Chr. Huygens | < Oeuvres I

Inleiding , zoeken , ontmoetingen , conclusie , lijst , overeenkomst , bronnen


Chr. Huygens en Isaac La Peyrère

Notities bij een manuscript van Prae-Adamitae



Inleiding

"We hebben niet kunnen vinden op welke uitgave deze correcties betrekking hebben" verzuchten de uitgevers van de Correspondentie van Christiaan Huygens in een noot bij een lijst, ergens in deel 1 (1888). Een bekentenis als deze komt niet vaak voor in de Oeuvres complètes.
Het gaat hier om correcties voor een heruitgave van werken van Descartes, in een Appendix bij een brief aan Frans van Schooten, 29 oktober 1654. In de lijst onder 'Latijnse Dioptrica' staan er 33, maar alleen de eerste twee hebben betrekking op het genoemde werk. Eronder staan opvallende termen als:

dieren met rede begiftigd; de hand van God; Aborigines; zon op de evenaar; de Sfeer; bewoners aan dezelfde kanten van de meridiaan; het getal van de sterren en van het zand; de dubbele eeuwigheid.

Bij een zoektocht op het internet rees de vraag of Huygens misschien het werk Prae-Adamitae van Isaac La Peyrère onder ogen heeft gehad. Maar: dit boek is van 1655 en de notities lijken te zijn van oktober 1654; en bovendien: geen van de vele gevonden exemplaren bleek genoeg bladzijden te hebben.
Enig speurwerk liet zien dat de betreffende tekst toch die van La Peyrere moet zijn, namelijk het Systema theologicum ex Prae-Adamitarum hypothesi, dat in de uitgave van 1655 volgt na Præadamitae sive Exercitatio super vs 12-14 cap. 5, Epist. D. Pauli ad Romanos.

titelpagina 1 titelpagina 2 titelpagina 3 titelpagina 4
4 edities, ongeveer op schaal.



Zoeken en vinden

De gedachte dat met behulp van het internet de betreffende uitgave wel snel gevonden zou kunnen worden bleek toch wat overmoedig: na een hele dag zoeken was er nog geen resultaat. Er doken wel enige kandidaten op, maar ze hadden niet genoeg pagina's (het hoogste nummer in de lijst is 443). Bijna was het hierbij gebleven.

Maar de lijst bleef intrigeren, die termen zouden toch heel goed in Prae-Adamitae kunnen staan? Aan de andere kant: de notities leken te vroeg, en het boek leek niet dik genoeg. Een complicatie was nog dat het eigenlijk twee boeken zijn, soms apart uitgegeven: een 'Exercitatio' met 52 tot 70 pagina's en een 'Systema theologicum' met zo'n 300 pagina's. Zoeken in dit laatste gaf wel wat treffers, maar zonder dat een verband met de nummers van de lijst werd gevonden.
Dan toch maar gewoon eens doorbladeren, Griekse woorden zijn snel te herkennen, en daarvan staan er enkele in de lijst. En ziedaar: 'muthikon' en 'hèrôikon' broederlijk naast elkaar, zoals bij Huygens. Toen groeide de overtuiging: 'heurèka'! Vlug een lijstje gemaakt met twee nummers naast elke term, regelmaat gevonden en toen bleek het zelfs mogelijk te voorspellen op welke bladzijde een volgende term moest staan. Het resultaat staat hieronder in een lijst met 4 kolommen.

Eén geval bleef onduidelijk, in vijf gevallen werd geen echte treffer gevonden, maar kon geraden worden. Daarbij kwamen vragen op als: wat zou Huygens zijn opgevallen? waarom noteerde hij iets? Er zijn voorbeelden aan te wijzen van ongebruikelijke woorden of uitdrukkingen, zoals 'interminata' (inter-minata, verboden), 'proluerunt' (afgespoeld), 'promus' (bewaarder); en van onderwerpen die Huygens interesseerden: Abraham zeer deskundig in de astronomie, de sfeer (hierbij wordt een fout aangewezen: 'vat ik niet'), kleuren van Saturnus en Jupiter, het getal van de sterren en van het zand.
In het algemeen lijkt de bedoeling niet zozeer tekstcorrectie te zijn geweest, als wel verwijzing naar opvallende zinsneden. Of Huygens het manuscript met meer dan oppervlakkige belangstelling heeft gelezen wordt niet duidelijk, evenmin als zijn oordeel erover.

Huygens en La Peyrère

Dat Chr. Huygens Prae-adamitae vóór verschijning gelezen kan hebben, en dat de nummers niet overeenkomen met een uitgave, is te begrijpen als het gaat om een manuscript. En dit is zeer wel mogelijk: La Peyrere moest naar een drukker in Holland en kan zijn langsgekomen in den Haag; en bekend is dat het werk al jaren in manuscript gecirculeerd had. Bovendien vinden we in een brief van hem aan Huygens van 10 april 1665 (O.C. 4, 323-4):

il y a dix ans revolus de nôtre connoissance. Et ce fut en cete saison que je vous communiquay mes folies dans vôtre Uranisbourg.

sfeer "10 jaar zijn verlopen sinds we elkaar zagen; en het was in die tijd dat ik u mijn dwaasheden meedeelde in uw Uraniborg". Een noot in Oeuvres complètes zegt: het was in Parijs, waar Huygens verbleef van 14 juli tot 30 november 1655; maar de verwijzing naar het observatorium van Tycho Brahe wordt niet verklaard. we kunnen stellen dat dit 'Uraniborg' in den Haag stond: het huis op het Plein had sferen op de schoorstenen — "om aan te geven dat er in de wereld niets is dan rook en ijdelheid", grapte Sorbière (^) — en bovendien was Huygens in de herfst van 1654 net begonnen met het bouwen van een telescoop (O.C. 1, 317).
    De naam 'Uraniburgum' werd in een brief van Ph. Doublet aan Chr. Huygens (10 febr. 1661) gebruikt voor de sterrenwacht in Leiden.

Huygens en La Peyrère hebben elkaar begin 1661 in Parijs ontmoet, zoals het Dagboek van Christiaan vermeldt; de eerste keer op 21 februari bij Michel de Marolles (die genoemd wordt in Prae-Adamitae, zie hierna):

[14 dec. 1660]  Du Laurent zei me dat La Peyrere in Parijs was.

[21 febr. 1661]  Ik trof er aan La Peyrere de pre-adamiet, die vertelde over zijn audientie bij de paus. De generaal van de Jezuïeten had hem gezegd: "Ik en de allerheiligste hebben heel veel gelachen om uw boek".

[22 febr.]  Bezocht door M. de La Peirere de pre-adamiet

[26 febr.]  Geweest in het Hotel de Condè, waar ik niet La Peirere aantrof zoals hij me beloofd had.

[28 febr.]  Mr de La Peirere kwam me bezoeken

[13 maart]  Vaarwel aan M. Boreel en zijn dochter; aan M. de la Peirere.

Van de zelfde tijd is een brief van La Peyrère uit Parijs aan Ismaël Boulliau (die hij al kende, zie van Miert en Nellen), 18 febr. 1661, met de vraag of hij een briefwisseling mocht beginnen, naar aanleiding van een verzoek van iemand om een kaart van de Maan (hij wilde er een huis bouwen). Boulliau zou weldra naar Hevelius in Danzig gaan, die zo'n kaart had gemaakt. Huygens wordt niet genoemd.
De brief (BNF, ms. Fr. 13058 f. 172) heeft aan het eind (f. 173) de vraag van La Peyrère of Boulliau zijn nederige groeten wil overbrengen aan een oude kennis in Warschau:
J'eus l'honneur de voir Monsieur de Noyers, secretaire de la grande Reyne de Pologne a Amsterdam, a la Montagne d'argent ou estoit nostre auberge, en l'anneée 1655, que je fis imprimer mes Preadamites.
Ik had de eer te spreken met de heer des Noyers, secretaris van de grote Koningin van Polen, in Amsterdam, in de Zilverberg waar onze herberg was, in het jaar 1655, toen ik mijn Prae-Adamitae liet drukken.
Op 6 mei 1661 schreef La Peyrère weer aan Boulliau (f. 174); hij had inderdaad antwoord gekregen (brief van 2 april); op 29 juli nog eens (f. 174), met dank voor de informatie uit Warschau (de koningin wordt genoemd, des Noyers niet).

Met Chr. Huygens was er nog een briefwisseling over een wiskundig onderwerp in december 1663, aangekaart door La Peyrère. In een briefje aan Sébastien Chieze van 14 dec. (No. 1182) vroeg hij een stuk van hem door te geven aan Chr. Huygens, "mijn Pythagoras", want hij wilde weten of het goed was.
In de bijgaande brief aan Huygens (die toen weer in Parijs was) schreef La Peyrère (No. 1183):

Verwonder u niet, bewonderenswaardige Man! als ik, of zeg maar een halve of hele heidene in de Wiskunde, dit ruwe en ongeordende bewijs aandraag naar de heiligdommen van de Wiskunde (die van u zijn). En als ik me daarin wat vergist heb, of gegist; geeft u dan opheldering over de dwaasheid, of profetie, van een bezetene: ik gloeide namelijk van een zeer hevige koorts toen ik dit voor het eerst bedacht, zodat ik bij u te biecht ben gegaan. Er is iets dat althans mij lokt (u zult zien of het met ijdele hoop is) dat er het een en ander bereikt is. En als ik niet de spijker op de kop geslagen heb, lijkt me dat ik tenminste de zaak met een heel scherp gepunte passer heb getroffen. Maar beoordeelt u dit Corinthisch brons [goudbrons] van mij. Maak dat vloeibaar; en in uw herhaalde analyse als onderzoeker, kookt en herkookt u het in de oven; totdat de onzuiverheid er afgaat in rook en as, en wat er aan goud in zit zuiverder uitblinkt. U zult een volger vinden als u mij toelaat onder de vereerders van uw talent.

La Peyrère dacht een nieuwe methode te hebben voor het vinden van twee middelevenredigen tussen twee gegeven lijnstukken (No. 1184). Enkele dagen later stuurde hij nog een briefje: als u het goedkeurt, kom ik met meer (No. 1191). Van een antwoord van Huygens is alleen een tekening met een eenvoudige berekening bewaard gebleven: het klopt niet (No. 1185).

In de veilingcatalogus Chr. Huygens' boeken (1695) komt Prae-Adamitae tweemaal voor: Misc. in-12, 77 en 905; het Systema theologicum staat in de 'Bibliotheca Zuylichemiana' (1701), in-4, 179. Ook is bekend dat Apologie de La Peyrere (1663) in het bezit is geweest van vader Constantijn, gezien het exemplaar met Constanter op het titelblad geschreven. In de Briefwisseling van Constantijn Huygens is niets gevonden over de schrijver of zijn werk.

Hieronder volgt de genoemde lijst (deels vertaald) en de overeenkomst met Prae-Adamitae, vervolgens de gevonden Bronnen en Literatuur.

Conclusie

Isaac La Peyrère heeft Christiaan Huygens in Den Haag bezocht, waarschijnlijk voor 29 oktober 1654. De niet eerder getraceerde 'correcties' van p. 306 hebben betrekking op een manuscript van Prae-Adamitae, en lijken eerder bedoeld als bladwijzer bij opvallende uitdrukkingen dan ter verbetering van de tekst. Niet bekend is of de notities, en het manuscript, ook aan Fr. van Schooten zijn gestuurd samen met de notities bij werken van Descartes.
Wat Huygens vond van dit werk — waarvan 2 exemplaren voorkomen in de veilingcatalogus van 1695 — valt niet op te maken uit de Correspondentie; interesse voor de persoon van de schrijver blijkt uit het Dagboek (Parijs, 1660-61).




In de brief van 29 okt. 1654:

werken van Descartes ... zal ik u het weinige dat ik erover heb opgeschreven eerstdaags sturen; en ik zal ook erbij voegen wat ik in de Geometria en Dioptrica hier en daar in de kantlijn erbij heb geschreven.

[ 306 ]

Bij de Latijnse DIOPTRICA 2).

pag. 303.   [...]
193.   [...]
152.   eind: of wilde dieren met rede begiftigd zijn. 3)
157.   eind: wat is dat over de hand van God?
164.   9. canticus.
171.   16. Aborigines.
apart blaadje, begin

apart blaadje, andere kant
pag. 188.   interminata.
204.   in de marge, en 361, 3. quo me communicavit.
ibid. r. 5 van het eind, sistendum.
211.   bij het eind, fama, potius solent.
120.   [Gr.] 'muthikon', 'hèrôikon'.
239.   r. 6. solertissimus datus.
240.   5. proluerunt.
241.   iets met de zon op de evenaar staand; bij het
eind van de pagina moet begrepen worden
De Sphaerae constructione.
243.   9. maar bewoners aan dezelfde kanten van de
meridiaan, vat ik niet, wat dan volgt.
247.   2. commentae.
248.   10. odium.
249.   13. conjectae.
252.   bij het eind, [Gr.] 'lampros'.
272.   10. caliginoso tanto.
286.   2. promus.
289.   6. at ne quid.
301.   10. superficia.
310.   10 van het eind, imaginoso.
321.   17. proletarium.
325.   11. intentatur.
341.   over het getal van de sterren en van het zand,
over de dubbele eeuwigheid.
359.   12. progenies, exculperit.
362.   7 vanaf het eind, adventores.
366.   1. in mortario pensitaret. Salvet.
414.   15. pererrandum.
432.   12. pateretur.
438.   11. fulgur. hoc.
443.   10. heersen over voorgangers.
idem 444. 5.

    2)  De eerste twee correcties hebben betrekking op de uitgave van brief No. 161, noot 2 [Specimina philosophiae, 1644].
    3)  We hebben niet kunnen vinden op welke uitgave deze correcties betrekking hebben.
[ Ze staan op een apart blaadje, te zien in Codices Hugeniani Online, HUG 45-318 (page 6, 7). De eerste vier aantekeningen staan op de ene kant ('a2', met '204' als nummer van het stuk in Oeuvres complètes), verder blanco. De andere kant staat vol met de overige aantekeningen; bovenaan doorgehaald: "et 361. 3." zoals nu in de tweede regel staat.]



Overeenkomst


Huygens   La Peyrère, 1655 (ed. in-4) 
 1   Systematis Theologici pars prima.
Deel 1 van Theologisch systeem
152.   in fine, an bruta ratione praedita. 90   quod summum fuit gentilium dedecus, comparati sunt passim bestiis apud auctores sacros: & bestiae, infra homines, reputati sunt
92: intellectus divinus ille est, qui tota specie differre facit homines à brutis. Neque enim ratio illud potuit.  [Lib. 2, cap. 9]
aan het eind, of wilde dieren met rede begiftigd zijn. wat de ergste oneer der heidenen was, ze worden bij de heilige schrijvers zonder onderscheid met beesten vergeleken; en beesten worden lager dan mensen gerekend
92: het goddelijke inzicht is dat, wat mensen in soort geheel doet verschillen van wilde dieren. Zelfs de rede zou dat niet hebben gekund.
157.   in fine, quid manus Dei? 94   Iudaei peculiariter formati manibus Dei;  96: ubi manus Dei, plasticae, & tanquam figulo adhibentur: tunc vere & proprie sumuntur pro manibus ipsis, quibus figulus lutum perdepsit, & plasma effingit.  [2-10]
aan het eind, wat is dat over de handen van God? de Joden zijn in het bijzonder gevormd door de handen van God;  96: waarbij de handen van God modellerend, & als door een pottenbakker, worden behandeld; dan worden ze echt & in eigenlijke zin genomen voor die handen, waarmee de pottenbakker het leem kneedt, & een schepsel boetseert.
164.   9. canticus. 98   Insignis locus est Deuteronomii 32, quod & Mosis canticum: quo judaei prophetice restituti in terram suam, separantur ab universis populis & gentilibus.  [2-11]
9. zingend. Een opmerkelijke plaats is die van Deuteronomium 32 [vs. 8], wat ook een lied van Moses is; waarin de joden, profetisch herplaatst in hun land, van alle volken & heidenen worden gescheiden.
171.   16. Aborigines. 105   à principio incognito, & à seculis innumerabilibus Aborigines creati in terris omnibus  [2-11]
16. Oorspronkelijke bewoners. vanaf een onbekend begin, & ontelbaar veel eeuwen geleden zijn Oorspronkelijke bewoners geschapen in alle landen
188.   interminata. 116   Interminata est arbor scientiae boni & mali, secundae creationis homini Adamo  [3-2]
verboden. Verboden is de boom der kennis van goed en kwaad, voor de mens Adam van de tweede schepping
204.   margine, et 361. 3 quo me communicavit. ibid: l. 5 a fine, sistendum. 126   Significabat autem Deus Caino, si male ageret, rapiendum ad judices qui poenas sceleris sui ab eo reposcerent. Quod docte admodum animadvertit, & quo me liberaliter communicavit Michael Marolius ...
Effugit ergo jurisdictionem in qua occiderat fratrem suum: atque adeo in qua sistendus erat judicio.  [3-4]
in de marge, en 361, 3: waarover mij mededeling deed; ibid., r. 5 van eind: te staan Verder gaf God Kaïn te kennen dat hij, als hij kwaad zou doen, voor de rechters zou worden gesleept, die zouden eisen dat hij gestraft zou worden voor zijn misdaad. Wat Michel de Marolles heel knap opmerkte en waarvan hij mij voorkomend mededeling deed ...
Dus ontvluchtte hij het rechtsgebied waarin hij zijn broer had gedood, en waar hij dus moest terechtstaan.
211.   circa finem, fama, potius solent. 130   probationum strues quibus abunde demonstratur, gentiles genere diversos ab Adamo, atque adeo à Iudaeis Adami posteris, constitutos. Quia vero fama est, juncta fortius ire argumenta; adnectere lubet his ratiociniis sacris, gentilium ipsorum monumenta  [3-5]
bij het eind, men zegt; liever: het is meestal zo. een stapel bewijzen waarmee meer dan genoeg wordt aangetoond, dat er volken bestonden verschillend in geslacht van Adam, en des te meer van Adams nakomelingen de Joden. Echter, omdat men zegt, dat argumenten sterker worden als ze verbonden zijn, wil ik aan deze heilige berekeningen vastknopen, gedachtenissen van die volken zelf
120.  
[220]  
'muthikon', 'hèrôikon'. 138   Divisere tempora Graeci Chronologi, in 'adèlon', quod est absconditum; 'muthikon', & 'hèrôikon', quod fabulosum est; 'historikon', quod pro vero & comperto habuerunt.  [3-6]
mythisch, heroïsch. De Griekse chronologen hebben de tijden verdeeld in onbekend, wat in het verborgene ligt, mythisch en heroïsch, wat in mythen voorkomt, en historisch, wat ze voor waar en zeker hebben gehouden.
239.   lin. 6. solertissimus datus. 150   Certum est ... Astronomiam ... Astrologiam ... Magiam ... floruisse tempore Abrahami. Imo Abrahamus ipse, in disciplinis iisdem ab Hebraeis suis solertissimus datus, Aegyptios docuisse illas dicitur, quo tempore ad illos permeavit.  [3-8]
zeer deskundig genoemd. Het is zeker dat ... Astronomie ... Astrologie ... Magie ... hebben gebloeid in de tijd van Abraham. Ja zelfs wordt gezegd dat Abraham zelf, door zijn Hebreeën in deze vakgebieden zeer deskundig genoemd, ze aan de Egyptenaren heeft geleerd, in de tijd dat hij naar hen toe was gegaan.
240.   5. proluerunt. 150   qui se Astronomiâ totâ proluerunt  [3-8]
5. afgespoeld hebben degenen die zich met de hele Astronomie afgespoeld hebben
241.   quid sol in aequatore constitutus; circa finem paginae De Sphaerae constructione intelligendum. 151   cirkel, schuine as Observavere illi, Solem ab Aequatore ... evehi & revehi
Tropicos ... Zodiacum ... Aequatorem ... Polos ... Zonae
152: Inventa & constructa hac ratione Sphaera  [3-8]
    [ Fig.: W. J. Blaeu, Institutio astronomica, 1634.]
iets met de zon op de evenaar staand; bij het eind van de pagina moet de constructie van de Sfeer begrepen worden. Zij hebben waargenomen dat de zon vanaf de Evenaar ... heen en weer gaat
Keerkringen ... Dierenriem ... Evenaar ... Polen ... Zones
152: Toen op deze wijze de Sfeer was uitgevonden en geconstrueerd

    [ Fig. (zwart: onder de horizon): W. J. Blaeu Tweevoudigh onderwijs, 1634-.]
243.   9 sed ad partes meridiani easdem habitantes. non capio, tum quod sequitur. 153   ad eandem partem Meridiani .. degentes: quibus dies & noctes temporibus iisdem accederent; diversis autem aestates atque hiemes.  [3-8]
9. maar bewoners aan dezelfde kanten van de meridiaan, vat ik niet, wat dan volgt. die aan dezelfde kanten van de Meridiaan ... leefden; voor wie dagen en nachten op dezelfde tijden kwamen*), maar zomers en winters op verschillende tijden.
    [ *)  Met een half jaar verschil.  Ned. 1661, 311: "dagen en nachten op den eygen tijd".]
247.   2. commentae. 155   Salvandis & explicandis phaenomenis illis, exogitatae variae hypotheses  [3-9]
2. verzonnen. Om die verschijnselen te redden en te verklaren zijn verschillende hypotheses bedacht
248.   10. odium. 156   ne odium pariam  [3-9]
10. tegenzin opdat ik geen tegenzin opwek
249.   13. conjectae. 156   syderum affectiones & conditiones indagatae & collectae  [3-10]
13. vermoede. opgespoorde & verzamelde invloeden & standen van sterrenbeelden
252.   circa finem, 'lampros'. 158   Variis praeterea coloribus pinxere antiqui ... Saturni verbi gratia, dedere nigrum: Iovi, candentem, qui 'lampros' est  [3-10]
bij het eind, lichtend Verder hebben de ouden met verschillende kleuren aangegeven ... Saturnus bijvoorbeeld hebben ze zwart genoemd, Jupiter wit, dat lichtend is
272.   10. caliginoso tanto. 172   Bibliis Sacris ... ad salutem nostram ... tantum lucis adhibuit Spiritus sanctus, quantum captui humano convenit. ... quae de aliis tractant ... caligine tanta scripta fuisse; ut nihil plerumque intricatius, nihil obscurius legi possit.  [4-1]
10. zo nevelig. de Heilige Schrift ... tot ons heil ... de heilige Geest heeft zoveel licht gebruikt, als met ons menselijk bevattingsvermogen overeenkomt. ... wat over andere dingen gaat ... is met zoveel nevel geschreven, dat er meestal niets verwarders, niets duisterders gelezen kan worden.
286.   2. promus. 181   Fatum idem quod exemplaria profana, illaque innumera, abstulit; autographa sacra absumpsisse quamplurima, meo mihi sum conscius & promus pectori.  [4-2]
    [ Plautus, Trinummus: "ego meo sum promus pectori", Engl.: "keeper of my own heart"]
2. bewaarder. Hetzelfde lot dat wereldlijke manuscripten, en wel talloze, heeft weggerukt, heeft zeer veel heilige autografen weggerukt, ik ben me daarvan bewust & bewaar het in mijn hart.
289.   6. at ne quid.  
301.   10. superficia. 192   Sol ibi sumitur, non pro Sole ipso; sed pro lumine quod effundit in superficie quae feritur. Quale effunditur in horologia omnia; & quale effusum fuisse in horologium Achas credendum est.  [4-4]
10. oppervlakken. De Zon wordt daar genomen, niet voor de Zon zelf; maar voor het licht dat ze werpt op het oppervlak dat getroffen wordt. Zoals geworpen wordt op alle zonnewijzers; en zoals te geloven is dat op de zonnewijzer van Achas geworpen is [Jes. 38: 8].
310.   10 a fine, imaginoso. 198   Ponendum reapse est miraculum Solis retenti à Iosue, non in coelo, sed in terra.  [4-5]
10 van het eind, denkbeeldig. Het wonder van de Zon die werd tegengehouden door Jozua, moet in werkelijkheid geplaatst worden niet in de hemel, maar op aarde [Joz. 10: 12].
321.   17. proletarium. 207   Et genus itidem Iudaicum reparatum fuisse à Noë secundo, à restauratione cataclysmi, Iudaeorum principe.  [4-7]
17. kinderrijk. En eveneens dat het Joodse geslacht hernieuwd is door Noach, de tweede stamvader, na het herstel van de ramp, van de Joden.
325.   11. intentatur. 209   Qua ratione Danubii fons, Ponti Euxini ora, milliari uno excelsior deprehendatur.  [4-8]
11. strekt zich uit. Op deze wijze wordt de bron van de Donau een mijl hoger bevonden dan de kust van de Zwarte Zee.
341.   de stellarum et arenae numero, de duplici aeternitate. 220   ergo determinatus numerus ... At enim, stellarum firmamenti omnium, calculorum arenae omnium, seculorum quae fuere à principio omnium, summam conficere; non existimo talem unquam numerationem competiisse Arithmeticae nostrae, vel humano computo. ...
Duas porro significationes Aeternitatis comperio in lectione sacrorum codicum.  [4-10]
over het getal van de sterren en van het zand, over de dubbele eeuwigheid. dus er is een bepaald aantal ... Maar om nu van alle sterren van het firmament, van alle zandkorrels, van de eeuwen die er zijn geweest vanaf het begin, de som te maken; ik meen niet dat zo'n telling ooit heeft gepast bij onze Rekenkunde, of menselijke berekening. ...
Verder vind ik twee betekenissen van Eeuwigheid bij het lezen van de heilige boeken.
359.   12. progenies, exculperit. 235   Omnibus hic mos est qui origines Gentium exquirunt, deducere illas à diluvio ex Noaci nepotibus, qui fuere nepotes Adami. Illud autem studio tanto solicitant Viri magni ... ut nihil intentatum relinquant, quo origines suas omnes ex stipite illo exsculpant.  [4-14]
12. afstamming, zou hebben uitgebeiteld. Voor allen die de oorsprong van Volken opsporen is dit een regel, dat ze die afleiden vanaf de zondvloed uit neven van Noach, die neven van Adam zijn geweest. En grote Mannen zetten zich hiertoe aan met zoveel ijver ... dat ze niets onbeproefd laten, om al hun oorsprongen uit deze stam te beitelen.
361.   [cf. 204: Marolius] 236   Legerat paulo ante Grotius Exercitatiunculam de Prae-Adamitis, indigestam & palimpsesto relatam, quam ille benevoli animi specie, per amicum interpretem à me petierat; quaque illum communicaveram, benigne & liberaliter, non ut me contumeliose traduceret.  [4-14]
[cf. 204: Marolles] Kort tevoren [1642] had Grotius gelezen een Verhandelingetje over Prae-Adamieten, ongeordend op papier gezet, dat hij schijnbaar gunstig gezind door bemiddeling van een vriend aan mij had gevraagd; en dat ik hem meegedeeld had, welwillend & voorkomend, niet opdat hij mij beledigend zou behandelen.
362.   7 à fine, adventores. 237   Adventores igitur non parentes Groenlandorum fuere Norvagi. Multo minus ergo Americanarum gentium conditores.  [4-14]
7 vanaf het eind, aankomenden. De aankomende Noren zijn dus geen verwanten geweest van de Groenlanders. Veel minder derhalve voortbrengers van de Amerikaanse volken.
366.   1. in mortario pensitaret. Salvet. 240   Sed atrox visa est Deo strages illa; qua homines omnes tanquam in mortario pinsitaret; ut illos denuo effingeret. Medicare maluit quos tundere noluit.  [5-1]
1. in een vijzel zou afwegen. Dat hij redt. Maar gruwelijk vond God die slachting, waarin hij alle mensen als in een vijzel fijnstampen kon; om hen opnieuw te boetseren. Liever wilde hij genezen wie hij niet wilde vermorzelen.
414.   15. pererrandum. 273   quae de illo sparsim enarravi, collectim & contuitu uno pererrandum exhibuero.  [5-6]
15. om rond te dwalen. wat ik daarover verspreid heb verteld, zal ik samenvattend aanbieden & in één blik door te dwalen.
432.   12. pateretur. 284   ut beneficio mortis & resurrectionis Christi, pateret eisdem aditus ad Paradisum eundem  [5-7]
12. zou worden geduld opdat dankzij de dood en opstanding van Christus voor hen de toegang tot dat Paradijs zou openstaan
438.   11. fulgur. hoc. 287   Quale enim fulgur de nimbo coruscans, quae supra & quae infra sunt lumine uno percurrit; Talis imputatio ex peccato Adami erumpens, vibrata est una mysterii & spiritus fulgetra, in omnes homines  [5-8]
11. bliksem. deze. Zoals immers de bliksem vanaf een wolk flikkerend, wat boven is & wat beneden is met één licht doortrilt; Zo is de toerekening die uit de zonde van Adam uitbarst, op alle mensen geslingerd als één bliksem van mysterie en geest
443.   10. regnare antecessoribus. idem 444. 5. 290   Verum inquiunt: Qui potuit imputatio transgressionis Adamicae in antecessores Adami retro agi? Qui potuit itidem mors regnare in antecessores Adami, iisdem vita cassis?  [5-9]
10. heersen over voorgangers. hetzelfde 444. 5 Maar men vraagt: Hoe heeft de toerekening van Adams overtreding terug kunnen slaan op voorgangers van Adam? Hoe heeft eveneens de dood kunnen heersen over voorgangers van Adam, terwijl die niet meer in leven waren?
297   Partis primae Finis.
Einde van deel 1.





Bronnen

Johannes de Laet, Responsio ad dissertationem secundam Hugonis Grotii, 1644, p. 47  (Bibl. Zuyl. 1701, 8.1388-9):

H.G., ante Adamum fuisse conditos homines, ut nuper quis in Gallia somniavit.
(H. Grotius: dat er voor Adam mensen zijn geschapen, zoals onlangs iemand in Frankrijk heeft gedroomd.)
J.d.L., ab aliquo posterorum Noachi ortos esse [linguae] pie credimus.
(J. de Laet, we geloven trouw dat die talen ontstaan zijn uit een taal van nakomelingen van Noach.)

Hugo Grotius, Dissertatio altera de origine gentium Americanarum, 1643.
Johannes de Laet, Notae ad dissertationem Hugonis Grotii De origine gentium Americanarum, 1643.
Hugo Grotius, De origine gentium Americanarvm dissertatio, 1642.

Isaac de La Peyrère, Relation du Groenland, Paris, 1647; Ned. 1678.

Georgius Hornius, De originibus Americanis, Den Haag 1652.

Isaac La Peyrère, Praeadamitae. sive Exercitatio super versibus duodecimo, decimotertio, & decimoquarto, capitis quinti epistolae D. Pauli ad Romanos, 1655, met: Systema theologicum, ex Prae-Adamitarum hypothesi. Pars prima, 1655, en: Synagogis Iudaeorum universis, 52+297+8 p., in-4 (BSB, Lyon, Gent: Syst. theol.).
drukkersmerk Vlacq     STCN: L. & D. Elzevier, Amst. 1655 (vgl. Sudoc, Willems, 1880, p. 304).
    Het drukkersmerk (Willems: al in Bloemertius, 1653) is hetzelfde als van Adriaen Vlacq, Den Haag 1654 (Oratie; figuur rechts), 1654 (Tweede Oratie), ook op Chr. Huygens, Horologium, Vlacq 1658, en nog in 1663 (Does). Vlacq had in 1652 het werk van Hornius uitgegeven, zie hierboven.
Hetzelfde merk ook in: Horatius/Vondel, Amst. 1654 (Luidewijck Spillebout, impr. Christophorus Cunradus), p. 256.

drukkersmerk 1655, ex. BSB
Idem, Prae-Adamitae ..., 1655, 58+294+5 p., in-8 (BSB, Öst.NB, Laus., SLUB).

Idem, Praeadamitae. ..., 1655, 70+317+7 p., in-12 (Lyon, Napels; Syst.: Gent, BSB, e.a.).
    STCN: L. & D. Elzevier, Amst. 1655 en variant (vgl. Sudoc).
drukkersmerk 1655, ex. Gent     Drukkersmerk ook aan het eind van 1655, in-4. Het is vrijwel gelijk aan: D. Gloichstein, 1580; Jac. Stoer, Geneve 1595, '96, '97; Aegidius Radaeus, Franeker 1609, '09; Jacob de Meester, Alkmaar 1610; Joach. Pedanus. Rostoch 1613; Andreas Hart, Edinb. 1617 (Napier); J. A. Cloeting, Delft 1633 (Crucius); L. Elzevier, 1641 (Sandis), variant, en 1641 (Geslin); G. Alliot, Par. 1643; L. Lichfield, Oxf. 1654 (J. Prideaux).
Ook in: Anthologia, Commelinus 1603 (eind); Iodoci Sinceri Itinerarium Galliae, p. 133, Jac. du Creux alias Molliard, Lugd. 1616.

drukkersmerk 1655, ex. Lyon
Idem, Prae-Adamitae. ..., 1655, 52+269+7 p., in-12 (Lyon, 2e ex., Syst.: BSB).

Idem, Men before Adam, London 1656, in-8.

Joh. Pythius, Responsio exetastica ad tractatum ... Praeadamitae, Leiden 1656.
A. Hulsius, Non-ens Prae-Adamiticum, Leiden 1656
Eusebius Romanus (Ph. Le Prieur), Animadversiones in librum Praeadamitarum, Par. 1656  (met: Censura episcopi Namurcensis).
Joh. Henr. Ursinus, Novus prometheus Prae Adamitarum plastes, ad Caucasum relegatus & religatus, Schediasma, Ff. 1656.
Joh. Hilpert, Disquisitio de praeadamitis, Helmestadi 1656.
S. Maresius, Refutatio fabulae prae-adamiticae, Gron. 1656  (p. cix: De Staten Generael ... 26 nov. 1655;  Bibl. Zuyl. 12.23).
J. Micraelius, Monstrosae De Praeadamitis opinionis ... abominanda foeditas demonstrata, Stettin [1656].
J. C. Dannhauer, Praeadamita Utis, sive Fabula primorum Hominum ante Adamum conditorum explosa, Arg. 1656.
    Utis (Gr. 'outis'): niemand.  Naam van Odysseus bij Polyphemos; en van de koning van Utopia in een gedicht van Adam Siber (1565, p. 557), genoemd bij 'Vtis' in J. Ramminger, Neulateinische Wortliste.
    Meer weerleggers worden genoemd op p. 637-8 van Pierre Bayle, Dictionaire historique et critique, 3 (4e ed. 1730); Popkin (1987), p. 80.

Isaac La Peyrère, Epistola ad Philotimum, Rome 1657, Ff. 1658.
Idem, Lettre ... a Philotime, Paris 1658.

Isaac Vossius, Dissertatio de vera aetate mundi, 1659, Cap. 12 over Praeadamitae (Auctarium, 1659;  Ned. 1660).
    Eindconclusie: voeg 1440 jaar toe en er is geen probleem meer, de wereld is 7048 jaar oud.

titelpagina
titelpagina Theol. samen-st.
Isaac La Peyrère, Praeadamiten, of Oeffening over het 12, 13, en 14 vers des vijfden Capittels van den brief des apostels Pauli tot den Romeynen, 1661, met: Theologische samen-stelling, uyt de voorstelling der Praeadamiten. Het eerste deel, 1661, 508 p., in-12.
    STCN: Janssonius?, maar op Theol. samen-st., t.p. (fig. rechts) en p. 508, staat hetzelfde drukkersmerk als op ed. 1655, in-4.
In boek 4, cap. 14:

    Hugo Grotius had de vertellingh van den oorspronk der Americaensche volkeren verciert ... Latius had 't gissen van Grotius wederleyt. Grotius heeft sich teghen Latius beschermt: en welke Latius wederleyt had/ heeft hy met dit ongerijmt soeken te herstellen. Indien, seyt hy/ d'Americanen geen Duytsen zijn, ... sullense nu van geen volk voortgekomen zijn. ... of datter eenighe menschen voor Adam gemaekt zijn geweest, gelijk yemant nu onlangs in Vrankrijk ghedroomt heeft. ...
    Een weynig te vooren had Grotius een ongekookte oeffening van de Præadamieten ghesien/ welk hy onder schijn van een goedgunstigheyt/ door een seker goet vrient van my begeert had ...

Eusebius Romanus (ps. van Philippe Le Prieur), Opmerkingen over 't boek der Praeadamiten, 1661.

Apologie de La Peyrere, Par. 1663  (Constanter).

Catalogus librorum qui in bibliopolio Danielis Elsevirii venales extant, Amst. 1681.
    Op p. 25: Apologie de la Peyrere, 12. ibid. [Amst.?] 1663.
    En p. 407: Systema Theologicum ex Prae-Adamitarum Hypothesi, 4. 1655.

Menagiana, 4 (1716) p. 36 (o.a. Epitaphe; vol. 2, p. 40, 1762).

François Valentijn, Oud en nieuw Oost-Indiën (1726) 4-5, p. 110:

[1686]  ... in Amboina ... Heer Landvoogd, Robbert Padbrugge*) ... een Artz van zyne Studie, Was een behuwde Zoon van den bekenden Heer Peyrerius, Schryver van het Boekje over de Praeadamiten, aan wiens gevaarlyke gevoelens zyn Ed. mede vast was, waar over zyn Ed., en de oude Heer Rumphius die dit Tractaat van Peyrerius had, kort voor myn komst, op 't Gebergte van Soya een hevig geschil hadden ...
    [ *)  D. Schoute, 'Het scheepsjournaal van Robertus Padtbrugge, 1670-1671', in NTvG, 97. II. 18 (1953) 1135-41.]

Richard Simon, Lettres choisis (1730), vol 2, p. 1-13, Lettre I, A Monsieur L. P. (1670) ... p. 26-31, 'Quelques particularitez touchant l'Auteur & l'Ouvrage des Préadamites'.


Literatuur

R.H. Popkin, Isaac La Peyrère (1596-1676): His Life, Work, and Influence, 1987.

William Poole, 'The Prae-Adamitae and the early Royal Society', conference paper, 2004.
    Het gaat om Francis Lodwick (1619-1694) en Francis Willughby (1635-1672).

Eric Jorink, Het 'Boeck der Natuere', Leiden 2006, m.n. p. 104-.

David N. Livingstone, Adam's ancestors, 2008.

Susan Derksen (^), 'Vossius' copy of the Praeadamitae', in: Eric Jorink, Dirk van Miert (eds), Isaac Vossius (1618-1689) Between Science and Scholarship, 2012, p. 269, n. 47:

The first edition was in quarto, the second in small octavo, the third and fourth in decimo-sexto (with only minor differences between them, for according to Doedes they are from the same printer), and the fifth edition was in decimo-sexto as well, but somewhat smaller and less refined (Doedes, 'Vijf drukken van Is. de la Peyrères Praeadamitae') [Studiën en bijdragen op 't gebied der historische theologie 4 (1880) 238-242].

    Het 'decimo-sexto' (Doedes: 16o) lijkt toch echt duodecimo te moeten zijn, gezien de omvang van de katernen (a1 .. a12, enz.).
Doedes geeft een lijstje met verschillen tussen de 3e en 4e druk, o.a.:

Exercitatio, p. 10: Usque / p. 10: Vsque; en Cap. 8, p. 25: elucidaverunt / p. 25: elucidaverint [ed. in-4, p. 16 en ed. in-8, p. 21: elucidaverint, na: mihi videtur quod ...].
Systema, p. 317: Finis / p. 317: Finis O3 Sy- [bovendien is het ornament bovenaan de volgende pagina (Synagogis) 180° gedraaid].
[ Er zijn ook kleine verschillen op tp 3 en tp 4, vgl. de breedte van 'Pars prima', en verder bv Judaeorum/Iudaeorum, Josephus/Iosephus op p. 221/221; zie ook de '3e druk' bij Sudoc, Notes.]

Het lijkt erop dat '4e druk' vroeger was dan de '3e druk': de volgorde zal zijn eerst Vsque, dan Usque; eerst I.., dan J..; eerst elucidaverint, dan elucidaverunt.

D. van Miert, & H. Nellen, (2014). 'Media en tolerantie in de Republiek der Letteren. De discussie over Isaac de La Peyrère (ca. 1596-1676) en zijn Prae-Adamitae', De Zeventiende Eeuw, 30(1), pp. 3-19.



Home | Christiaan Huygens | T. I | No. 204 | Christiaan Huygens en Isaac La Peyrère (top)