Stevin | Havenvinding - intro | Woordenlijst

Overzicht , Inleiding , declinatie , haven , tabel , kompas , Haeyen ,   2e versie ,   Noten



Stevins Havenvinding

De kompasnaald wijst niet overal precies naar het noorden. Kan deze variatie gebruikt worden voor plaatsbepaling op zee? Stevin dacht van wel, en zijn uitleg werd door velen gelezen. Er is een uitvoerige 'Introduction' in Principal Works (pdf) III, 363-417.




Inleiding

Omstreeks 1600 was varen op een oceaan nog geen routinewerk. Niet alleen waren er nog geen betrouwbare kaarten, het was ook onmogelijk om de precieze plaats te bepalen van een schip op zee. In theorie lijkt dit niet moeilijk: als je de afgelegde afstand weet, en de richting, dan ken je je verplaatsing. Maar het water staat meestal niet stil. En een kleine fout in de koers geeft op den duur een heel grote fout in de plaats. Bovendien is de Aarde niet plat.

Andere mogelijkheid: als je zuidelijker komt staat de Zon midden op de dag hoger aan de hemel (en de Poolster 's nachts lager), en naar het westen reis je met de Zon mee. De noorder- of zuiderbreedte was vrij nauwkeurig te vinden, maar voor het bepalen van de wester- of oosterlengte bestond nog geen praktische methode. De theorie was in 1530 door Gemma Frisius beschreven: de lengtegraad is te bepalen met behulp van een nauwkeurige klok. Nog niemand had er een kunnen maken die maanden lang goed liep op een deinend schip. De ernst van het 'longitude'-probleem wordt duidelijk als je berekent hoe snel de Aarde draait: bij de evenaar wordt in vier seconden een zeemijl afgelegd.

In Stevins Havenvinding wordt een andere methode beschreven:
- ga na hoe de kompasnaald afwijkt van het 'rechte' noorden (te vinden met Zon of Poolster),
- vergelijk met een tabel waarin staat hoe de afwijking is in de haven die je wilt vinden,
- zorg dat je zo vaart dat het verschil steeds kleiner wordt.
Als je op de goede breedtegraad zit kom je dan vanzelf op de begeerde plaats.

Het was al langer bekend dat dit in principe mogelijk was, en de methode werd soms al toegepast, maar er waren nog veel te weinig gegevens. De verwachtingen waren hoog gespannen, en Stevins boekje (28 blz) gaf voor het eerst een duidelijke uitleg. Het kwam in 1599 ook uit in het Frans, in het Latijn (vertaling van Hugo de Groot, 16 jaar, zijn vader had met Simon Stevin samengewerkt), en in het Engels (vertaling van Edward Wright).  1

Pas na 1700 kon de variatie van het kompas met enige betrouwbaarheid gebruikt worden ter plaatsbepaling op zee: Edmond Halley had veel metingen gedaan, en een kaart gemaakt met lijnen van gelijke magnetische declinatie (maar alleen voor de Atlantische Oceaan). De nauwkeurigheid van de methode was gering, en nog veel stuurlieden zagen onverwacht een kust opdoemen.

Anderen probeerden het longitude-probleem op te lossen met de manen van Jupiter (tijdstip van eclips). Maar in 1765 was duidelijk dat John Harrison de prijs van 20 000 pond verdiende: zijn klok had een afwijking van maar enkele seconden per maand, op zee.


Declinatie

Hoe bepaalt de stuurman op zee de geografische lengte? Blz 3:
Tis kennelick datmen over langhen tijt, voornaemlick sedert dat de groote zeevaerden op Indien en America begosten, middel gesocht heeft, waer deur den Stierman op zee mocht weten, de eertrijcxlangde der plaets daer teghenwoordelick sijn schip is, om alsoo te commen totte havens daer hy begeert te wesen, sonder datmen alsnoch tot sulcke ghewisse kennis der langde heeft connen ghecommen:
Bij de zeilvaarders was bekend dat de kompasnaald meestal niet precies naar het noorden wijst, en dat deze magnetische declinatie, of variatie, afhangt van de plaats.  2
Het was nog de vraag of er een magnetische noordpool bestaat (en daarmee een verband tussen declinatie en lengte), maar volgens Stevin was het probleem van de plaatsbepaling nu oplosbaar:
sommighe verhopende die te vinden deur de verscheenwysing der zeylnaelde, hebben de selve verscheenwysing een aspunt {Polum.} toeghescreven, die noemende seylsteens aspunt {Polum magnetis.}. maer men bevint na wyder ervaringhen, dat die afwijckinghen sich na gheen aspunt en schicken.

Doch so heeft nochtans het soucken van dien, middel veroirsaect om tot een begeerde hauen te gheraken, niet teghenstaende des havens en schips ware langden beyde onbekent sijn.

Om dit goed te begrijpen,
soo is voor al te weten, datmen deur ervaring bevint, de zeylnaelde tot verscheyden plaetsen [...] seer verscheydelick te wijsen, als tot sommighe oirten recht Noort, tot ander wyckse na t'Oosten, elders na t'Westen, welcke veranderinghen alsmen van t'Oosten na t'Westen treckt, op kleyne weghen seer merckelick sijn;
als by voorbeelt t'Amsterdam wyckse na t'Oosten 9. trappen {Gradus.} 30.( I ).  An t'voorlant van Enghelant 11. tr.  Te Lonnen 11. tr. 30.( I ).
Na de inleiding begint op blz 4 het algemene stuk voor de zeevaarder "Hoemen een haven of landt vindt":
Sulcke naeldwysing, metsgaders de breede der plaetsen bekent sijnde, deur ervaring der ghene diet metter daet alsoo bevonden hebben, men can daer me sonder langde te weten de plaets vinden. [...]

Aengaende ymant mocht seggen; datter wel noch ander plaetsen sijn vande selve breede en naeldwycking [...]: Tis waer, maer sij vallen seer verre van daer, ende can uyt dander onderkent worden, deur seker omstandighen, van welcke wy hier na segghen sullen.

Stevin wist nog niet dat deze naaldafwijking (variatie) van het kompas mettertijd verandert  3:
Want dat de naeldwycking die eertijts tot Cabo Sant Augustin [in Brasilie] was 3. tr. 10.( I ). nu daer niet wesen en soude, de reden en laet niet toe sich sulcx voor te stellen om daer op te werck te gaen:

Haven

Een betere methode voor plaatsbepaling was hard nodig (blz 6):
eenen seylende na het Eylant van Sint Helena, ende gecommen wesende tot des selven Eylants breede, nochtans dat Eylant daer niet vindende, oock niet wetende of hyder oost of west af was, heeft al ramende oostwaert ghesocht, dat westwaert lach, ende hoe hy verder alsoo voer, hoe hy verder vande begeerde plaets gerocht: [...]
(die wel ettelicke weken lanck dat Eylant socht, ende ettelicke mael daer rontom voer eer hyder in gherocht) [...]

Hierby machmen verstaen hoe noodich de kennis der naeldwijsing is: Te meer dat de gene die met wetenschap der seylstreken {Rumbi wordense byde Portugesen ghenoemt.} wil varen (twelck den Stierman op groote seylaghen niet en behoort onbekent te sijn) over al het recht noort moet weten

Zeilstreken waren "de linien die seylende schepen beschrijven", zoals Stevin later definieerde in boek 4 van het Eertclootschrift. De stuurman moest rekening houden met de variatie van het magnetische noorden, anders kwam hij verkeerd uit. Kennis van die variatie was ook van belang voor goede kaarten:
hier beneffens noch [...] de onsekerheyt vande ware plaetsen der landen, die na tsegghen der Stierlieden op de eertclooten gheteyckent worden, spruytende daer uyt, datse het wijsen der leli die elck van huys brengt, altijt voor noort houden
De lelie was een der 32 streken van de windroos, een 'papier' waarboven of waaronder de kompasnaald kon draaien. Van die onzekerheid is een mooi voorbeeld te zien op de kaart van Ortelius uit 1570: de westkust van Zuid-Amerika stulpt uit. Nieuwe informatie was afhankelijk van het kompasgebruik van stuurlui die er geweest waren, en in 1587 werd die kust recht getekend.
De naaldafwijking moest goed onderzocht worden:
wantmen deur zeecompassen daer toe bereyt, de leli al seylende altijt recht noort can doen wijsen, midts de naelde of t'bestreken ijser, soo veel vande leli te verdraeyen, als de saeck vereyscht.
Bij korte reizen in hetzelfde gebied werd zelfs wel een kromme naald gebruikt. Maar dat was natuurlijk een lapmiddel. Admiraal Maurits wilde het systematisch aanpakken:
Nu alsoo Sijn E X C E L L E N T I E  de voorgaende saken rijpelick overdocht hadde [...], heeft als Admirael vander zee, ande Admiraliteyt seker oirden ghestelt, ende onderwijs ghegheven, om te weghe te brengen dat de Stierlieden op sulcke reysen varende, hun daer na ghevougen:
Namelick datse van nu voortaen tot veel plaetsen daerse commen, metter daet ende wel sorchvuldelick, ondersoucken de afwijckinghen der seylnaelde vant noorden [...]:
Ende van haer reysen weerghekeert sijnde, daer af ghetrouwelick verwitting doen ande voorscreven Admiraliteyt, welcke de selve ervaringen [...] ten ghemeenen oirboire an yghelicken openbaer maken.
In dit kader paste Stevins Havenvinding: uitleg van de beschikbare kennis in eenvoudige taal.


Tabel

Een begin was er al, Stevin kon een tabel presenteren met:
de naeldwijsighen  4 dieder alree gagheslaghen sijn, welck den hoochgeleerden Eertrijcxschrijver Heer Petrus Plancius, deur langdeurighen arbeyt, en niet sonder groote costen by een vergaert heeft, uijt verscheyden houcken des eertbodems, soo wel verre als na gheleghen:
Plancius (1552 - 1622) was predikant in Amsterdam, en cartograaf (maakte o.a. een wereldkaart). Hij was een dergenen die meenden dat er magnetische polen en magnetische meridianen moesten bestaan, en hij had een 'lengtevinder' bedacht. Op een gewoon astrolabium moest een soort gradenboog gelegd worden met gegevens van de kompasvariatie, en zo was volgens hem de lengte op zee te vinden.
Stevin was een dergenen aan wie de Staten van Holland in 1598 vroegen deze 'inventie' te beoordelen, maar in de Havenvinding wordt het instrument niet vermeld. Kennelijk geloofde Stevin niet in een wiskundig verband tussen variatie en lengte.  5

Volgens de tabel zijn er twee gebieden: in het eerste 'perk' wijst de kompasnaald oostelijk van het noorden, in het tweede westelijk. De grenzen worden geacht meridiaancirkels te zijn, op 0°, 60° en 160° oosterlengte, waarbij het begin van de lengtegraad genomen is op de Azoren: "een der Vlaemsche Eylanden Corvo" (nu op 31° 08' WL).  6
De gegevens zijn nog voorlopig, er kunnen andere waarden gevonden worden:

dat ons sulcx van t'voornemen deser ondersoucking niet en behoort af te keeren, maer veel eer daer toe te trecken [...]

wy sullen mettet waerschijnlickste dat ons nu bekent is voortvaren, al oft warachtich waer; want elck tsijnder tijt der ghelijcke doende, men sal twarachtichste dat inde nateur daer af is, allenx naerder en naerder meughen gheraken.

De gegevens zijn ook beperkt: 160 lengtegraden, minder dan de helft. Toch waren er al reizen rond de Aarde gemaakt: Magellan (1519/22), Drake (1577/80), Cavendish (1586/8).
Maer vande rest des eertrijcx, te weten van Cantan oostwaert, of van Corvo westwaert, en overcommen de ervaringhen niet die hem [Plancius] van Spaengjaerden, Engelschen en onse zeevaerders ter handt ghecommen sijn, als ghedaen wesende sonder bequamen tuych, en ghenouchsaem wetenschap:
Doch verwacht hy van daer alle daghe nieuwe zeker ervaringhen, deur schepen die meer dan veerthien maenden uijtgheweest sijn.
Twee Nederlandse vloten waren in 1598 vertrokken voor een reis om de wereld. Van de negen schepen zou er maar één de reis voltooien (1601, Olivier van Noort).  7
Dat de zeevaarders hun moeizaam verkregen gegevens niet altijd welwillend afstonden, en soms vervalsten, is bekend gemaakt door Albert Haeyen (zie hier onder).

Stevin maakt dan een 'gissing': hij verdeelt de hele Aarde in zes perken, met afwisselend 'oostering' of 'westering' in de naaldwijzing. De zes perken verdeelt hij weer in tweeën: toenemend dan wel afnemend, bij een reis naar het oosten.

In de tabel blijkt hoe onnauwkeurig de lengtebepaling was: tussen Corvo (Azoren) en Amsterdam was een verschil gevonden van 39° 30', het is 36° 3'. Kaap de Goede Hoop werd zo'n 7° te ver naar het oosten gedacht, en in Indië en China was deze fout opgelopen tot 15° (Goa, Bantan, Canton). De afwijking was nog groter in het geval van een enkele reis: het 'Behouden Huijs' op Nova Zembla lag volgens de tabel 23° oostelijk van waar het teruggevonden is!
Daarentegen zijn de gegevens voor noorder- en zuiderbreedte meestal nauwkeurig tot op een kwart graad. Uitzondering is Corvo: meer dan 2 graden te laag (is bij vergissing dezelfde waarde genomen als die van Santa Maria?).


Kompas

Vanaf blz 21 legt Stevin uit hoe het noorden bepaald wordt, met de Zon en de schaduw van een snoer:
Ghelijck den Stierman int soucken der breede, wacht tot dat de middach ghecommen is, te weten tot dat de schaeu van een hangsnoer of rechtsnoer, overcomt mette lini die hy in sijn compas voor de middachslijn houdt, alsoo sal hy hier doen
Het is moeilijk te bepalen wanneer de Zon precies op zijn hoogst staat, dus moet het twee maal, voor en na de middag bij even hoge zonnestand.
instrument Een speciaal instrument, van Reyner Pietersz, maakt het makkelijker:
niet teghenstaende de beweeghlicheyt des schips, altijt in waterpas [...]
hanghende ghemaect op twee verscheyden assen, na de manier der zeecompassen [...]

Ende op dattet selve noch meerder sekerheyt hebbe, soo worter onder een ghewicht an vervought gheteyckent H, van 25. of 30. pont, of soo veel als de grootheyt vanden tuych vereyscht.

Het is een 'azimuth-kompas', voor zonshoogte en magnetische declinatie, met een 'wijsreghel' (alidada) en 'sichtgaetkens', opgehangen zoals gewone zeekompassen, volgens een uitvinding van Cardano (Stevin noemt hem niet hier, wel in de Weeghconst).
Bij nacht kan een ster genomen worden, maar de Maan is niet geschikt, wegens "heur rassche eyghen loop".

Reynier Pietersz. van Twisch vroeg octrooi aan in 1597, en zijn uitvinding werd in 1598 onderzocht door een commissie: Josephus Scaliger, Ludolf van Ceulen, Rudolph Snellius, en Simon Stevin.
    Een afbeelding is te vinden in G. de Nautonier, Mecometrie de leymant (1603-4), p. 222; in A. Kircher, Magnes, sive de arte magnetica (1641) p. 504; en in Edward Wright, Certain errors in navigation, 1657.
    Zie ook Stradanus' Nova reperta: prent van een schip in volle zee, detail-afbeelding van man met kompas.

In een korte Byvough noemt Stevin nog de mogelijkheid van een "saemplaets {Rende-vous.}" op zee waar schepen elkaar kunnen vinden, bij voorbeeld na een storm.


Aelbert Haeyen

Kort na het (anoniem) verschijnen van de Havenvinding kwam er kritiek: Aelbert Hendricksz. of Aelbert Haeyen publiceerde in 1600 Een corte onderrichtinge over de kunst van de zeevaart, en hoe die te verbeteren, waarin ook worden "wederleyt die abuysen" van "onbequame Leermeesters om Havens te vinden". De schrijver had in opdracht van de 'regering' van Amsterdam zeekaarten gemaakt van de Nederlandse kust (uitgegeven bij Plantijn in 1585), en zo ervaring opgedaan in het vinden van havens.
Bij Burger (1908) lezen we:  8
    De Koninklijke bibliotheek bezit het werkje in één band met de Havenvinding en de beide boekjes maken wel een zeer eigenaardig contrast, in samenstelling zoowel als in uiterlijk. De Havenvinding in keurige Latijnsche letter door Christ. van Ravelenghien gedrukt, helder van stijl, blijkbaar het werk van een echt wetenschappelijk man, maar zonder eenig vertoon van geleerdheid, de corte onderrichtinge daarentegen in Gotische letter, en hoogst onhandig in elkaar gezet door een man van de praktijk zonder wetenschappelijke vorming, maar juist met schijngeleerdheid overladen.
[...]
    Waar de schrijver echter die geleerdheid laat varen, en zich op zijne natuurlijke wijze uitdrukt, zegt hij de dingen vaak uitmuntend. Ziehier welken eisch hij aan een schrijver over de zeevaart stelt, daarbij tegelijk zijne tegenpartij en zichzelven aardig karakterizeerende (p. 3).

    Ten derden behoeft hy in die sprake, of scheeps duijts wel ervaren te wesen, de wyle men door ervaringe bevinden, dat een yder neeringh of ambocht zijn eygen sprake heeft, tzy met den scheeps, boeren, of krijghs handel, daer op een geleert man zeer wel geseyt ende gheleert heeft,
wie met een Boer handelen wil, die moet een Boeren rock aen hebben,
te weten, hy moet zijn sprake kennen, so gaet het met alle ambachten toe.
Maer tschijnt dat die Aucteur van die Havenvindinge in dat scheeps duyts niet wel ervaren is geweest, gelijc dat ons int maken van dit werck aen den Grammatica ende Dialectica ontbroken heeft, daer uyt wel openbaer is, dat hy zijn dagen niet veel Havens ghevonden, veel min op zijn eyghen kundt versocht heeft, als dat boecxken van die Haven-vindinghe wel mede brenght.
Stevin schreef later dat hij steeds zijn best deed om de vaktermen te leren bij elk nieuw onderwerp dat hij niet "deur boucken of Wisconstnaers leeren conde: Hier toe verstreckten my de werckluyden elck in haer const voor beste meesters". Heeft hij zich het verwijt aangetrokken?

Aelbert Haeyen had gelijk wat betreft de vaart langs de Noordzeekust, daar waren zijn kaarten nodig, en niet de variatie van het kompas of het instrument van Reynier Pietersz.
Burger noemt het

begrijpelijk dat zijn aanval zich in 't algemeen richtte tegen al die leermeesters die zelf de practijk der zeevaart niet kenden en hem en zijn gelijken het brood uit den mond namen. [...]

    Hier mag nog eene langere passage volgen die een merkwaardigen kijk geeft in dezen strijd tusschen de mannen der wetenschap en die der practijk. Op pag. 8 van de Havenvinding wordt Plancius geprezen omdat hij de waarnemingen over de miswijzing

deur langdeurighen arbeyt, en niet sonder groote costen by een vergaert heeft, uijt verscheyden houcken des eertbodems
Hierop antwoordt Haeyen (p. 20) het volgende.
    Dit selfde is aldus te weghe ghebraght: Als dese Stuerluyden, daer dit voornoemde werck van ghesocht is, alsulcke verre ende periculose reysen nae Oost-Indien, ende op ander plaetsen bestaen, ende met groote gevaer van haer leven volbroght hadden, so dat die eerste Oost-Indische vaerders van 250. man die zy uyt voerden, door quade ordinantie, daer zy mede af ghestuert waren, niet meer als 60. persoonen, so krancken als ghesonden, wederom te rugghe en broghten, die alle door toevallende swarigheyt omghecomen waren, ende die overghebleven, waren soo veer ghecomen dat zijt gheen 14. daghen langher in Zee soude ghehardt hebben, of zy souden met die schepen van elende hebben moeten vergaen, als haere eygen boecken die daer van ghedruckt zijn, uyt wijsen.

    Ende als zy uyt alsulcken perykel, Schip, en goet in een behouden haven (te weten in Tessel) manlick ghebrocht hadden, doen hebben zy haere kisten moeten openen, om datmen dese voornoemde Auctuer, oft zynen aenhanck, haer vergaderde schriften, ende kunst overantwoorden soude, die daer even soo veel verstandts van hadden, als die blinde van die verruwe [verwe, kleur] doet, als die vergaderde Naeldt-wysinghe wel mede brenght.
Ende dese Stuerluyden, hier van te voren wel verwitticht zijnde, hebben haere schriften en kund die zy met alsulcke groote perykel gehaelt hadden, niet willen overgheven; maer hebben alsulcke schriften in haer kisten ghelaten, die zy wel hebben willen missen, jae daer zijn sommighe die haer wel doruen beroemen, dat zy dese haere Leermeesters recht contrary overgegeven hebben als zy dat wel bevonden hadden.

    Alsoo noodt somtijts die Vos die Kraen te gast, alsmen bedrogh met bedrogh betaelt, daermen in die Fabulen Æsopi van lesen.

    Want die stuerluyden seggen, met seer goede reden, sullen zy ons leeren ende van ons haelen, ende vergaderen daer zy haer hier nae mede soecken te behelpen, dat is ons ongeleghen, want een stuerman is zijn kunt, kunst, ende besochtheyt zijn eyghen rijckdom, ja zijn acker ende zijn ploegh, daer hy hem mede soeckt te behelpen, oft te erneren.

Dit zal door de doelgroep met instemming gelezen zijn. Het is goed dat nog eens gewezen wordt op de doorstane 'perikelen', en op de onvrede over de geringe beloning. Maar Aelbert Haeyen kreeg op zijn beurt kritiek*): hij wist te weinig van de vaart over de oceaan.

    *)  Robbert Robbertsz le Canu, Een waerschouwinghe der zeeluyden, voor Albert Haijen dolinghe, 1600.


Het principe van de vrije uitwisseling van gegevens heeft het gelukkig gewonnen, en voortaan wisten de stuurlieden dat ze de gegevens moesten opleveren, het was een opdracht van de admiraliteit. De bekende Jan Huygen van Linschoten had in 1595 het voorbeeld gegeven: aan het eind van zijn Reys-Gheschrift ("van de Portugesen ende Spaengiaerden") staan lange tabellen met noorder- en zuiderbreedten en afstanden, en ook een "Instructie ende memorie van het wraken ofte declineren van de Naelden vande Compassen, op de Navigatie ende Coursen van Portugael naer Oost Indien".  9


1605/8: Eertclootschrift 5 - Vande Havenvinding

Het boekje voor de zeevaarder had 28 bladzijden met grote letters, in de Wisconstighe Ghedachtenissen voor prins Maurits zijn het 12 bladzijden met kleine letters in een statige foliant.  10

Verschillen

  1. Het begin van de inleiding heet nu Cortbegryp, hoewel het geen samenvatting is. Er is wel aan toegevoegd:
    Van dese vinding der Havens, die wy Havenvinding noemen (en niet Langdevinding welcke verder soude strecken, en weerdigher sijn) is ons voornemen in dit vijfde bouck te handelen.
  2. De spelling is iets gewijzigd (pylaer i.p.v. pilaer, t'welck i.p.v. twelck, seylen i.p.v. zeylen).

  3. De volgorde is veranderd: eerst stonden de Bepalingen achter de tabel, ze kwamen voort uit het betoog, nu staan ze vooraan, met erna de Voorstellen (volgens de 'oirden des wysentijts'). De tabel is naar voren gehaald, en onder de eerste bepaling gezet (de gegevens zijn gelijk).

  4. Nu ontbreekt de perkenfiguur, dat was een indeling van de hele Aarde in gebieden met afwisselend oostelijke en westelijke naaldafwijking. Er wordt alleen nog iets gezegd over de 160° waarvan de tabel gegevens bevat; er is geen sprake meer van zes perken. Nu staat er in plaats van:
    Hier uijt wilmen besluyten ...
    Hier uijt vermoetmen, dat de naelde recht noort wijst tot alle plaetsen gheleghen inde twee halfmiddachsronden deur Corvo ende Helmshuy, van d'een aspunt {Polo.} tot d'ander.
  5. Stevin zegt nu dat Plancius zekerder "bescheyt" verwacht over de rest van de Aarde, de 200° waarvan de gegevens niet met elkaar overeenkwamen. Dit in plaats van: "alle daghe nieuwe zeker ervaringhen, deur schepen die meer dan veerthien maenden uijtgheweest sijn".

  6. In plaats van 'eertrijck' staat er nu 'eertcloot' (eerst gebruikt in de zin van: globe, model-Aarde). Bepaling 1 van het Eertclootschrift staat er niet voor niets: voor een zeevaarder mag het aardrijk de hele wereld zijn, Stevin ziet de Aarde nu liever als een planeet, "het roerende weereltlicht dat wy bewoonen".

Zie ook: 'Hoemen scherper opt Zeecompas soude connen seylen', in 'Eertclootschrift' 4, Anhang-5.





Noten

  1. Ernst Crone geeft veel historische gegevens in Principal Works (pdf) III, 363-417.

    363: § 1. Introduction and general remarks
    365: § 2. The place of The Haven-finding art among 16th century textbooks on navigation
    367: § 3. The contents ... of 1599   a. Stevin's "conjecture" about terrestrial magnetism
    372: § 3 b. The measurement of the variation of the compass according to Stevin
    375: § 3 c. The Latin translation       376: § 3 d. The English translation
    378: § 3 e. The French translation   f. Stevins's view ... in 1608
    380: § 4. The measurement of the variation of the compass   a. Before Stevin's day
    388: § 4 b. Reynier Pietersz and his "golden compass"
    392: § 5. ... longitude by means of the variation of the compass.   a. The earliest views
    397: § 5 b. Mercator (1512 - 1594)       398: § 5 c. Plancius (1552 - 1622)       404: § 5 d. Stevin
    411: § 5 e. The evolution of the subject in the 17th and 18th centuries
    413: § 6. Appendix   a. The construction and the use of the astrolabium catholicum
    415: § 6 b. ... the longitude-finder of Plancius.

    Le Trouve-Port, Leiden 1599.
    Limeneuretikè, sive Portuum investigandorum ratio, Leiden 1599 (2e ex.); met opdracht aan de doge, senaat en inwoners van Venetië, hierin staat Stevin wel genoemd, maar de titelpagina vermeldt alleen de vertaler Hugo Grotius.
    The Haven-finding art, or the way to find any haven or place at sea by the latitude and variation, London 1599 (vertaler Edward Wright).
    Grotius' Latijnse vertaling verscheen weer in 1624, Wright's Haven Finding Art in 1657 en in 1968.
    Stevins Havenvinding wordt genoemd in een boek waarvoor Wright een voorwoord schreef: William Gilbert, De Magnete, verschenen in 1600,

    over a hundred years before it ceased to be an offence punishable by flogging for a British naval helmsman to have garlic on his breath for fear of demagnetising the ship's compass
        [Zie review, 2000.]
    Geen knoflook voor roergangers! Dat demagnetiseren met knoflook niet lukt staat in Gilberts boek. De roergangers hadden Latijn moeten leren, of zelf de proef doen (thuis!).
    Stevin heeft De Magnete, dat ook gaat over de "grooten Eertclootschen seylsteen", wel gelezen. Dit blijkt in de Hemelloop.
    Limeneuretikè wordt genoemd (en toegeschreven aan Hugo de Groot) in G. le Nautonier, Mecometrie de leymant (1603-4), waarvan boek 3 is opgedragen aan prins Maurits en boek 4 aan de 'Staten' van de Verenigde Nederlanden (het eerste titelwoord komt van het Griekse 'mèkos' - lengte). Zie voor citaten: Stevin's faam.   «

  2. Columbus had in zijn dagboek de variatie van het kompas al genoteerd, op 13, 17 en 30 september 1492. Hij schreef deze toe aan een verschuiving van de Poolster. Deed hij dit alleen omdat zijn bemanning in paniek was geraakt? Maar in zijn dagboek kon hij schrijven wat hij dacht, hij noemde ook steeds twee waarden voor de afgelegde afstand: de gemeten waarde hield hij geheim, een kleinere waarde gaf hij op aan de bemanning, zodat ze niet te bang zouden worden.

    Bij de twist tussen Portugezen en Spanjaarden over de verdeling van nieuwe gebieden had Paus Alexander VI een scheidslijn voorgesteld: van pool tot pool, waar de kompasnaald precies naar het noorden wijst. Maar bij het verdrag van Tordesillas (1494) werd gekozen voor een meridiaan: 370 Spaanse mijlen ten westen van de Kaapverdische eilanden. De lijn staat aangegeven op een kaart uit 1622, zie bij Neptune's Realm. Nieuw ontdekt land ten westen van deze lijn werd aan Spanje toegewezen, dus ook Amerika.
    De Portugezen wisten de Spanjaarden te overtroeven. Columbus had dan wel Amerika ontdekt, maar hij had gefaald in het vinden van een route naar Oost-Indië. Vasco da Gama kwam daar het eerst, hij was om Afrika heen gevaren. Spanje, groen van nijd, stuurde Magellan dus de andere kant op, om het nog eens te proberen. Oost-Indië bleek ook ten westen van de scheidslijn te liggen, en de Spaanse eer was gered.

        Who then shall measure the human achievements stimulated by the study of the earth's magnetism? Vast economic shifts; political rivalries leading to catastrophic wars; unprecedented mass movements in population [...]. And back of it all lay a slender bit of magnetized iron, poised unstably on a pivot, yet always looking to the north.
    Uit: L.W. Taylor, Physics. The Pioneer Science (1941, Dover 1959).
    Zie ook: Stradanus, Nova reperta (ca. 1590), gravure: 'Orbis longitudines repertae e magnetis a polo declinatione' (de lengtegraden verkregen uit de afwijking van de magneet van de pool) — ook in PW III, fig. 384a, beschrijving 385 (groot).   «

  3. Stevin noemt voor Amsterdam een 'oostering' van 9° 30'. Maar volgens Halley's kaart (1700) was de afwijking in Nederland: 7° naar het westen. Lorentz gaf in zijn natuurkundeleerboek voor 1913 op: 12°,6 westelijk. Nu komt nu de 'rechte' wijzing weer in zicht. Zie ook: 'Magnetic Declination Charts for Historical Epochs', en: 'Earth's North Magnetic Pole'.
    In 1635 publiceerde Henry Gellibrand als eerste over het veranderen van de declinatie op één plaats.
    Een tabel met waarnemingen van Le Telier/Davis is te vinden in: Pierre Herigone, Cursus Mathematicus (1644) IV, 426, maar Nederland komt er niet in voor. Van de longitude-getallen moet 21° afgetrokken worden (Amsterdam lag op 26° 8' oosterlengte, zie p. 246); het nulpunt was gekozen op het meest westelijke van de Canarische eilanden, zie p. 171: 'Ferro' (Hierro), dat ligt op 18° 00' W (en niet 21° W). Vgl. noot 6.
    In het midden van de 18e eeuw was al veel meer bekend over de 'miswyzing' en de verandering ervan, zie Uitgezogte verhandelingen, deel 4, p. 483-94.   «

  4. Twee drukfouten, naeldwijsighen, langdeurighen, in één zin? Heel zeldzaam voor die tijd. En niet genoemd bij de 'feylen'! De tweede is dan ook meer een kwestie van spellingverandering: in 1586 duer, mueghelick, euen; in 1608 deur, meughelick, even. In 1599 zowel hauen als haven, naast langdeurighen ook: nateur, zie volgend stukje.   «

  5. Zie 'Resoluties lengtebepaling' aangaande de wereldkaart van Plancius en zijn 'inventie'. Een afbeelding van de 'lengtevinder' staat in Principal Works III, 416, en in J. Keuning, Petrus Plancius. Theoloog en geograaf, 1552 - 1622   (Amsterdam, 1946), 128.   «

  6. Het begin van de lengtegraad was gekozen op de Azoren omdat daar de variatie van het kompas nul was. John Davis schreef in zijn Seamans Secrets (1595, 1607), ed. 1657:
    Longitude is that portion of the Equator contained between the Meridian of S. Mihels, one of the Iles of the Assores and the Meridian of the place whose longitude is desired: the reason why the accompt of the longitude both begin at this Ile, is because that there the Compass hath no variety, for the Meridian of this Ile passeth by the poles of the world, & the poles of the Magnet, being a meridian proper to both poles.
    San Miguel ligt op 25° 10' W (en 37° 40' N). Maar Ptolemaios had de Canarische eilanden gekozen als beginpunt, en Stevin sloot zich later bij hem aan: in zijn Eertclootschrift koos hij Teneriffe (16° 30' W, 28° 20' N). Vgl. noot 3, Herigone.
    Zie A.R.T. Jonkers, 'Parallel meridians' (pdf).   «

  7. Zie: Reistogten om den Aardkloot (tentoonstellingscatalogus, BKNAW 1995), en
    V.D. Roeper & G.J.D. Wildeman, Ontdekkingsreizen van Nederlanders (Kosmos, Z & K).   «

  8. C. P. Burger jr, Amsterdamsche Rekenmeesters en Zeevaartkundigen in de zestiende eeuw (Amsterdam, 1908) blz 39, 48.
    Bij 'Spiegel-der-seefahrt' is te lezen "daß Haeyens Karten zwar hinsichtlich der Ästhetik und Übersichtlichkeit Waghenaer kaum das Wasser reichen können, aber in Sachen Verläßlichkeit, Gebrauchswert und Präzision ihm oftmals überlegen sind."   «

  9. De 'Instructie' van Jan Huygen van Linschoten (ed. Gron. 1614) noemt het eiland Santa Maria (Azoren) als nulpunt waar de "Compassen ficx ende ghelijck" zijn, en geeft de oostering of westering in streken (32 in 360°). Plancius heeft er geen waarden van overgenomen — anders zou het veelbesproken eiland St. Helena wel in de Havenvinding-tabel staan — maar hij kan ze wel gebruikt hebben ter vergelijking. Voor de plaatsen die bij beide voorkomen is de overeenstemming redelijk goed (hier is afgerond op hele graden):
    Linschoten    Plancius
    Santa Maria 0 3° O.
    Lissabon 8° O. 10° O.
    Tristan da Cunha 17° O. 19° O.
    Kaap de Goede Hoop 4° O. 3° O.
    Mozambique 11° W. 11° W.
    Cabo Sant Romain 14° W. 16° W.
    Cochin 17° W. 15° W.

    Linschoten schrijft:

    alsmen is onder de Meridiaen, dat is: onder de Linea ofte streeck, diemen verciert inden omloop van het Firmament, vanden eenen Pool tot den anderen, te weten, recht te middewegen, cruyswijs over de Linea Aequinoctiael, alsdan so heeftmen alle Compassen (die goet en oprecht zijn) ficx ende gelijck, sonder te wraken naer 't oosten ofte westen
    Hij (zijn bron) nam evenals Plancius aan dat er een magnetische nulmeridiaan was.
    NB: "Sult gheadverteert wesen, 't Compas wel ende te degen te mercken, dattet niet een hayr en falgeert, te weten, houdende (in 't peylen) een oogh toe, om beter en scherper te sien".   «

  10. Heruitgave in het Latijn: Limenheuretica, in Hypomnemata Mathematica (1605); in het Frans: Du Trouve-port, in Albert Girard, Les oeuvres mathematiques de Simon Stevin (1634).   «




Simon Stevin | Havenvinding - intro (top) | Tekst 1599 | Tekst 1608