Beeckman | Varia > | Manuscript

Ontcijfering , motus , divisio , Veteres , besluit


Isack Beeckman, handschrift

Fol. 178bis recto, autograaf (groot)

kleine afbeelding ms
De Waard geeft in deel II de nevenstaande pagina uit het omvangrijke manuscript.

Notities uit 1623, in het Latijn, door Beeckman zelf in het net uitgeschreven [<]. Regelmatig handschrift, met één opvallende doorhaling (en enkele andere).


Ontcijfering

Ontcijfering lijkt voor een leek op het eerste gezicht onbegonnen werk (de mindere kwaliteit van de kopie is hierbij niet de belangrijkste reden). Maar bij nader inzien zijn de woorden wel te herkennen. Al turend krijg je steeds meer bewondering voor de prestaties van Cornelis de Waard: tegen de duizend van zulke pagina's (ruwweg de helft in het Nederlands), en toen kon het eigenlijke werk pas beginnen.

Notities

Vijf kanttekeningen geven de onderwerpen van de notities: hoe een stok breekt; of er een kleinste beweging is; of verdeling in het echt tot in het oneindige kan; of een kleine vlam gedoofd wordt door een grotere; waarom het 's ochtends kouder is dan te middernacht.
We bekijken de tweede en derde. De Waard geeft de tekst in deel II, 245 (is vertaald).

Tweede notitie, marge:
 
motus motus minimus an
detur.
Of er een kleinste beweging is, een kleinste tijd, en een kleinste ruimte (zoals er kleinste materiedeeltjes zijn).
Tekst:
r 11
Basson, Libro de Motu, existimat dari minimum motum, procul [ ] dubio etiam existimaturus esse
regel 11, 12
minimum tempus. At quis comprehendat ingenio atomum unam non posse nisi totum suum locum muta-

r 13
re, id est non posse fieri ut locum pristinum non totum reliquerit, et cum parte sui extra priorem
regel 13, 14
locum extet? Nec sectio in infinitum concludit atomum tempore finito nullam longitudinem, licet

r 15
brevissimam, posse percurrere, quia etiam tempus [ .. ] finitum in infinita tempora secari po-
regel 15, 16
test. Quid mirum igitur, si atomus talem longitudinem tali tempore percurrat? Ego vero,


Derde notitie, marge:
 
divisio divisio realis in in-
finitum an fiat.

r 17
cum statuo atomos, non tales imaginor ut nequeam eas mente dividere, sed tales quae, cum
regel 17, 18
poris careant, reipsa nequeant dividi. Divisio quae fit mente, Aristotelem coegit quodli-

r 19
bet corpusculum in infinitum secare; atomorum constitutio Bassonem coegit describere tales
regel 19, 20
atomos quae mente nequeant dividi ulterius, quales animus humanus non capiat. Punc-

r 21
tum igitur non est atomus corporis, nec motus dividitur in minimum [ .. ] motum, nec spacium in
regel 21, 22
minimum spacium, nec tempus in minimum tempus. Ex momentis enim non fit tempus secundum

r 23
Peripatheticos, nam inter quaelibet duo momenta est tempus. Atque etiamsi non satis queam expli-
regel 23, 24
care quae sit ea temporis natura, [ .. ] quisque sit processus inter duo momenta disjuncta,

r 25
id tamen non magis mirum videatur quam spacij in infinitum protensio, aut temporis aeternitas,
regel 25, 26
aut corporum in immensum extensio, aut natura interior atomorum, quam dicimus corpus. Bene

r 27
igitur Veteres: Deus omnia creavit pondere, tempore et mensura. Quid sit illud pondus,
regel 27, 28
quid natura temporis, quid continuitas spacij, omnem captum nostrum superare videtur. Pon-

r 29
dus dixerunt corporeitatem, mensuram spacium quodlibet; ex atomo vero spacij et tempo-
regel 29, 30
ris oritur motûs omnis aequalitas ejusque secundum solas quietes variatio. Unde id, quod

r 31
ante toties ursi de motûs semel inchoati perpetua continuatione, omnino everteretur. Quod
regel 31, 32
tamen multo est verisimilius. Cur enim id quod in vacuo movetur [ .. ] semel, aliquando qui-

r 33
esceret? Quod tam necessarium videtur quam (si existima) si id quod semel quiescit, (non)
regel 33, 34
semper quiesceret, quamdiu ab alio non moveretur. Etsi igitur in motu nonnihil sit quod

r 35
non intelligimus, et tamen, datum, non minus absurdum videtur negare per se posse qui-
regel 35, 36
escere, quam corpora evanescere in nihilum. ______________________________



Besluit

Het valt niet mee, maar er is in te komen. De merkwaardige vorm van de 'e' wordt al snel herkend, evenals de lange 's' (met aan het eind van een woord vaak een haal omhoog), en de haal omlaag bij een 'm' aan het eind.

We zien dat de Waard nogal wat komma's ingevoegd heeft (zoals aangegeven in zijn notitie over het manuscript [<]), en dat hij nog veel meer noten had kunnen geven (als hij gewild had) om doorhalingen te noemen, en kleinigheden als de verbetering bij 'continuatio' in regel 31.

In regel 11 staat nog iets tussen 'procul' en 'dubio', en in regel 15 tussen 'tempus' en 'finitum'. Zo ook in de regels 21, 24, 32. Alleen de doorhaling in regel 33 is ontcijferd ('si existima').

In dezelfde regel 33 zien we het woordje 'non' staan dat de Waard weglaat (toegelicht in een noot, II, 246). Naar onze mening schrijft Beeckman hier met opzet iets dat hij absurd vindt (zie de zin ervoor): dat een in vacuüm bewegend voorwerp vanzelf tot rust zou komen is zoiets als wanneer een stilliggend voorwerp niet stil zou blijven liggen, zolang het niet door een ander in beweging gebracht werd.

De Waard vermeldt gelukkig zijn wijzigingen, zodat de lezer kan oordelen. Soms vond ik nog zo'n geval waar m.i. de brontekst hersteld moest worden, maar in deze niet-wetenschappelijke digitale editie heb ik het aantal noten zoveel mogelijk beperkt, en wie het vinden wil moet in de digitale 'source code' zoeken naar opmerkingen als: <!-- dW: ... --> (zoekterm: dW).

We mogen hopen dat er op het internet een facsimile-editie komt van de bestaande uitgave van het Journal*), en dromen dat er eens zo'n editie zal zijn van het manuscript zelf°).


    *)  Die is nu te vinden bij DWC, en een teksteditie bij DBNL.
    °)  Afbeeldingen van handschrift-pagina's: Zeeuwse bibliotheek.



Isaac Beeckman | Varia | Handschrift 1 (top) , 2