Chr. Huygens | Oeuvres I | Brontekst

[ 474 ]

No 324.

G. P. de Roberval aan Christiaan Huygens.

4 augustus 1656.   [<,>]

        Mijheer.

    Ik heb niets geschreven tegen de onware kwadratuur van pater Gregorius van St. Vincent*); daarom verbaas ik me erover dat iemand zo achterdochtig is dat hij mij aanvalt over dit onderwerp; en dat hij, om me verdacht te maken, tegen mij het getuigenis gebruikt van Descartes, de meest afgunstige van mijn vijanden. Verbeeldingen van anderen weerleggen, en naam proberen te maken met een dergelijk middel, dat is iets dat nog nooit bij me opgekomen is. Ik wil geen roem, behalve die welke gegrond zal blijken op de verdienste van mijn eigen werken. Daarom ben ik tot nu toe niet verschenen, en ik zal misschien nooit verschijnen. Hoewel deze goede pater en Descartes tegenover elkaar staan in hun onware leer, komen ze toch op twee punten overeen. Het ene is dat, om hun vijand te zijn, het voldoende is hen niet te prijzen. Het andere dat ze hardnekkig onfeilbaar willen zijn, en zozeer aan hun fouten vasthouden dat ze blinde of belanghebbende agenten gebruiken, die onder hun naam tegen de waarheid pleiten; en dat in een onderwerp van de meetkunde, waar de nederlaag onontkoombaar is.

    Ik verklaar gemakkelijk de verschillende gedaanten van de planeet Saturnus, hoewel we veronderstellen (zoals waarschijnlijk is) dat hij om zijn middelpunt draait, zo snel of zo langzaam als men wil, van west naar oost; zelfs in veel minder tijd dan zestien van onze dagen. En deze verklaring is zodanig, dat ze nog stand zou houden wanneer we zouden veronderstellen (wat ik niet kan geloven) dat hij altijd met hetzelfde gedeelte van zijn lichaam naar de zon of naar de aarde kijkt.

    Hiervoor moet u zich op Saturnus een verzengende zone voorstellen, zoals te zien is dat de zon zelf er een heeft, waarin alle zonnevlekken ontstaan, die elkaar heel weinig ontmoeten (of helemaal niet) onderweg naar de polen van zijn maandelijkse beweging. En veronderstel dat Saturnus op bepaalde tijden uitwasemt uit zijn verzengende zone (die zich uitstrekt van het westen naar het oosten, en niet naar het zuiden of naar het noorden),


[ *)   Opus geometricum quadraturae circuli et sectionum coni, 1647 (Engl.). In brief No. 315 (van Chr. H.), p. 457: "Een leerling van pater Gregorius à Sancto Vincentio, geheten pater Ainscom, heeft me een verhandeling gestuurd (^) ... Ik ben heel boos geweest in dit boek een brief van mijnheer Descartes te zien die u onrecht doet ...".]

[ 475 ]

uitwasemingen die om zijn gehele lichaam een band vormen, en die zich vrij ver van hem kunnen verwijderen, zijn oppervlak omgevend zowel in onze richting als in die van het firmament, naar het oosten en naar het westen, op grotere of kleinere afstand, volgens de verschillende gesteldheden van de planeet. Dat deze uitwasemingen soms de gehele ruimte vanaf het oppervlak van Saturnus dicht opvullen, tot waar ze zich het meest van hem verwijderen, overal rondom het lichaam (behalve bij de polen, waar ze niet heen gaan) op de manier van een heel dikke nevel. Dat ze soms ook de lucht tussen zich en de planeet vrij laten en helemaal doorzichtig, zoals onze aardse wolken. Maar dat in het algemeen deze nevels of wolken van Saturnus veel doorzichtiger zijn dan de onze, zodanig dat ze pas bij een grote dikte ondoorzichtig worden, en dat ze bij geringe dikte ijl zijn en zo goed als doorzichtig.

    Op grond van deze veronderstelling is er geen moeilijkheid de verschillende schijngestalten van dit hemellichaam te verklaren met de regels van de optica, of hij nu snel draait of langzaam, of onbeweeglijk is. Want hij zal verschijnen als een massieve ovaal wanneer de uitwasemingen de gehele ruimte rondom zijn lichaam dicht opvullen, en de verlenging zal van west naar oost zijn. Hij zal verschijnen tussen twee sterren wanneer dezelfde uitwasemingen weinig ruimte of lucht vrij en doorzichtig laten tussen zichzelf en Saturnus, terwijl ze toch nog van middelmatige dikte zijn in het gedeelte waar ze ver van hun hemellichaam verwijderd zijn, helemaal er omheen; en van die sterren zal er één oostelijk zijn en één westelijk. Hij zal verschijnen met hengsels wanneer de uitwasemingen veel ruimte of lucht vrij en geheel doorzichtig laten tussen zichzelf en Saturnus, en als ze zelf weinig dikte hebben. Tenslotte zal hij geheel rond verschijnen wanneer hij zonder uitwasemingen is.

    De rest van het verhaal zou teveel uiteenzetting vergen; we zullen er echter op terugkomen als het u lijkt dat deze hypothese niet afdoende is; want ik geloof dat ze niet fout is, en ik heb ermee kunnen voldoen aan alle tegenwerpingen van de geleerden. Maar men moet zich wel goed in het geheugen prenten dat, wanneer die uitwasemingen zelf geringe of middelmatige dikte hebben, en veel lucht vrij en doorzichtig laten tussen zichzelf en het hemellichaam; dat dan hun ijlheid maakt dat ze dichtbij Saturnus niet genoeg van het zonlicht weerkaatsen om zichtbaar te worden. Zo verschijnt er dan ook een donkerte op die plaats, maar wat verder van Saturnus, waar ze rond worden, en waar een rechte lijn vanuit onze ogen zou raken aan hun cirkel, daar verschijnen ze heel dik, naar het oosten en naar het westen. En zo maken ze een weerkaatsing van het zonlicht, die aan de kanten of twee sterren laat verschijnen, of twee hengsels. De optica zal de rest leren; een figuur zal de verbeelding helpen; en zo nodig kunt u die gemakkelijk maken. Ik ben

        Mijnheer

Uw ootmoedige en gehoorzame dienaar
Roberval.        

[ 476 ]

    Als u 1) of mijnheer van Schooten me met de laatste gewone post hebt geschreven, en als het iets belangrijks is, zult u alstublieft de moeite moeten nemen het me een andere keer nog eens te schrijven; want toen gisteren een brief uit uw streken, naar ik gis, hier was met 16 ß port heeft onze portier hem botweg geweigerd, en ik heb hem niet gezien.

A Monsieur Monsieur Cretien Huygens de Zulichem.
a la Haye.       


1)  Inderdaad had Chr. Huygens brief No. 319 [<] geschreven.




[ 485 ]

No 329.

Christiaan Huygens aan G. P. de Roberval.

[aug. 1656].   [<,>]

Mr. de Roberval.

        Mijnheer,

    Wat de Jesuiet Ainscom aanleiding heeft gegeven u aan te vallen is, dat mijnheer Auzout in zijn 'Censura' 1) van de kwadratuur van pater Gregorius had geschreven "dat overal bekend is dat de meetkundige Æ. R. 2)" het eens was met het oordeel dat pater Mersenne erover geveld had*). Vandaar dat hij zich ingebeeld heeft dat u er de auteur ervan was en degene die het aan de genoemde pater ingegeven had. Maar hij vergist zich naar wat ik van u zelf verneem, en dat is wat ik altijd heb gedacht. Ik beken u ook dat er niet veel roem te verkrijgen is door fantasieën van anderen te weerleggen, en dat u gelijk hebt slechts die te willen die uw eigen werken zullen verdienen; toch zal ik nooit geloven dat het daarom is dat u nog niet verschenen bent, maar veeleer omdat u zich in het geheel niet om roem bekommert. En er is zeker geen andere reden die u verhindert zoveel mooie vondsten in het licht te geven, waarvan iedereen weet (en ik in het bijzonder) dat u ze achter slot en grendel hebt. Aangaande uw opmerkingen over Descartes zal ik u opnieuw schrijven wat mijn laatste brief 3) erover inhield, die welke uw portier geweigerd heeft, en over wiens onredelijkheid ik me niet genoeg kan verwonderen. Ik had als volgt geschreven: "Nadat ik uw opmerkingen over de plaats bij Descartes heb onderzocht vind ik ze" &c. °)

    Nadat ik u dit geschreven had heeft mijnheer van Schooten me antwoord gegeven 4), waarin hij steeds zijn leermeester tracht te verontschuldigen. En over wat Descartes zegt van het geval dat het punt C zich niet in de hoek DAG bevindt [...]

[...]


1)  Dit werk wordt genoemd bij brief No. 315 [p. 457], noot 4.   [Tractatus de Rationibus ... Una cum Censura integri libri de Proportionalitatibus ... R. P. Gregorius a St. Vincentio.  Aynscom haalt het aan in Expostio ac deductio, p. 27.]
2)  Zie weer brief No. 315   [Æ. R.: Aegidius (Gilles) de Roberval (^)].
[ *)  Cf. I, 132; Novarum observationum, p. 72.]
3)  Zie brief No. 319 [p. 464].         4)  Zie brief No. 320 [p. 466].

[ 486 ]

[...]

    Uw hypothese voor Saturnus is zeker heel goed bedacht, en daar we geen andere verschijnselen hebben waarmee ze moet overeenkomen en ook geen nauwkeuriger waarnemingen, kunt u misschien geen betere aantreffen. Toch verbaas ik me erover dat u geen bespiegeling doet over de periodiciteit van alle verschillende verschijningen van Saturnus, die achtereenvolgens steeds terugkeren, en twee keer in de 30 jaar. Als de hengsels voortgebracht werden door een uitwaseming heeft het er niet zozeer de schijn van dat ze zo precies weer op bepaalde tijden zouden ontstaan, en evenzo wegblijven. De ovale vorm die sommigen vanaf het begin hebben waargenomen is veroorzaakt door de onvolmaaktheid van de kijker waarvan ze zich bedienden, anders verschijnt het lichaam in het midden van deze planeet altijd rond, op zeer weinig na. Dit jaar heb ik hem steeds gezien van deze vorm Saturnus, ring als lijn, vorig jaar verscheen hij me zo Saturnus, dikke uitsteeksels, terwijl alle andere waarnemers hem zo zagen Saturnus, 2 cirkeltjes ernaast; maar met een kijker die hun niet de nieuwe satelliet onthulde, waaruit volgt dat de mijne beter was.

    Mijnheer Hevelius zond me laatst [<] &c. °)


[ °)  In de brief zelf zal meer gestaan hebben (uit de brief die Roberval niet ontvangen had), dit was het concept.]

[ A. van Helden, 'Saturn and his anses' en 'Annulo cingitur' in J.Hist.Astr., 1974.]





Home | Christiaan Huygens | G. P. de Roberval (top)