Home | Chr. Huygens | < Oeuvres XV

[ 439 ]



CHRISTIANI  HUGENII  ZULICHEMII

BREVIS ASSERTIO

S  Y  S  T  E  M  A  T  I  S

S   A   T   V   R   N   I   I

S V I,

Ad  SERENISSIMUM  PRINCIPEM
LEOPOLDUM  AB  HETRURIA.



Drukkersmerk


H  A  G  Æ  -  C  O  M  I  T  I  S,


Ex Typographia   A D R I A N I   V L A C Q,
ANNO  DOMINI   M. DC. LX.




[ 441 ]
orig. ed. 1) p. 3-4.

Doorluchtige Prins,

U hebt gezien wat tegen mijn Systema Saturnium te Rome is uitgegeven 2), en hoe onder één naam een tweetal tegenstanders tegen mij is opgestaan. Ook al wordt immers Eustachio Divini als schrijver van de Annotaties in dit boekje betiteld, dat hij tenminste geholpen is door de medewerking van pater Honoré Fabri is Uwe Hoogheid niet onbekend, en ik was al eerder door vrienden erop opmerkzaam gemaakt dat dit gedaan werd 3). Ik had gedacht dat het hierbij zó zou zijn dat enige meer subtiele dingen, niet door mij voorzien, en uit de diepere lagen van de Astronomie te voorschijn gehaald, zouden worden tegengeworpen; en dan met die beleefdheid en bescheidenheid, die zou passen bij iemand die aan studie van de beschavende wetenschappen is toegewijd. Maar in die verwachting ben ik geheel teleurgesteld, daar ik niets anders zie dan dat zonder reden mijn waarnemingen worden aangevallen, waarvan zij de meeste in twijfel trekken, en ze beschuldigen mij er vrij openlijk van dat ze tegen de waarheid in zijn bewerkt 4). Doch gemakkelijk zal ik, naar ik hoop, een zo onwaardige verdenking van mij afstoten, en ik schat dat hiertoe niet veel woorden nodig zijn, voor wie de zaak bij Uwe Hoogheid brengt, wiens uiterste onpartijdigheid samengaat met een even scherp oordeelsvermogen.

  De eerste en belangrijkste van de tegenstanders 5) heeft zich ervoor ingespannen dat ze zouden aantonen, dat zijn glazen en kijkers in niets slechter zijn dan de mijne 6); en zodra ze van mening zijn dat ze dit uitstekend hebben volbracht, besluiten ze dat ik aan de hemel niets heb kunnen vinden, dat ze niet ook zelf hebben gezien. Want als nu de verschijnselen zelf van Saturnus die ik heb aangevoerd niet waar zijn, zal in elk geval ook de Hypothese ijdel zijn, waarmee ik heb ondernomen de oorzaken van die nooit geziene dingen uiteen te zetten.

  Ik heb bewerkstelligd dat ze tot op zekere hoogte een vergelijkend onderzoek konden instellen van hun telescopen met de onze, met de gegeven zeer nauwkeurige  {p. 4.}  beschrijving van de mijne 7); maar wat toch het belangrijkste is van alles, de voortreffelijkheid van de glazen die voortkomt uit een precieze vormgeving, ze moeten weten dat deze niet met een beschrijving kan worden bewezen, maar pas door de werking zelf.


1)  Zie voor de onvolledige herdruk te Florence p. 396, n.4; er was ook een herdruk in Opera Varia, p. 619-634, het werk genoemd op p. II van het Voorwoord van T. I.
2)  Zie Brevis annotatio op p. 403-437 hiervoor [ed. Huygens;  Ned.ed. Rome].
3)  Zie p. 391-392, de eerste twee alinea's van het Voorbericht [brieven van Gregorius en Guisony].
4)  Zie vooral de alinea die begint onderaan p. 415.     5)  Eustachi Divini.
6)  Vergelijk p. 409 en 415.     7)  Zie p. 229-231. [Ned.]

[ 443 ]
orig. ed. 4-5.

En dus, ook al hebben zij zowel iets langere kijkers dan de onze vervaardigd, als glazen met een grotere opening, daarom moeten ze niet denken dat ze hiermee betere telescopen hebben samengesteld. Zeker zullen even goede als de onze zowel eraan gelijk moeten zijn in lengte, als een opening moeten hebben die niet kleiner is; maar daarom zijn nog niet alle telescopen die hieraan voldoen van dezelfde kwaliteit, of ermee gelijk te stellen.

  Om nu te bewijzen dat de telescopen van Divini in de praktijk inderdaad voor de onze onderdoen, lijkt me dat ik een heel betrouwbaar argument kan ontlenen aan die begeleider of maan van Saturnus, die in zestien dagen om hem heen draait. Het blijkt dat deze door mij als eerste van allen is gezien, en Eustachio met zijn secondant pater Fabri ontkent dit niet. En hij noemt als oorzaak waardoor deze noch door anderen noch door hemzelf eerder is opgemerkt ofwel onoplettendheid, of een te grote afstand van de begeleider tot Saturnus, of de kleinheid, of een conjunctie 1). Maar wie ziet niet dat dit vergeefse uitvluchten zijn? Aangezien hij immers al vanaf 1646 2) en misschien eerder is begonnen zorgvuldig te letten op de fasen van Saturnus, met een telescoop die was samengesteld uit bolle glazen 3), waarmee noodzakelijkerwijze steeds Saturnus tegelijk met zijn begeleider waarneembaar was, ook al zou deze er driemaal zo ver vandaan zijn geweest 4), wat was dat dan voor onoplettendheid waardoor het kwam dat deze hem nooit opviel? Waarom onttrok die onoplettendheid deze niet ook aan mijn blik, ik was er toch evenmin op gewezen? Zelfs blijkt hieruit ook dat de grote afstand tot Saturnus niet een goed voorwendsel is, aangezien steeds wanneer hij ernaar keek, tegelijk diens begeleider voor zijn ogen kwam te staan. En inderdaad is die afstand nauwelijks groter dan drie minuten, terwijl alle Mediceïsche planeetjes verder van Jupiter afdwalen, de buitenste wel veertien minuten.  {p. 5.}  De kleinheid heeft hem dus verborgen. Maar dit is hetzelfde alsof hij bekent dat die met zijn toestellen niet kon ontdekt worden; zonder twijfel was hij namelijk te zwak, maar voor mij volstrekt niet.

  Hij bevestigt evenwel dat hij later, nadat mijn waarneming was uitgegeven, toen hij door de voortreffelijke heer Michelangelo Ricci erop opmerkzaam was gemaakt, dit sterretje heeft gezien, ook aanduidend in welke stand ten opzichte van Saturnus, en hoe vaak hij het heeft waargenomen 5). Maar wanneer ik deze waarnemingen nauwgezetter onderzoek, bevind ik dat ze zeker niet met de beste betrouwbaarheid worden vermeld; maar dat Eustachio zozeer bezorgd is, te worden gezien als iemand die niet de goede kwaliteit van onze telescopen heeft bereikt, dat hij onnadenkend beweert dat iets wat hij nooit aan de hemel heeft gezien, of volgens de natuur der dingen had kunnen zien, toch door hem gezien is.

Om dit te laten blijken kan eerst worden beschouwd de periode van de begeleider van Saturnus, waarvan ik duidelijk heb gemaakt dat ze ongeveer 16 dagen is 6), volgens mijn waarnemingen die drie hele jaren zijn voortgezet 7) (tenzij gezegd wordt dat ik ook deze heb verzonnen); maar laat het zo zijn
1)  Zie p. 423.     2)  Vergelijk p. 279.     3)  Beschreven op p. 409.
4)  Op het pamflet (p. 278, n.4, 1649) van Divini: twee figuren van Jupiter met de satellieten.
5)  Zie weer p. 423.     6)  Zie p. 257-261.     7)  Zie p. 241-255.

[ 445 ]
orig. ed. 5-7.

dat dit slechts in de buurt van de waarheid is, aangezien Eustachio schrijft dat zijn waarnemingen zich er een beetje tegen verzetten 2). Hij zegt dan dat op 30 juni 1657, 2½ uur na zonsondergang, en eveneens op de volgende dagen 2, 4, 9 en 12 juli, de begeleider door hem is opgemerkt ten oosten van Saturnus 3), en dat hij de 14e niet is verschenen. Dat hij op de 20e een westelijke positie had; of hij op de grootste, middelmatige of kleinste afstand verscheen wordt nergens gezegd.
Stellig stond hij bij de eerste drie van deze waarnemingen in werkelijkheid aan de westkant, zoals ik uit tabellen haal 4). Maar laten we zeggen dat Eustachio geen rekening heeft gehouden met de omkering door de telescoop, en dat hij zo dus terecht heeft gezegd dat hij de begeleider, zoals het hem leek (als hij deze tenminste heeft gezien) oostelijk heeft aanschouwd. Dan was deze op 9 en 12 juli, waarop naar hij beweert de verschijning aan hem eveneens oostelijk was, ongetwijfeld naar de westkant overgestoken, en andersom op 20 juli naar de oostkant, aangezien Eustachio schrijft hem te hebben gevonden ten westen van Saturnus 5).

cirkel om Saturnus, 16 dagen   Duidelijker zal dit blijken in de hierbij geplaatste figuur 6); waarin de cirkel AB de baan van de Maan van Saturnus voorstelt, verdeeld in 16 delen,  {p. 6.}  met de rechte AB naar ons toe gericht. Op 30 juni 1657 dus, om 10 uur 's avonds bevind ik de plaats van de begeleider op 207 grad. 16' vanaf het apogeum A, te weten met die methode die ik in het Systeem van Saturnus heb gegeven 7). Waaruit volgt dat hij dichtbij nummer 10 moet hebben gestaan, alleen iets dichterbij 8). En door nu vanaf hier de afzonderlijke delen van de cirkel verder te rekenen als afzonderlijke dagen, volgt dat hij op 2 juli tot nummer 12 is gekomen. Evenzo op 4 juli tot nummer 14. Daarna 5 dagen later, namelijk op 9 juli, tot nummer 3. En verder op 12 juli tot nummer 6. En tenslotte op 14 juli tot nummer 8, op welke dag hij goed heeft geraden dat de begeleider in conjunctie met Saturnus was. Bij de overige echter heel ongelukkig. Als immers bij nummer 10, 12 en 14 de begeleider oostelijk is aanschouwd, is hij bij nummer 3 en 6 noodzakelijkerwijze westelijk verschenen. En ook kon hij op geen enkele manier bij nummer 14 en 6, die diametraal tegenover elkaar liggen, dezelfde kant van Saturnus krijgen, zoals de waarnemingen van Eustachio verlangen. Tenslotte, als hij op 20 juli is teruggekeerd bij nummer 14, waar hij ook op 4 juli werd gevonden, hoe komt het dan, vraag ik, dat hij toen oostelijk en nu, hoewel op dezelfde plaats, westelijk te zien was? Ook als mijn periode niet juist zou zijn, zou ik toch willen dat mij getoond werd wat dan wel die van Eustachio is geweest,  {p. 7.}  een beetje


2 Zie p. 433, VII.     3)  Zie p. 423.     4)  Zie p. 265.
5)  App. II, p. 471, n.8: Divini schrijft de tegenstrijdigheden toe aan drukfouten [1661, p. 14]
6)  Herdruk van Fig. 70, p. 256. [1659, p. 27.]     7)  Vergelijk p. 261-269. [Ned.]
8)  De plaats aangeduid met 10 bevindt zich op een afstand van 213° 45' van het apogeum A.

[ 447 ]
orig. ed. 7-8.

afwijkend, waarmee hij deze door hem geziene dingen kan verdedigen. Fabri had hem zeker hier, zo ooit, te hulp moeten komen; en tenminste overwegen of deze waarnemingen op enige manier konden vaststaan; of, als hij ons wilde imponeren, althans enige nieuwe uit mijn tabellen opmaken. Want van die, welke ze nu aanvoeren, wordt al te gemakkelijk ontdekt dat ze slechts daarom naar voren zijn gebracht, opdat niet gedacht zou worden dat ze niets hebben gezien.

  Ik geloof ook dat Eustachio gezegd zou hebben de zwartige band op de schijf van Saturnus duidelijk te hebben gezien, als niet Fabri van mening was geweest dat deze mijn hypothese van de ring teveel zou steunen. Maar aangezien hij verzekert dat ze zelfs niet met zijn beste kijkers is te onderscheiden 1), wordt hiermee ook klaarblijkelijk hoeveel slechter die zijn dan de mijne. Want opdat niet geloofd wordt dat ik dit verschijnsel verzonnen heb is te weten, dat men enige tijd geleden hetzelfde ook in Engeland begon waar te nemen; zoals blijkt uit een brief van de voortreffelijke heer John Wallis, te Oxford voor mij afgegeven op 22 dec. 1658 2), waarin hij onder andere dit schrijft:
Ik merkte ook iets op in dezelfde brief (afgegeven namelijk op 29 mei 1656 3)) over een band van Saturnus die de heer Ball 4) al eerder had waargenomen, en ik wilde weten of u dezelfde had gezien, enz.
Verder heeft de heer Ball genoteerd dat vanaf 5 februari 1656 tot 2 juli, de tijd waarin Saturnus rond en zonder hengsels verscheen, deze band de schijf van de planeet doormidden sneed, zoals in een aan mij gezonden tekening is weergegeven.
bol met band in het midden En zo was ze in die tijd ook door mij waargenomen, zoals te zien is op pag. 16 5) van Systema Saturnium, welke figuur ik hier opnieuw laat zien. Daarna evenwel, nadat de hengsels van Saturnus weer waren ontstaan, toen dezelfde band heel moeilijk waarneembaar was geworden, is ze door de heer Ball ook minder juist getekend, voorzover het de plaats betreft. Maar in de aantekeningen van mijn waarnemingen 6) vind ik bij 26 november 1656 en elders geschreven, dat de donkere lijn heel duidelijk was, en wel in die positie die op pag. 18 van Systema Saturnium wordt aangeduid 7). en ik zou niet hebben nagelaten het te vermelden, toen ik die waarnemingen  {p. 8.}  naging, als ik van

1)  Zie p. 417.
2)  Zie het 'Addendum', T. 1, p. 481 [Ned.], dat dus verkeerd geplaatst is en niet behoort bij Wallis' brief van 12 aug. 1656 (Oude Stijl) maar bij die van 22 dec. 1658 (O.S.), zie T. 2, p. 296-308.
3)  Deze brief hebben we niet, vergelijk T. 1, p. 481.
4)  Zie over hem T. 1, p. 481, n.3, en over zijn waarnemingen T. 2, p. 305 en 520, T. 3, p. 58 en 422. Uit p. 58 van T. 3 blijkt dat deze waarnemingen op 1 juni 1659 aan Huygens gegeven zijn door Peter Ball, broer van William. Ze zijn niet teruggevonden.
[ T. 2, p. 305: Ball had een telescoop van Divini; deze schrijft (p. 407): Digby had er zes meegenomen.]

5)  Zie p. 247.     6)  Waarschijnlijk 'parvus libellus', zie p. 6.
7)  Zie p. 246, Fig. 40.     8)  Vergelijk p. 249 vanaf de 6e alinea.

[ 449 ]
orig. ed. 8-10.

mening was geweest dat iets van nut zou kunnen zijn bij degenen die na het uitgeven van het werk mij ervan zouden verdenken de lezers te willen misleiden. En zoals gezegd begon deze donkere streep heel moeilijk zichtbaar te worden, zelfs kan hij nu nauwelijks meer worden opgemerkt 1); wat ook overeenkomt met mijn systeem, immers de helling van de ring van Saturnus is al groot; waarbij komt, dat ook de schittering van de hengsels, die Saturnus tweemaal zo helder als anders maakt 2), de scherpte van de ogen nu meer hindert.

  Hoe dus de telescopen van Divini zijn in vergelijking met de onze, is op grond van wat hier gezegd is aan iedereen duidelijk, meen ik. En dat die ook minder zijn dan de Engelse zal ik op een andere manier laten zien, zodat er des te minder aan wordt getwijfeld dat die verschijnselen waar zijn, die ik tegelijk met de Engelsen heb waargenomen. Want ook die betreffende de fasen van Saturnus met hengsels zal ik met hun getuigenis bevestigen.  {p. 9.}  Een aanzienlijk man uit Frankrijk 3), ontwikkeld en met een scherp verstand, die in Rome telescopen had gezien bij deze vakman 4), schrijft dit jaar 1660 hierover het volgende aan mij 5):
Hij toonde me de mooiste van zijn telescopen, die gaan tot meer dan 30 voet; en we vergeleken ze met één*) van die volgens de methode van Ridder Neile 6) die men aan kardinaal Ghisi 7) heeft gezonden; hij past er wel voor op dat hij van zijn kant geen voordeel zou behalen, maar om de waarheid te zeggen, hij vergist zich ernstig.

  En dat dus die, welke uit Engeland waren overgebracht, beter zijn dan de Romeinse, oordeelt degene die in zijn tegenwoordigheid een vergelijking van beide heeft geregeld, en die getuigt dat Eustachio dit toch hardnekkig blijft ontkennen, zodat als ik nu de mijne naar Rome laat brengen, ik bij hem ongetwijfeld niet verder zal komen. Wat zult u nu van deze man denken, of wie denkt niet terecht, dit ziende, dat hij tot zo'n bezorgdheid om eigen voordeel is gebracht, dat hij niet kan of wil onderscheiden wat waar is?

bol met smalle ring   Het zal nu niet moeilijk vallen het vertrouwen te geven, hoop ik, zowel aan mij  {p. 10.}  als tegelijk aan de Engelse waarnemers. We hebben in 1657 langwerpige armen van Saturnus gezien, aan beide kanten verbonden met de schijf, zoals de figuur op pag. 18 8) van mijn Systema aangeeft, die ik hier nog eens plaats; en niet in de vorm van twee schijfjes los van de schijf in het midden, zoals Eustachio zweert ze te hebben gezien in dezelfde tijd 9).

  Ik zou hier de tekening toevoegen die


1)  Vergelijk Fig. 34 van p. 68.     2)  Vergelijk p. 200, n.7.
3)  Pierre Guisony, over wie te raadplegen is T. 2, p. 468, n.3.  [Epistolica dissertatio, 1665.]
4)  Eustachio Divini.     [ *)  In het origineel staat erbij: "van Reeves".]
5)  Zie Guisony aan Huygens, 25 maart 1660, T. 3, p. 45, de zin die onderaan begint. [Ned.]
6)  Zie over Neile T. 1, p. 401, n.1.     7)  Zie over kardinaal Fabio Chigi T. 3, p. 46, n.6.
8)  Zie Fig. 40 van p. 246.     9)  Zie de alinea die begint onderaan p. 413.

[ 451 ]
orig. ed. 10-12.

bij mij kwam van de bovengenoemde heer Ball 1), als die niet geheel gelijk was aan deze van ons 2), slechts een beetje afwijkend in dit ene, dat hij die armen overal iets dikker weergeeft.

  En hij schrijft dat die vorm aan hem is verschenen van 5 november 1656 tot 9 juli 1657. Doch met de armen open, zoals wordt voorgesteld op
bol met wijde ring
pag. 24 3) van mijn Systema en hier 4), een zodanige vorm beeldt dezelfde waarnemer af van 9 november 1657 tot 7 juni 1658, een geheel en al gelijke figuur, behalve wat betreft de plaats van de donkere zone, zoals ik hierboven heb gezegd 5). En tenslotte van 3 januari 1659 tot 17 juni van hetzelfde jaar met de hengsels wat wijder geopend.  {p. 11.} 
En dit nog wel van iemand die nog onwetend was van mijn hypothese, laat niet gedacht worden dat hij zich door een vooropgezette mening iets te veel heeft veroorloofd. Ook zou ik die dingen niet anders durven weer te geven dan ze werkelijk zijn, aangezien de schrijver van de waarnemingen mij openlijk kan logenstraffen, als ik me vergis.

  Wat zijn dat dan voor kijkers van 24 palm van Eustachius, waarmee ronde bolletjes in plaats van rechte armen werden gezien? Ja zelfs ook in plaats van armen die al enigszins geopend zijn, zoals in mijn Systema op pag. 21 6). Hij zegt immers dat ook in 1658 slechts bolletjes door hem zijn gezien, zoals in Fig. 1 van die dertien, in de plaat bovenaan gezet 7). Waarom haalt hij getuigen aan die ze met hem zouden hebben waargenomen 8)? Ik denk zeker dat zij geloofwaardig zijn, en dat ze zullen erkennen dat ze het gezien hebben, maar daardoor lijken ze mij juist een getuigenis af te leggen van de gebrekkigheid en ongeschiktheid van zijn telescopen. Ik zou liever willen dat hij er enige had aangevoerd die met hem de begeleider van Saturnus hadden gezien 9).  {p. 12.}

  Ik had gezegd dat de armen ook aan mij zijn verschenen in de vorm van bolletjes 10), steeds als ik kijkers van 5 of 6 voet gebruikte. Dus oordeelt hij dat ze hiermee door mij heel juist, en zoals het moet, zijn gezien 11); als ze daarentegen met een kijker van 23 voet langwerpig, en aan de schijf van Saturnus vastgehecht, worden weergegeven, ben ik misleid door een vals beeld, en ligt de schuld bij de telescoop. Hij wil mij er natuurlijk van overtuigen dat die kleine telescopen te verkiezen zijn boven de grootste van alle, alsof ik zelfs dit


1)  Zie p. 447, n.4.     2)  Op p. 449.     3)  Zie p. 252  [12 febr. 1659].
4)  Deze figuur.     5)  Zie p. 447, naast de figuur.     6)  Zie p. 251.
7)  Zie de plaat (genoemd op p. 270, n.4) in Annotatio [eind; ed. Rome: p. 469, vgl. Ned. p. 433].
8)  Zie weer de alinea die begint onderaan p. 413.
9)  Later noemt Divini getuigen in Pro sua annotatione [1661], zie p. 471, n.6.
10)  Zie p. 273.     11)  Zie p. 415.

[ 453 ]
orig. ed. 12-13.

nog niet heb leren onderscheiden. Maar nu meen ik meer dan voldoende te hebben laten zien, wat er te denken is over mijn telescopen en waarnemingen, en wat over die van Eustachio. En toch zou ik niet willen dat wat ik heb gezegd tot schade voor hem leidt, maar veeleer dat het prikkels geeft om zich er meer en meer op toe te leggen, eerst zijn eigen telescopen te overtreffen, en daarna ook de mijne. Ik ben namelijk zo weinig jaloers op degenen die zich ervoor inspannen deze zo voortreffelijke kunst vooruit te brengen, dat ik ook besloten heb alles wat ik erover te weten ben gekomen 1), maar vooral ook ten aanzien van de theorie van de Dioptrica 2), eerstdaags in het licht te geven. En wel hierom zie ik dat ik dit tot stand moet brengen, opdat meer mensen onderzoek kunnen doen naar de betrouwbaarheid van de waarnemingen, die ik in mijn systeem van Saturnus naar voren heb gebracht, wanneer de kunst om kijkers te maken die gelijkstaan met de onze is uiteengezet.

  Nu is er nog één bijzonder verschijnsel van Eustachius dat nog besproken moet worden; hierdoor alleen al stort mijn hele Systeem in, wordt er gezegd 3). Maar het is weer van die soort die niet alleen niet bestaan, maar volgens de natuur der dingen zelfs niet op enige manier kunnen verschijnen; wat had moeten worden opgemerkt, zo niet door de glazenmaker*), dan toch wel door pater Fabri. Zij zeggeb dat die twee ruimtes binnenin de hengsels donkerder worden bevonden dan de rest van de hemel; terwijl het daarentegen volgens mijn hypothese de hemel zelf is die door die openingen wordt gezien. En ik zou willen vragen aan Fabri, hoe het komt dat de hele hemel, hetzij overdag, hetzij 's nachts gezien, niet helemaal donker en diepzwart verschijnt. Dan is hij gedwongen te erkennen dat het komt door die dampen  {p. 13.}  oftewel de atmosfeer die de Aarde omgeeft, die overdag door de Zon, en 's nachts door de Maan of de sterren wordt verlicht. Zodat, als die dampen worden weggenomen, de hemel helemaal zwart zal verschijnen, evenals die ruimtes in de hengsels van Saturnus. Maar nu zit de hele dikte van de atmosfeer zowel tussen ons en Saturnus, als tussen ons en het zwarte hemelgewelf; dus door de tussenplaatsing ervan moet er evenveel afgaan van de zwartheid van de vlekken bij Saturnus, als van de zwartheid die de hele hemel beslaat; en daarom kunnen die vlekken niet donkerder verschijnen dan de rest van de ether.

En als ze dus niettemin volhouden dat dit hun zo toeschijnt, moeten ze bekennen dat het om een of ander gezichtsbedrog gaat, misschien doordat de nabije schittering van Saturnus, en van zijn hengsels, die ruimtes wat donkerder laat uitkomen, dan ze zouden zijn zonder die schittering. Hoewel dit mij nooit is overkomen; ja zelfs heb ik opgemerkt dat eerder enigszins het tegengestelde ervan gebeurt. Toen namelijk de hengsels nog met zo'n kleine spleet openstonden, zoals omstreeks 26 november 1656 4) is voorgekomen,
1)  Waarschijnlijk een eerste versie van 'Memorien aengaende het slijpen van glasen tot verrekijckers', dat pas is verschenen in Opuscula postuma, 1703 (zie T. 13, p. XII, n.1).
2)  Het 'Tractatus de refractione et telescopiis' [Ned.] was klaar in 1653, maar kwam ook pas uit in 1703, onder de titel 'Dioptrica', na veel wijzingingen en toevoegingen; zie T. 13, p. III-XII.  [Ned.]
3)  Zie de alinea die begint onderaan p. 415.     4)  Zie p. 249, bij deze datum.
[ *)  Door dit 'vitrarius artifex' voelde Divini zich beledigd, volgens de Monconys, zie Huygens' dagboek in Parijs, 17 maart 1661 (T. 22, p. 562) en Divini 1661, p. 8: 'plebeius artifex'; vgl. p. 470.]

[ 455 ]
orig. ed. 13-14.

ik twijfel er volstrekt niet aan, konden de zwarte holtes nog niet duidelijk onderscheiden worden, maar dat deel van de armen 1), dat het dichtst bij de schijf van Saturnus was, leek overgoten met alleen wat zwakker licht. Om deze reden wordt ook de band op Saturnus, waarover eerder gesproken is, slechts weinig donkerder gezien dan de rest van zijn schijf, omdat hij immers wel in werkelijkheid vrij zwart of ook diepzwart is, maar toch heel dun, zodat hij tegelijk zowel breder dan het behoort, als vager wordt gezien.

  En hieruit blijkt, dat ook tevergeefs tegen mijn hypothese wordt ingebracht, dat Saturnus daarmee nooit rond en zonder armen kan worden gezien; omdat ik immers althans een beetje licht lijk te hebben overgelaten op de uiterste rand van de ring, waardoor het zo zal zijn dat de ring niet geheel aan de blik ontsnapt, ofschoon van opzij gezien, en dat de armen daarom ook niet totaal verdwijnen 2). Ze moeten nu immers weten dat niets mij in de weg staat om al het licht  {p. 14.}  van de rand weg te nemen 3), en Fabri zal niet beweren dat dit gesteld wordt als absurd in de natuur der dingen, dat er wel een of andere materie is die de zonnestralen in het geheel niet weerkaatst; daar hij zich immers voorstelt dat er bij de vier nieuwe satellieten van Saturnus, die hij verzint, twee dofzwarte zijn, van zichzelf onzichtbaar en door geen zonnestralen te verlichten, en de overige blank 4). Maar die heel vermakelijke hypothese zullen we later bekijken 5); er zijn namelijk eerst ook andere dingen te bespreken waarmee de onze wordt aangevallen.

  Ik heb gezegd 6) dat het vlakke oppervlak van de ring, dat naar ons is toegekeerd, soms van de Zon is afgewend en niet verlicht wordt, zodat het dan ongetwijfeld voor ons niet te zien is, en zo geen hengsels geeft aan Saturnus. En terwijl ik toch met een heel zekere redenering heb aangetoond dat dit gebeurt 7), ontkennen mijn tegenstanders het kort en bondig, en zeggen ze dat het door de wetten van de optica wordt weerlegd 8). Maar hoe dan? Door namelijk zowel de afstand van Saturnus als de diameter van de Zon veel groter te stellen dan ik doe 8), waardoor het oppervlak van de genoemde ring, dat naar ons is toegewend, ook altijd licht ontvangt van de Zon. Nu heb ik echter zowel die afstand als die diameter (want de ene hangt af van de andere) in mijn Systema veel groter gegeven dan iemand anders van alle Astronomen. Want met Ptolemaeus en Copernicus schatten ze de diameter van de Zon op maar 5 diameters van de Aarde; Aristarchus en Boulliau op 7; Riccioli geeft 33; Wendelinus 64, het grootst van allen 9); zelf heb ik 111 opgegeven 10), en niet zonder reden, meen ik. En toch lijk ik zuinig geweest te zijn voor Fabri, die ook wil dat de Zon veel groter wordt 11), opdat mijn hypothese niet kan vaststaan, en opdat hij mij deze onwetendheid van de Optica terecht lijkt aan te wrijven.
1)  Zie p. 447-449.     2)  Vergelijk de 2e alinea van p. 417.
3)  Vergelijk de alinea die begint onderaan p. 319. [Ned.]     4)  Vergelijk p. 429.
5)  Zie p. 463-465.     6)  Zie p. 319 [in de figuur: Saturnus bij D, Aarde in E].
Saturnus in omloop rond de zon
7)  Zie p. 323-325.     8)  Zie de 1e alinea van p. 419.
9)  Deze gegevens zijn ontleend aan een tabelletje in Riccioli, Almagestum novum [1651], p. 121.
10)  Zie p. 347. [Ned.]     11)  Zie p. 419, eind van de zin met noot 2.

[ 457 ]
orig. ed. 14-16.

Terwijl hij zelf intussen in de Optica, of in de Astronomie, zo onervaren is dat hij niet opmerkt dat, ook al stelt hij de diameter van de Zon honderdduizend keer zo groot als ik, en vergroot hij tegelijk de wijdte van de planeetbanen met dezelfde verhouding, toch die diameter vanaf Saturnus gezien  {p. 15.}  maar ongeveer 3 minuten zal zijn 1); en dat ook als deze daarvandaan even groot zou lijken als voor ons op Aarde, toch onomstotelijk wordt aangetoond met het bewijs dat ik heb gegeven, dat het naar ons gekeerde oppervlak van de ring soms door het zonlicht niet wordt verlicht, omdat het door de ring getrokken vlak tussen ons en de Zon doorgaat. Want als hij ontkent dat dit weleens gebeurt, moet hij stellen (wat belachelijk is) dat de diameter van de Zon gelijk is aan tenminste tweevijfde deel van de diameter van die grote baan, waarin de Aarde rondom de Zon wordt gevoerd 2). Dat dit namelijk zo is kan zou ik makkelijk kunnen aantonen, maar Astronomen zullen het zonder moeite afleiden uit mijn bewijs op pag. 63 3). Want als het vlak van de ring loodrecht zou staan op het vlak van de ecliptica, zou ik niet zeggen tweevijfde maar de hele diameter van de grote baan; en tweevijfde komt voort uit de helling van 23½ die er is tussen de genoemde vlakken 4).

  Ik bevind echter dat mij ook onwetendheid in de Grafische kunst voor de voeten wordt geworpen 5), omdat ik anders immers enige schaduwen niet zou hebben afgekeurd, die Eustachio in nummer 10 van de plaat in Systema Saturnium heeft afgebeeld 6). Zij beweren immers dat hij die er wel bijgehaald heeft, maar dat het noodzakelijk was, om de vorm van een bol weer te geven; blijkbaar omdat het zonder die schaduwen niet zeker geweest zou zijn, of Saturnus bol was, of vlak. En daarom ben ik dom, omdat ik heb gezegd dat Eustachio die schaduwen zelf heeft toegevoegd, die hij volgens de regels van de kunst, en ook omdat de aard van de zaak ze zo dringend vereiste, heeft getekend. Geen wonder dat ik hier grapjes wil maken. Aangezien zij immers zomaar betogen 7) dat ik zonder enig bewijs heb gesteld, dat Saturnus om zijn as draait, vraag ik nu aan hen waaruit ze zo zeker hebben opgemaakt, dat het middelste lichaam van Saturnus bolvormig is? Geen enkele waarneming heeft dit geleerd, meen ik, maar zij halen het alleen uit een analogie tussen dit hemellichaam en andere, zoals ook ik doe bij de draaiing om de as. Waarom was het dus noodzakelijk nodig er schaduwen bij te halen om een bol voor te stellem?  {p. 16.}  Maar het lijkt me dat ze doen alsof ze niet opmerken, dat ik niet zozeer over de schaduw op het middelste lichaam mijn mening heb uitgesproken 8), alswel over die welke hij aan de elliptische vorm, die de twee hengsels


1)  De verhoudingen tussen de afstanden van de planeten tot de Zon verschilden niet echt in de diverse wereldsystemen. Riccioli (1651, p. 688-9) geeft voor die van Saturnus 10 of 9½ keer die van de Aarde, en daarmee is de schijnbare diameter van de Zon gezien vanaf Saturnus ongeveer 3'.
2)  Dan zou de schijnbare diameter van de Zon 47° zijn.     3)  Zie p. 321-323.
2 cirkels, lijnen
4)  Voor dit bewijs moet Saturnus staan in punt O van de figuur (p. 321).
[Snijlijn van ringvlak en eclipticavlak evenwijdig met AC.  Aarde in f.]
Dan is de afstand van het middelpunt L van de Zon, tot het vlak van de ring:
Lf sin 23½°, waarin sin 23½°
2/5.
Als nu 2 Lf sin 23½° groter is dan de zonsdiameter kunnen Saturnus en Aarde zó in hun baan staan dat het vlak van de ring tussen Zon en Aarde doorgaat.

5)  Zie p. 409 onderaan.
6)  Zie de plaat aan het eind van dit deel.
7)  Zie p. 421.
8)  Het gaat om de 2e alinea van p. 279.

[ 459 ]
orig. ed. 16-17.

maakt, toekent 1). Hieraan heeft hij immers met recht schaduwen toegevoegd, om een elliptische ring weer te geven, niet vlak maar rond, en lijkend op een slang die zijn staart grijpt; ik weet ook niet hoe ik die vorm beter zou tekenen. Verder heeft hij er ook voor gezorgd, met de kunstgreep van die schaduw van hem, dat deze hele ring achter de bol van Saturnus geplaatst lijkt. Waardoor Eustachio misschien voor zichzelf een of andere absurde vorm van Saturnus heeft bedacht, of in elk geval heeft hij anderen een handvat kunnen verschaffen om zich erop te bezinnen. Doch voor mij was het noodzakelijk de lezers te waarschuwen over deze zomaar toegevoegde schaduw; omdat het mijn hypothese zou weerleggen als ze juist zou zijn, terwijl anders de tekening van Eustachio, zonder schaduwen beschouwd, deze sterk zou bevestigen. Maar ze zeggen dat ook ik schuldig ben aan hetzelfde vergrijp, omdat ik op verschillende plaatsen grotere schaduwen zou toevoegen 2) dan ze in werkelijkheid zijn. Ik weet echt niet welke ze kunnen bedoelen; één keer heb ik wel bij de bol en de ring van Saturnus schaduwen gezet 3), echter niet alsof ik ze zo had waargenomen, maar om de hypothese uit te leggen, zodat namelijk zou blijken op welke manier ik de ring om Saturnus heen had geplaatst.

  Maar als ze gezegd zouden hebben dat de op de schijf van Saturnus waargenomen band 4) — zoals ook die welke ik op Jupiter en op Mars 5) heb laten zien — donkerder voor ogen gesteld wordt dan hij aan de hemel wordt gezien, zou ik het niet hebben ontkend. Ik beken namelijk uit eigen beweging dat dit is gebeurd door schuld van de graveur; en dat in het bijzonder op Mars de zone veel vager moest worden getekend, vooral bij de randen. Waarvan ik ook vermoed dat deze niet voortdurend daar wordt gezien, maar net als de banden van Jupiter een veranderlijke vorm heeft, zoals ik bij de laatste waarnemingen van Mars heb geleerd 6); waarover een andere keer misschien meer 7). En dat ik op beide planeten niets van dien aard heb gezien, maakt Eustachio met geen ander argument aannemelijk dan al het overige, namelijk dat hij het zelf niet heeft gezien 8).  {p. 17.} 

  Dat 9) ik mijn Systema Saturnium heb aangepast aan het Systeem van Copernicus, zal niemand mij terecht verwijten, denk ik. Maar toch, aangezien Fabri alle katholieken verbiedt dit te gebruiken, verbaas ik me erover dat hij niet alleen al om deze reden uitspreekt, dat alles wat ik heb bedacht verworpen moet worden. Maar hij zag, geloof ik, dat ik gemakkelijk in plaats van het stelsel van Copernicus dat van Tycho kan stellen. Of ik dit gebruik is van heel weinig belang voor wat de verschijnselen betreft. Maar de waarheid van de zaak is niet anders uit te leggen dan door Copernicus te volgen; wiens opvatting ook in niet geringe mate wordt gestaafd door ons systeem van Saturnus.

  Nu begrijp ik niet hoe Fabri met zoveel vertrouwen verzekert, dat deze mening van de bewegende Aarde


1)  Zie de genoemde 10e figuur van de plaat, en ook de figuur op p. 279 [hier naast elkaar].
2)  Zie de laatste regels van p. 409.     3)  Zie Fig. 72 van p. 299.
4)  Zie Fig. 4, 5, 34, 40, 52 en 62 van p. 239, 240, 247, 246, 251 en 252.
5)  Zie Fig. 1 van p. 235.     6)  Zie op p.64-65: Mars getekend, nov.-dec. 1659.
7)  Het is er niet van gekomen.     8)  Zie de 2e alinea van p. 419.
9)  Deze alinea en de volgende zijn niet herdrukt in ed. Florence [1660, p. 21], zie p. 396. [Ned.]
10)  Vergelijk de 2e alinea van p. 423, nummer I.

[ 461 ]
orig. ed. 17-18.

slechts voor heterodoxe Aristarchussen*) te aanvaarden is. Steeds immers als ik daarover spreek met katholieken (wel de Romeinse 1)), verklaren ze openlijk dat ze volstrekt niet weerhouden worden door leerstellingen die er tegenin gaan, of ze nu van Kardinalen of van de Paus zelf afkomstig zijn. Waaraan ze blijkbaar niet zó veel waarde hechten bij het verklaren van de betekenis van de heilige geschriften, dat ze zich er ook noodzakelijk aan moeten houden bij controversen die, zoals ze zeggen, om feiten gaan. En ze zijn uitdrukkelijk van mening dat de stilstand van de Aarde veeleer met redenen onderbouwd moet worden, dan met documenten gesanctioneerd. Ja zelfs is het zeker dat ook hier en daar in Frankrijk het Systeem van Copernicus niet alleen als hypothese, maar als de zuivere waarheid wordt verdedigd, en dit door kerkmensen en priesters zelf, die deze theorie openlijk in hele boekwerken behandelen, zonder dat Rome iets er tegen inbrengt voorzover ik weet. Dit alles overwegend heb ik er allang op vertrouwd dat behalve mensen die niet bekend zijn met Astronomie, en de onwetende menigte, slechts nog enkele Cleanthessen 2), onder wie ook Fabri, aan de oude dwaling vasthouden, en zich met vergeefse inspanning verzetten tegen de beweging van de Aarde.

  Overigens, daar hij dit uitgangspunt met hand en tand verdedigt, zoals hij zegt 3), en daarom meent dat de overige planeten op geen enkele manier gelijkgesteld kunnen worden met de Aarde, is het geen wonder, dat hij het ook niet heeft kunnen verdragen dat er even melding werd gemaakt van Saturnusbewoners 4).  {p. 18.}  Waarbij hij me toch ten onrechte iets verwijt. Want ik heb deze niet zó besproken, dat ik hun bestaan bevestigde, of met aanvoering van redenen bewees dat dit waarschijnlijk is. Ja zelfs heb ik gezegd ervan af te zien meer te schrijven over de Astronomie zoals deze voor bewoners van Saturnus zou zijn, omdat de meesten het te absurd vinden dat er mensen wonen op de planeten; ze zouden daarom zeggen dat ik zonder reden wil nagaan


[ *)  Zie p. 407 bovenaan.]
1)  De orthodoxe katholieken van de kerk van Rome, in tegenstelling tot de Jansenisten.
2)  Cleanthes (3e eeuw v.Chr.), leerling van Zeno ... genoemd in Plutarchus, Opera , Par. 1624, T. 2, p. 923 ... correctie van G. Ménage, 'In Diogenem Laertium', in De vitis, Lond. 1664, p. 226 (2e kolom); dit werk werd al in juni 1660 genoemd door N. Heinsius, zie T. 3, p. 501 ... Huygens ontmoette Ménage na zijn aankomst in Parijs (okt. 1660).
3)  Zie weer p. 423, nummer I.     4)  Zie p. 417 en 419.
5)  Zie de alinea die begint onderaan p. 341. [Ned.]

[ 463 ]
orig. ed. 18-19.

wat er wordt waargenomen door wezens, die helemaal niet bestaan. En toen ik bij het vergelijken van de periode van de Maan van Saturnus maanden van Saturnusbewoners 1) heb genoemd, heb ik niets nieuws of ongebruikelijks gedaan voor Astronomen, voor wie niets gewoner is dan zich voor te stellen dat iemand op de Zon of de Maan staat, die van daaruit naar de beweging van de sterren kijkt. Er was dus geen reden waarom Fabri me zou verwijten dat ik dit verzinsel over Saturnusbewoners daar zou hebben voorgesteld. Trouwens, al zou het anders zijn, ik zou niet als eerste dit naar voren hebben gebracht, en het is niet zo belachelijk als hij meent, tenminste niet bij FIlosofen. Maar ik zal hierbij niet verder uitweiden dan ik me heb voorgenomen.
Mij roept de beschouwing van het Fabriaanse Systeem, namelijk dat waarmee hij vertrouwt, na dat van mij te hebben omgestoten, de verschijnselen bij Saturnus makkelijk te kunnen uitleggen 2). Want dat eerste 3), waarmee hij de beweging van Saturnus zelf met nieuwe wetten begint te regelen, heeft hierop geen betrekking, en het is ook niet de moeite waard geweest het te onderzoeken. Ik vraag me toch af wat hem zo mishaagd heeft in de hypothese van Tycho, dat hij besloot een nieuwe op te bouwen vanaf de grondslagen; ik vrees wel dat Astronemen deze niet voldoende kunnen begrijpen en nog veel minder goedkeuren.

  Maar ook die hypothese met betrekking tot de fasen van Saturnus is geenszins duidelijker, en bovendien van alle rede en waarschijnlijkheid zover verwijderd, dat ik niet weet of ze mij nodig heeft om weerlegd te worden. Wie zal hij immers, vraag ik, dat mooie verzinsel op de mouw spelden over vier bolletjes heel dichtbij Saturnus, waarvan er twee schitteren in het zonlicht, en de twee andere de stralen in het geheel niet weerkaatsen maar van nature uiterst donker zijn. Ik lijk wel een of andere  {p. 19.}  goocheltruc met steentjes te zien, waarbij sommige wit zijn en andere zwart, en nu eens de eerste, dan weer de laatste afwisselend worden getoond en verborgen. Aan zoiets doet deze wonderlijke hypothese namelijk denken. Waarom echer heeft hij in zijn tekening 4) niet tenminste de cirkels weergegeven, die door dit nieuwe planetenkroost worden doorlopen? Dan zouden we zien dat deze cirkels niet Saturnus in het middelpunt hebben, en dat de kleinere niet wordt ingesloten door de grotere, maar dat die twee cirkels achter de rug van de Planeet mooi op de rij liggen, en op elk van beide zouden twee van die satellieten zó lopen dat de ene de andere nooit inhaalt, terwijl ze steeds volgens de diameter van elkaar af zouden staan.

Als ik me niet vergis heb ik de bedoeling van Fabri goed begrepen 5), zo niet, dan verlang ik een terechtwijzing, er moest namelijk nogal wat geraden worden. Wanneer hij dan zegt dat met dit gestelde de fasen 1, 4, 8 en 9 van zijn plaat 6) makkelijk zijn te verklaren 7), zou ik willen weten op welke manier de nieuwe planeetjes van heel klein heel groot worden. Want in de 1e en 4e figuur hebben ze een diameter die nog niet de helft is van het middelste lichaam van Saturnus, terwijl het in figuur 8 en 9 noodzakelijk is dat ze hieraan even groot zijn, of ook groter. Hoe wordt verder de door Eustachio zelf waargenomen fase in figuur 10 uit de hypothese afgeleid?
1)  Zie p. 261.     2)  Zie p. 427-429 (Vijf satellieten).     3)  Zie p. 423-427.
4)  Zie de 2e figuur van p. 425     5)  Zie de alinea die begint onderaan p. 427.
6)  Zie de plaat achterin dit deel.     7)  Zie p. 431.

[ 465 ]
orig. ed. 19-20.

Aangezien ronde lichamen geen elliptische bogen kunnen maken 1), zullen ook de zwarte planeetjes hier kleiner moeten zijn dan de heldere, in strijd met wat er gesteld is; na enige overweging stellen zij immers vast dat ze onderling gelijk zijn. 2). Welke periode de nieuwe planeetjes hebben zal ik nu niet vragen, hij zegt dat die nog niet gevonden is 3). Maar ik vrees dat er geen kan zijn. Want Eustachio verzekert dat die ene Figuur 10 aan hem verscheen gedurende drie jaren waarvan het eerste 1646 was, op een zeker blad 4) dat opgedragen is aan de doorluchtige Groothertog van Etrurië, broer van Uwe Hoogheid; waarbij past dat de satellieten ondertussen geen enkele beweging hebben gehad, wat ongetwijfeld opgemerkt zou kunnen worden. En daarna, gedurende drie andere jaren, en wel 1655 met de twee opvolgende, zijn ze zoveel verder gekomen, dat Saturnus in het middelste van deze jaren rond is gezien, in het eerste en laatste echter met twee schijfjes aan de zijden,  {p. 20.}  door enige tussenruimte gescheiden van het lichaam in het midden 5).
Och, laat er een boete worden vastgesteld voor de uitvinder van het belachelijke Systeem, zodat hij eraan gehouden wordt de anomalieën van deze bewegingen op te sporen. Ik heb echter geen zin me er verder in te verdiepen; maar toch ben ik gedwongen iets te zeggen voor die Saturnus-begeleider van mij. Omdat deze iets in zijn Systeem leek te verstoren, heeft Fabri hem boven Saturnus verbannen, te weten zodanig dat de hele cirkel die hij doorloopt boven de Planeet ligt 6). Maar geheel onverdiend; ik zal er namelijk garant voor staan dat hij geen enkele schade zal toebrengen aan het optreden van die fasen met hengsels, daar hij zo zwak is, dat hij wanneer hij dichtbij Saturnus komt zelfs niet gezien kan worden; ook gaat hij maar zelden, en alleen wanneer Saturnus rond is 7), tussen zijn schijf en ons door, en dit in de tijd van een halve dag. Hij moet hem dus maar in zijn baan laten blijven, en tegelijk de Mediceïsche planeetjes terugzetten op hun paden — door de Grote Galileï eertijds toegewezen rondom Jupiter 8) — die hij eveneens van hun plaats gejaagd heeft 6), geheel zonder reden, althans die hij zelf aanvoert of die ik kan opmerken.

  En nu heb ik, als ik me niet vergis, Doorluchtige Prins, alles behandeld wat Eustachio Divini, of liever pater Fabri, tegen mij bijeengezocht heeft, en wat hij


6 maantjes achter Saturnus 1)  Vanwege deze opmerking voegde Fabri in Pro sua annotatione van 1661 nog 2 kleinere heldere maantjes toe [figuur. 19 en p. 101-108]. Zie p. 395 van het Voorbericht.
2)  Zie p. 431, nummer V.
3)  Zie p. 431, nummer VII. In Pro sua annotatione ontbreken de perioden ook, vergelijk p. 399 van het Voorbericht, vooral noot 11.
4)  Het pamflet genoemd op p. 278, n.4.  ["Saturnus annis 1646. 1647. et 1638. observatus et delineatus.", met die ene figuur.]
5)  Zie voor de ronde fase van 1656 p. 245-247 en voor die 'met 3 bollen' van 1655 en 1657 resp. p. 273 en 413.
6)  Zie p 435, nummer XXI.
7)  De begeleider beweegt in het vlak van de ring, zie de alinea die begint onderaan p. 311.
8)  Zie Sidereus nuncius van 1610 (p. 94-96 van vol. III, 1892, van Le Opere). [Ned. 2017.]

[ 467 ]
orig. ed. 20.

bedacht heeft om zijn hypothese staande te houden; en als ik dit alles bij mezelf overweeg, vind ik volstrekt niets, waardoor de geleerden mij geen gelijk zullen geven*), of de ondervinding van de komende tijd. Nochtans spijt het me niet dat ik dit weinige heb geantwoord omdat, al lijkt het erop dat ik terecht die vakman ongestraft had kunnen laten door te zwijgen, eenzelfde stilte misschien niet geschikt was ten opzichte van de andere tegenstander, van wie men zegt dat hij enige roem heeft; vooral daar het voor iedereen voldoende vaststaat dat door hem het meeste is verschaft, en daar velen niet zozeer kijken naar w‡t er is tegengeworpen, maar door wie. Overigens vraag ik Uwe Hoogheid de vrijheid die ik in de discussie heb genomen voor lief te nemen. En dit slechts in zoverre, dat ik ook werd uitgedaagd om dit strijdperk te betreden, en toch nergens de grenzen van een rechtmatige verdediging heb overschreden.



F I N I S.




[ *)  Een geleerde die Huygens al gelijk had gegeven was Gregorius van St. Vincent; zie zijn brief van 10 okt. 1660 (Ned.), met "Heel goed hebt u uw antwoord afgesloten", waarna hij de hier volgende zin citeert.]




Home | Christiaan Huygens | < Oeuvres XV | Korte bevestiging