V L E K K E N O P D E Z O N O P G E M E R K T, en, als door A P E L L E S, op een paneel tentoongesteld in het openbaar om te bekijken, B E T O O G J E van een B A T A A F. A A N De zeer Hooggeachte en Edele Heer, C O R N E L I S V A N D E R - M Y L E, Scherp toeziende Curator van de Leidse Academie. De verre sterren naar onze ogen heeft gebracht.*) De cirkels van de niet dwalende sterren, en de etherische tekens vertelt.°) Met dezelfde kijker hebben we ook naar de hemel zelf gekeken, en het oppervlak van Jupiter bekeken, het gehele aangezicht van de Maan, en alle vlekken hebben we heel nauwkeurig leren kennen, en bijna alle sterren, ook nevelachtige, zo goed als op de rij af opgesomd. Als enige bleef die Zon over, de regelaar en bestuurder van de ogen, verdeler van vuur#), die naar deze maatstaf
*) Ovidius, Fasti, I.305, met vervolg: "en het etherische onderworpen aan hun verstand". Steven J. Green, Ovid, Fasti 1: A Commentary (2004), p. 141: "They moved the distant stars to our eyes, because they subjected the heavens to the operation of their own intellect". °) Aratus, 'Phainomena' (ed. Hugo de Groot), Leiden 1600, p. 17, r. 461. |
|
#) The Classical Journal, vol. 17 (London 1818), 'Kai puros tamias', "channel of fire, dispensator of fire". Verwezen wordt naar Proclus in Tim. p. 141. Zie: The Commentaries of Proclus on the Timaeus of Plato (London 1820, transl. Th. Taylor), p. 393 eind. |
|
moest worden afgemeten. En zie, tenslotte is ook hiernaar een weg opengesteld. Verbazend, waartoe de onbeschaamdheid van het menselijk gemoed leidt: we hebben geleerd de Zon te bekijken, en hem helemaal, zonder dat de ogen protesteren, te verkennen en in ogenschouw te nemen; en we hebben daarop nieuwe, afkeurenswaardige vlekken gevonden, zodat niets zo moeilijk te bereiken is, of deze nieuwe verspieders*) zullen er met de scherpte van hun ogen in doordringen. Want dit beeld van zijn spieden heeft deze nieuwe Lynceus, zoals Apelles zijn paneel, openbaar gemaakt om te bekijken°), zoals een schoenmaker een sandaal of een schoenriem aanprijst; en niet meer. Om dit beeld ook te bekijken kom ik naar u, zeer Hoogeachte heer; in elk geval niet om het af te keuren, maar veeleer om de eerste trekken van het zo aardige paneel te prijzen, en, als ik kan, het ergens ook met ons werkje te ondersteunen. Want niet zo lang geleden is met behulp van de kijker opgemerkt dat er voorheen niet geziene sterren aan de hemel schijnen, die hetzij nieuw zijn en in deze tijd geboren, hetzij inderdaad door teveel zwakte aan de scherpte van de ogen zijn ontsnapt; en daaronder sommige circum-planetaire (want het staat me vrij in een nieuwe zaak een nieuw woord te gebruiken), andere circum-joviale, weer andere als begeleider dichtbij andere planeten. Daardoor ben ik hierdoor vanaf het begin enigszins gaan twijfelen over zinsbedrog en een gebrek van de kijkers. Opdat dit helderder wordt begrepen, wil ik wat grondiger beginnen met de zaak zelf, die ons niet alleen hiertoe uitnodigt, maar ook als het ware aan de hand meeneemt. Het is algemeen bekend dat in deze dioptrische buis twee brillenglazen worden gezet; waarvan het ene, dat naar het oog gebracht wordt, tenminste aan één kant bolvormig hol is,
*) In het begin gebruikte Snellius voor verrekijkers het Latijnse "dioptra" (van Gr. 'dioptèr' - verspieder), maar hier staat het Griekse 'dioptai' (van 'diopteuô' - spieden). Even verder: 'diopteias', door Proclus gebruikt, zie 'Hypotyposes de Proclus Diadochus', p. 94, 9e regel van onder, in ed. N. Halma, Paris 1820 (Liddell & Scott, 'diopteia': "seeing through, Procl. Hyp. 3.17"). °) Christoph Scheiner, Tres epistolae De Maculis Solaribus scriptae ad Marcum Velserum, Augburg 1612 (12 nov., 19, 26 dec. 1611; ondertekening: "Tuus Apelles latens post tabulam"). |
|
en daarom de afdrukken*) van zichtbare dingen kleiner weergeeft aan het oog; het andere, verste in de buis, is een glas in de vorm van een linze, en is bolvormig bol. Dit vangt het eerst een beeld op van het zichtbare, en brengt het vergroot voor ogen. Maar de straling die uit het zichtbare punt stroomt, en heel dit glas bereikt, en door teveel vergroting als het ware wegkwijnt, dat wordt opgevangen door het holle glas als het daar naartoe is overgestoken. En dit glas verzamelt het en laat het, verkleind volgens het vermogen van zijn holheid, verder gaan naar het oog. Dat hier dus enig gezichtsbedrog optreedt door het linzevormige glas heb ik steeds een beetje gevreesd. Er is namelijk een Optisch Theorema, dat iets dat Breking geeft ook weerkaatsend is, Vitello heeft het bekend gemaakt in prop. 61 van boek 10. Dat er van water en lucht en dauwdamp weerkaatsing van stralen komt; want wolken breken niet alleen de doorgelaten stralen van de Zon, maar kaatsen ze ook eerder naar het oppervlak. Dit zelfde had Aristoteles vroeger ook al gezegd: Het zien (ik zou liever willen: de straal) wordt door elk gepolijst en van gladheid voorzien lichaam teruggekaatst, daaronder zijn lucht en water.°) Zo is de halo voor hem een beeld van de Zon dat slecht wordt weergegeven door een gebrek en de vorm van de spiegel, dat wil zeggen door uiteenspatting van druppels bestaand uit heel kleine deeltjes.^) Zo zag Oritas#) (zoals Olympiodorus hem noemt) in wat dichtere lucht een beeld van zichzelf. Zo is het voor de prins der dichters +) met de glans van een straal van de Maan, of van de Zon, door water weerkaatst:
*) Lat.: "species visibilium", zie hierover bij Isack Beeckman, Journal, I, p. 28, toegevoegde noot met citaten van o.a. Lucretius en Bacon 1627: "The Species of Visibles seeme to be Emissions of Beames from the Object seene". °) Aristoteles, 'Meteorology', Part 4. ^) Aristoteles, 'Meteorology', Part 2: "in some mirrors the forms of things are reflected, in others only their colours. Of the latter kind are those mirrors which are so small as to be indivisible for sense." #) Oritas (zie het eind van deze te lange noot) werd niet gevonden in: Olympiodori philosophi Alexandrini in Meteora Aristotelis commentarii, Ven. (Gr. ed. Grammaticus) en Ven. 1551, (Lat. ed. Camotius, ook 1557). Wel een Tarentinus: Antipheron of Antiphon, in de Latijnse versie, Lib. III, Actio XXXVI, fol. 63v (r. 2), "Zoals gebeurde bij Antipheron van Tarente ... hij zag duidelijk een beeld van zichzelf in de lucht als in een spiegel ... weerkaatst naar Antiphons gezicht". - Grieks: fol. 51v (r. 32): 'antipheronti tôi tarantinôi' ... 'tou aeros, hôs kata antitupou tinos pheromenè, di' eschatèn astheneian aneklato pros auton' met op fol. 52r (r. 15) deels het geciteerde van Aristoteles; in het Latijn is dit, fol. 63v: "Onze blik lijkt dus weerkaatst te worden door een of andere gladheid van lichamen." Hierbij: "... Antiphon ven Tarente ... zag duidelijk een afbeelding van zichzelf in de lucht weergegeven". En op fol. 64r (r. 2): "Deze Antipheron kon dus met de kracht van zijn ogen de lucht niet wegduwen, zoals degenen doen die tot op grote afstand scherp zien." - BNF, ms. Grec 1892: 'Olympiodore, Philopon' (1540-1550), fol. 148, rechts r.16: 'antipheron van rente' [sic], r.19: 'antitupou'. Op fol. 149, rechts r.5 van onder: 'antipheron van tarente', fol. 150, links r.4: 'antipheron'. - Girolamo Mercuriale, Medicina practica (Lugd. 1618), p. 187: "Arist. 3. meteor.t.15. [Engl.] vermeldt in het verhaal over de Regenboog ... die voortdurend een beeld van zichzelf zag continuò videbat suam imaginem ... {Tweede reden} je moet weten, dat Alexander van Aphrodisias en Olympiodorus op die plaats hebben gezegd, dat dit Antiphon is geweest ..." Voor Olympiodorus zie ook: J. A. Fabricius, Bibliotheca Graeca, vol. 9, Hamb. 1719, p. 352 e.v. - Uiteindelijk werd gevonden: 'Antipherón ho Ôreitès', iemand uit Oreus, in: Olympiodori in Aristotelis Meteora commentaria, ed. G. Stüve, Berol. 1900, p. 232, noot. "Antipheron of Oreus", in: Aristoteles, 'On Memory and Reminiscence' (transl. J. I. Beare), Part 1. "'Antipheronti tôi Ôreitèi ... Antipheron of Oreos", in G. T. Ross, The Sensu and De Memoria, Cambr. 1906, p. 106-107. Alexander van Aphrodisias, ed. M. Hayduck, Berol. 1899, p. 147, voorlaatste regel: 'Antipherôn ho Oreitès', noot: ook 'Oritès'. +) Vergilius, Aeneis, VIII, 22-25. In Alle de werken van de heer Michel de Montaigne (vert. J. H. Glazemaker), Amst. 1674, boek 1, h. 8, p. 22:
|
|
waarin afbeeldingen van de Zon, de Maan, een kaars dubbel gezien worden, en vaker; daar het immers eigen is aan het gepolijste oppervlak van gladde dingen, een beeld van een object weer te geven, zal het bovenoppervlak van een spiegel dat geven. En daar een glas een doorzichtig lichaam is, en doordringbaar voor stralen, zal dit op de bodem van het andere oppervlak nog eens voorkomen, dat ook zelf de erop vallende stralen zal weerkaatsen, en een afbeelding van het zichtbare object laten zien; vooral als het een wat dikker glas is, of de tegenoverliggende oppervlakken niet precies evenwijdig zijn (een onregelmatigheid die er bijna doorlopend is), maar wel een beetje hellend. Want hier worden twee zo goed als primaire afbeeldingen gegeven, één bovenaan, het andere onderaan, door de verschillende hoeken van inval en terugkaatsing; alle overige worden duidelijk gezien, verveelvoudigd door wederzijdse weerkaatsing; niet anders dan gewoonlijk gebeurt in twee tegenover elkaar geplaatste spiegels, waarbij de ene met al het voorgestelde wordt weergegeven in de andere. En als je een kristallens, zoals de brilleglazen die ouderen als hulpmiddel voor de ogen gebruiken, in de hand houdt, zal deze het beeld van een kaars verdubbelen en, afhankelijk van de plaatsing van het holle of bolle oppervlak (want het is van buiten gezien aan beide zijden bol, van binnen hol), ze vertonen volgens de spiegelwet. En daarom, als je de lens naar de ogen brengt en de lichtbron bekijkt, zul je het vlammetje door een doorzichtig lichaam duidelijk zien, en het beeld ervan wat donker als in een spiegel; omdat iets dat het licht breekt, het ook terugkaatst. Dat hetzelfde niet zelden gebeurt met de schittering van sterren, en dat aan de zijkant andere schitteringen worden gezien als beelden van de eerste, zodat het aantal sterren dat te zien is wordt verveelvoudigd, lijkt niet ver van de waarheid. En toch |
|
zeg ik dit niet daarom, alsof ik denk dat alle sterretjes die zonder kijker
niet gezien worden slechts beelden zijn; maar alleen omdat ik er even op wil wijzen dat sommige sterren misschien daarom door ons langwerpig gezien worden omdat, terwijl we in de kijker beelden ervan ernaast onderscheiden, we kunnen geloven dat we andere aan de hemel in het oog krijgen. Want als je het oog wat verwijdert van de as van de glazen lens, zul je daarin ook een beeld van het vlammetje in het oog krijgen. En aangezien die kijkers, die het oppervlak 700, 800 of negenhonderd keer vergroten, vrij lange buizen hebben, en lenzen die met een langzame kromming oplopen, vind ik dat het bij de opstelling afwijken van de as van een lens iets menselijks is. Toch wil ik dit niet begrepen hebben als zomaar gezegd, alsof ik niet van mening ben dat eerder uitgestraald licht van vaste sterren aan de hemel, te vergelijken is met een verdubbelde glans van planeten, aangezien de ondervinding hier inderdaad geen uitsluitsel geeft*), zodat we uiteindelijk te weten kunnen komen, wat er over deze zaak moet worden vastgesteld. Maar werkelijk, nu dit bijkomende is afgehandeld, is het tijd om ook die plaat°) te bekijken. De vlekken dus, die deze nieuwe en scherpzinnige Apelles heel nauwkeurig met zijn pen op de Zon heeft getekend; die heeft hij toch weggehaald van het lichaam van de Zon, omdat hij het onjuist heeft geacht dat de Zon hiermee bezoedeld zou worden. Maar dat het het dichtstbijzijnde lichaam van de Maan door de Egyptenaren een Etherische Aarde genoemd wordt, heeft Theon#) in zijn geschrift over de Timaeus uit Porphyrius nagelaten; en daarmee wordt bevestigd dat deze oneffen is, niet anders dan de Aarde. Hoe zit dat? Als de overige hemellichamen aan dezelfde wet voor het licht voldoen, en ze dit ontlenen aan de Zon, veel vuurgloed afnemend? Zoals overeenkomt met zijn waarnemingen:
*) Lat.: "utramque paginam facit" (eerder bij Snellius in 'Opdracht aan Maurits', bij 'occasio'), zie Plinius, 2.22. Engl.2.5 ("Fortune ... she alone balances the two pages of our sheet"). J. A. Levy, Rekening-courant, 's Grav. 1873, p. 39: inkomsten en uitgaven bij de Romeinen.
°) Scheiner 1612, 'Maculae in Sole apparentes ... 1611' 22 Octob. A, B, C, D, E, F, G, Sol oriens. Sol occidens. #) Niet Theon, maar: Proclus, 'Eis ton tou Platônos Timaion hypomneèmatôn Proklou bib. e', Basel 1534, p. 45, r. 29. Cf. p. 3, noot: Taylor, 1820, p. 124, "Porphyry ... supposes Vulcan to be the intellect that presides over art, but earth to be the lunar sphere. For this is called by the Egyptians ethereal earth. ... that souls ... are disseminated in the body of the moon; souls that give themselves to the arts, dwelling there". Gr.: ... dat Hephaistos het technische denken heeft gebracht, en de aarde de sfeer van de maan. |
|
hij heeft getuigd dat hij het lichaam van Mercurius dat ervoor stond, als een vlek op de Zon heeft aangeduid bij zijn waarneming. Waarom dan, vraag ik, zal hierbij niets worden onderscheiden dat uitsteekt, niets dat gegroefd is, niets van een insnijding met hoeken? Maar die vlek geheel bolvormig en glad? Ik denk dat er geen enkele reden te bedenken is, waarom dit zo is. Van deze gedachte lijkt me afkomstig die uitspraak van Thales, toen hij verklaarde: de sterren wel zoals de Aarde, maar met vuur*). Dat de wereld zelf wel één is, en ontvankelijk voor bolvormige gladheid, zoals ik geloof, daarvoor zie ik enige redenen. Doch dat een of ander lichaam in het bijzonder, zoals dat van de Maan, Venus of Mercurius, volmaakt bolvormig is, zodat er niet ergens een holte of iets zwellends gesteld wordt, zoals kromme bochten van oevers, veelvuldige toppen en gebroken ketens van bergen, of holle welvingen van dalen, dat kan ik niet gemakkelijk van mezelf verkrijgen, naar ik geloof. En daarom, zoals Herodotus waarschuwt, moet niet geluisterd worden naar degenen die zeggen dat de Aarde rond gemaakt is als met een passer.°) Als iemand dit zegt over de Zon, zal hij mij zeker niet als tegenspreker krijgen. Verder, dat over de plaats, parallax en beweging van de vlekken, kan ik noch bevestigen noch weerleggen. Want inderdaad, wat is het belang ervan hier het verhaal langer te maken? Aangezien deze zeergeleerde heer (wie het tenslotte ook is, of waar op Aarde onze Apelles zich ook verschuilt) niet alleen met een zo zorgvuldige en zelfs vaker herhaalde waarneming het voor ons heeft opgeschreven, maar ook die methode heel welwillend duidelijk heeft aangewezen om zonder gevaar waar te nemen, met het plaatsen van een wat dikker groen of blauw glas heel dichtbij het oog; zoals onze
*) Zie Pseudo-Plutarchus, De placitis philosophorum libri 5 (Flor. 1750, Gr.-Lat., ed. E. Corsinus), lib. 2, cap. 13. Plutarchi Chaeronensis Quae exstant omnia, Francof. 1599, T. 2, lib. 2, cap. 13, p. 888. °) Herodoti Halicarnassei historiarum libri IX, Ff. 1608 (transl. L. Valla), lib. 4, § 36, p. 236 zonder de eerste vier woorden; ook in ed. Bas. 1557, Melpomenè (lib. 4), p. 121. Vergelijk ed. 1928, Gr.-Engl. van A. D. Godley, p. 235: "they draw the world as round as if fashioned by compasses, encircled by the river of Ocean". |
|
zeevaarders die, als ze de hoogte van de Zon met een jakobsstaf gaan waarnemen, de ogen beschermen door een gekleurd glas ertussen te zetten. Daarom, wat zal er anders zijn te oordelen, dan dat een heel zorgvuldige tekenaar, die iedereen aanzet om het zelf te zien, voor ons een waarachtige afbeelding heeft weergegeven?
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|