Home | W. Snellius | Over vlekken op de Zon | Brontekst
Vertaling van De maculis in Sole animadversis.

[ ]

O V E R

V L E K K E N  O P   D E  Z O N

O P G E M E R K T,

en, als door  A P E L L E S,  op een paneel tentoon-
gesteld in het openbaar om te bekijken,

B E T O O G J E   van  een   B A T A A F.

A A N
De zeer Hooggeachte en Edele Heer,
C O R N E L I S   V A N D E R - M Y L E,
Scherp toeziende Curator
van de Leidse Academie.


drukkersmerk
UIT  DE  PLANTIJN-WERKPLAATS
VAN  R A P H E L E N G I U S,
M. D. C. X I I.




[ ]

O V E R
V L E K K E N  O P   D E  Z O N
O P G E M E R K T,
en, als door  A P E L L E S,  op een paneel tentoongesteld
in het openbaar om te bekijken,

B E T O O G J E   van  een   B A T A A F.

A A N
De zeer Hooggeachte en Edele Heer,
C O R N E L I S   V A N D E R - M Y L E,
Scherp toeziende Curator van de Leidse Academie.


DE   Bataafse kijker, waarmee we ver verwijderde dingen onderscheiden alsof ze dichtbij geplaatst zijn, heeft een zo levendige en vreugdevolle belangstelling opgewekt, dat naties in het buitenland, aangespoord door het gebruik ervan, deze met de meeste ijver om de voorrang strijdend hebben verbeterd. En het is niet genoeg gevonden met behulp hiervan slechts te kijken naar wat zich op aarde bevindt; daarom hebben we het ook over ons verkregen, dat de menselijke soort,
    De verre sterren naar onze ogen heeft gebracht.*)
    De cirkels van de niet dwalende sterren, en de etherische tekens vertelt.°)
Met dezelfde kijker hebben we ook naar de hemel zelf gekeken, en het oppervlak van Jupiter bekeken, het gehele aangezicht van de Maan, en alle vlekken hebben we heel nauwkeurig leren kennen, en bijna alle sterren, ook nevelachtige, zo goed als op de rij af opgesomd. Als enige bleef die Zon over, de regelaar en bestuurder van de ogen, verdeler van het vuur#), die naar deze maatstaf


*)  Lat.: "Admovisse oculis distantia sidera nostris", 'Admovere ...' (ook op een lens van Christiaan Huygens), in Ovidius, Fasti, I.305, met vervolg: "en het etherische onderworpen aan hun verstand".
Steven J. Green, Ovid, Fasti 1: A Commentary (2004), p. 141: "They moved the distant stars to our eyes, because they subjected the heavens to the operation of their own intellect".

°)  Aratus, 'Phainomena' (ed. Hugo de Groot), Leiden 1600, p. 17, r. 461.
Aplaneôn
Aplaneôn ta te kukla tat' aitheri sèmat' enispein.
 
#The Classical Journal, vol. 17 (London 1818), 'Pur puros exocheteuma — Kai puros tamias', "Vuur afgeleid van vuur — En verdeler van het vuur" (het eerste deel wordt geciteerd op p. 15 hierna). Verwezen wordt naar Proclus in Tim. p. 141.  Zie: The Commentaries of Proclus on the Timaeus of Plato (London 1820, transl. Th. Taylor), p. 393 eind.

[ 4 ]
moest worden afgemeten. En zie, tenslotte is ook hiernaar een weg opengesteld. Verbazend, waartoe de onbeschaamdheid van het menselijk gemoed leidt: we hebben geleerd de Zon te bekijken, en hem helemaal, zonder dat de ogen protesteren, te verkennen en in ogenschouw te nemen; en we hebben daarop nieuwe, afkeurens­waardige vlekken gevonden, zodat niets zo moeilijk te bereiken is, of deze nieuwe verspieders*) zullen er met de scherpte van hun ogen in doordringen. Want dit beeld van zijn spieden heeft deze nieuwe Lynceus, zoals Apelles zijn paneel, openbaar gemaakt om te bekijken°), zoals een schoenmaker een sandaal of een schoenriem aanprijst; en niet meer.
Om dit beeld ook te bekijken kom ik naar u, zeer Hoogeachte heer; in elk geval niet om het af te keuren, maar veeleer om de eerste trekken van het zo aardige paneel te prijzen, en, als ik kan, het ergens ook met ons werkje te ondersteunen. Want niet zo lang geleden is met behulp van de kijker opgemerkt dat er voorheen niet geziene sterren aan de hemel schijnen, die hetzij nieuw zijn en in deze tijd geboren, hetzij inderdaad door teveel zwakte aan de scherpte van de ogen zijn ontsnapt; en daaronder sommige circum-planetaire (want het staat me vrij in een nieuwe zaak een nieuw woord te gebruiken), andere circum-joviale, weer andere als begeleider dichtbij andere planeten. Daardoor ben ik hierdoor vanaf het begin enigszins gaan twijfelen over zinsbedrog en een gebrek van de kijkers. Opdat dit helderder wordt begrepen, wil ik wat grondiger beginnen met de zaak zelf, die ons niet alleen hiertoe uitnodigt, maar ook als het ware aan de hand meeneemt.

  Het is algemeen bekend dat in deze dioptrische buis twee brillenglazen worden gezet; waarvan het ene, dat naar het oog gebracht wordt, tenminste aan één kant bolvormig hol is,


*)  In het begin gebruikte Snellius voor verrekijkers het Latijnse "dioptra" (van Gr. 'dioptèr' - verspieder), maar hier staat het Griekse 'dioptai' (van 'diopteuô' - spieden). Even verder: 'diopteias', door Proclus gebruikt, zie 'Hypotyposes de Proclus Diadochus', p. 94, 9e regel van onder, in ed. N. Halma, Paris 1820 (Liddell & Scott, 'diopteia': "seeing through, Procl. Hyp. 3.17").
°)  Christoph Scheiner, Tres epistolae De Maculis Solaribus scriptae ad Marcum Velserum, Augburg 1612, 2e ex. (12 nov., 19, 26 dec. 1611; ondertekening: "Tuus Apelles latens post tabulam").
Scheiner wist kennelijk al in 1612 van Snellius' werk, maar schreef het toe aan Simon Stevin, zie:
Galileo Galilei & Christoph Scheiner On sunspots (Transcribed and Introduced by Eileen Reeves & Albert van Helden), Chicago 2010, p. 220, n.105.
Chr. Scheiner, De maculis solaribus ... accuratior disquisitio, Aug. Vind. 1612, p. 41.

[ 5 ]
en daarom de afdrukken*) van zichtbare dingen kleiner weergeeft aan het oog; het andere, verste in de buis, is een glas in de vorm van een linze, en is bolvormig bol. Dit vangt het eerst een beeld op van het zichtbare, en brengt het vergroot voor ogen. Maar de straling die uit het zichtbare punt stroomt, en heel dit glas bereikt, en door teveel vergroting als het ware wegkwijnt, dat wordt opgevangen door het holle glas als het daar naartoe is overgestoken. En dit glas verzamelt het en laat het, verkleind volgens het vermogen van zijn holheid, verder gaan naar het oog.
Dat hier dus enig gezichtsbedrog optreedt door het linzevormige glas heb ik steeds een beetje gevreesd. Er is namelijk een Optisch Theorema, dat iets dat Breking geeft ook weerkaatsend is, Vitello heeft het bekend gemaakt in prop. 61 van boek 10. Dat er van water en lucht en dauwdamp weerkaatsing van stralen komt; want wolken breken niet alleen de doorgelaten stralen van de Zon, maar kaatsen ze ook eerder naar het oppervlak. Dit zelfde had Aristoteles vroeger ook al gezegd: Het zien (ik zou liever willen: de straal) wordt door elk gepolijst en van gladheid voorzien lichaam teruggekaatst, daaronder zijn lucht en water.°)
Zo is de halo voor hem een beeld van de Zon dat slecht wordt weergegeven door een gebrek en de vorm van de spiegel, dat wil zeggen door uiteenspatting van druppels bestaand uit heel kleine deeltjes.^)
Zo zag Oritas#) van Tarente (zoals Olympiodorus hem noemt) in wat dichtere lucht een beeld van zichzelf.
Zo is het voor de prins der dichters +) met de glans van een straal van de Maan, of van de Zon, door water weerkaatst:
Hij stijgt op, en slaat tegen de balken van het plafond.
Inderdaad kunnen kristallijne vlakke spiegels een aanwijzing zijn,


*)  Lat.: "species visibilium", zie hierover bij Isack Beeckman, Journal, I, p. 28, toegevoegde noot met citaten van o.a. Lucretius en Bacon 1627: "The Species of Visibles seeme to be Emissions of Beames from the Object seene".
°)  Aristoteles, 'Meteorology', Part 4.
^)  Aristoteles, 'Meteorology', Part 2: "in some mirrors the forms of things are reflected, in others only their colours. Of the latter kind are those mirrors which are so small as to be indivisible for sense."
#)  Oritas (zie het eind van deze te lange noot) werd niet gevonden in:
Olympiodori philosophi Alexandrini in Meteora Aristotelis commentarii, Ven. (Gr. ed. Grammaticus) en Ven. 1551, (Lat. ed. Camotius, ook 1557).
Wel een Tarentinus: Antipheron of Antiphon, in de Latijnse versie, Lib. III, Actio XXXVI, fol. 63v (r. 2), "Zoals gebeurde bij Antipheron van Tarente ... hij zag duidelijk een beeld van zichzelf in de lucht als in een spiegel ... weerkaatst naar Antiphons gezicht".
-   Grieks: fol. 51v (r. 32): 'antipheronti tôi tarantinôi' ... 'tou aeros, hôs kata antitupou tinos pheromenè, di' eschatèn astheneian aneklato pros auton' — met op fol. 52r (r. 15) deels het geciteerde van Aristoteles; in het Latijn is dit, fol. 63v: "Onze blik lijkt dus weerkaatst te worden door een of andere gladheid van lichamen."
Hierbij: "... Antiphon ven Tarente ... zag duidelijk een afbeelding van zichzelf in de lucht weergegeven". En op fol. 64r (r. 2): "Deze Antipheron kon dus met de kracht van zijn ogen de lucht niet wegduwen, zoals degenen doen die tot op grote afstand scherp zien."
-   BNF, ms. Grec 1892: 'Olympiodore, Philopon' (1540-1550), fol. 148, rechts r.16: 'antipheron van rente' [sic], r.19: 'antitupou'. Op fol. 149, rechts r.5 van onder: 'antipheron van tarente', fol. 150, links r.4: 'antipheron'.
-   Girolamo Mercuriale, Medicina practica (Lugd. 1618), p. 187: "Arist. 3. meteor.t.15. [Engl.] vermeldt in het verhaal over de Regenboog ... die voortdurend een beeld van zichzelf zag continuò videbat suam imaginem ... {Tweede reden} je moet weten, dat Alexander van Aphrodisias en Olympiodorus op die plaats hebben gezegd, dat dit Antiphon is geweest ..."
Voor Olympiodorus zie ook: J. A. Fabricius, Bibliotheca Graeca, vol. 9, Hamb. 1719, p. 352 e.v.

-   Uiteindelijk werd gevonden: 'Antipherón ho Ôreitès', iemand uit Oreus, in:
Olympiodori in Aristotelis Meteora commentaria, ed. G. Stüve, Berol. 1900, p. 232, noot.
"Antipheron of Oreus", in: Aristoteles, 'On Memory and Reminiscence' (transl. J. I. Beare), Part 1.
"'Antipheronti tôi Ôreitèi ... Antipheron of Oreos", in G. T. Ross, The Sensu and De Memoria, Cambr. 1906, p. 106-107.
Alexander van Aphrodisias, ed. M. Hayduck, Berol. 1899, p. 147, voorlaatste regel: 'Antipherôn ho Oreitès', noot: ook 'Oritès'.


+Vergilius, Aeneis, VIII, 22-25.  In Alle de werken van de heer Michel de Montaigne (vert. J. H. Glazemaker), Amst. 1674, boek 1, h. 8, p. 22:
Gelijk het flikkerend licht van 't water in kopere bekkens,
door de zon, of door het beelt van de stralende maan weêrgekaatst,
alle plaatsen wijd en zijds deurvliegt,
en in de lucht opstijgt, en tegen de balken van 't hoge dak aanslaat.
[ 6 ]
waarin afbeeldingen van de Zon, de Maan, een kaars dubbel gezien worden, en vaker; daar het immers eigen is aan het gepolijste oppervlak van gladde dingen, een beeld van een object weer te geven, zal het boven­oppervlak van een spiegel dat geven. En daar een glas een doorzichtig lichaam is, en doordring­baar voor stralen, zal dit op de bodem van het andere oppervlak nog eens voorkomen, dat ook zelf de erop vallende stralen zal weerkaatsen, en een afbeelding van het zichtbare object laten zien; vooral als het een wat dikker glas is, of de tegenover­liggende oppervlakken niet precies evenwijdig zijn (een onregel­matigheid die er bijna doorlopend is), maar wel een beetje hellend.
Want hier worden twee zo goed als primaire afbeeldingen gegeven, één bovenaan, het andere onderaan, door de verschillende hoeken van inval en terugkaatsing; alle overige worden duidelijk gezien, verveelvoudigd door wederzijdse weerkaatsing; niet anders dan gewoonlijk gebeurt in twee tegenover elkaar geplaatste spiegels, waarbij de ene met al het voorgestelde wordt weergegeven in de andere.
En als je een kristallens, zoals de brilleglazen die ouderen als hulpmiddel voor de ogen gebruiken, in de hand houdt, zal deze het beeld van een kaars verdubbelen en, afhankelijk van de plaatsing van het holle of bolle oppervlak (want het is van buiten gezien aan beide zijden bol, van binnen hol), ze vertonen volgens de spiegelwet. En daarom, als je de lens naar de ogen brengt en de lichtbron bekijkt, zul je het vlammetje door een doorzichtig lichaam duidelijk zien, en het beeld ervan wat donker als in een spiegel; omdat iets dat het licht breekt, het ook terugkaatst.
Dat hetzelfde niet zelden gebeurt met de schittering van sterren, en dat aan de zijkant andere schitteringen worden gezien als beelden van de eerste, zodat het aantal sterren dat te zien is wordt verveelvoudigd, lijkt niet ver van de waarheid. En toch

[ 7 ]
zeg ik dit niet daarom, alsof ik denk dat alle sterretjes die zonder kijker niet gezien worden slechts beelden zijn; maar alleen omdat ik er even op wil wijzen dat sommige sterren misschien daarom door ons langwerpig gezien worden omdat, terwijl we in de kijker beelden ervan ernaast onderscheiden, we kunnen geloven dat we andere aan de hemel in het oog krijgen.
Want als je het oog wat verwijdert van de as van de glazen lens, zul je daarin ook een beeld van het vlammetje in het oog krijgen. En aangezien die kijkers, die het oppervlak 700, 800 of negenhonderd keer vergroten, vrij lange buizen hebben, en lenzen die met een langzame kromming oplopen, vind ik dat het bij de opstelling afwijken van de as van een lens iets menselijks is. Toch wil ik dit niet begrepen hebben als zomaar gezegd, alsof ik niet van mening ben dat eerder uitgestraald licht van vaste sterren aan de hemel, te vergelijken is met een verdubbelde glans van planeten, aangezien de ondervinding hier inderdaad geen uitsluitsel geeft*), zodat we uiteindelijk te weten kunnen komen, wat er over deze zaak moet worden vastgesteld.
Maar werkelijk, nu dit bijkomende is afgehandeld, is het tijd om ook die plaat°) te bekijken. De vlekken dus, die deze nieuwe en scherpzinnige Apelles heel nauwkeurig met zijn pen op de Zon heeft getekend; die heeft hij toch weggehaald van het lichaam van de Zon, omdat hij het onjuist heeft geacht dat de Zon hiermee bezoedeld zou worden. Maar dat het het dichtstbijzijnde lichaam van de Maan door de Egyptenaren een Etherische Aarde genoemd wordt, heeft Theon#) in zijn geschrift over de Timaeus uit Porphyrius nagelaten; en daarmee wordt bevestigd dat deze oneffen is, niet anders dan de Aarde.
Hoe zit dat? Als de overige hemellichamen aan dezelfde wet voor het licht voldoen, en ze dit ontlenen aan de Zon, veel vuurgloed afnemend? Zoals overeenkomt met zijn waarnemingen:


*)  Lat.: "utramque paginam facit" (eerder bij Snellius in 'Opdracht aan Maurits', bij 'occasio'), zie Plinius, 2.22.  Engl.2.5 ("Fortune ... she alone balances the two pages of our sheet").
J. A. Levy, Rekening-courant, 's Grav. 1873, p. 39: inkomsten en uitgaven bij de Romeinen.

vlekken, avond vlekken, ochtend
°)  Scheiner 1612,
'Maculae in Sole apparentes ... 1611'

22 Octob.   A, B, C, D, E, F, G,
Sol oriens.       Sol occidens.

#)  Niet Theon, maar: Proclus, 'Eis ton tou Platônos Timaion hypomneèmatôn Proklou bib. e', Basel 1534, p. 45, r. 29.  Cf. p. 3, noot: Taylor, 1820, p. 124, "Porphyry ... supposes Vulcan to be the intellect that presides over art, but earth to be the lunar sphere. For this is called by the Egyptians ethereal earth. ... that souls ... are disseminated in the body of the moon; souls that give themselves to the arts, dwelling there".
Gr.: ... dat Hephaistos het technische denken heeft gebracht, en de aarde de sfeer van de maan.

[ 8 ]
hij heeft getuigd dat hij het lichaam van Mercurius dat ervoor stond, als een vlek op de Zon heeft aangeduid bij zijn waarneming. Waarom dan, vraag ik, zal hierbij niets worden onderscheiden dat uitsteekt, niets dat gegroefd is, niets van een insnijding met hoeken? Maar die vlek geheel bolvormig en glad? Ik denk dat er geen enkele reden te bedenken is, waarom dit zo is. Van deze gedachte lijkt me afkomstig die uitspraak van Thales, toen hij verklaarde: de sterren wel zoals de Aarde, maar met vuur*).
Dat de wereld zelf wel één is, en ontvankelijk voor bolvormige gladheid, zoals ik geloof, daarvoor zie ik enige redenen. Doch dat een of ander lichaam in het bijzonder, zoals dat van de Maan, Venus of Mercurius, volmaakt bolvormig is, zodat er niet ergens een holte of iets zwellends gesteld wordt, zoals kromme bochten van oevers, veelvuldige toppen en gebroken ketens van bergen, of holle welvingen van dalen, dat kan ik niet gemakkelijk van mezelf verkrijgen, naar ik geloof. En daarom, zoals Herodotus waarschuwt, moet niet geluisterd worden naar degenen die zeggen dat de Aarde rond gemaakt is als met een passer.°) Als iemand dit zegt over de Zon, zal hij mij zeker niet als tegenspreker krijgen.

  Verder, dat over de plaats, parallax en beweging van de vlekken, kan ik noch bevestigen noch weerleggen. Want inderdaad, wat is het belang ervan hier het verhaal langer te maken? Aangezien deze zeergeleerde heer (wie het tenslotte ook is, of waar op Aarde onze Apelles zich ook verschuilt) niet alleen met een zo zorgvuldige en zelfs vaker herhaalde waarneming het voor ons heeft opgeschreven, maar ook die methode heel welwillend duidelijk heeft aangewezen om zonder gevaar waar te nemen, met het plaatsen van een wat dikker groen of blauw glas heel dichtbij het oog; zoals onze


*)  Zie Pseudo-Plutarchus, De placitis philosophorum libri 5 (Flor. 1750, Gr.-Lat., ed. E. Corsinus), lib. 2, cap. 13Plutarchi Chaeronensis Quae exstant omnia, Francof. 1599, T. 2, lib. 2, cap. 13, p. 888.
°)  Herodoti Halicarnassei historiarum libri IX, Ff. 1608 (transl. L. Valla), lib. 4, § 36, p. 236 — zonder de eerste vier woorden; ook in ed. Bas. 1557, Melpomenè (lib. 4), p. 121.
Vergelijk ed. 1928, Gr.-Engl. van A. D. Godley, p. 235: "they draw the world as round as if fashioned by compasses, encircled by the river of Ocean".

[ 9 ]
zeevaarders die, als ze de hoogte van de Zon met een jakobsstaf gaan waarnemen, de ogen beveiligen door een gekleurd glas ervoor te zetten. Daarom, wat zal er anders zijn te oordelen, dan dat een heel zorgvuldige tekenaar, die iedereen aanzet tot zelf zien, ons een waarachtige afbeelding heeft voorgesteld?

  Dat aanhangseltje over Venus*) echter, al is het waar, het lijkt me toch niet noodzakelijk. Want ook als niet wordt opgemerkt dat Venus, in het apogeum van de epicykel geplaatst, voor de Zon staat, volgt daar niet meteen uit dat ze boven de Zon gaat. Want het is overdreven nauwkeurig, de breedte van deze planeten te binden aan zeven minuten. Hoeveel we hierbij afwijken van de waarheid, daarvoor zullen de waarnemingen van Tycho een aanwijzing kunnen zijn.
En toch bespreek ik dit niet daarom, alsof ik die heel duidelijke hypothese van (naar ik meen) de Egyptenaren, over de rondgang van Mercurius en Venus om de Zon, wil verwerpen; ik wil zien en goedkeuren dat deze door nieuwe Atlassen wordt bewezen. Maar omdat ik slechts wil vermanen, dat niets aan dit erbij gesleepte argument is te ontwringen.
Vervolgens zou ik ook niet willen zweren, dat de banen van de planeten als werkelijk bestaand moeten worden gesteld (zoals we er gewoonlijk over spreken). Want hoe kunnen we ons die in een vloeiende ether als vast verbeelden? Alsof het noodzakelijk is dat alles wat in hun banen is geplaatst, daaraan als het ware is vastgehecht, en daarom door hun beweging gegrepen ronddraait? Deze mening zal niemand met betogen van de geleerdste Wiskundigen bewijzen, althans niet in deze eeuw.
Ja zelfs zal ik met hetzelfde argument die vlekken weghalen uit de baan van de Zon, waarmee ze ook ver van de banen van Mercurius en Venus worden gehouden. Als het tenminste waar is dat ze sneller dan de Zon bewegen, en wel tegengesteld aan diens beweging,


*)  Eind van Scheiner, Tres epistolae, 1612, bij brief 2: 6 regels (conjunctie van Venus met de Zon, 11 of 13 dec.), met ondertekening: "Apelles". Deze pagina is een toevoegsel van jan. 1612, volgens On sunspots, 2010, p. 64.

[ 10 ]
althans niet ermee overeenstemmend, noch met gelijke snelheid, noch in dezelfde richting.

  Als laatste tenslotte, welke kracht die drie argumenten hebben, die bij deze tekening worden geschreven als noodzakelijke eigenschappen, zullen we dan nu ook met kritische blik bekijken, opdat ze de betekenis krijgen die ze als het ware leken af te dwingen.
  1.  Vlekken in een baan rond de Zon worden dichtbij de rand smaller, bij intrede en uittrede.
  2.  Twee of meer bij de rand gaan samen, in het midden worden ze uit elkaar getrokken.
  3.  In het midden bewegen ze allemaal sneller dan bij de rand.
Waaruit opgemaakt en geconcludeerd lijkt te kunnen worden, dat deze vlekken niet op de Zon zelf bewegen, maar hetzij rondom de Zon, hetzij onder de Zon. Inderdaad zijn deze argumenten, terwijl het in werkelijkheid en naar waarheid er maar één is, afgeleid van dezelfde bron, drie afzonderlijke, namelijk verschillend in soort, zo uiteenlopend en gescheiden zijn ze. Want als ze zo zonder meer worden voorgelegd, zouden optici immers niet noodzakelijk verzekeren dat hieruit iets dergelijks is aan te voeren.
Juist nu ik hierover nadacht, kwam bij me op het verzinsel van een oude fabel, iets schrikwekkends van dichters, de tegen elkaar slaande eilanden bij de ingang van de Zwarte Zee, als ze zich verenigen:
    de op hoge zee dwalende
Cyaneae; de razernij dat ze midden op zee snel bijeenkomen.
*)
De Cyaneïsche eilanden dus, en Symplegaden, en planeten genoemd, zegt Plinius°). (Planctae zeg ik liever, want zo worden ze genoemd door de Grieken: dwalende rotsen.)  Als reden heeft deze ook gezegd, dat volgens de overlevering in fabels twee eilanden in de Zwarte Zee, de Cyaneae, bij elkaar gekomen zijn,


*)  Gaius Valerius Flaccus, Argonauticon, Antw. 1566 (ed. L. Carrion, Lat.), lib. 4, p. 107 (eind).
Gr.-Engl.: R. C. Seaton, Apollonius Rhodius, The Argonautica, book 2, London 1919, p. 124-5, 140-1.
Lat.-Fr.: Argonautique, trad. A. Dureau de Lamalle, T. 2 (Par. 1811), p. 246-p. 247:
        Au sortir de ces lieux les vents vont te conduire
      Aux portes de l'Euxin, vers ces rochers flottants,
      Toujours l'un contre l'autre acharnés combattants.
Andere vertaling Lat.-Fr. (1850) bij BCS: 4.560.

°)  Naturalis Historia, 4.92.   Engl. 1855 (ed. Bostock), 4.27.

[ 11 ]
aangezien ze, door een kleine afstand gescheiden elkaar tegemoet gaand, als tweeling werden gezien; en langzamerhand, nadat een scherpe punt was afgebogen, leek het erop dat ze samenkwamen. Waarvan Apollonius in de Argonautica heeft gemaakt:*)
      de nauwe doorgang van de kromme zeestraat,
    aan beide kanten ingesloten door hoekige klippen.
Evenzo heeft die dichter°) over Sicilië gezegd:
    De nauwe doorgang van de Pelorus.
Ik herken een theorema van een geleerde Opticus. Een voorwerp wordt immers recht voor het gezicht het best gezien, in schuine stand des te minder naarmate het schuiner staat, zegt Alhazen {Lib. 3. prop. 7.}. Een voorwerp dat recht tegenover het gezicht staat verschijnt immers groter voor het gezicht dan in schuine stand, en volgens de mate van schuinheid komt er onvolmaaktheid van het zien, zoals de optici het zeggen. En daarom begrijpt het gezicht de afmeting van het voorwerp, wanneer het de mate van schuinheid heeft waargenomen, niet volgens de schijnbare afmeting, maar volgens de positie ervan. Want het oog kan de grootte van het voorwerp slechts beoordelen naar de grootte van de hoeken.
Maar dan kan iemand met eenzelfde redenering beweren dat de Zon door een draaiende beweging op zijn plaats roteert. En dat deze vlekken vastzitten op de Zon, en dan daarom dichtbij de rand smaller worden, en voor ons lijken samen te komen, omdat ze daar door ons worden gezien met een schuine straal; en dat ze in het midden uiteengetrokken worden en sneller bewegen, omdat ze daar met een loodrechte straal het gezicht treffen.
Deze mening zou enige schijn an waarheid hebben, als niet uw heel stevige argument, zeer scherpzinnige Apelles, ontleend aan de snelheid van beweging, ons iets anders zou laten geloven. Wanneer het tenminste waar is dat ze in vijftien dagen#) over de schijf van de Zon trekken. Om dit te geloven en van mening te veranderen door uw waarheidsliefde en het gezag van historici:


*)  Gr. bij Perseus: ed. G. W. Mooney (1912), 2.549.  Gr.-Engl. in Seaton 1919, p. 138-9 en in: George Stanley Faber, A Dissertation on the Mysteries of the Cabiri, vol. 2, Oxford 1803, p. 131:
      When now the heroes through the vast profound
      Reach the dire straights with rocks encompass'd round,
      Though boiling gulphs the sailing pine detain'd,
      Still on their way the labouring Grecians gain'd;
      When the loud justling rocks increas'd their fears,
      The shores resounding thunder'd in their ears.
      High on the prow Euphemus took his stand,
      And held the dove that trembled in his hand.

°)  Verglius, Aeneid, 3.411Engl., transl. T. C. Williams, 1910: "After departing hence, thou shalt be blown toward Sicily, and strait Pelorus' bounds will open wide."
#)  Chr. Scheiner, Tres epistolae, begin van 3e brief: "in niet meer dan vijftien dagen".
Zie de plaat 'Maculae' aan het eind van Scheiner, Tres epistolae: de plaats van de vlekken is te volgen van 21 okt. tot 14 dec. (1611); onderste helft:
Scheiner 1612, plaat
De genoemde "Macula I" gaat bijna over de hele schijf in 11 dagen, 25 okt. - 5 nov.,
zoals ook Macula M: 1 - 12 nov.


[ 12 ]
Ik heb in elk geval bij schrijvers, de Annalen van Constantinopel en Nauclerus: dat de Zon in het jaar 798, donker geworden, achttien dagen zijn stralen niet heeft gegeven; en dat er zo'n grote duisternis bestond, dat schepen op zee ronddwaalden.*)
Wat overeenstemt met uw waarnemingen, aangezien u het verblijf van deze vlekken onder de Zon afbakende met vijftien dagen; waarna hij uit deze vlekken tevoorschijn kwam,
Nu, nu wordt Phoebus helder en vernieuwt hij zich,
Gemeenschappelijk licht en een genot voor allen.
°)
En onder Justinianus was de Zon ook bij heldere lucht een heel jaar wat bleekjes, en op aarde als het ware niet met zijn eigen licht te zien. Cedrenus is de schrijver; daarom heb ik zijn woorden hierbij geschreven: Al deze tijd gaf de zon, zoals de maan, zonder stralen een treurige glans, een heel jaar leek hij meestal verduisterd.#)
Dat een dergelijk voorteken zich heeft voorgedaan onder Augustus heeft Xiphilinus opgetekend.+)  En Plinius (l. 2. c. 30. [Engl.]): "Er komen wonderbaarlijke en langere zonsverduisteringen voor, zoals bij het vermoorden van Dictator Caesar, en de oorlog tegen Antonius, met een voortdurende bleekheid van een geheel jaar".
Deze tijd heeft Ovidius aangeduid in boek 15 van Metamorphosen, toen
Een treurig beeld van de Zon ook
Vaalbleek licht gaf aan de bezorgde aarde
Ja zelfs is door schrijvers overgeleverd dat de Zon dikwijls ook andere keren enige dagen met een roestkleur heeft geschenen. Zie de herinnering van onze vaders: in het jaar 1547 is de Zon bij heldere hemel bleek verschenen gedurende zeker vier dagen, vanaf 22 april, in heel Frankrijk; en dat hetzelfde is gebeurd in Duitsland en Britannië staat vast. Scaliger getuigt dat hij het meemaakte toen hij een jongen van zeven jaar was.×)  Verbazend dat iets zo wonderbaarlijks


*)  Joannes Zonaras, Annales, T. 2, Par. 1687, p. 119 (D.5): "Irene ... Toen gebeurde het dat de Zon 17 dagen niet scheen, maar dat die dagen donker en duister waren".
Georgius Cedrenus, Annales, Bas. 1566, p. 389: "Irene ... de zon is dan 17 dagen donker geworden, geen stralen uitzendend; en algemeen zeiden ze dat dit gebeurd is wegens het blind maken van de keizer. En het duister was zo groot dat schepen ook van hun koers zijn afgedwaald." (ed. Bekker, T. 2, Bonn 1839, p. 27).
Johannes Nauclerus (1425-1510), Tomus seundus Chronicon, Col. 1564, p. 19: "ANNO Domini 797 ... Gezegd wordt dat de zon in die tijd enige dagen donker was, zodanig, dat schepen op zee verdwaalden.".

°)  Aulus Gellius, Noctes Atticae, 15.25.
#)  Peter Lagerlöf, Dissertatio de comparatione corporum Caelestium ad Tellurem, Ups. 1672, p. 22: 'Ho hèlios ... eniauton', uit Xylander (Annales, Bas. 1566, p. 304, eind) en Malapert (Austriaca Sydera Heliocyclia, Duaci 1633, p. 3).
Georgius Cedrenus, Ioannis Scylitzae ope, T. 1, Bonn 1838 (ed. I. Bekker), p. 650:
"heel dat jaar gaf de zon zonder stralen een treurig licht, zoals de maan, meestal alsof hij een verduistering onderging."

+E Dione excerptae historiae ab Ioanne Xiphilino, H. Stephanus 1592, p. 97 (in Dio lib. 56), marge 'Voortekens die de dood van Augustus aankondigen',  "dat de zon voor de mensen geheel verduisterd was, en men een groot deel van de hemel heeft zien branden, en dat gloeiende balken uit de hemel vielen, en bloedrode kometen gezien zijn."
J. H. Reimarius, Dionis Historiae Romanae (1752), p. 828, n.126: Eusebius Chron. Olymp. CXCVII [198]. Defectio Solis facta, & Augustus ... moritur".
J. J. Scaliger, De emendatione temporum, Ff. 1593, p. 241: "Het jaar dus van Augustus' overlijden ... Wat echter Dio schrijft, dat er in dat jaar een totale zonsverduistering geweest is, daartegenin zeggen we, dat er in de twee jaren ervoor, of een jaar erna, geen enkele zonsverduistering is geweest."

×)  J. J. Scaliger, Opus de emendaitone temporum, Gen. 1629, 'De anno caedis Caesaris', p. 442 (niet in ed. 1593).  Meer in: Éduard Roche, Recherche sur les offuscations du Soleil, Par. 1868, p. 365.

[ 13 ]
niet ook is opgemerkt in Italië en in Griekenland, en zelfs over de hele aarde. Tenzij misschien die lichamen die zonlicht tegenhouden, de weg versperrend, zo dichtbij de aarde zijn geweest, dat ze ver onder de Maan stonden en voor zuidelijke gebieden niets hebben weggenomen van het aanzien van de Zon.
Is dit dan dus het resultaat van deze zwerftochten? Zijn dit de werkzame delen? Die door hun voorplaatsing de glans van de Zon verzwakken? Die elk afzonderlijk heel klein zijn, maar in vereniging (zoals Valerius Flaccus zegt) samengedromd*), de vlekken op de Zon, en duisternis op aarde teweegbrengen? Is dit dan die menigte van zeer kleine hemellichamen, die fonkelen aan de nachtelijke sterrenhemel; die wijd en zijd helderdere vlekken laat zien?
En het kan ook niet nieuw of ongewoon lijken, dat talloze planeten over verschillende hemelstreken zijn verspreid, de ene hier, de andere daar, of als zaden en tondels van nieuwe hemellichamen cerspreid over de hemel zijn uitgestrooid. Zoals Apollonius Myndius, zeer ervaren in het aanschouwen van natuurlijke dingen, schreef dat kometen bij de dwaalsterren gerekend werden door de Chaldeeën, en dat ze hun loop behouden; ik bedoel die, welke boven de Maan zijn ontstaan. In elk geval "zegt ook Democritus, de scherpzinnigste van alle ouden, dat hij vermoedt, dat er verscheidene sterren zijn die lopen; maar het aantal ervan heeft hij niet opgegeven, en ook geen namen", zegt Seneca.°)
Het was dus de moeite waard de aard en beweging ervan te onderzoeken, en de erepalm in het midden, aan allen voorgesteld: of sterretjes van deze soort als dichtere deeltjes van de hemel verspreid zijn in de afzonderlijke kringen van de planeten, en of ze deze wel eens in de weg staan? Want dat ook bij de ster Venus een verandering van grootte, vorm en kleur is gezien, hebben sommigen schriftelijk nagelaten.
Wat zou het zijn? Zouden de overige planeten (uitgezonderd de Maan, misschien met Venus,


*)  Lewis & Short, A Latin Dictionary (Oxford 1879), stipo, B (omringen): "juventus stipat ducem", Val. Fl. 7, 557. Ed. 1566: p. 185.
°)  Quaestiones Naturales, liber VII, De cometis, 3.2. (4.1: Apollonius Myndius).

[ 14 ]
Mercurius, zoals sommigen aannemen naar ik zie) eigen licht hebben, daarop ontstaan, zodat ze die dichtere deeltjes, zo verschillend, zo veelvoudig, en heel dichtbij erboven geplaatst, met hun stralen verlichten; en als deze daarna opzij zijn gegaan, zou dat geleende licht, daarop wel loodrecht, voor ons echter verminderd door hun schuinheid, dan verdwijnen?
Door uw waarnemingen word ik in twijfel gebracht; en wil ik geloven dat deze vlekken op bevel van God met een zwervende beweging door de zuivere ether gaan.
Want als die beweging zeker is, en voortdurend constant en zo snel, waarom benevelen ze de Zon dan niet jaarlijks, of althans na verloop van enige jaren, met een vaststaande afwisseling in tijd? Want omdat ze in een tijd van vijftien dagen van het oosten naar het westen over de zonneschijf dwalen, kan dit een voldoende argument zijn geweest dat hun beweging de snelheid van de Zon overtreft; en dat ze weliswaar met de Zon de gemeen­schappelijke beweging van alle planeten volgen maar, wat langzamer bewegend, in de tijd van vijftien dagen ruwweg ongeveer een halve graad*) achterblijven bij de Zon.
En dat ze daarom dan met een zo groot interval in deze tijd van het westen naar het oosten voortgegaan lijken te zijn met een eigen beweging; zoals de planeten worden gepasseerd door de omwentelingen van de sterren die vastzitten aan de hemel, wat Timaeus van Plato dacht. Terwijl ze de grote snelheid hiervan niet bereiken, en om die reden tegen de beweging van de wereld lijken te streven, met hun tegengestelde loop. Zodat die welke het snelst bewegen, met die snelheid lijken te worden overwonnen door langzamere, en ofschoon ze inhalen lijken ze te worden ingehaald.
Als deze vlekken dus ook over de baan van de Zon langs de ecliptica wentelen, en als ze bestendig zijn, zal de Zon noodzakelijk, na zijn jaarlijkse kring te hebben doorlopen en afgelegd,


*)  Dat is de hoek waaronder wij de Zon zien.

[ 15 ]
en nadat hij bovendien ten naaste bij 12 1/6 graden verder is gekomen*), tegen dezelfde vlekken aanlopen. Als ze echter zijn aangezet en gaan met een eigen beweging, die zo is ingericht dat deze schuin is ten opzichte van de ecliptica, en ze met hun beweging dwars op de ecliptica het licht van de Zon tegenkomen, zullen ze ook de helderheid verzwakken met de dichtheid van hun lichaam. En die vlekken zullen, zij het na heel lange tijd, binnen zes en zeventig°) omlopen van de Zon, naar dezelfde toestand terugkeren.
Maar dat deze dingen nauwkeuriger kunnen worden onderzocht en waargenomen, dat hebt u wel bewerkstelligd, mijn nooit voldoende geprezen Apelles: of ze op een of andere manier veranderen en bewegen, en of ze groeien of kleiner worden, met de Zon en de hemel door uw kijker zichtbaar voor aller ogen, als er in het vervolg iemand gevonden zou worden die deze toestand zou uitleggen.

  Maar toch, om niet zonder bijdrage te leveren hiervan af te stappen, en een zo uitstekende gelegenheid om het ware op te sporen uit handen te geven, willen we dit overdenken. Waartoe zou het goed zijn, vraag ik me af, dat de Zon drooit? Dat de Maan,
—— koningin van de onverkwikkelijke nachten
lichtgevend+) in de nacht, aangestoken door de stralen van de Zon, wel ronddraait, zegt Africanus bij Cicero#), volgens de theorie van de Chaldeeën, naar ik meen. Maar niet zomaar, als we Berosus, een heel geleerd iemand, geloven: ze wordt immers door de stralen en de drang van de warmte aangetast, en het heldere deel draait naar het licht, wegens de eigen soort licht ervan. Dat de Maan ook een bal is die voor de helft helder wit is, en rest met een donkerblauwe kleur heeft.x)
Dat ze als het ware een afgescheurd stuk van de zon is, zoals de ouden meenden, heeft Achilles Statius vermeld; of zoals bij de Chaldeeën, vuur afgeleid van vuur^). En daarom, dat ze streeft naar het bekende licht waaraan ze was onttrokken, wegens sympathie, zoals bij een magneet. In hoeverre dit juist is, zal ik nu niet bespreken.


*)  Genoemd werd: in 15 dagen gaan ze over de hele schijf, en 365 / 15 = 24,3. Dus in 30 dagen gaan ze rondom de Zon, die dan 12 graden (zonder 1/6) verder is gekomen op de ecliptica.
°)  Waarom 76 jaar?
+)  Lat.: Noctiluca, Varro, De lingua Latina, lib. 5: "Noctiluca genoemd op de Palatijn" (met ervoor: "Regina", koningin).
#)  'Somnium Scipionis', in De Republica, 6, 17: "zegt Africanus ... Kijk je niet met bewondering naar wat er in de tempels van Venus is te zien? Alles is daar samengevoegd in negen kringen of liever bollen ... de Maan draait rond, aangestoken door de stralen van de Zon".
x)  Volgens Vitruvius, De architectura, lib. 9.  Zie: G. E. E. de Breucker, De Babyloniaca van Berossos van Babylon, Gron. 2012, met Vitruvius e.a. vertaald in h. 8 (p. 271):
De maan is een bol, die voor de helft straalt. Voor de rest heeft ze een donkerblauwe kleur. Wanneer ze nu de omloop van haar baan voltooid heeft en onder de schijf van de zon komt, dan wordt ze door de stralen van de zon en de kracht van die hitte naar de zon toegetrokken en draait ze haar stralende deel door de specifieke eigenheid van het zonlicht naar dat licht.
^)  Volgens Proclus, zie de laatste noot van p. 3 hierboven.

[ 16 ]
Wat ik meen is, dat de geleerdste mannen die je terecht uitleggers van de dingen der natuur zou noemen, daarmee van oudsher tenminste alleen aan de Maan een draaiing hebben toegekend; maar met een bepaald doel en door natuurlijke sympathie.
Aangezien er echter voor een omwenteling of draaiing van de Zon niets van een oorzaak kan worden aangevoerd, waarom het noodzakelijk is dat deze zo zou roteert, komt hier voor ons een heel ander werk naar voren, dat duidelijker is. Waardoor deze kijker voortaan door iedereen gezien zal worden als verdediger van de waarheid, orde­handhaver van de natuur der dingen, en waarmee tenslotte verzinsels van meningen uit het menselijk denken kunnen worden verjaagd, en aan de natuur der dingen haar wetten, haar orde teruggegeven.
Want hoelang zal deze woordenwisseling heen en weer gaan? Waarin sommigen de Aarde als op een hechte grondslag in het centrum laten rusten, waar ze in het midden hangt, en als het ware geworteld vastzit. Terwijl anderen daarentegen verzekeren dat de Hemel in omloop is, de Zon in het centrum staat, en de Aarde beweegt en zich in de jaarlijkse baan met heel grote snelheid omdraait, en bovendien met een dagelijkse beweging rondom haar as van west naar oost tolt; en dat zo hetzelfde wordt bewerkt als wanneer bij een stilstaande Aarde de Hemel zou bewegen.
Onder wie Hicetas van Syracuse, Archytas van Tarente, Empedocles [?], Aristarchus van Samos hun naam aanbieden; ik weet niet of Archimedes er ook bijhoort. Sommigen menen dat Plato dit inderdaad zegt in de Timaeus, maar vrij duister, zegt Cicero*).


...



*)  J. S. Reid, The Academica of Cicero, London 1874, p. 86 (lib. II, XXXIX met even eerder: "Hicetas Syracusius ... met heel grote snelheid om de as draait en tolt, hetzelfde wordt bewerkt ...").
The Academic Questions ..., Book 2 (C. D. Yonge, 1891).

[ 17 ]


...



[ 18 ]


...



[ 19 ]


...




Home | W. Snellius | Over vlekken op de Zon (top) | Brontekst