Chr. Huygens | < Oeuvres X

[ 2 ]

No 2656.

A. de Graaff aan Christiaan Huygens.

1 januari 1691. [<]

Amsterdam den 1 Januarij 1691.    

        Mijn Heer

    hebbe UE aangename van den 26 dec. 1690 wel ontfangen en de ingeleyde 1), op dien selfden avont, noch aan mijn soon gesonden met een matroos van Brandenburg, die aanstonts zoude vertrekken, zoo dat vertrouwe dat ze hem wel zal behandigt wezen. 't is mij lief dat uE noch iets vint in mijne mathematische werken dat u behaagt. Ik hebbe niets van de uwe als dat van de horologiens.

    hier nevens gaan drie brieven van mijn soon, hebbe twee daarvan 2) zoo even ontfangen, ende andere voor twee dagen 3), die ik uE niet toesont omdat ik er noch meer verwachte, en oordeelde het te laat te wezen om mijn zoon meerder te schrijven, 't welk ook gebleeken is omdat de scheepen Vrijdag [29 dec.] zijn vertrokken, uijtgenomen Java dat vast raakte int uytloopen.

    Eyndigende, wensche dat de horologiens goet succes mogen hebben, en ook voor UE een geluk en salig nieuwe jaar. Verblijvende mijn Heer sijn ootmoedige Dienaar

Abraham de Graaff.        

het kasie etc. wert UE met het eerste
    open water toegesonden.

        Aande E: Heer
    Mijn Heer Constantyn Huygens
Heere van Zuylichem, om te behandigen
aan sijn E. Broeder de Heer van Zelem
                In
            's gravenhage.


1)  Zie No. 2651.         2)  No. 2650 en 2653.         3)  Waarschijnlijk No. 2648.



[ 72 ]

No 2670.

Christiaan Huygens aan Abraham de Graaff.

29 maart 1691.

        Mijn Heer De Graef

Haghe 29 Marti 1691.    

    Ick hebbe volgens mijn belofte bij een gesocht eenighe van mijn Tractaties die nu en dan int licht gegeven hebbe, welcke ick hier nevens VE versendt om eenighsins mijne danckbaerheydt te betuijgen wegens het present van VE Wiskonst 1) laetsmael tot Amsterdam sijnde aen mij gedaen twelck altijdt in waerde sal houden. Ick en denck niet dat VE noch eenighe tijdingh van VE soon 2) en sijn geselschap sult gehadt hebben, — dan of bij geval iets van haer quaemt te vernemen, soo versoeck ick daervan deelachtigh te werden.

    Mij gedenckt dat VE mij seijde seeckere Propositie van de Heer Tschirnhaus 3) onderzocht te hebben en onwaer bevonden, te weten dat ABC de kromme linie sijnde die gemaeckt werdt door reflexie der parallele straelen op den hollen halven circel ADE vallende kromme lijn altijdt de Tangens BG met GF rechthoekighe op de basis AE te saemen gelijck waeren aen het deel der kromme BA. Ick weet niet of ick wel onthouden hebbe, doch naederhandt dit geëxamineert hebbende 4), vinde dat daer in geen faut en is. VE gelieve dan bij gelegentheydt sijn rekeningh hier van nae te sien, opdat aen desen mathematicus, behalve sijne veele misslaegen, geen andere t'onrecht opgeleght werden.

    Ick hebbe aen de Hr. van de Blocquery over 3 a 4 maenden te handt gestelt een Rekeningetie van den Horologiemaecker Visbach alhier, die eenighe reparatie aen de bewuste slingerwercken gedaen heeft 5). Indien VE gelieft bij occasie sijn Edt van mijnen' twegen te versoeken van daer aen te willen gedencken sal mij vriendschap doen, die altijdt blijve

VE dienstwillighe dienaer        


1)  Abraham de Graaff heeft verscheidene wiskundige werken geschreven. Waarschijnlijk is het:
De geheele mathesis of wiskonst, herstelt in zijn natuurlijke gedaante, Amsterdam 1676.
[Dit komt voor in de veilingcatalogus van 1695: p. 5, quarto 18.]
2)  Johannes de Graaff, op weg naar de Kaap; zie brief No. 2656 [<].
3)  In het artikel van 1682, aangehaald in brief No. 2274, noot 4 [VIII, 381].
4)  Zie het Aanhangsel [p. 73].         5)  Zie het post-scriptum van No. 2615 [<].



[ 79 ]

No 2674.

Abraham de Graaff aan Christiaan Huygens.

17 april 1691.

        Mijn Heer

17 April 1691.    

    Sende VE hier nevens het kasie, het Loot, 2 pennen en de strik, zoude het eerder gesonden hebben, maar ben seer belemmert geweest met de Exames der Stierlieden, het welk ook oorsaak is geweest dat ik VE Tractatiens, mij laast gesonden, maar even heb ingesien: ik bedank daarvoor VE hartelijk: bij occasie sal ik hen, en voornamelijk het laatste, wat naukeuriger nazien: maar het is beschreven in een taal waarvan ik gansch onkundig ben; en t'en ware het de Mathesis raakte, ik zoud er geheel niets uit konnen verstaan.

    Ik hebbe niet de minste tijding van mijn zoon, noch en verwacht ze ook niet als met de Retourvloot.

    Ik zie dat VE memory niet onfeylbaar is, of ik moeste VE qualijk onderricht hebben, dat ik niet kan geloven. 't is niet deze eygenschap waarin Thirnhaus geabuseert is, die VE mij voordraagt, welke ik mede goet bevonden hebbe, maar de eerste, waarin hij wil dat altijt HD = DK zal wezen 1).

    Mijne calculatie heeft mij gegeven de volgende getallen

kromme lijnen, berekening


1)  Zie over deze fout No. 2626 [IX, 511].

[ 80 ]

    Waar uyt blijkt het merkelijk verschil met het geene Thirnhaus daarvan affirmeert. daar zoude wel eenige misrekening in konnen wezen, alzoo ik het zelfde alleen, en dat maar eens, uytgerekent hebbe: doch het kan niet merkelijk wezen. Ik hebbe ook vaak instuytstraalen getrokken, in een groote en net verdeelde Cirkel, die ik gedrukt hadde, en daarin quam het oogschijnlijk overeen met de voornoemde getallen.

    En zoo ik 't wel onthouden hebbe; de autheur gaat deze eygenschap ook voorbij in de Acta van Lypzig 2), alwaar hij nochtans de andere aantekent en bewijst 3).

    Ik hadde het abuys aan Monsr. Macreel 4) gecommuniceert, welke zeyde met hem te corresponderen, en ik vertrouwe dat die hem daarvan kennisse zal gegeven hebben.

    Ik hebbe voor omtrent 2 jaren eens nagespeurt zijn Regel op de Quadrature der kromlinische figuren 5): doch kon der niet door komen, omdat ik niet kon vinden de getallen die hij voegt bij i, k, en l.

hij stelt i =   ca + 2 dx
k =  2eaa + 3 fax + 4gxx
l =   3ha3 + 4 iaax + 5kaxx + 6lx3
naar mijn gissing moesten der andere getallen bijstaan kleender als deze doch omdat de geheele zaak mij duyster bleef, zoo geloof ik dat ik hem niet wel zal gevat hebben: hierom, zoo VE mij dies aangaande eenige onderrichting kon geven, het zoude mij aangenaam zijn.

    Zijn Regel op de Tangenten 6) heb ik gevonden en zijn methode op de wegneming der tussentermen 7) scheen mij toe dat ik zoude hebben konnen magtig werden; doch ben niet tot de uytrekening gekomen.

    Ik hebbe de Hr. Blocquery laten lezen hetgeene UE wegens de horologymaker schrijft: zijn E. geliefde te antwoorden dat aan de Hr. van Dam, in den haag zijnde, zoude geschreven werden om de Rekening te betalen.

    Afkortende, verblijve, naar cordiale groeten,

        Mijn Heer

Sijn ootmoed.en Dienaar    
Abraham de Graaff.    

    Amsterdam den 17 April 1691.
2)  Het artikel van 1690, zie noot 15 bij No. 2626 [IX, 513: 'Methodus curvas determinandi, quae formantur a radiis reflexis, quorum incidentes ut paralleli considerantur, per D. T.'], waarin von Tschirnhaus de fout erkende in zijn artikel van 1682. De juiste constructie had hij waarschijnlijk ontleend aan Traité de la lumière van Huygens.
3)  Cf. p. 72 van het artikel van 1690.         4)  Dirck Makreel, zie No. 2485, noot 3 [IX, 214].
5)  Het artikel van von Tschirnhaus, aamgehaald in noot 10 van No. 2274 [VIII, 384, 1683: 'Methodus datae figurae ... aut quadraturam, aut impossibilitatem ejusdem quadraturae determinandi'].
6)  Zie No. 2274, noot 8 [VIII, 383].         7)  Zie No. 2274, noot 11 [VIII, 384].



[ 91 ]

No 2679.

Christiaan Huygens aan Abraham de Graaff.

[april 1691].

        Mijn Heer De Graeff.

    VE schrijven te saemen met het kassie en loot sijn aen mij desen morgen wel bestelt. Oock hebbe verstaen dat de Horologiemaecker van wegen de Heeren Bewinthebbers sijn Rekeningh betaelt is, apparentelijck ingevolgh van VE vermaningh aen de Hr. van de Blocquery, waer van ick VE bedancke.

    Weynighe uren nae dat ick aen VE geschreven hadde 1), soo quam mij te vooren de plaets in de Acta van Leipsick van 't jaer 1682, daer Tschirnhaus de valsche constructie geeft van de kromme linie door Reflexie van de holle spherische spiegel gemaeckt, die ick te vooren noijt geëxamineert en hadde. Maar denckende dat hier misschien de misslagh sitten soude daar VE mij van gesproocken hadde doch niet particulier aengewesen, soo gingh ick dit ondersoecken 2) in een geval alleen 't welcke geen langhe rekeningh van noden heeft, kromme lijnen te weten als in de halven circel ADC, wiens center B, den boogh CD van 60 gr. is, sijnde FD de invallende strael. hier getrocken hebbende DA en nemende daer in DE sijn vierdepart, soo is E een der waere punten in de kromme VEC. door 't welck treckende REG rechthoekigh op AC, en snijdende de halve circelboogh BHC, uyt F beschreven in H, soo mosten volgens Tschirnhaus eerste constructie RE, EH gelijck sijn.

    doch het blijckt dat FG hier is = 1/4 AF, en FB = 1/3 AF, daerom BG = 1/12 AF ofte 1/8 AB. En het rechthoek CGA, tot het rechthoek CGB gelijck 9 tot 1, en soo mede het qu. van RG tot het qu. van HG, dat is RG tot HG als 3 tot 1, en bijgevolgh moeten GH, HE, ER malkander gelijk zijn. Voorts treckende DC, EF soo sijn die evenwijdigh, en daerom den hoeck AEF recht: en het quadr. van EG gelijck aen den rechthoek AGF, maer het qu. EG is = 4/9 van 't qu. RG, dewijl het qu. HG was gelijck 1/9 van 't selve qu. RG.


1)  No. 2670 [<].         2)  Zie No. 2626, noot 10 [IX, 512].

[ 92 ]

Ergo het rechthoek AGF oock = 4/9 van 't qu. RG of 4/9 van rechthoek AGC. Ergo GF tot GC gelijck 4 tot 9. maer GF is tot GC gelijck 3 tot 7, dewijl BG was = 1/8 BC, soo is dan 4 tot 9 gelijck 3 tot 7; en 28 gelijck 27, daerom Mr. Tschirnhaus constructie vals, die apparentelijck alleen op de afmeting van de passer gegrond was.
Het is aenmerckens weerdigh dat als hij Ao. 1682 in de Acta van Leipsich voorgaf een generale methode te hebben om sulck slagh van kromme liniën uyt reflexie voortkomende door puncten uijt te vinden, en tot een proef daer van bijbracht dese valsche constructie, dat hij alsdoen noch dese kromme niet en kende, noch oock de voorn. generale methode. En ick geloof vastelijck dat hij sijn misslagh eerst gewaer geworden is nae dat hij de rechte constructie in mijn Tractaet de la Lumiere gesien heeft, welcke hij terstont als door hem gevonden in de Acta van febr. 1690 heeft doen stellen 3) als oock dat dese kromme een Cycloide is, 't welck VE mede in mijn tractaet sult vinden, waer uyt lichtelijck volght dat se oock door het ontwinden van een gelijckformighe linie kan beschreven worden 't welck hij in de Acta van Apr. 1690 seer breedt heeft doen insereren alhoewel overlangh bekent 4).

    'T geen hij aengaende het vinden der quadraturen uytgegeven heeft en is niet geschreven om verstaen te worden en ick heb reden van te gelooven dat hij hier op soo generalen regel niet en heeft als hij derft seggen. 'T waer anders een seer nutte vondt en ick ben noch tegenwoordigh besigh om er toe te geraecken. de weghneming van de tusschen termen der equatien is van geen voordeel, loopende soo hoogh dat den Autheur selfs noit eenigh exempel daer van heeft konnen geven dat verder gaet als de regel van Cardanus en hoe kan hij dese termen weghnemen selfs in de cubische equatien in het geval daer Cardanus regel geen plaets heeft.


3)  Zie No. 2674, noot 2 [<].         4)  Zie No. 2626, noot 19 [IX, 514].



[ 204 ]

No 2716.

Chr. Huygens aan A. de Graaff.

13 december 1691.

Samenvatting:   Aen de Graef of hij tijdingh heeft van zijn zoon.
En of hij weet hoe het met de proef van de inventie van Liewe Will. Graef [<] afgeloopen is.



[ 205 ]

No 2718.

Abraham de Graaff aan Chr. Huygens.

17 december 1691.

Amsterdam den 17 December 1691.        

        Mijn Heer van Zelem

    UE aengename van den 13 deser is mij den 15 terhand gekomen. Zoude aanstonts daarop geantwoord hebben, maar dewijl UE gaarne iets zoude willen verstaan wegens de horologiens, waar van ik niets ter werelt hadde verstaan, zoo hebbe tot nu toe gewacht. 'T is dan zulx, dat mijn Zoon, en ook de twee andere aan de Caap de bon esperansa zijn gebleven, door dien indispoost waren, en niet bequaam om aanstonts te repatrieren, waren echter aan de beterhand, zulx dat wij haarlieden niet voor de naaste zoomer of herfst en hebben te verwachten. Ik hebbe twee brieven van miijn zoon ontfangen, een van St. jago, en een van de Caap voornoemt, maar vermelt in geen van beyde iets van de horologiens: doch ik verstaa soo heden van mijn jongste zoon, die op het oostyndische huys eenige affaires heeft, dat hij den brief hadde horen lesen, geschreven aan een van de

[ 206 ]

Heeren Bewinthebberen, door de Schipper van Brandenburg, genaamt Evert Verbrugge, seggende, aangaande de horologiens van Mons.r de Graaf, dezelve zijn tot aan St. jago goet bevonden, hebbe echter tot dus verre weynig vruchts daar van konnen bemerken. Dit is alle het geene ik daarvan gehoort hebbe. Hebbe ook geheel niets vernomen wegens het succes van L. Willemz. Graafs inventie: daarvan iets positiefs vernemende wille het UE gaarne mede deelen.
    Blijve midlerwijle

        Mijn Heer

Zijn ootmoed.e dienaar        
Abraham de Graaff.        

woont tegenwoordig in de Elantstraat in de Salamander.

        Aan de E. Heer
Mijn Heer Cristiaan Huygens Heer van Selem
                in 's Gravenhage.
        int noordende naast de Crabbe.




No 2720
J. de Graaf, G. Meybos en P. van Laer aan de Bewindhebbers
van de Oost-Indische Compagnie. 1691.



[ 166 ]

No 2703.

J. de Graaff aan Chr. Huygens.

27 oktober 1692*).

      Edele, Achtbare Gestrenge en Zeer discrete Heer

          Mijn Heer

    dit wijnige heb ik niet ondienstigh connen oordelen om UEdle te adviseren; hoewel ik niet twijffel off UEdle sal genoeghzaam verstendigh zijn het aankomen van de Oost Indische Rethour schepen in de have van ons Lieve Vaderland (waar voor de Heere onse God alleen alle Loff, prijs en Eere toekomt) zijn wij toen mede op dat pas met Een derselve wel gearriveert en tegens woordigh van Zeeland (want wij in de have voor Ter Veer ten anker, schoon het schip voor de kamer Amsterdam thuys hoort, zijn gekomen) alhier in de stad zijn gearriveert, en de horologien met de instrumenten in een Lichter gescheept, om achtervolgens vervoert te werden en op 't Oost Indische huijs tot nader ordre zijn verblijfft plaats te nemen; aangaande de proeff bij de horologien uijtgestaan 1) iets te schrijven off te spreken sal ik UEdle ordre af wachten & hier mede blijve ik als te voren

UE Gehoorsaamste en onderdanigste dienaar    
Joan: de Graaff.            

Actum den 27 October
        Amsterdam

            Aan de
WelEd.le Geboore, Wijse, en
    Zeer Genereuse Heer
de Heer Cristiaan Huijgens
        Heer van Zuylichem &ta
                Tot
            's Graven Haagh.

*)  I.p.v. 1691, zie p. 814.
1)  Zie over deze expeditie No. 2656 [<], en de Table des Matières van IX [648] bij "Expériences sur mer ...", vanaf p. 418 [overzicht hier].
[ XVIII, 642: van 20 tot 25 mei waren de uurwerken aan boord van "schip de Hoop ten ancker leggende aan de Caap", vervolgens "op het schip Spierdijk geplaast om daermede naar het vaderlant te retourneren".]
[ XXII, 362: op 26 september 1692 dacht Huygens dat de thuiskomst van de Graaf en de uurwerken nog wel een jaar zou duren.]



[ 339 ]

No 2772.

J. de Graaff aan Chr. Huygens.

11 november 1692.

        a) Edle Actbare

    UEd.le Laatsten alzook de Eerste brieven zijn mijn bijde wel toegevoeght, waar uijt ik ook wel verstaa de grote verlangingh die uE achtbare ontrent de horologien vertoont te hebben. Wegens dien aangaand gepasseert is, en hadde al overlangh gedacht UEd.le achtb.re bij te zijn; maar nadien ik nogh geen ordre en heb van de Ed.le Heren bewinthebberen hoewel ik mijn genoegsaam aan haar Ed.le vertoont hebben en zij ook wel weten dat ik hier ben zoo weet ik niet waar heen ik mijn keren zal, Ende dewijl dat ik geen andere voornemen heb, als om uE.le achtb.re onderdanigheijd te betonen, ik twijffel evenwel niet off ik zal int cort, daarvan Rapport bij de camer van 17.e dat op morgen of overmorgen dencke geschiede zal of haar Ed.le zullen wel apperent en dat ik voor tnaasten wel gelooff mij tot UEd.le achtb.re afsenden &a om aan UEd.le achtbaren met ten Eerste rapport te doen ik hope UEd.le achtb niet ten quaasten sullen duijden dat ik tot hier toe heb vertoeft als zulx wel meest toegekomen door dien ik niet in genoegsamen staat van gezontheyt was.

hiermede Eyndighende blijve

UE dienstwillige en Altijt begerende dienaar
J. d. Graaff.        

Actum tot Amsterdam
    Ao 1692 11 novemb.

    als UEd.le schrijf zoo kunt uEd.le schrijven in den Elandstraat in de Salamander aldaar ben ik bij mijn E vader thuijs.

Aande WelEd.le Achtb.re wijze Erenfeste en zeer discrete Heer
Mijn Hr. Cristiaan Huygens Hr van Zelem &.
Tot Voorburgh buyten den Haagh.

a)  geantwoord den 25 nov. Versoeck dat hij magh overkomen, en daartoe van de H.ren Bewinthebbers orders krijgen [Chr. Huygens].



[ 341 ]

No 2774.

J. de Graaff aan Chr. Huygens.

19 november 1692.

        Eed.le Gestrenghe Heer

    UE heerlyckheden zullen myn Tardatie ten besten hoop ik duijden als hebbende niet wel durven toesenden voor en aleer ik de Journalen en aan Teyckeninghen ter Loop hadde naar gesien; hoewel ik ze vrij nauwkeuriger wel behoorden naar te sien maar nadien de tijt geëxpireert is, van ze Langer bij mij te houden hopende dat het UEd.le niet qualyck zal gelieven te nemen als verzekert zynde wegens UEd.le wijsheyt en goede intentie dat er dus Langh mede hebbe getoeft; brengende hiermede de heen en werom reyse in een gebonden 1); met UEd.le instrucktie wat op de Reyse ontrent de horologien te doen staat 2) mits Gaders, een verdedinge van de vorige ryse 3) daarin een Tafel 4) in is uijt beeldende de Cortheyt off Lankheyt des pendulums naar maten van yder Graat bretens alt welk ik UEd.le hiernevens senden in voegen ik met alle behorelijcke Eerbiedigheijt ben en blijven zal UEd.le

Gehoorzamen en Eyge dienaar
J. D. Graaff.        

Actum den 19 Novemb. Ao 1692
            Amstelodami.

        Aande
Eed.le Achtb.re Gestrenge wijse voorzienige Hr.
    Mijnhr. Cristiaan Huygens hr. van Suijlichem
                Tot s' Grav Haagh.
    int noord
        Eijnde.


1)  Dit stuk is niet gevonden.
2)  Zie over deze instructie No. 2602, 2615, 2621 en 2622. Voor die van de reis van 1687 zie No. 2423, en voor wijzigingen No. 2520.
3)  Waarschijnlijk een kopie of uittreksel van het Rapport van Huygens, No. 2519.
4)  Zie het genoemde Rapport, p. 279.



[ 389 ]

No 2786.

Christiaan Huygens aan J. de Graaff.

10 februari 1693.

Haghe den 10 feb. 1693.        

        Monsieur De Graef.

    Hebbende sedert eenighen tijdt mijn werck gemaeckt van UE Journalen te examineren, waer in ick heel iet anders vinde als UE selfs gemeent heeft 1), te weten dat van S. Jago tot de Caep de Lengde seer perfect is afgemeten door 't horologie volgens de nieuwste Caerten en Globen, gelijck UE self sult bekennen, en sonder twijffel sich verblijden dat al UE getrouwe arbeijdt en menighvuldige observatien niet vruchteloos sijn aengewendt. Hier dan mede besigh sijnde en om de Heeren Bewindhebberen van alles te onderrechten soo is desen om UE te versoeken dat mij wilt doen weten of in 't examineren van den loop der horologien gedurende UE verblijf aen de Caep, deselve op de selfde manier opgehangen waeren in een diergelycke hockjen als op de weerreys. Gelijck dit buijten twijffel veel gecontribueert heeft tot haer irreguliere gangh onder weghen, soo soude het van gelijcken de ongelyckheydt aen de Caep geobserveert excuseren konnen, daerom wensche ick hier de rechte waerheydt van te weten. 'T geen UE quaelijck gerekent hadde in 't Journael van S.e Jago tot de Caep, was dat de correctie van wegen d'ongelycke loop des Pendulums nae maten der Breedte, overal geaddeert is daer gesubtraheert most werden et contra 't welck niet seer te verwonderen is in dese nieuwe Rekening, alwaer apparentlijck UE voor een generalen regel sult genomen hebben 't geen ick in mijn Raport 2) van de Proef van 't jaer 1687 in d'Explicatie van de 7de Colomne geseght hebben 3) 't welck nochtans maer op het voorval aldaer is passende.


1)  Zie brief No. 2773.         2)  Zie No. 2519.
3)  Op p. 284 van het Rapport. Zie daarbij de noten 9*) en a).

[ 390 ]

    Voorts heb ick niet konnen vinden waerom UE de voorsz. Correctien wel en nae behooren gestelt hebbende in de 9 Colom van de Tafel de selve doorgaens heel anders in 't Journael begroot hebt. Ick sal dan hiermede eenigh bericht op verwachten blijvend

UE dienstw. dienaer        



[ 396 ]

No 2789.

J. de Graaff aan Chr. Huygens.

14 februari 1693.

Actum Amstelodami den 14. february Ao. 1693.       

        Edle h.r Cristiaan Huijgens &.a

    UEd.le missive van den 10e deser Lopende maand, is myn behoorlyck ter hand gekomen, daar op gisteren UEd.le achtb. al zoude een antwoord toegevoeght hebben, maar de post was Juijstem vertrocken, daar door my de gelegentheit voortgekomen is omse noch eens uijt te schrijven.

    't Eerste dan, 'twelk in UEd.le achtb. zeer g.Eerde Letteren gebleken is, was of de horologien zoodanigh aan de Caap opgehangen zijnd geweest alse wel op het Rethour schip de Hoop off ook daar na in de weerreys op het retour schip Spierdyck &.a zyn opgehangen geworden 1), daar op UEd.le achtb. int welnemen moet antwoorden (gelyck den horologiemaker Meybos en pieter van Laar 2) niet onbewust connen zijn) dat aan de kaap het hockie


1)  Zie over de ophanging No. 2423, § I-IV, en de brieven No. 2602, 2621 en 2646.
2)  Over Meybos en van Laar zie noot 1 van brief No. 2638.

[ 397 ]

hokje aldus gemaakt zijnde te weten aedfa de muur daar het hockie tegen aangemaakt is, en abcda is de supervlackte van ditto hokie, zijnde wel waar, dat dese plancken zoo hoogh niet opgetrocken zijn tot de solderingh toe die hier wel 14 a 15 voet van de grond af te rekenen hoog worden gemaakt, gelijck wel in de schepen die ontrent 6 a 7 voet in de cajuijt verdiepingh alleen hebbende, is geschiet, daar men het hockie romme en tom tot tegen de solderingh heeft afgeschoten en schoon genomen daar waren aan de caap zodanige langen plancken geweest om sulx te doen, hoe wel daarvan geen blijk heb.e gesien; men soude wederom verlegen hebben geweest omze telkens op te winden, omdat men der immers niet can bijrijken en darom vond ik alleen goet het hockie zoo hoog te betrecken dat mender bequaam kon in en uijt komen om het geener aan verricht moest werden te konnen uytvoeren en heb het toen met dubbelt zijldoek de oppervlackten bfdcb bekleet; ook zoo was ditto hockie pal en vast genoegh met crammen en weerhaken aan de muur vast gehecht; doen heb ik twee balkies gh, ik eens deels op de Rand bc met spijkers in geheit, anders deels aan de Eyndens g, f wel ter degen in de muur ae vast gehecht, niet vergetende alvoorens te Letten offze wel horizontaal waren vast gemaakt, toen de beugels daar onder aan geschroefft en opgehangen als UEdle instructie 1) is Luijdende en ook wel in mijn Journaal veeltijts aangehaalt is.

    De ongelijcke Loop die ze aan de caap en op de werom Reyze gehad hebbe daar van meen ik dat UEd.le achtb. veele beweijzen in de Journalen te zijn; als UEd.le maar de selfde gelieft in te zien in de Toevallen der Horologien, aldaar sult UEd.le connen zien, hoe dickmaals deselve hebben stil gestaan, dan hier door dan door die oorzaaken Ja ze hebben zo dickwils stilgestaan dat ik zomtyts onnodigh geacht hebbe om int Journaal aan te teijkenen; vraaght men na de Reden en warom heb je niet eens te deegh Laaten verstellen dat het daar geen noot van mochten hebben; ik zal het UEd.le achtb. in't welnemen seggen hoe wel ik niet en twijffel off het staat vrij wat breder int Journaal geannoteert, de veer van het eene horologie is twee a 3e maal een Entie affgebroken geworden, te kort geworden zijnde aan stuckent gebroken, hier op staat er wel int Journaal dat men Een andere heeft gemaakt, maar het werk was evenwel niet zooals 't hoorden twelk naderhand gebleken is, gelijck UEd.le a. breder, naakter en klaarder uijt de voorschr.r Journalen sult gelieven te konnen beoogen ten Laatste wegens het adderen en substraheren en Contra, dat by my averechts is gedaan daar weet ik niets op antwoorden, ende de verkleijningh der Tafelen ontrent Journaal, dat heb ik niet verandert, omdat haar verschil niet groot was, want doen ik die tafel daarop maakte, zoo hebbe deselfde de novo uijtgerekent, en zagh toe dat haar uijt rekeningh iets verschilde heb het toen onverandert Laten staan het zoude onder Correctie beter zijn UEd.le achtb. van dese mondelingh te spreken alzoo ik meen dat UEd.le beter van alles


3)  Zie voor deze instructie noot 2 van No. 2774.

[ 398 ]

onderrecht zouden werden, en daar op de E: H.ren bewinthebberen verzoeken mijn dien aangaanden te moeten spreken.

    Hier Mede wensch UEd.le een geluckzaligh jaar en blijven vorders

UEd.le Gehoorzaamste dienaar    
Joan: de Graaff.            




Home | Christiaan Huygens | X | Abraham en Johannes de Graaf (top)