Chr. Huygens | Oeuvres VIII | Brief aan Colbert | Brontekst

Brief , planetarium , voordelen


[ 374 ]

No 2272.

CHRISTIAAN HUYGENS aan J. B. COLBERT 1).

27 augustus 1682.

Aan Monseigneur COLBERT.

27 Augustus 1682.    
te den Haag.      

    MONSEIGNEUR

  Het is met veel spijt dat ik me verplicht zie zo vaak en met zo lange tussenpozen niet deel te nemen aan het onderzoek van onze geleerde academie en aan de eer er onder uw bevel te werken. Maar daar de reden u bekend is, die niet anders is dan het belang van mijn gezondheid, hoop ik dat mijn afwezigheid geenszins de welwillendheid zal verminderen die u mij altijd hebt willen betuigen. Ik heb getracht, zoveel als mijn krachten me toelieten, me nuttig bezig te houden gedurende het verblijf dat ik


1)  Het is de laatste brief van Christiaan Huygens aan Colbert. De grootmoedige beschermer van Huygens overleed op 6 september 1683.

[ 375 ]

in dit land heb gehouden; waarvoor me stof geleverd werd door de automaat*) voor de beweging der planeten die ik met uw toestemming heb laten maken en waarmee ik begonnen was in Parijs.
Deze onderneming heeft me meer moeite gegeven dan ik me had voorgesteld, en ik heb me vergist toen ik enige maanden geleden schreef aan de heer Galois [<] dat ik dacht er vrijwel mee klaar te zijn. Het is pas sedert twee weken dat hij geheel voltooid is en bovendien beproefd en goedgekeurd door mensen die er verstand van hebben. Zodat ik hoop spoedig de eer te hebben hem aan u te presenteren en, wanneer u hem er goed genoeg voor vindt, de werking ervan aan Zijne Majesteit te laten zien.
Het is al enige tijd dat ik, voor wat betreft mijn gezondheid, naar Parijs had kunnen terugkeren, als ik niet was opgehouden door dit werk, dat ik niet onvoltooid dacht te moeten laten, vooral daar ik een zeer bekwame ambachtsman had gevonden. Nu blijft alleen over hem genoegdoening te verschaffen voor zijn werk en dat is iets, Monseigneur, waarbij ik slechts een beroep kan doen op de Koninklijke vrijgevigheid, die zich door uw zorgen verbreidt over de wetenschappen en waaraan ik zoveel te danken heb. De prijs van het toestel komt in totaal neer op 620 écus, waarvan er 520 zijn voor de rekening van de uurwerkmaker, en de rest voor wat ik er hier en in Parijs aan heb uitgegeven.
Dit bedrag zal naar ik geloof niet anders dan zeer redelijk blijken voor het werk dat er is, vooral als men beschouwt dat het toestel van meneer Rømer veel meer gekost heeft, hoewel het minder is dan dit, zowel omdat het niet de beweging uit zichzelf had, als wegens verscheidene andere uitmuntende hoedanigheden die eraan ontbraken en die te vinden zijn in dat van mij, zoals ik laat zien in de beschrijving die ik zo vrij ben bij deze brief te voegen. Ik ben bovendien begonnen met een andere uitgebreidere beschrijving, die elk detail van het werk, en de gronslag van de uitvinding, zal uitleggen omdat ik geloof dat deze het verdient bewaard te worden, minstens evenzeer als die van verscheidene anderen die aan hetzelfde onderwerp hebben gewerkt, en die ons hun geschriften hebben nagelaten. Ik ben met veel hoogachting en eerbied

    MONSEIGNEUR

Uw ootmoedige en gehoorzame dienaar  

HUYGENS  VAN ZUYLICHEM.      


[ *)  Foto's in: J.A. Vollgraff en D.A.H. van Eck, 'Beschrijving van het planetarium door Christiaan Huygens', in Planetariumboek Eise Eisinga (1928), p. 386-7.]

foto voorkant foto achterkant

[ 376 ]

No 2273.

CHRISTIAAN HUYGENS aan J. B. COLBERT.

27 augustus 1682.

Appendix bij No. 2272.

Beschrijving van het automatisch Planetarium.

  De achthoekige doos die het toestel bevat is 2 voet breed en hoog, en 6 duim diep. De vergulde plaat waarop men het planetenstelsel ziet is bedekt met glas, ingevoegd in een lijst van verguld koper die te openen is met een scharnier.
  De wegen of banen van de Planeten zijn geheel rondom doorboord, en de planeten vertonen zich boven de plaat, elk voorgesteld door een klein half bolletje van zilver geplaatst en ingevoegd in het middelpunt van een verguld plat rondje dat de eigen hemel of wervel*) van de planeet voorstelt en dat zorgt dat deze gemakkelijker is op te merken; bovendien dienen die zelfde rondjes bij Saturnus, Jupiter en de Aarde om hun begeleiders of manen te dragen, waarvan onze maan op geregelde wijze om de aarde draait, en door zijn positie de nieuwe en volle manen en de andere fasen toont.
  Het jaartal, en de dag van de maand verschijnen door 2 openingen tusen de banen van Saturnus en van Jupiter bij het ondereinde.
  Het uur en de minuten zijn te zien in de halfcirkelvormige opening tussen de banen van Jupiter en van Mars, waar het kleine rondje dat het uurgetal draagt, van links naar rechts loopt en tijdens het voorbijgaan de minuten aangeeft die op de omtrek zijn gegraveerd. En wanneer dit uur zich verbergt, verschijnt er een ander aan de tegenoverzijde en zo achtereenvolgens allemaal.
  Een uurwerk, in het toestel ingesloten, en dat men om de 8 dagen opwindt, doet de uren, dagen en jaren gaan en al de planeten, zeer nauwkeurig in de tijd van hun omlopen, zowel wat betreft de gemiddelde beweging als de ongelijkheid die vereist dat ze langzamer gaan naarmate ze zich verder van de zon bevinden, waarbij ik de hypothese van Kepler heb weergegeven.
  Wanneer men de bewegingen der planeten die gedurende verscheidene jaren gebeuren in een ogenblik wil zien, of wanneer men hun positie wenst te kennen op een gegeven dag van een verleden of toekomend jaar, breng men aan de rechterkant de zwengel aan, en men draait deze met een zeer lichte beweging, totdat het gegeven jaar en de gegeven dag verschijnen in het midden van de twee genoemde openingen. Dan zijn al de planeten in hun


[ *)  In het oude wereldbeeld had elke planeet een eigen 'hemel', zie de 'Hemelloop' van Simon Stevin; de 'wervel' (vortex) komt van Descartes, zie fig.]

[ 377 ]

ware positie voor de gegeven tijd. En om ze weer op de huidige dag te stellen behoeft men maar de zwengel in tegengestelde richting te draaien, totdat het jaar en de dag waarop men is verschijnen in het midden van dezelfde openingen, zoals tevoren. Door middel hiervan kan men te weten komen op welke dagen alle samenstanden, opposities en verschillende aspecten van de planeten moeten voorkomen en wanneer ze zichtbaar worden of zich dichtbij de zon verbergen. Alvorens aan de zwengel te draaien maakt men een schroef binnenin het toestel los, waardoor het uurwerk niet meer zijn beweging meedeelt aan de planeten, maar de uren gaan toch steeds hun gang en wanneer men de zwengel heeft verwijderd zet men deze schroef opnieuw vast, opdat alles zijn gewone beweging herneemt.
  Om desgewenst het inwendige van het toestel te kunnen zien is de gehele doos opgehangen aan een ijzeren raam dat kan draaien op twee spillen. Het is grotendeels achter de doos verborgen. Hierdoor laat men de achterkant die de muur of de wandbekleding raakte naar voren komen, en dan ziet men door het deksel neer te slaan de gehele uitvinding van het toestel en het uurwerk dat de beweging geeft. Het voornaamste stuk dat verschijnt is een grote as die dwars ligt langs de achterplaat en daarmee even lang is. Deze as draagt de raderen die grijpen in de wielen van elke planeet en in die van de dagen en van de jaren, welke wielen alle ingesloten zijn tussen de 2 platen aan de voor- en achterkant, waarvan de afstand 2 duim is. En de achterplaat is [   ]*) recht van elke [   ]*) opdat ze hun wielen kunnen raken.


*)  Onleesbare woorden.


Voordelen van mijn toestel boven dat van Mr. Romer°).

  Dat het mijne alle banen in hun ware verhouding voorstelt terwijl meneer Rømer die van Mercurius, Venus, de Aarde en Mars veel groter heeft moeten maken dan nodig is in verhouding met Jupiter en Saturnus {1}. Waaruit volgt dat zijn toestel niet het ware idee geeft van het wereldstelsel {2} en ook niet de schijnbare plaatsen van Saturnus en van Jupiter toont, noch de samenstanden van de 3 planeten Mercurius Venus Mars of van de maan met Jupiter en Saturnus {3}.
  Dat mijn omlooptijden van alle planeten veel juister zijn {4} dan in het toestel van meneer Rømer, omdat ik een betere methode #) heb om de getallen te vinden voor de tanden van de wielen.
  Dat mijn planeten boven de plaat lopen {4} terwijl de zijne erachter zijn


planetarium van Romer °)  Het is de vraag of dit stuk is meegezonden aan Colbert. Zie ook brief No. 2255.
[ Foto: Museo Galileo. Zie ook Le Journal des sçavans, 19 jan. 1682, p. 23.]

#)  Die van de kettingbreuk. [Voor het eerst beschreven in Opuscula postuma (1703), zie de vertaling van Vollgraff en van Eck in Planetariumboek Eise Eisinga (1928), 400-.]

[ 378 ]

en zich alleen vertonen door de uitgespaarde cirkels heen, die elk op 4 plaatsen stukken moeten toelaten om de plaat aaneen te houden, achter welke stukken de lichamen van de planeten verdwijnen. Bovendien zijn er nog twee voordelen, het ene dat Jupiter en Saturnus hun satellieten met zich meedragen {5}; het andere dat ik wanneer ik wil een wat grotere aarde erin kan zetten, in de plaats van die welke men er gewoonlijk begeleid door de maan ziet, en zo stel ik daarmee de verschillende jaarseizoenen voor, en het opkomen van de zon en de planeten boven onze horizon, en hun ondergaan {6}. Evenzo, door een grotere Saturnus erin te zetten, toon ik de oorzaak aan van alle verschillende verschijningsvormen van de ring door welke deze planeet is omgeven {7}.
  Dat mijn toestel zijn eigen beweging heeft door middel van het uurwerk dat ik erin heb ingesloten, dat de uren en de minuten toont {8}; terwijl het andere alleen loopt als men het met de hand draait. En daar zijn beweging niet licht is zou er bijna geen middel zijn het te laten lopen door een uurwerk, en bovendien maakt deze moeilijke beweging dat wanneer men met het oog de beweging van de planeten wil laten volgen, er niet een zwengel aan de as te brengen is, maar er is noodzakelijkerwijze een sleutel nodig, wat herhaaldelijk een onderbroken beweging geeft; terwijl mijn toestel dat door middel van een zwengel draait {9} een gelijkmatige en voortdurende beweging laat zien in alle planeten, die zonder moeite gaat.
  Dat meneer Rømer's toestel niet opgehangen kan worden tegen een muur zoals het mijne {10} maar dat het op een tafel of op een voetstuk moet staan, zodat men er achter kan gaan om het te laten draaien met een sleutel, en om de dag van het jaar te zien.
  Dat men het mijne kan openen terwijl het tegen een muur hangt {11}, evenals men een horloge opent, om het inwendige te laten zien en om er zonodig bij te komen, wat niet zo is bij dat van meneer Rømer, dat alleen open gaat langs een van de zijkanten.
  Dat de dag van de maand te zien is aan de voorkant op de plaat {12}, terwijl in het toestel van meneer Rømer deze dag op de achterkant aangegeven wordt.
  Dat in het mijne er een draad is vastgemaakt aan de Aarde en een andere aan de zon {13} door middel waarvan men de schijnbare plaats van de planeten in de Dierenriem ontdekt, wat niet te doen is in het toestel van Rømer ten gevolge van de klampjes.




Home | Christiaan Huygens | VIII | Brief aan Colbert, 1682 (top) | Brontekst | 1703