
XII. Hengseltjes worden gezien, wanneer een gedeelte van de lichtende wordt bedekt door de donkere;  {p. 22.}  het zijn immers als het ware zwarte openingen, omringd door een lichtende krans; dit zijn hengseltjes. Armen echter, wanneer de lichtende de bol van Saturnus raken, en de donkere in conjunctie zijn.
XIII. De hengseltjes breiden zich des te verder uit, naarmate de lichtende dichter bij de grootste uitwijking komen; namelijk terwijl de donkere een deel van de lichtende bedekken.
XIV. De hengseltjes staan meer open, wanneer een groter gedeelte van de donkere buiten Saturnus komt, als de heldere bij de grootste uitwijking staan; ze zijn echter nauwer, wanneer een kleiner gedeelte van de donkere er buiten komt.
XV. De hengseltjes zijn breder, wanneer een kleiner gedeelte van de donkere de lichtende bedekt, als deze de grootste uitwijking hebben.
XVI. De armen van de hengseltjes lopen tot aan de bol van Saturnus, wanneer een kleiner gedeelte van de donkere de lichtende bedekt.
XVII. De hengseltjes zijn juist los en gescheiden van de bol van Saturnus, wanneer een groter gedeelte van de donkere de lichtende bedekt.
XVIII. De hengseltjes trekken zich geleidelijk samen, wanneer de lichtende terugkomen van het uitwijken, en de donkere meer gaan uitwijken.
XIX. Wanneer de hengseltjes breder en groter zijn, verschijnt de bol van Saturnus zelf helderder, omdat lichten als het ware met gemeenschappelijke krachtsinspanning en inval het oog treffen. Zo verwarmen vele apart opgestelde vuren meer, door een of andere gemeenschappelijke werking; en dus verspreiden ze meer lichtkracht.
XX. De hengseltjes worden breder en groeien geleidelijk, wanneer de lichtende naar de grootste uitwijking gaan, en de donkere er vandaan gaan.
XXI. Die eerste begeleider van Saturnus wordt soms beneden Saturnus gesteld door Huygens, die beweert dat deze rondom Saturnus beweegt 1). Dit is evenwel in strijd met de waarheid; als hij namelijk beneden Saturnus zou zijn,  {p. 23.}  zou hij de genoemde fasen geheel in de war brengen. Hetzelfde zeg ik over de Mediceïsche begeleiders, oftewel die van Jupiter; dus dat zowel die van Jupiter boven Jupiter, als die van Saturnus boven Saturnus geplaatst zijn.
XXII. Als het eens voorkomt dat die eerste begeleider van Saturnus aan het uiteinde van een hengseltje lijkt te kleven — niets verhindert immers dat er zo'n positie kan zijn — zal dit hengseltje iets langer dan het andere lijken te zijn.
XXIII. Ja zelfs, als bij geval een of ander sterretje aan het uiteinde van een hengseltje kleeft, zal de fase van de 13e vorm 2) enigszins gered worden, als maar de vorm van de hengsels wordt aangepast;
1)  Vergelijk p. 257.     2)  Zie weer de plaat genoemd op p. 270, n.4.

[ 437 ]
ed. van Huygens. 23.

deze is namelijk niet driehoekig, maar bol; zoals ik al heb gezegd bij de 3e vorm 2). Ik laat andere dingen weg, die hieruit gemakkelijk zijn af te leiden.

DIT is, Doorluchtige Prins, wat ik heb gemeend u te moeten schrijven over het Systeem van Huygens, aan u opgedragen, en om het u niet te laten ontbreken aan een bewijsmethode, vond ik het nodig tegelijk een telescoop van zesendertig palm te zenden. Zodat u onze redeneringen kunt onderzoeken met uw verstand, waarin u verbazingwekkend sterk bent, alsook onze waarnemingen met uw scherpe ogen, met behulp van de telescoop. Gemakkelijk zult u oordelen, als ik me niet vergis, wie van beiden eerder te geloven is; en of onze telescopen slechter zijn dan die van Huygens. Hoe het ook zij, als dit werkje van mij u bevalt, zal ik ervoor zorgen dat eens iets van groter belang tot een blijvend getuigenis van mijn eerbied aan u wordt opgedragen.



F I N I S.



2)  Onder nummer X, p. 433.




Home | Christiaan Huygens | Oeuvres XV > | Korte annotatie