Chr. Huygens | < Oeuvres V

1652-1655 , 1659-1660 , 1664



Vertaling van de

Briefwisseling met Gottfried Aloys Kinner



[ 160 ]

No 1281.

G. A. Kinner von Löwenthurn aan Christiaan Huygens.

6 december 1664.

Brief in Leiden, coll. Huygens.
Huygens' antwoord: No.
1307.

Perillustri, Nobilissimo et Clarissimo Viro
Christiano Hugenio Suo
Godefr. Al. Kinner S. P. D.

  Nauwelijks herkent u, geloof ik, de stijl en de hand van de u eens zo liefhebbende Kinner, voortreffelijke Huygens, en dit wel door mijn onachtzaamheid of schuld, omdat ik zo lange tijd tot nu toe 1) geen brief voor u heb afgegeven. Zeven jaar en meer heeft mij het keizerlijke Hof vastgehouden 2), een oefenschool niet minder voor vrije tijd dan voor bezigheid; en als u de tweede niet als rechtvaardiging wilt zien voor een zo langdurige stilte, dan zult u toch tenminste de bekennende aangeklaagde vergiffenis schenken, volgens uw vriendelijkheid.

De dood zelf heeft in het begin van dit bijna afgelopen jaar, toen hij mijn doorluchtige Prins 3) van het leven scheidde, tegelijk mijn band met het Hof losgemaakt. Maar nu zit ik ergens anders vastgebonden door een lichaamsgebrek, dat wel veel jarena al, maar sinds twee jaar ongewoner dan gewoonlijk, zijn recht of liever onrechtmatige aanspraken op mij laat gelden, om niet alleen het lichaam of de ledematen, maar ook (wat ik moeilijker verdraag) het denken zelf te belasten met zijn onaangename aanvallen, zodat dit zich niet kan inspannen voor de studies waaraan het gewend is.

En u, geleerde Huygens, wat doet u intussen? Wat voor nieuws van uw werken hebt u aan de wereld gegeven? Ik heb behalve Systema Saturnium, dat u naar mij in Wenen had gericht, tot nu toe inderdaad niets van u gezien. Maar als uw vruchtbare Minerva sinds die tijd iets nieuws heeft gebaard, bericht het dan alstublieft zo spoedig mogelijk, zodat de zozeer begeerde troost onmiddellijk kan worden gevonden.

  Met dit weinige eindig ik, totdat ik uit een brief van u verneem dat u zich nog steeds herinnert

Tui
devotissimi et amantissimi
Godefr. Kinner.  

Pragae 6 Decembris 1664.


1)  De laatste brief van Kinner aan Huygens is brief No. 705, van 1 januari 1660.
2)  Het hof van Wenen.
3Karl Joseph, zoon van keizer Ferdinand III, en bisschop van Passau, overleed op 27 januari 1664, op een leeftijd van 15 jaar.  [De Laudatio funebris (1664) is van Kinner.]



[ 196 ]

No 1307.

Christiaan Huygens aan G. A. Kinner von Löwenthurn.

5 januari 1665 1).

Samenvatting in Leiden, coll. Huygens.
Antwoord op No.
1281. Kinner's antwoord: No. 1320.

Kinnero Pragam.

5 Januarii 1665.  

  Dat het slecht met hem gaat betreur ik. Experiment met kwik dat hoger staat dan gewoonlijk in een glazen buis. Over de vondst van de Lengtebepaling.


1)  Een fragment van de brief staat in Aanhangsel No. 1322.

[No. 1322, p. 221]

Gepubliceerd in G. Schott, Physica Curiosa [1667, p. 1383Engl. bij EMLO]

  Ik weet niet of de Experimenten met de Luchtpomp bij u zijn gekomen; maar ik denk dat ze gekomen zijn, aangezien ze al sinds enkele jaren zeer bekend zijn geworden. Ik heb drie jaar geleden ervoor gezorgd dat een dergelijk toestel ook voor mij werd gemaakt, en ik heb ook een bijzonder verschijnsel als eerste*) opgemerkt, waarvan de verklaring tot nu toe in duisterheid gehuld is.
Namelijk over het Kwik dat bij het experiment van Torricelli in een glazen buis zoals u weet gewoonlijk daalt tot een hoogte van ongeveer 28 duim: als datzelfde Kwik drie of vier dagen van lucht gezuiverd is, en in de buis gegeoten wordt totdat het deze helemaal vult, daalt het niet zoals eerst bij het omkeren van de buis, maar zonder dat er vacuüm ontstaat blijft het hangen op een hoogte van twee- of driemaal de vorige en meer; want een grens is nog niet bekend geworden.
En het wordt van lucht gezuiverd door alleen het experiment van Torricelli voort te zetten, met één of twee vingers water erop gegoten, en dit toestel is er niet voor nodig, maar dat heeft alleen de gelegenheid geboden het verschijnsel op te sporen.
Wie echter een verklaring van het verschijnsel zal kunnen geven (want gelijk gewicht met lucht voldoet hiervoor niet), die zal voor mij zijn als de grote Apollo°).


kwik tot bovenin buisje in bakje, onder vat[ *)  Huygens had ontdekt dat een buis vol met ontlucht water, omgekeerd in een bak water gezet, vol kon blijven als de lucht er omheen werd weggepompt.
Zie 'Het luchtledige' bij 27 dec. 1661, T. 17, p. 321 en stuk No. 1033, juni 1662, aan Chapelain en Moray.
Met kwik lukte het hem niet, zie bij 9 febr. 1662, p. 325 (figuur rechts); eerst met een buis van 11 duim, toen 5, 4 duim, tenslotte maar 2 duim boven het kwik in de bak,
  "doch het quicksilver uyt de pijp quam door het pompen altijdt om leegh; hoe seer ick het meijnde van lucht gesuijvert te hebben."
( Op p. 327: het kwik kwam tot op een halve duim boven het kwik in de bak.)
Pas eind 1663 (No. 1171) konden Boyle en Brouncker het verschijnsel voor het eerst met kwik laten zien.]


[ °) Uitdrukking bij een onoplosbaar raadsel; Vergilius, Eclogae III, 104.]

[ Later publiceerde Chr. Huygens een verklaring met 'subtiele materie' in Journal des Sçavans, 25 juli 1672 (Ned.): "een materie subtieler dan lucht, die zonder moeite doordringt in glas, water, kwik".]



[ 217 ]

No 1320.

G. A. Kinner von Löwenthurn aan Christiaan Huygens.

4 februari 1665.

Brief in Leiden, coll. Huygens.
Antwoord op No.
1307.

Illustri, Nobilissimo Praestantissimoque Domino
Christiano Hugenio Suo  Godefridus Kinner S. P. D.

  Het gaat goed! We zijn nog niet uit uw geheugen verdwenen, voortreffelijke heer, als getuige waarvan ik een dezer dagen uw brief heb ontvangen, rijk aan zowel welwillendheid als geleerdheid. Ik ben inderdaad blij dat u de briefwisselingen met mij die vroeger al zijn begonnen opnieuw wilt herstellen. Ik hoop namelijk zo meer dan eens deelgenoot te zullen worden van die dingen die zowel Engelse heren alsook die van de naburige streken, nu niet zo lang geleden de Society is opgericht, met hun voortreffelijke vondsten aan de wereld willen leveren, waarvan overigens heel weinig, en dan nog terloops, naar ons is toegekomen.

Heel welkom viel mij ten deel uw experiment over het Kwik dat in de buis blijft hangen boven de gewone hoogte, en ik ben blij dat met uw experiment mijn mening wordt bevestigd, die ik vroeger heb opgevat over de materie die bij het experiment van Torricelli de buis weer vol maakt.
In 1655 verbleef in Italië de heer Jacobus de Nigro Ponte 1), doctor in de filosofie en medicijnen en door vriendschap nauw met mij verbonden, die onder andere dingen die hij meermaals over Chemische zaken aan mij schreef, in een brief van hem ook dit toevoegt, dat hij bij het destilleren van Kwik aan het begin van de bewerking een behoorlijke hoeveelheid water te voorschijn bracht, niet merkbaar verschillend van elementair water; en dat dit steeds ook slaagde met eerder gedestilleerd kwik, als hij dit aan de vrije lucht blootgesteld had gelaten.
Toen ik dit van de genoemde vriend had vernomen, heb ik dadelijk in een andere brief aan hem erop gewezen, dat hierdoor veel licht werd geworpen op de twijfel die toen onder Filosofen in hoge mate betwist werd [>], wat nu toch (bij het eerder genoemde experiment) de ruimte bovenin de buis zou vullen die door het kwik was verlaten, als er helemaal geen lichaam van buiten voor in de plaats kwam?
Ik zei namelijk dat niets waarschijnlijker was dan dit: het dampvormige (waarvan de destillatie had bewezen dat het zich tot water kan samentrekken), om het kwik heen en ermee gemengd, zal, als een veel lichter lichaam, uit de poriën worden bevrijd, door het gewicht van het kwik, op grond van overwicht, en bovenaan de buis in de plaats komen van het dalende kwik.
En ongetwijfeld, als de vriend toen, zoals vermeld, het van de destillatie nog warme kwik in een buis had gegoten, zou het niet minder zijn blijven hangen zonder te dalen, dan het in uw experiment gebeurde, nadat u dit van


1)  Jacobus J. Wenceslaus Dobrzensky von Schwarzbrück (ook genoemd de Nigro Ponte) werd geboren te Schwarzbrück (Bohemen); hij reisde lange tijd in Italië en werd geneesheer in Parma. [Hij leefde van 1623 tot 1697 (zie film, Tsjechisch); 1670-1671 en 1685-1686 was hij rector van de Praagse Universitas Carolo Ferdinandea.]

[ 218 ]

dampvormige lucht had bevrijd op een andere manier. Zie, hoe de natuur altijd aan zichzelf gelijk is, en hoe ze langs een andere weg niettemin tot hetzelfde einddoel komt! Als u u of iemand van uw vrienden bij de hand hebt Nova et Amaenior de fontibus Philosophia 2), die de genoemde vriend te Ferrara in 1657 heeft gepubliceerd, bekijk dan alstublieft als u tijd hebt de pagina's 26 en 27, waar u al die dingen zult vinden die toen vrij uitgebreid door ons zijn behandeld.

  Dat nieuwe en tot nu toe ongehoorde experiment van u heb ik vandaag meegedeeld 3) aan pater Gaspar Schott, die al in veel van zijn werken die vondst van Torricelli heeft gepubliceerd; en in zijn recente Technica curiosa is hij er geheel in verdiept, daar hij juist met behulp daarvan de zwaarte van lucht onomstotelijk wil bewijzen, en een gelijk gewicht ervan met het in de buis hangende kwik. Ik raad hem dus aan, uit te zien naar een pleister op de enorme wond, die u met uw experiment hebt toegebracht aan het in evenwicht zijn met de lucht; ik zal niet nalaten zijn antwoord 4) ook aan u te sturen.

Buitengewoon veel indruk maken op mij die dingen, die u belooft over uw andere experimenten, en over het vinden van de lengten van plaatsen met de door u uitgevonden toestelletjes om de tijd te meten; daarvan zou ik wel willen dat ze vandaag werden gepubliceerd. Niets dan iets uitstekends en voorbeeldigs is immers te verwachten van Huygens, wiens tot dusver in het licht gegeven werkjes aan geleerden meer dan voldoende hebben geleverd om dat in te zien.
En dat Divini u op een niet zo goddelijke wijze heeft tegengesproken, wat maakt het uit? Overschreeuwt een gans niet soms ook de zwaan? Verder moet bezien worden hoe de beslissing uitvalt voor de nachtegaal in een wedstrijd met de hop*). Ik voor mij heb uw Assertio 5) tegen Divini's tegenwerpingen, zoals ook deze zelf 6), nooit kunnen zien; daarom zult u iets doen dat heel welkom is, als u me ook die inspanningen van u zendt, en wat weerhoudt u ze gedeeltelijk in een brief op te nemen?
Voor mij is, zoals ik een andere keer heb geschreven, de gezondheid een belemmering om iets te verrichten dat serieus is of substantieel. Toch speel ik zelf, dat is het eigenlijk meer dan dat ik erdoor in beslag genomen word, soms ook met experimenten (na het horen van een lofwaardige poging van anderen) die gericht zijn op onderzoek van het ontstaan van kleuren en de aard ervan, waarbij ik enkele grappige dingen heb ontdekt, maar niets substantieels; als hierbij verder iets van waarde verschijnt, zal ik het mijn Huygens in geen geval ontzeggen.
De Komeet heb ik van 5 tot 20 januari verscheidene keren gezien, toen hij ging van de nabijheid van de heldere ster in de keel van de Walvis 7) over de kop ervan naar het gebied van de Ram, in de kop waarvan


2)  Jacobus J.W. Dobrzenski de Nigro Ponte, Nova, et amaenior de admirando fontium genio (ex abditis naturae claustris, in orbis lucem emanante) Philosophia ... novas hydraulicas machinas ..., Ferr. 1659 [frontispice: "Redivivi Heronis Nova ...', 1657].
3)  Zie brief No. 1321.     4)  Zie brief No. 1343.       [ *)  Fabels van Aesopus.]
5Brevis Assertio [Ned.].     6Brevis Annotatio [Ned.].     7)  De ster α van de Walvis.

[ 219 ]

hij is verdwenen, zoals van elders wordt geschreven. Echt astronomische waarnemingen zoals u die vraagt heb ik niet verkregen; wat hier is gedaan*), is volgens mij twijfelachtig, daarom ken ik er niet zó veel aan toe, dat ik ze u onder ogen laat komen.

  Maar ik houd u te lang op, u bent met nuttiger dingen bezig, daarom eindig ik tenslotte, en ik vraag u de begonnen briefwisseling te willen voortzetten, voorzover u er tijd voor hebt; ik beloof dat het ook van mijn kant trouw gedaan zal worden. Het ga u goed en houd van mij.

  Pragae 4 Februarii 1665.

Tui observantissimus studiosissimusque
Go. Kinner.  


[ *)  Zie brief No. 1340.]



No 1321.

G. A. Kinner von Löwenthurn aan [G. Schott].

4 februari 1665.

Gepubliceerd in G. Schott 'Physica Curiosa' [1667, p. 1383Engl. bij EMLO].
G. Schott's antwoord: No. 1343.

Pragae 4 Februarii 1665.  

  Ik kan hier niet nalaten, Uwe Eerwaarde mee te delen een bijzonder Experiment, mij enige dagen geleden gedienstig meegedeeld uit genegenheid voor mij, door de voortreffelijke en scherpzinnige heer Christiaan Huygens, uitermate kundig in de Filosofische en Wiskundige vakken, een zeer dierbare correspondentie-vriend van me; het is onlangs door hem gevonden. Ik wil het hier toevoegen in de woorden van dezelfde weledele en geleerde heer, genomen uit zijn voor mij afgegeven brief 1).

  Tot zover de weledele Huygens. Wat zullen we hierop zeggen, we hebben met uwe eerwaarde geloofd dat in Technica Curiosa 2) vrijwel bewezen wordt, dat het Kwik in de glazen buis blijft hangen door de buitenlucht die er evenwicht mee maakt. Want dat kan inderdaad geen stand houden als dit experiment vaststaat, over de waarheid waarvan de oprechtheid en ijver van de heer schrijver bij mij volstrekt geen twijfel laat. Hierbij kwam dit in mijn herinnering, dat ik vele jaren geleden over deze zaak van het hangende kwik


1)  Hier staat het brieffragment van Aanhangsel No. 1322 [zie hierboven bij No. 1307].
2)  Zie het werk van No. 498, n.4 [Technica Curiosa, p. 252].

[ 220 ]

geschreven had aan de heer Jacobus Dobrzenski 3) die toen in Ferrara verbleef, waarbij ik zei dat die lege ruimte bovenin wordt gevuld met bepaalde waterige dampen, zoals die rondom en binnen het kwik al rijkelijk bestaan, wat voor mij overtuigend bewezen was door een experiment van dezelfde heer doctor, waarbij hij uit 6 pond kwik, 3 of 4 ons zo goed als zuiver elementair water te voorschijn had gehaald, en dit steeds als hij hetzelfde al gedestilleerde kwik aan de vrije lucht had blootgesteld.
Ik verzoek uwe eerwaarde te bekijken Philosophia de Fontibus 4) van dezelfde heer doctor, waarin hij op de pagina's 26 en 27 zijn experiment, en mijn daaruit afgeleide gevolgtrekking vrij uitvoerig aanvoert. Ik had hem wel geschreven als ik me niet vergis in een andere brief daarna, en gevraagd het van de destillatie nog warme kwik in een buis te gieten, voordat het nieuwe lucht of damp kon aantrekken, en te onderzoeken welke uitkomst dat zou geven. Als hij dit toen gedaan had, zou het kwik ongetwijfeld niet anders dan bij Huygens zijn blijven staan zonder te dalen. Maar hierover verneem ik graag de mening van uwe eerwaarde, en ik vraag u beleefd of u het zo spoedig mogelijk kan gebeuren.
Langzamerhand begint de waarheid zich bloot te geven, experimenten lijken ons daar heen te leiden. En als meer talenten zich ermee bezig zouden houden, liever dan met ijdele bespiegelingen, zou het gebeuren dat in elk geval na verloop van tijd de meeste te beschouwen zijn als meer toegerust om de waarheid op te sporen, dan nu de drogredenen om steeds weer nieuwe hersenschimmen te bedenken.

Laat uwe eerwaarde, bid ik u, ter gelegenheid van de aanstaande herdruk van uw Physica Curiosa [1667], de prinsen van Europa opwekken, met een doeltreffende aansporing, dat ze met hun milde vrijgevigheid de handen uitstrekken naar de zoveel bijdragende bezigheid met experimenten, waarvoor de grootste talenten overal gunstig gezind beginnen te worden en waaraan ze gewend raken. Deze opgevatte voorliefde zou zonder twijfel meer toenemen, als een vrijgevige mildheid van prinsen voor het algemeen belang er ondersteuning aan zou geven.
Want geld en ook inspanningen van particulieren zou op de lange duur nauwelijks in overeenstemming kunnen zijn met de vlijt van mensen, zo vindingrijk als u maar wilt; de edele heer Francis Bacon heeft dit vroeger in zijn Opuscula verlangd en erover geklaagd*).


3)  Zie over Jacobus J. Wenceslaus Dobrzensky brief No. 1320, n.1.
4)  Dit werk wordt beschreven in brief No. 1320, n.2.
[ *)  Francis Bacon, The twoo bookes of the proficience and advancement of learning, London 1633, p. 97-98 (1e ed. 1605, txt: The second Booke, page 4). ]
But certaine it is, that unto the deepe, fruitfull, and operative study of many Sciences, specially Naturall Philosophy, and Physicke, Bookes be not onely the Instrumentals ... wee see Spheares, Globes, Astrolabes, Maps, and the like ...
In generall, there will hardly be any Maine proficience in the disclosing of nature, except there be some allowance for expences about experiments ...
And therefore as Secretaries, and Spyalls of Princes and States bring in Bills for Intelligence; so you must allowe the Spyalls and Intelligencers of Nature, to bring in their Bils, or else you shall be ill aduertised.
[ Francis Bacon, Opuscula varia posthuma, Lond. 1658, p. 173, brief aan Fulgenzio Micanzio: ]
Quod ad tertiam Partem Instaurationis attinet, Historiam scilicet Naturalem, opus illud est plane Regium, aut Papale, aut alicujus Collegii, aut Ordinis; neque privata industria pro merito perfici potest.
Wat betreft het derde deel van de Instauratio, te weten de Historia Naturalis, dat is echt een werk voor koningen of pausen, of een ander college, of orde; en dat kan met vlijt van particulieren niet naar behoren tot stand gebracht worden.



[ 253 ]

No 1343.

G. Schott aan G. A. Kinner von Löwenthurn.

[februari 1665].

Gepubliceerd in G. Schott 'Physica Curiosa' [1667, p. 1385Engl. bij EMLO].
Kinner's antwoord: No. 1354.

Praenobilis ac Reverendissime Domine & Fautor.

  Het nieuwe experiment van de weledele en scherpzinnige heer Christiaan Huygens bevestigt de elastische of uitzettende kracht van de lucht. Aangezien er immers in het bovenste deel van de buis, terwijl het Kwik daalt, ether is en dampen van kwik, zoals ik bewezen heb in Technica Curiosa boek 4, hoofdstuk 5, § 3, pag. 252, en aangezien ether, aangevuld met uitwasemingen van welke lichamen dan ook, lucht is, zoals ik in hetzelfde boek heb bewezen in hoodstuk 2, pag. 222, volgt daaruit dat er in het bovenste deel van de buis lucht is, echter dunner en lichter dan de lucht die de buis omringt, daar deze met meer uitwasemingen is aangevuld dan de andere.
Deze lucht laat dus zijn uitzettende kracht gelden als het kwik daalt, en biedt weerstand aan de buitenlucht die het kwik hangend houdt, zodat deze het niet naar boven duwt naar een grotere hoogte. Maar als het kwik wordt gezuiverd van lucht (zoals de weledele Huygens zegt), dat wil zeggen van de uitwasemingen van het kwik, wordt de ether die in het bovenste deel van de buis zit met minder uitwasemingen aangevuld, en daardoor heeft hij een kleinere uitzettende kracht, en drukt hij het door de buitenlucht hangend gehouden kwik minder naar beneden. Hierdoor komt het mijns inziens, dat het kwik niet tot

[ 254 ]

een willekeurige hoogte, maar alleen tot een grotere hoogte stijgt, en tenslotte reikt tot een zekere waarde, als er tussen de buitenlucht en het kwik binnen een evenwicht ontstaat.

  Deze redenering kwam nu bij me op, die ik aan het oordeel van uwe eerwaarde en van de geleerde Huygens onderwerp. Als het kwik meer en meer gezuiverd is, stijgt het steeds meer en meer, echter niet tot welke hoogte dan ook, maar tot een zekere en beperkte hoogte, al is die variabel, volgens de variatie van de buitenlucht wat bettreft zwaarte en lichtheid; deze redenering lijkt me waarschijnlijk. Maar als het kwik tot elke mogelijke hoogte stijgt, slechts drie of vier keer gezuiverd, stort ze ineen. Ik zou voor Pasen hierover meer zekerheid willen hebben; want ik wil het experiment opnemen in Physica Curiosa, uit te geven na Pasen 1).


1)  Zie brief No. 938, n.3. [G. Schott aan Ph. E. Vegelin van Claerbergen, 28 dec. 1661 — niet aan Chr. Huygens, zie T. 4, Add. p. 582.]
[Physica Curiosa, 1662.] Een tweede uitgave, zeer vermeerderd, verscheen in 1667, een derde in 1697 te Würzburg.



[ 272 ]

No 1354.

G. A. Kinner von Löwenthurn aan G. Schott.

21 maart 1665.

Gepubliceerd in G. Schott 'Physica Curiosa' [1667, p. 1385Engl. bij EMLO].
Antwoord op No. 1343.

Admodum Reverende in Christo Pater, Amice plurim¯m Colende.
Salutem à Domino, & obsequia mea paratissima.

  Uit de voorlaatste brief van Uwe Eerwaarde Vader aan mij heb ik opgemaakt, dat de mededeling u welkom was van het nieuwe experiment, door de weledele en geleerde

[ 273 ]

Christiaan Huygens onlangs aan het licht gebracht, over het hangend blijven van kwik in een glazen buis. Maar ik begrijp niet zo goed datgene, waarmee die vreemde opheffing van het genoemde kwik, boven de tot nu toe gewone en waargenomen grenzen, volgens u voldoende verklaard wordt met de omgevende buitenlucht die evenwicht maakt.
Als immers voor u vaststaat, wat uwe eerwaarde schrijft in Technica Curiosa, pagina 266 onder andere met deze woorden:
Daarom daalt het kwik in buizen langer dan drie palm en ongeveer negen vingerbreedten, bij het weghalen van de vinger van de opening onderaan, omdat de kwikcilinder die de hele buis vult, zwaarder is dan een cilinder van lucht van gelijke dikte, beginnend bij het water en kwik in het vat eronder, en zich uitstrekkend tot aan de grenzen van de atmosfeer en zuivere ether.
En met enige woorden ertussen, die ik kortheidshalve niet opschrijf:
totdat er tenslotte, bij het ophouden van de vlugge beweging op en neer, een volmaakt evenwicht ontstaat tussen beide cilinders ten aanzien van gewicht, en een volmaakte stilstand.

6 kwikbuizen in ton
Technica Curiosa, Iconismus X

Als, zeg ik, dit geschrevene voor u vaststaat, zie ik niet op welke manier het experiment van de heer Huygens verklaard kan worden met behulp van hetzelfde evenwicht.
Want laten we een buis nemen die twee keer zo lang is als de hoogte waarop tot dusver gezien is dat het niet gezuiverde kwik bleef hangen, die uwe eerwaarde met anderen stelt op 3 palm en ongeveer 9 vingerbreedten; dat is dus een buis waarvan we aannemen dat die van 6 palm en 18 vingerbreedten is. Als hierin kwik wordt gegoten, gezuiverd van lucht of liever van zijn dampen, en als die volgens de overigens gewone praktijk wordt gezet in dergelijk kwik in een ander vat, dan blijft (volgens de geleerde Huygens) het kwik zo hangen, en stroomt er volstrekt niets uit de buis, en daalt er niets in het vat eronder.
Als dan een evenwicht met de buitenlucht het kwik zo hangend houdt, zal het noodzakelijk zijn, volgens de principes van de Statica, dat de kwikcilinder met een hoogte van 6 palm en 18 vingerbreedten evenveel gewicht heeft als een cilinder lucht van gelijke dikte, beginnend bij het water en kwik in het vat eronder, en zich uitstrekkend tot aan de grenzen van de atmosfeer en zuivere ether. Maar van deze luchtcilinder is aangenomen (volgens wat ik hierboven uit Technica heb aangehaald) dat hij volmaakt in evenwicht is met een kwikcilinder van 3 palm en ongeveer 9 vingerbreedten. Dus óf er volgt volgens Archimedes, 'De aequiponderantibus'*), dat een kwikcilinder van 3 palm en 9 vingerbreedten evenveel gewicht heeft als een cilinder van het zelfde kwik die tweemaal zo hoog is, wat zonder een manier met een hefboom onmogelijk is; óf dat niet kan worden volgehouden, althans niet in beide gevallen, dat het kwik in de buis blijft hangen om evenwicht te maken.

  Maar als we nu zeggen, zoals in Technica staat, dat er een volmaakt evenwicht is ten aanzien van gewicht tussen de kwikcilinder van 3 palm en negen vingerbreedten, en een luchtcilinder op dezelfde basis, zich uitstrekkend tot het bovenste van de atmosfeer; waarom blijft dan het overige gezuiverde kwik, dat in de buis van de genoemde hoogte er nog bovenop staat, hangen, in strijd met alle wetten van evenwicht? In elk geval lijkt niets het kwik in de weg te staan, om vrijelijk te dalen; daar het ook zelf, nu gezuiverd, noodzakelijkerwijze zwaarder is, dan toen er lichtere dampen waren bijgemengd, en vooral daar vastgesteld is dat de regel van evenwicht (van zoveel belang in de natuur der dingen) het vereist.
Een vrees voor vacuüm belet het dalen ook niet; daar immers, volgens Technica pagina 253, de subtiele ether door de poriën van het glas


[ *)  Zie 'On the equilibrium of planes', met verwijzing naar Ernst Mach, The science of mechanics (1907), p. 8.]

[ 274 ]

vrijelijk in en uit gaat, zal deze de door het dalende kwik verlaten ruimte gemakkelijk kunnen opvullen.

  En ook kan niet gezegd worden, dat bovenin de buis de elastische kracht van lucht hier tekortschiet, die door het uitzetten van de lucht, en het drukken op het kwik er onder, niet toelaat dat dit tot een grotere hoogte wordt opgeheven door de luchtkolom die op het vat staat. Dit kan niet, zeg ik; want zo zou dan immers niet alleen evenwicht de oorzaak zijn van het bijna altijd in dezelfde stand hangende kwik; wat toch op pagina 266 van Technica, zoals ik hierboven heb aangehaald, uitdrukkelijk wordt beweerd.
Verder geeft het dalen van het kwik er veeleer reden toe, dat een klein beetje lucht, samengesteld uit zuivere ether en kwikdampen, zich enigszins kan uitzetten, dan dat dezelfde lucht door zich teveel uit te breiden een belemmering is voor de hele staande luchtkolom, om het kwik in de buis op te kunnen heffen tot de stand die het op grond van evenwicht zou moeten hebben. Die elastische kracht, als die bestaat, lijkt wel zwak te zijn, en Technica pagina 298 geeft het vermogen zich te laten gelden er ook alleen aan, als de lucht vrij is van de buitenlucht die er tegenover staat, en die het streven ervan in bedwang houdt.
En waarom, vraag ik, als er water op het kwik wordt gegoten, zelfs maar tot de hoogte van een vingerbreedte, stijgt dan terstond het kwik binnen de buis enigszins, zonder tegenwerking van de elastische kracht? En als deze al wijkt voor zo'n klein beetje water, zie ik in elk geval niet, op welke manier die kracht de luchtkolom ervan kan weerhouden, het kwik in de buis op te heffen om een volmaakt evenwicht ermee te maken.

  Deze dingen vielen me in, die naar aanleiding van het experiment van Huygens nogal wat leken op te leveren tegen het evenwicht van de buitenlucht met het kwik; ik onderwerp ze graag aan de nauwkeurige weegschaal van uwe geleerde eerwaarde's oordeel om afgewogen te worden, en ik heb ze niet geschreven met de bedoeling tegen te spreken, maar om te voldoen aan uw wens, mijn gedachten hierover te vernemen. Ik eindig, en blijf,

me sanctissimis Sacrificiis commendans
Admodum Reverendae Paternitatis Vestrae

  Pragae 21. Martii 1665.

Addictissimus ac paratissimus Servus  
Godefridus Aloysius Kinnerus.    




G. Schott, Physica Curiosa (1667), p. 1387 vervolgt aldus:

  Hierop heb ik weer geantwoord, dat in het gewone en tot dusver gebruikelijke experiment, het kwik in de buis op een bepaalde hoogte blijft hangen, niet door de kracht van alleen het evenwicht, veroorzaakt door de kolom buitenlucht, maar tegelijk ook door de elastische kracht van inwendige lucht in de buis die op het kwik staat, die, omdat hij vrij is van de drukkende buitenlucht, zijn elastische kracht laat werken.
Dus omdat aan de ene kant de buitenlucht die de buis omgeeft het kwik in de buis omhoog duwt, of liever verhindert te dalen; en aan de andere kant de inwendige lucht door zijn uitzettende kracht het kwik verhindert hoger te stijgen, terwijl erop gedrukt en geduwd wordt door de buitenlucht; daarom blijft het hangen.

En zo wil ik begrepen hebben wat ik heb geschreven in Technica, toen ik zei dat het kwik hangend blijft door evenwicht tussen dit kwik en de buitenlucht. Maar omdat, als het kwik gezuiverd is van lucht en van zijn uitwasemingen, er geen lucht is die het bovenste deel van de buis kan vullen, en het hangende kwik neerdrukken; daarom heeft de buitenlucht, zonder tegenstander die het erdoor omhoog geduwde kwik omlaag duwt, de kracht om het naar een grotere hoogte te duwen dan gewoonlijk, en wel zo hoog, totdat er een volmaakt evenwicht ontstaat tussen de buitenlucht en het kwik binnen.
En de redenering, zoals ik eerder heb gezegd [<], lijkt me wel waarschijnlijk, als het van lucht gezuiverde kwik in de buis niet tot een willekeurige, maar alleen tot een zekere en bepaalde hoogte, groter dan eerst, omhoog wordt geduwd. Dit laatste lijkt Huygens [<] aan te duiden, als hij zegt dat de grenzen tot waar het kan stijgen nog niet verkend zijn. Ik heb de proef niet genomen, wegens andere bezigheden; toch kan het makkelijk door iemand gedaan worden. Laat de meer weetgierigen het doen, en voor het experiment een waarschijnlijker redenering opsporen.





Home | Christiaan Huygens | T. 5 | Gottfried Aloys Kinner, 1664-65 (top)