Chr. Huygens | Oeuvres I | Brontekst

[ 562 ]
No 360a.

G. B. Hodierna 1) aan Christiaan Huygens.

20 december 1656.

De brief is gedrukt door Hodierna  2).
Chr. Huygens antwoordde op 24 september 1658 3).


Aan de uitstekende en zeer voortreffelijke sterrenkundige
Christianus Hugenius te den Haag,
een hartelijke groet van Johannes Hodierna te Palma op Sicilië.

    Nauwelijks had ik de theorie uiteengezet van de manen van Jupiter 4), die we de Mediceïsche noemen, en nog ben ik niet bevrijd van de waarnemingen daarvan (nu volg ik ze), of ik schijn te worden voortgesleurd naar de beschouwing van de maan van Saturnus, met u als leidsman, zeer voortreffelijke heer. Want van uw waarneming aangaande de nieuwe maan van Saturnus, die u op 25 maart 1655 ontdekt had, is een exemplaar — dat u op de vijfde maart 1656 te den Haag het licht hebt doen zien 5) voor wie de hemelverschijnselen bestudeert — overgezonden door Don Johannes Caramuel 6), aanvoerder van de geleerdsten te Rome, aan mij in Palma op Sicilië.
Hierin kondigt u in elegante bewoordingen aan, bij gelegenheid van deze zeer kort geleden ontdekte maan, dat het onlangs door u bedachte Systeem van Saturnus binnenkort aan het licht gebracht gaat worden; en de kern van het begrijpen van het systeem verzegelt u in een anagram dat daar onder geschreven staat, opdat als iemand misschien iets dergelijks bedacht heeft, hij voorlopig de ruimte krijgt dat te publiceren. En aangezien ik inderdaad door deze aankondiging aangespoord ben, omdat ik het al lang van plan was, heb ik terstond (opdat de prijs van het vinden me niet afhandig zou worden gemaakt) de beschrijving van het Systeem van Saturnus voor de druk gereed gemaakt 2), en besloten dit aan mijn zeer te vereren heer Don Johannes Caramuel (die het als bevorderaar van mijn studies het meest verdient) op te dragen, opdat het door de glans van zijn naam in het licht gesteld wordt.


1Giovanni Battista Hodierna (1597 - 1660) priester te Palermo, wiskundige van de hertog van Palma. [ Hij publiceerde o.a.: Archimede redivivo con la stadera del momento (1644); zie ook 'Hodierna's Observations of Nebulae and his Cosmology'.]
2Protei coelestis Vertigines seu Saturni Systema, 1657.  [R.F. de Sluse stuurde het, jan. 1658 (II, 127); p. 21: deze brief aan Huygens.  Cf. Huygens aan Wallis, brief No. 512 (>).]
3)  II, No. 518 [>].
4Menologiae Jovis Compendium seu Ephemerides Medicaeorum, 1656 [2e ex.].
5)  Zie in brief No. 267, noot 1.
6)  Juan Caramuel Lobkowitz werd geboren op 23 mei 1606 te Madrid en overleed op 8 sept. 1682 te Vigavano. Hij trad in de orde van Citeaux, werd hoogleraar theologie te Alcala, ging naar België, werd abt van Melrose in Schotland, en vicaris-generaal in Engeland, zonder daar ooit geweest te zijn: hij woonde in Rome, daarna in Spanje, waar hij bisschop van Vigavano werd.
[ In zijn Mathesis biceps (1670), p. 1615 staat een brief aan hem van Hodierna (dec. 1656 volgens p. 1617) over de ontdekking van de maan van Saturnus; Hodierna kon deze met zijn kijker niet zien. Een notitie van Huygens over dit boek staat in T. XXII, p. 358-9.]
[ 563 ]
    Dus, talentrijk heer, terwijl u ons die maan (die geen sterveling tot nu toe gezien heeft) voor ogen stelt om in de verte te zien, legt u een wonderteken van de Verheven Maker bloot; terwijl de wonderlijkste werken van de almachtige die in onze dagen onthuld worden, als wondertekenen zijn van verborgen dingen, die God daarna zal onthullen aan zielen die de last van het lichaam afgelegd hebben. Terwijl ik dit bij mezelf denk, begint mijn verstand teveel te branden, de geest gaat bruisen, en door snelle klopping wordt het hart uiteengerukt. Maar vanwaar komt het dat we zozeer in brand staan, dat bij de aanblik van één klein, zelfs alleen met versterking zichtbaar, hemelverschijnsel de hele wereld in verwarring raakt en dat de filosofengemeenschap tot verwondering en stomme verbazing aangezet wordt? Niet daarom, omdat dingen die aan de hemel verschijnen, met de vinger van de alwijze Schepper ingegrifte tekens zijn? Daarom worden wij, terwijl deze met hun schitteringen aan de dag komen, zo erdoor aangelokt en aangetrokken, dat we gebracht worden tot kennis van de hoogste bouwmeester.
Een Godheid blaast my in! Een God vervult me en woedt, - ontvlamt my ziel en zin.*)
    Maar daar het dan een oneindige schatkamer van een Verheven Schepper is, daarom zal er voor stervelingen geen einde komen aan het rondkijken naar nieuwe verschijnselen; ja zelfs zal de hemel, zoveel als zijn onmetelijkheid de grootte van de oceaan te boven gaat, de zee overtreffen in vruchtbaarheid bij het voortbrengen van wonderen.

    En aangezien u, mijn zeer geleerde Huygens, met uw zeer zorgvuldige waarnemingen nauwkeurig bepaalt dat de omloopstijd van deze maan een tijdvak van zestien dagen inneemt, zal het de moeite waard zijn dat de dagelijkse gang ervan 22° 30', maar de uurlijkse 0° 56' 15" van zijn omtrek voltooit; maar dat afzonderlijke omloopstijden van zestien dagen voortdurend aan elkaar gelijk blijken, niet alleen eenvoudig dat, maar ook vermoed ik dat blijkbaar het geval is dat er wel een kleine ongelijkheid zich verschuilt in die smalle sfeer°). Want wat 1 is tot 60, zo is de straal van de omloopbaan tot de gehele sfeer van Saturnus. Maar indien de straal van de sfeer van de Saturnusmaan meer dan drie boogminuten zou omspannen, zou de ongelijkheid gemakkelijk waargenomen worden. Want eenzelfde ongelijkheid, die bij de binnenste satelliet van Jupiter nauwelijks waargenomen kan worden wegens de snelheid van de omloop, is er in de buitenste, wegens de grote omvang van de sfeer; vandaar dat er een merkbare parallax tot uiting komt in de jaarlijkse baan van Jupiter zelf.

    Verder, als het door mij bedachte Systeem van Saturnus met de hemel zelf overeenkomt, vermoed ik in de schijnbare loop van deze maan zeer ongewone gevallen. Want ook als nu de omloop ervan rondom de schijf van Saturnus schijnt te gebeuren langs een rechte, of volgens de uitspreiding van de armen of benen (naar u zegt, mijn zeer deskundige Huygens), toch zal het niet zo zijn dat dit altijd gebeurt; want het vlak van de Saturnussfeer viel nog kort geleden samen met het evenwichtsvlak, of ten naaste bij (zoals we in het systeem hebben willen aantonen). Het is immers noodzakelijk dat deze Saturnusmaan — die u, uitnemend heer, als eerste van allen als een hemelbode uit de schuilplaatsen van de hemel naar voren hebt doen brengen, om deze aan stervelingen te laten zien — zo dikwijls als Saturnus de evenaar betreedt †), of er naast voortgaat, en rond schijnt, [dat dan de maan] bij zijn loop een rechte lijn beschrijft (evenals een satelliet van Jupiter), en zich blijkbaar alle afzonderlijke Mediceïsche toestanden toeëigent: hij moet gedurende afzonderlijke omwentelingen van zestien dagen eenmaal de grenzen van de schaduwkegel betreden,


[ *)  Ovidius, Fasti VI, 5.  Vertaling: Willem Bilderdijk (^). ]
[ °)  Er staat 'sphaericitas' en dat lijkt toch echt te betekenen 'bolrondheid', en van toepassing te zijn op het lichaam van een planeet of maan — zoals Galilei het voor de Maan gebruikte in Sidereus Nuncius (^). Maar Hodierna bedoelt kennelijk een 'hemelsfeer'.]
[ )  De punten B en D in Huygens' duidelijke figuur: Systema Saturnium (1659), p. 60. De as van Saturnus staat ongeveer evenwijdig met die van de Aarde (dus ook de evenaar).]
[ 564 ]
en niet gezien worden; de stilstanden, rechte richtingen en teruglopen moet hij aannemen en nabootsen.
    Maar nu Saturnus echter van dat vlak weggaat, en die maan ook met hem weggaat, zal deze van de rechte lijn, die hij scheen na te bootsen, overgaan op een kromme, en bij zijn loop een elliptische figuur beschrijven; en dat des te duideijker, naarmate hij meer en meer van dat vlak van evenwicht weggegaan zal zijn, totdat bij de grootste uitwijkingen (bij de keerpunten) de elliptische figuur in een cirkelvormige ontaardt, en hij onderwijl geen verduisteringen meer ondergaat of andere toestandsveranderingen, maar er vrij van blijft en bij zijn rondgang om het Saturnuslichaam een voortdurende verschijning geniet (zoals de circumpolaire sterren). Wat heden ten dage bij Jupiter waargenomen wordt in de buitenste begeleider (die we liever Ferdinandipharus (^) hebben willen noemen, naar Ferdinand III [II], Groothertog van Toscane), die dichtbij de schijf van Jupiter bij zijn loop een elliptische figuur beschrijft (van 26 dagen, 8 uur en 15 min.), aan verdwijningen ontsnapt en voortdurend zichtbaar blijft.

    Daarom, als wat we bedacht hebben vanuit de hemel bevestigd gaat worden, zal dat verschijnsel door de stervelingen te bewonderen zijn, en het is het zekerste bewijs van verborgen dingen. Maar omdat ik me ondertussen vergist zal kunnen hebben, o zeer voortreffelijk heer, daarom wordt dit aan u (aan wie deze maan zich voor het eerst vertoond heeft) toevertrouwd om waar te nemen. U dus, zeer geleerde Huygens, die volop hebt mogen genieten van uitstekende telescopen, zult het waardig keuren het rondzwerven en de omwentelingen van deze maan zeer zorgvuldig waar te nemen, en met nauwkeuriger getallen te bepalen. En als in het vervolg zich iets nieuws aan uw ogen vertoont, zult u het niet beneden uw waardigheid achten mij er zo spoedig mogelijk van op de hoogte te stellen.
Het ga u goed, en leef wel. Te Palma in de provincie Agrigento, 20 december 1656.




[ II, 223 ]
No 518.

Christiaan Huygens aan J. B. Hodierna.

24 september 1658. 1)

De brief 2), het concept 3) en de kopie zijn te Leiden, coll. Huygens.

Samenvatting: Begeleiders van Jupiter vanaf de schijf. Verschijnsel dat over de satelliet vanSaturnus [Saturnus] de waarheid voorspelt. De periode ervan. Hij geeft luister aan het vaderland van Archimedes.

Aan de weledele heer de heer Joh. Hodierna
een groet van Christianus Hugenius.

    Uw brief, uitnemende heer, is samen met een gedrukt Systeem van Saturnus, ik weet niet langs welke omwegen, naar mij overgebracht, bijna een heel jaar nadat hij van u weggegaan is. Die heeft me een groot genoegen verschaft, niet alleen omdat hij handelde over dingen die mij bovenal aangenaam zijn, maar ook omdat in zekere zin gewoonlijk meer welkom is wat van ver komt en onverwacht is. Dit ene probleem had ik ermee, dat ik geen weg vond waarlangs ik u een antwoord kon zenden, u die me zo vriendelijk en beleefd aanspreekt. Niemand was er in Rome of elders in Italië, met wie ik een of andere briefwisseling onderhield, of aan wie ik evenzo mijn brief aan u kon toevertrouwen 4).
Maar nu eindelijk, daar de heer Slusius — een Luiks kanunnik, die gezorgd had dat uw brief aan mij gegeven werd die hij van de weledele Ricci te Rome ontvangen had — berichtte dat mijn brief langs dezelfde weg naar u kon gaan, heb ik diens plan aanvaard a) en deze gezonden, waarvan ik hoop dat hij behouden in uw handen komt. En ik heb er bijgevoegd het enige werk dat ik hier had, een beschrijving van een nieuw uurwerk 5), waarbij ik er niet aan twijfel dat deze u aangenaam zal zijn, daar deze nieuwe automaten uitstekend bruikbaar zullen zijn voor de beoefening van de sterrenkunde, waarin u buitengewoon veel behagen blijkt te scheppen. Ik hoop alleen dat u een ijverig vakman aantreft, die kan voltooien wat we voorschrijven.
Maar wat zal ik zeggen over mijn Systeem van Saturnus, behalve dat ik door tussenkomst van verscheidene zaken, en het naar voren brengen van die uitvinding van het uurwerk, verhinderd ben geweest om bovendien nog dat werkje te kunnen uitgeven. Ondertussen wil ik u niet hiervan onkundig laten, dat u zonder reden gevreesd hebt dat de lof voor uw vinding u voor de neus weggenomen zou gaan worden b). Mijn hypothese is namelijk heel verschillend van de uwe. En ofschoon u scherpzinnig die ovale figuur


1)  Met een exemplaar van zijn 'Horologium'.
2)  Verzonden naar R. F. de Sluse, om naar Rome te brengen; maar het pakket was zo nat geworden dat hij de brief terugzond naar Huygens, die hem opnieuw geschreven zal hebben (zie brief No. 520 [p. 229]).
3)  Bovenaan het concept is te lezen:
  2 druksels.
4)  Op de geheel doordrenkte brief schrapte Chr. Huygens enkele woorden; dit is de eerste versie.
5)  Ze brief No. 511, noot 2 [p. 209].
[ II, 224 ]
bedacht hebt, om te voldoen aan uw waarnemingen en ook aan die van de meeste anderen, toch vertrouw ik erop dat een andere gedaante, bevat in de letters van ons anagram, meer voor de ware gehouden gaat worden, zelfs in uw ogen, zodra ik deze kan ondersteunen met mijn zeer nauwkeurige waarnemingen. Want dit zult u in elk geval niet ontkennen, dat onze telescopen de uwe overtreffen, en we kunnen daarmee de maan van Saturnus (door u nog niet gezien) scherp bekijken, zo vaak als we willen.
Overigens geef ik aan uw model de voorkeur*) boven dat van Hevelius, wat u misschien al bekend is. Hij immers geeft in de verhandeling 'Over de natuurlijke gedaante van Saturnus', die hij mij gezonden heeft, de mening dat die twee hengsels die we zien van nature horen bij Saturnus (die overigens bolvormig is). Maar de periode bepaalt hij geheel zoals u, namelijk dat de planeet elke dertig jaar tweemaal bolvormig verschijnt, wat ook mijn mening is. Hij stelt echter de bijzondere plaats van de ronde fasen op 27 graden in Pisces [Vissen] en Virgo [Maagd; zie fig.], die u stelt op 21, en ik op 17 graden van elk van beide tekens. Dus bent u ook hier dichter bij de waarheid, naar mijn mening althans.
En Hevelius is al onjuist bevonden voorzover hij verzekerd heeft dat de bolvormige fase van Saturnus in het afgelopen jaar 1657 tot in de maand september zou gaan voortduren; wat heel anders uitviel. Ik heb namelijk bevonden dat hij al vanaf 13 oktober van het jaar 1656 van hengsels voorzien was, en sindsdien steeds. En nu was juist de laatste maal zijn ware gedaante de volgende, die volgens uw systeem, en volgens dat van Hevelius, op geen enkele manier kan voorkomen.
Saturnus
T. XV, p. 39
 
Na deze nu bekeken te hebben zult u misschien onze hypothese daaruit kunnen opmaken, wat mij wel zoveel te minder zal mishagen, omdat ik die hier zelf aan u zou hebben uitgelegd, als dit niet zou betekenen dat het afbreuk zou doen aan de nieuwheid van dat boekje dat u verwacht. Verder vergist Hevelius zich ook daar in, dat hij de uitbreiding van de hengsels liever evenwijdig stelt met de ecliptica dan met de evenaar. Want ik ben met u en met Riccioli°) van mening dat die zeer zeker evenwijdig is met de evenaar. En juist dat geval dat volgens uw hypothese zal voorkomen, naar u voorziet, namelijk dat de maan van Saturnus bij zijn beweging soms een ellips zal weergeven, zó dat hij boven en onder Saturnus langsgaat, datzelfde zeg ik volgens wat volgt uit het door mij gestelde; en als ik me niet vergis zal dit verschijnsel voor mij al volgend jaar zichtbaar zijn.
Bij de gemiddelde beweging van diezelfde maan heb ik een wat grotere tijdsduur gevonden dan ik eerder had bepaald. De dagelijkse beweging is namelijk niet 22°, 30', zoals u uit de periode van zestien dagen hebt opgemaakt, maar 22°, 32', 36". Zodat de tijd voor een periode is: 15 dagen, 23 uur, 16 min. Maar dat u de bewegingen van de Mediceïsche manen volgt, dat verneem ik met genoegen; als we daarvan nauwkeurige tabellen kunnen verkrijgen, die ons de precieze tijden van de samenstanden met Jupiter voorspellen, heb ik goede hoop dat we met behulp daarvan, en tegelijk van ons uurwerk, de kennis van de lengtegraad †) kunnen vervolmaken. Want met onze buizen zijn gemakkelijk die ontmoetingen waar te nemen, zo dikwijls als een van de manen bij de schijf van Jupiter belandt, of er vandaan te voorschijn begint te komen. Daarom spoor ik u ten zeerste aan, zeer voortreffelijk heer, om u te haasten het zeer nuttige werk dat u begonnen bent ten einde te brengen. U zult toch niet echt geloofd hebben dat, behalve die 4 die door Galilei ontdekt zijn, er andere

[ *)  Zie in Systema Saturnium, Ned. (Eerdere theorieën), en XV, p. 182.]
[ °)  Riccioli, Almagestum novum (1651), 488, 712, 724.  Zie ook 'Vormen van Saturnus'.]
[ )  Huygens had al met 'Oost en West' te maken gehad, zie No. 214 (1655).]
[ II, 225 ]
begeleiders van Jupiter zijn, en Descartes heeft dit ook nooit bericht, zoals u leek te menen, maar Anton Maria de Rheita 6), en Gassendi 7) heeft het weerlegd. Evenmin worden bij Venus of Mars satellieten gevonden, en ook niet twee bij Saturnus van die soort als de onze die kort geleden gevonden is. Want ook al heeft Fontana 8) geschreven zoiets gezien te hebben, ik denk dat hij vaste sterren voor dwaalsterren gehouden heeft, daar hij anders de periode van ons maantje gemakkelijk gevonden zou hebben. Ik heb bijgevoegd 9) iets over de ster in de Zwaan 10) die opnieuw te zien is.
Het ga u goed weledele heer, en gaat u door, zoals u begon, het voetspoor van uw grote Archimedes te betreden, en wees mij genegen.

        Te den Haag in Holland
    24 september (nieuwe stijl) 1658.

Aan de weledele heer Johannes Hodierna.        
te Palma op Sicilië
.  d)


a)  In het concept:   gaarne aanvaard
b)  In het concept:   Nu heb ik echter in ernst besloten daartoe over te gaan, aangezien ik weet dat dit al lang door de sterrenkundigen gewenst wordt, en bij uitstek door u, zeer voortreffelijk heer, die zonder reden gevreesd hebt dat ik u de lof voor uw vinding voor de neus zou wegnemen.
c)  In het concept staat ook:   met de planeet zelf niet samenkomt maar
d)  Op de teruggekomen brief, van Chr. Huygens:   bescheyt. end van de Jaer is er by lichtmisse.
6)  Ant. Rheita, Novem Stellae circa Jovem visae, circa Saturnum sex, circa Martem nonnullae, 1643.
7)  P. Gassendi, Novem stellae circa Jovem, ... a P. Antonio Reita detectae, 1643 [Opera, 1658].
8)  Fr. Fontana, Novae caelestium terrestriumque rerum observationes, 1646.
9)  Niet gevonden.
10)  Een ster [P Cygni] op de hals van de Zwaan, volgens Kepler [^] in 1600 ontdekt door Willem Jansz. Blaeu, aangegeven op zijn globe van 34 cm, 1603 [^], waarvan ook een exemplaar is in Leiden [^]. In 1621 verdwenen, in 1655 opnieuw gezien door Cassini, als ster van de 3e grootte; sindsdien verzwakt tot 6e.




Christiaan Huygens | G. B. Hodierna (top)